Een persoonlijke geschiedenis
Voortdurende vorming en hervorming
De grote vragen en antwoorden
Moed tot eerlijk denken
Volwassen Geloof                                                                           Hoofdstuk 1

        





Het is veel beter het Universum te doorgronden zoals het in werkelijkheid is dan hardnekkig in waanvoorstellingen te blijven geloven, hoe bevredigend en geruststellend ze ook mogen zijn.

It is far better to grasp the Universe as it really is than to persist in delusion, however satisfying and reassuring.

[Carl Sagan, The Demon-Haunted World]








Een persoonlijke geschiedenis

Het grootste deel van mijn leven ben ik een bijbelgetrouw christen geweest. Vanaf mijn vroegste jeugd zat ik wekelijks in de protestantse kerk. In die tijd werd je er voor gekleed met zondagse kleren. Mijn ouders gingen zelfs twee maal op zondag; de avonddienst had als doel om de preek met uitleg over de catechismus te horen. Elke schooldag op de lagere school werd met een uur lang bijbelse geschiedenis begonnen. Het was het beste uur van de dag. Ik genoot ervan. Ik kon wekelijks mijn versje zonder haperen opzeggen, zodat ik daarvoor de enige tien kreeg in mijn schoolloopbaan. Mijn vader besloot elke hoofdmaaltijd met een stukje lezen uit de Heilige Schrift en gebed.


In mijn tienertijd kwam ik in aanraking met de boeken van Hal Lindsey over ‘de eindtijd’. Voor een zestienjarige is de wereld zowiezo al benauwend, maar nu zag ik dat de hele wereld in de ban van Satan was en dat het op een rampzalige climax aanloopt, en –stel je voor!- dat nu juist in de tijd dat ik het leven tegemoet zou gaan! In diezelfde tijd maakte ik gelukkig kennis met de Youth for Christ, en kreeg ik de sleutels aangereikt om de vreselijke straf Gods te ontgaan. Al spoedig wilde ik me inzetten om een leven ten dienste van God te leven. Zo kreeg ik in een korte tijd houvast op het leven, antwoorden op vele levensvragen en een doel en motivatie waar ik me voor wilde inzetten. In twee, drie jaren las ik een stapel theologische boeken door, meer dan menigeen in z’n gehele leven. Elke week kocht ik met het geld dat ik verdiende met het bezorgen van de krant en op zaterdag het aanvullen van de levensmiddelen in een supermarkt een theologisch boek. Ik stond urenlang in christelijke en academische boekwinkels boeken door te snuffelen en zie nog voor me hoe de boekenverkoper glimlachte wanneer hij dat pientere ventje weer zag komen om zijn kennis te vermeerderen. Ik had een levend en warm geloof, dat werkelijk alles voor me betekende. Terwijl ik die kranten elke dag rondbracht oefende ik tezelfdertijd op de tekst van het Johannesevangelie om het uit m’n hoofd te leren. In mijn nieuwe bijbel schreef ik op de eerste bladzijde op mijn 19e verjaardag:


‘Met Christus ben ik gekruisigd. En toch leef ik. Niet meer mijn ik, maar Christus leeft in mij’ (Gal. 2: 20).


Op de volgende bladzijde dit gebed:


‘Here Jezus, wat is het toch een grote genade, dat U Zichzelf voor mij gegeven heeft. In U is het eeuwige leven. U bent zelf het leven en U geeft Uzelf om in mijn leven alles te zijn wat ik nodig heb. U reinigt mij, U heiligt mij en maakt mij ijverig in goede werken. U neemt mij geheel voor Uzelf en geeft Uzelf geheel voor mij. In alles bent U mijn leven. O Laat mij dit goed beseffen. Amen.’


Ik denk dat ik een typisch kind van de 70-jaren ben: er was in mij nooit opstand en boosheid, zoals in de jeugd van de jaren daarvoor, er was ook nooit droefenis en benauwdheid over een zondig leven, omdat ik geen andere zonde kende dan af en toe kibbelen met m’n kleine broertje of spieken op school (en dat was een sport). Later begreep ik deelgenomen te hebben aan een wijdverspreide Jezus-beweging die in die tijd over Amerika en Europa spoelde, misschien voor de laatste maal in de westerse geschiedenis. Deze opwekkingsbeweging onder jongeren had vreemd genoeg bijzonder veel gemeen met de golf die een ander deel van de jeugd meesleepte, waarin het christelijk geloof juist volkomen de rug werd toekeerd. Flower-Power en Jesus-Power, drugextase en extase in de Heilige Geest, communes en christelijke gemeenschapsgroepen, back-to-nature (of back-to-basics) en back-to-the-bible, Beatleverering en Jezusverering laten overduidelijk de gemeenschappelijke behoeften zien.


Ook waren er in mijn tijd geen preken met hellevuur en dreigementen meer in de kerk, mijn ouders waren daar ook heel tevreden over. Vaak kon mijn moeder onbegrijpelijke verhalen vertellen over hoe het toeging toen zij jong was. Hoe mensen elkaar verketterden omdat ze de ander niet zuiver in de leer vonden. Hoe haar zuster nog steeds niet, wanneer ze op bezoek kwam met mijn moeder gezamelijk naar de kerk kon gaan, maar een eind verderop de ware kerk opzocht. Over het verschrikkelijke lot van haar jongste broer die zelfmoord deed omdat hij bemerkte christen en homofiel te zijn en geen uitweg in zijn leven meer zag, wist ik totaal niets. Nee, mijn evangelie was inzien dat een mens hoge idealen wil nastreven: de Liefde. [1] En de Liefde vindt een mens als hij zichzelf opgeeft, als hij inziet dat God de wereld schoon en goed gemaakt heeft, maar de mens door zijn hoogmoed alles bezoedelt, de wereld onleefbaar maakt.


Zo was mijn godsbeeld er een die in de moderne westerse wereld tegenwoordig algemeen voorkomt: God is Liefde. God is een omarmende Vader, Hij is trouw, lankmoedig, goedertieren. Hij zorgt voor ons zo goed: zelfs onze haren zijn door Hem geteld. Alles werkt ten goede voor hen die God liefhebben. En Werpt al uw bekommernis op Hem, want hij zorgt voor u (1 Petr. 5:7). Een mens moet van zijn kant zich overgeven aan God, zodat Gods geest zijn werk kan doen en de mens kan maken tot iemand waar God een welbehagen aan heeft. Zo zat je met een onbegrijpelijk mysterie: Beijvert u daarom des te meer, broeders, om uw roeping en uitverkiezing te bevestigen (2 Petr. 1:10). Dus je bent uitverkoren maar moet tevens je best doen om er bij te mogen horen? Ah, de godsdienst kent meer onmogelijke mysteries dan God in zijn almacht zou kunnen scheppen. Het eerste wat de gelovige altijd leert is dat je de doos van ieder mysterie altijd keurig op slot moet laten en dat je het nooit mag uitpluizen met je verstand. Wie weet is dit geeneens een kenmerk van gelovigen maar een universele menselijke trek: met dat wat het grootst is, het heelal, houden de meesten van ons zich maar zelden bezig. Vreemd, want het zou ons zoveel kunnen vertellen.


Op m’n twintigste kreeg ik de vruchten van dit gelovig leven: Ik ontmoette een meisje waar ik mee wilde trouwen, waarvan ik wist dat zij door God mij gegeven was, en wist heel zeker ook dat ik naar het buitenland zou gaan, eerst naar Engeland om daar theologie te studeren, en later wie weet waar naar toe, om Gods woord te prediken. Drie jaren studeerde ik theologie in Londen. Naast de studie waren die jaren ook van grote betekenis omdat het de enige jaren in mijn leven waren waarin ik ervoer op welke liefdevolle en positieve manier een gemeenschap van toegewijde christenen (uit 33 verschillende landen!) het leven tesamen kan tegemoet gaan. Ik zal hier nooit een slecht woord over kunnen spreken. Ik voelde me gelukkig.


Op 24 jarige leeftijd begon mijn leven als volwassene. Vanaf 1981 heeft mijn leven zich afgespeeld in Finland, het land van mijn vrouw. Als ik hiervan één ervaring zou noemen, zou het de ervaring van de eenzaamheid zijn. Ik heb veel geschreven over dit leven. Het leven in Finland als buitenlander laat je namelijk niet koud. Dit alles kan men elders lezen. Men kan het ook horen in mijn muziek. Het is de vrucht van een eenzaam en christelijk leven.









Voortdurende vorming en hervorming

Maar meer nog dan deze eenzaamheid als buitenlander in een andere cultuur is mijn leven een verhaal van eenzaamheid in mijn eigen denken. Mijn denken heeft zich bedwelmd met stromen van prikkels, invloeden, ervaringen, gedachten uit vele talen en tijden, maar uiteindelijk liggen ze allemaal als scherven om me heen en schijnt de lijm me te ontbreken. Het moderne leven is vast voor iedereen een dramatische gebeurtenis. Wanneer ik eraan denk hoe de wereld er voor mijn ouders uit zag toen ze als kleine kinderen daarin opgroeiden, en eraan denk dat ze nu nog leven, sta ik daar helemaal versteld van. Zo zag mijn grootmoeder, geboren in de tijd van paard en wagen, de eerste mens op de maan staan, en riep uit -haar hoofd in opperste verbazing schuddend- : ‘Dat ik dat nog mag meemaken!’ Op de een of andere manier rekt een mens psychisch zo mee, dat hij alles opvangt, alles ombuigt en aanpast aan de nieuwe omstandigheden. Zo probeer ik het ook in mijn leven. Elk jaar van je leven geeft je weer een hoop te denken. Een verhuizing naar een ander land, een andere cultuur, geeft je bergen psychisch werk. Ook studeren, trouwen, kinderen opvoeden, je werk, de mensen, de rampen en mooie dingen die op je weg komen. Op de lagere school begon het met een inktpotje waarin je je pen moest dopen en een vloeiblad en werd er gewaarschuwd tegen balpennen en linkshandig schrijven, nu schrijf ik via een computer en internet in een paar minuten een brief naar Amerika en kan ik alleen nog maar glimlachen over het verleden. Alle dingen, alle ontwikkelingen, alle mensen doen mee aan de vorming en hervorming van je denkbeelden. En dan is er nog de bijna niet op te merken gestage ontwikkeling van je fysieke persoon. Als kind denk je als een kind, en later denk je weer anders. En vragen waar je eens een antwoord op had komen weer opnieuw boven. Andere vragen die je vroeger had leveren je later soms een glimlach op, omdat je de zin van die vraag niet eens meer ziet.


Vooral wat godsdienstig denken betreft heeft onze maatschappij in de laatste 40 jaar een fenomenale omwenteling doorgemaakt, een omwenteling die ik in mijn individuele leven van het ene uiteinde naar het andere heb doorlopen en weerspiegel.









De grote vragen en antwoorden

Toen ik een jaar of zeventien was, had ik één grote vraag waar ik erg mee zat: hoe kan het dat ik de enige lijk te zijn in mijn klas die altijd diepzinnig met levensvragen bezig is? Waarom zien zovele mensen niet in dat het gehele leven gewijd moet worden aan God, aan het zoeken van de weg naar de oorsprong, naar de zin van het alles? Tegenwoordig zit ik met de tegenovergestelde vraag: Waarom leven zoveel mensen met minachting voor deze wereld? Waarom ziet men niet dat een mens niets anders heeft dan deze wereld, dat deze wereld, juist de wereld zoals hij zich aan ons voordoet, de enige zin is?
Een andere vraag van vroeger was verwant aan de eerste: Waarom leert de bijbel dat de mensheid zo verdorven is, zich steeds meer van de oorsprong verwijderend, zodat het uiteindelijk op een climax aanloopt van satanische opstand tegen God en door haat vervulde mensheid? Houdt het geloof in zo’n negatieve ontwikkeling van de wereld niet onherroepelijk ook in dat je je levensblijheid verliest? Houdt het ook niet in dat Gods schepping eigenlijk een mislukking is? Paulus zegt zelfs alles op aarde als vuilnis te beschouwen, omdat hij zich slechts richt op het leven na dit leven ( Fil. 3: 6-11). Tegenwoordig vraag ik me vaak af waarom in vredesnaam ik me toen een wereldbeeld toeëigende zo volkomen doordrenkt van het doemdenken en het negatieve.

Ik pak een vergeeld boek uit de kast en krijg meteen een antwoord. ‘Jeugd in een stervende eeuw’ is de titel. De schrijver is de charismatische Dr Willem Ouweneel, wiens lezingen ik vaak bezocht. Het woord Jeugd op de bruine omslag is van boven versierd met wat pieterpeuterige bloemetjes en gras, maar de onderkant van de letters valt in brokken uiteen. Dit is symbolisch voor het volgende:


‘Miljoenen jonge mensen zijn gevangen in een afstervingsproces van deze eeuw dat zal eindigen in nihilisme en anarchisme. Dit proces is het gevolg van het moderne denken.’(achterflap)

‘De wanhoop van de moderne mens is dat hij meent dat er geen logisch-rationele antwoorden op zijn grote levensvragen zijn, en dat er in zijn ‘moderne denken’ geen plaats is voor een woordelijk geformuleerde openbaring van God. Het eerste is zijn wanhoopstoestand en het tweede beneemt hem de mogelijkheid uit deze toestand bevrijd te worden.’


Dit doemdenken stond centraal in de gedachtenwereld van het orthodoxe christendom van de zeventiger jaren (ook dit had zijn parallel in de niet-christelijke wereld, vgl Club van Rome met z’n zwarte toekomst-voorspellingen). In de 200 bladzijden van het boek werd de bewapening uitgedeeld om je tegen het ‘moderne denken’ te weren: Er is een onfeilbare bijbel.


‘Dit volkomen unieke morele karakter van de bijbel dwingt de mensen onherroepelijk tot een keus.’


Met zo’n geweldig antwoord was de keus voor een tiener niet moeilijk...

Later als volwassene zat ik toch vaak met de vraag: waarom heeft God als uiteindelijke oplossing een hemel en een hel? Dit zag ik steeds meer als slechts een denkbare ‘oplossing’ van de problematiek van goed en kwaad voor simplistische mensen. Wanneer een mens er eens goed over nadenkt ziet hij toch wel dat een God daar ver boven zou moeten staan. Want hemel en hel bieden totaal geen oplossing voor het wereldraadsel, het biedt ons alleen maar een strijdtoneel. Als er iets is wat voor een ontwikkeld mens duidelijk is na de tweede wereldoorlog, dan is het wel dat er in oorlog en strijd eigenlijk geen overwinning is, zelfs niet na een oorlog die je gewonnen hebt. Je zit alleen met de brokken van alles dat fout ging. Ik kan dan ook niet inzien hoe God voor eeuwig met de brokken van zijn mislukte schepping wil zitten, en dat is toch de overduidelijke implicatie van hel.


De meest fundamentele vraag vanaf mijn jeugdige jaren is altijd deze geweest: Moet ik dan alles in de wereld zien als zwart of wit, zoals het door de orthodoxe godsdienst gepredikt wordt? En stilzwijgend heb ik altijd het antwoord voor mezelf geweten: Ik heb nooit echt aan dit denken mee willen doen, omdat ik altijd wel sterk voelde dat dit niet strookte met het verlangen van waar mijn hart vervuld wenste te zijn. Ik wil alleen maar het witte van de godsdienst, en kan me niet voorstellen dat God het anders ziet. Het zwart is er alleen maar om het wit te kunnen begrijpen, om het witte tot uiting te brengen. Wanneer God hemel en aarde schept, duisternis en licht, warmte en koude dan is het vanzelfsprekend dat Hij ook liefde en haat schept. Het één bestaat namelijk niet zonder het ander, en alles wat is, is een mengeling van de twee. Zo is de vraag ‘Heeft God het kwaad geschapen?’ één van de gemakkelijkste om te beantwoorden: het kan niet anders. Je zou als gezond denkend mens hieruit natuurlijk meteen de logische conclusie kunnen trekken dat een godsdienst die berust op de basis van een zondevalmythe (op welke manier dan ook geïnterpreteerd) op een blunder van mythische proporties in ons denken staat, maar zover komt een christen zelden. Zoals dit boek later zal aantonen lopen wij christenen als vliegen op een soort kleverige pap. Al zouden we één of twee pootjes eruit vrij maken, we worden onmiddellijk weer vastgegrepen door talloze andere aspekten van ons geloof die ons in het kleverige geheel weer zullen vastbinden.


Zo richtte ik me –net als miljoenen andere christenen- in zulke momenten van vertwijfeling op wat ik beschouwde als de kern van het christelijk denken: godsdienst en geloof betekent altijd het je concentreren op de kracht van de liefde. Haat en nijd zie je dagelijks om je heen. Je wordt er bedroefd van. De kern van het christelijk geloof is dat het ons duidelijk wordt dat God er ook bedroefd om wordt. Uiteindelijk heeft God zelf het lijden van de mens op zich genomen om zo de wereld van de zonde te bevrijden. Op deze manier wil God de liefde ervaren. Wat een unieke gedachte! Zou een mens een beter antwoord kunnen krijgen op zijn lijden en op zijn vragen over de zin en vormgeving van zijn leven? Ik denk zelf dat het niet mogelijk is, en een mens die alleen met deze gedachten leeft zal volgens mij dan ook gelukkig zijn en hoeft geen regel verder te lezen. Ik zou hier dan ook moeten stoppen. De kamer van deze antwoorden gerieflijk moeten maken en de deur potdicht moeten doen voor oproerkraaiers en verstoorders van de behaaglijke vrede. Ik zou net als talloze andere christenen op dit punt moeten zeggen ‘ik geloof het verder wel’ en de bijbel voor de rest maar op een boekenplank moeten stof laten vergaren. Af en toe op kerstmis zou ik nostalgisch moeten gaan meezwijmelen en fijn gaan genieten van de mooie kaarslichtjes in onze donkere wereld.


Maar ik leef in het grote rad van het leven dat onophoudelijk, zonder ooit beleefd op de deur te kloppen, nieuwe vraagtekens naar boven schept. De dingen tijdens mijn leven zijn weer gaan warrelen. Ditmaal lijkt het alsof de kracht van een orkaan mijn gehele hebben en houwen de lucht in gooit en ik maar met grote ogen af moet wachten waar ik vervolgens op neer beland. Oude vragen steken weer opnieuw de kop op en weigeren met een kluitje in het riet te worden gezonden, geheel nieuwe vragen zetten me voor onmogelijk lijkende keuzes. Alles blijft altijd in beweging. En een helehoop gedachten van vroeger hebben nu hun dienst voorgoed gedaan. Ik zie alles anders. Of misschien zou ik moeten zeggen: ik ben eindelijk op een leeftijd aangekomen dat ik eerlijk mijn conclusies durf te trekken uit de diepste gevoelens die in mij leven. Ik begin de dingen duidelijker te zien en durf eindelijk verantwoordelijkheid te nemen voor mijn eerlijke denken. Ik word volwassen in mijn geloof en hoor voortdurend mijn eigen ik commentaar leveren wanneer ik de bijbel –die ‘onfeilbare’ boodschap van God- doorlees. Neem bijvoorbeeld mijn eigen uitspraak van hierboven (in al mijn jaren van christenzijn ongetwijfeld ergens opgevangen en in mijn denken bewaard): ‘Uiteindelijk heeft God zelf het lijden van de mens op zich genomen om zo de wereld van de zonde te bevrijden’. In zulke mooie bewoordingen wordt het je opgediend. Maar wat gebeurt er als je in zo’n prachtige volzin wat gaatjes prikt? Men neemt bijvoorbeeld het woordje ‘wereld’ in de mond, maar in werkelijkheid bedoelt het christendom te zeggen ‘de uitverkorenen’. En men heeft het over ‘bevrijding’, maar het christendom geeft de mens veelal juist zijn zondelast. Men spreekt over ‘verlossing’, maar het is voor het merendeel iets wat na onze dood schijnt te gebeuren, want om deze wereld geeft het christendom weinig of niets. ‘God heeft het lijden van de mens op zich genomen’ klinkt bovendien niet erg overtuigend wanneer je je herinnert dat Hij notabene zelf de wereld van het lijden geschapen heeft. En wat moet je ervan zeggen wanneer je er na wat graven in het christendom achter komt dat ‘het lijden op zich nemen’ helemaal niet uit solidariteit met de mensheid (zoals bovenstaande uitspraak suggereert) maar als ‘losprijs’, ‘afrekening van schuld’ bedoeld was? Dus God zorgt voor de oplossing van een probleem dat Hij zelf geschapen heeft! Zowel de kwaliteit als de kwantiteit van ‘de oplossing’ vertonen nogal hiaten. Er is dan ook in mijn leven nauwelijks iets zo frustrerends geweest dan na vele jaren en na lange studie op te merken dat theologie eigenlijk hetzelfde is als met intellectuele goocheltoeren en behendige gedachtenacrobatiek het esthetisch en intellectueel aanvaardbaar maken van de meest absurde, de meest kromme, verouderde, onmogelijke, veelvuldig tegenstrijdige, kinderlijke en soms banale opvattingen. De opvattingen die men er op nahoudt hebben hun basis in de menselijke wensdromen en angst voor de gevolgen van het afvallig worden, maar dit wordt zelden of nooit herkend en daarom praktisch nooit erkend.









Moed tot eerlijk denken

Met mij is het als gelovige echter anders gegaan. Ik – iemand die zichzelf absoluut niet anders kan zien dan als eeuwige vriend van God en eeuwig levend ter ere van Hem - ben op een punt gekomen dat ik moet toegeven de illusies van de christelijke godsdienst te doorzien. Totale eerlijkheid in mijn denken gebiedt mij alles anders te gaan zien. Nu ik op de helft van mijn leven ben, ben ik de bijbel weer eens opnieuw gaan lezen. En het is een angstwekkende crisis in je leven wanneer je dan ondervindt, dat dat wat altijd je troost en steun was opeens verandert in een nachtmerrie. Met een oorverdovende klap valt alles wat ik in de loop van een half leven heb opgebouwd in diggelen. Op bijna elke bladzijde zie ik al mijn oude geloofswaarden, al mijn gedachten over schoonheid, harmonie en een liefdevolle God veranderen in het tegenovergestelde en zie ik me wanhopig worden. Wat blijft er van een mens over als de bodem waarop hij staat – waarvan hij wist dat het graniet was - onder hem wegvalt? En toch weet ik dat ik sterker ben dan alle krachten in mij die me angst, twijfel, skepticisme, ironie, teleurstelling en depressies aanbieden. Ik ben op hetzelfde punt gekomen waar Nietzsche al meer dan 100 jaar geleden op belandde en zal me net als hij dat deed erdoorheen moeten vechten. Ik zal moeten uitkomen op wat hij voor ogen had, de Übermensch, hoewel ik dit woord eigenlijk niet meer kan gebruiken omdat het in de vorige eeuw zo’n vieze betekenis kreeg en bijna niemand de ware betekenis ervan meer begrijpt. Ik wil in de kracht van opbouwende, steunende en naar harmonie zoekende liefde blijven geloven. Zolang ik leef wil ik de Liefde dienen, ook als de liefde uiteindelijk een illusoir begrip blijkt te zijn.


De liefde samengesmeed aan de moed om het leven te aanvaarden zoals het in werkelijkheid door God geschapen is –de wereld zoals we hem kennen- , zal de sleutel voor de toekomst moeten zijn om op een gezonde Bovenmens te komen.


Om te beginnen zal ik mijn eigen tijd, de tijd die men postmodern noemt, niet door het slijk sleuren, zoals alle tegenwoordige fundamentalistische christenen dat doen (eindtijdverwachtingen). De werkelijkheid is namelijk juist het tegenovergestelde van hoe zij onze moderne wereld afschilderen: een ieder die de bijbel onbevangen leest en de gedachten erin zo objektief en eerlijk mogelijk vergelijkt met het hoogste denken van zijn moderne verstand, zal zien dat wij mensen moeizaam na duizenden jaren van wreed denken en handelen opgeklommen zijn tot iets hogers. De bijbel heeft misschien geholpen om te groeien in ons menszijn. Maar op dit punt van de geschiedenis aangekomen zien we overduidelijk dat wij mensen zo langzaamaan uit onze oude kleren beginnen te groeien. Ik weet zoveel meer dan de mensen in vroegere tijden. Juist daarom kan ik de God van de bijbel en de God van de westerse traditie van het christendom niet meer dienen. Ik geloof alleen nog in mezelf en de kracht van mijn rede. Niet als een god (want de moderne mens weet tezelfdertijd ook beter dan ooit hoe weinig hij eigenlijk weet en hoeveel hij tekort komt), maar als een Goed Mens, die zelfs God kan vergeven dat Hij ons moderne mensen in de steek laat, en die nadat hij alles wat nu volgt geschreven heeft, God zou willen bidden om vergeving dat het allemaal zo geschreven moest worden. Want ik blijf een mens: Hij blijft hardnekkig rondspoken als een uitvergroot mens, zelfs als een Hij, en ik blijf me gedragen als een kind, terwijl ik tezelfdertijd nergens zo zeker van ben als juist hiervan, dat ieder godsbeeld dat de mens heeft gecreëerd primitief is, dat de enige ware godsdienst het inzicht is dat men over God, die de onmetelijkheid van het universum te boven gaat, volkomen dient te zwijgen.


Voor het dilemma staande van de moderne mens wiens ogen zijn opengegaan op talloze manieren, begint het me duidelijk te worden dat de grootte van een mens gemeten kan worden aan de moed die hij in zich heeft alle feiten van het leven, de werkelijkheid om zich heen, de illusies die hij zich geschapen heeft, eerlijk onder ogen te durven zien en er toch niet om verbitterd wordt, maar integendeel, de keus maakt om de liefde te laten uitgroeien tot zijn hoogste stand. Dit is de mens die zich niet meer hoeft te zien als zondig en verrot van binnen en die ‘gered’ moet worden, maar uitgegroeid is tot mens die trots kan zijn op zichzelf: met de koele feiten van de natuurwetten en het omvangrijke moderne weten voor ogen kiest hij toch voor het leven, aanvaardt hij het leven zoals God het geschapen heeft, met een traan en een glimlach. Met onuitblusbare liefde gaat hij in deze wereld in het volste vertrouwen op de uiteindelijke terugkeer tot God aan de slag in dit leven. Zolang ik leef wil ik een mens zijn die mensen om me heen liefheeft, en medelijden heeft met mensen die allemaal net zoals ik zich klein en nietig voelen in de zwarte en oneindige nacht van het heelal. En tezelfdertijd wil ik uitgroeien tot mens die geen medelijden nodig heeft, die het leven recht in de ogen kijkt en er nooit over klaagt, maar alles wat het leven brengt aanvaardt. Een mens die uiteindelijk zorgeloos de dood onder ogen zal zien, omdat er voor hem geen andere God is dan de God die dit leven als prachtig geschenk gegeven heeft en de gehele schepping tot een perfecte terugkeer tot Hem zal brengen. Dat deze God waar ik nu over spreek er volkomen anders uitziet dan de God die men mij altijd voorgehouden heeft zal in dit boek duidelijk worden en heeft mijn leven tenminste de laatste tien jaar dag en nacht beziggehouden. Niets heeft zoveel van mijn psyche gevergd als dit innerlijk proces om los te komen uit de onbegrijpelijke ijzeren greep van de bijbel. Deze ‘ijzeren greep’ houdt verband met de keerzijde van het christelijk geloof, iets waar ik niet meer over kan zwijgen, maar in alle kleuren in het hiernavolgende uit de doeken zal doen.





            













[1] Je kan je natuurlijk afvragen waarom. Dit is een leuke bezigheid voor een ander boek. Het boek zou beginnen met deze sublieme uitspraak van Nietzsche: ‘De liefde is de toestand waarin de mens de dingen het meest ziet zoals ze niet zijn. Hier vindt de illusionerende impuls zijn hoogtepunt’. We hebben hier wellicht zowel het ultieme oordeel over godsdienst alsook de reden waarom godsdienst zo populair is en blijft. Om dit laatste met een andere uitspraak van Nietzsche duidelijk te maken: ‘Men beschouwt mooie gevoelens als bewijsstukken, overtuiging als kriterium voor waarheid.’



[V1] Wat mijn ijver aangaat een vervolger van de kerk, en wat betreft gerechtigheid op grond van de wet ben ik volmaakt. Maar wat winst voor mij was, ben ik omwille van Christus gaan beschouwen als verlies. Sterker nog, ik beschouw alles als verlies, want het kennen van mijn Heer Christus Jezus gaat alles te boven. Om Hem heb ik alles prijsgegeven, en ik beschouw alles als vuilnis als het erom gaat Christus te winnen en één te zijn met Hem; mijn gerechtigheid steunt niet op de wet maar op het geloof in Christus: zij komt van God en steunt op het geloof. Ik wil Christus kennen, de kracht van zijn opstanding en de gemeenschap met zijn lijden; ik wil steeds meer op Hem lijken in zijn dood om eens te mogen komen tot de opstanding uit de doden.