
‘U kunt mij een afvallige noemen, een atheïst, noemt u mij
hoe u wilt, maar ik ben van plan mijn kinderen zo te behandelen dat ze later,
staande bij mijn graf, in eerlijkheid kunnen zeggen: ‘Hij die hier rust heeft
ons geen enkel moment van pijn gegeven. Uit zijn mond werd nooit een
onvriendelijk woord gehoord’.
[Robert Ingersoll]
‘Want ik ben gekomen om tweedracht te brengen tussen een
man en zijn vader en tussen een dochter en haar moeder en tussen een
schoondochter en haar schoonmoeder; en iemands huisgenoten zullen zijn vijanden
zijn. Wie vader of moeder liefheeft boven Mij, is Mij niet waardig; en wie zoon
of dochter liefheeft boven Mij, is Mij niet waardig.’
[Jezus, Mattheüs 10:
35-37]
Wij mensen beginnen ons godsdienstig denken met deze basisgedachte: God is goed en perfect en almachtig. Als uitgangspunt voor waar een christen zoal in gelooft zou men bijvoorbeeld de Nederlandse Geloofsbelijdenis kunnen nemen. Zij komt aan met 37 geloofsstellingen en begint met deze uitgangspunten:
"Artikel 1: De enige God.
Wij geloven allen met het hart en belijden met
de mond, dat er één God is,
een geheel enig en éénvoudig wezen. Hij is eeuwig, niet te doorgronden, onzienlijk, onveranderlijk,
oneindig, almachtig. Hij is volkomen wijs, rechtvaardig en goed en een zeer overvloedige bron van
al het goede.
Artikel 2. Hoe wij God kennen.
Wij kennen Hem ten eerste door de schepping, onderhouding en regering van de hele wereld. Want
deze is voor onze ogen als een prachtig boek, waarin alle schepselen, groot en klein,
de letters zijn, die ons te aanschouwen geven wat van God niet gezien kan worden, namelijk
Zijn eeuwige kracht en goddelijkheid."
Hoe is het dan mogelijk dat we met
bovenstaande eenvoudige en ondubbelzinnige gedachte als uitgangspunt een
godsdienst uitvinden van pakweg 1689 bladzijden (mijn nieuwe bijbelvertaling) waarin we een
wirwar van gedachten over behoudenis, verdoemenis, een oneindige lijst geboden,
verboden, dreigingen, straffen, voorwaarden, uitleggingen, tegenstrijdige
verslagen, onmogelijke voorstellingen van de werkelijkheid, ongerijmdheden, absurde
of onbenullige voorschriften, een oneindige opsomming van moorden, wreedheden
en willekeurig, grillig handelen van God tegenkomen? Het is niet moeilijk de oorzaak te vinden.
Dit alles is het gevolg van het grootste waandenken dat onder de mensheid maar de ronde doet: dat
God zich aan uitverkorenen geopenbaard heeft, en hen gebruikte om een woordelijke openbaring van God
aan de mensheid te geven. Zo worden bovenop deze beginstellingen van de Nederlandse Geloofsbelijdenis
ellenlange uit de lucht gegrepen uitweidingen en absurditeiten gelegd, die van het geheel zo'n ordinaire
stamppot maken dat een klein kind de ongerijmdheden er zo uit kan pikken.
Laten we eens beginnen
met de drie-eenheidsleer. Van de 'enige en éénvoudige' God in
artikel 1 wordt
vanaf artikel 3 tot en met 37 een Vader en een Zoon en een Geest gemaakt! Een 'Vader' heeft een
'Zoon' verwekt, en tesamen hebben ze nog een 'Heilige Geest' voortgebracht. Alledrie zijn ze maar
één persoon, maar toch ook drie goddelijke personen die totaal onafhankelijk van elkaar zijn.
Hoewel elk wezen dat ontstaan is uit een ander jonger is dan het wezen waaruit het is ontstaan,
is de Zoon toch evenoud als de Vader en is Hij bovendien niet geschapen. Voor ons verstand is
het noodzakelijk dat de
goddelijke persoon, die het ontstaan van de beide anderen heeft bewerkt, er eerst moet geweest
zijn, maar wat heeft geloof met verstand te maken? Hoe de Vader en de Zoon een 'Wezen' kunnen zijn
zonder 'Geest' te zijn, die weer als apart persoon gezien moet worden, is een raadsel; een
aanslag op de menselijke rede zou een betere uitdrukking zijn. Waarom zou de Zoon trouwens zo genoemd
moeten worden indien Hij toch niet geschapen is? En waarom moet God een Vader heten, en niet een Moeder,
of nog beter, maar gewoon God blijven heten,
indien Hij geen lichaam heeft en alles, zowel het mannelijke als het vrouwelijke uit God voortkomt? Voorwaar
een goddelijk circus.
Van Gods 'niet te doorgronden wezen' krijgen we dus
een dik boek dat niets anders doet dan allerlei details ervan in te vullen, op de meest onzinnige wijze.
Juist
op die wijze die de oorspronkelijke nogal redelijk voorkomende tekst van artikel 1 en 2 tegenspreekt!
Zijn almacht moet men bijvoorbeeld met een
korreltje zout nemen, omdat er ook opeens een ondergod Satan
bestaat die van alles uitspookt wat God niet wil. Zijn wijsheid moet ook met een korreltje zout
genomen worden omdat ieder mens mislukt (zondig) is; zijn goedheid moet ook geforceerd worden gezocht, omdat
Hij de mensen jammergenoeg niet allemaal kan redden en bovendien met de afschuwelijkste eeuwige straf komt
voor mensen die zus en zo niet geloven enz. enz.
De tegenstrijdigheden kunnen niet naiever zijn.
Ik had een zoon van vijf die mij al vroeg hoe Jezus God kan zijn, 'want hij ging toch dood en God kan toch niet
doodgaan'?
Lees artikel twee nog een keer en lees daarna wat er direct op volgt:
"Dit alles is voldoende om de mensen te overtuigen en hun elke verontschuldiging te ontnemen".
Ieder kind dat net artikel 1 gelezen heeft zal opmerken dat er niets te verontschuldigen valt, omdat God goed, wijs en perfect is, en logischerwijs dus niets maakt dat iets te verontschuldigen zou hebben. Waarom dan toch meteen dit schuldig maken? Het vervolg van Artikel 2 geeft meteen het antwoord:
"Ten tweede maakt Hij Zichzelf nog duidelijker en volkomener aan ons bekend door Zijn heilig en goddelijk Woord, namelijk voor zover dat voor ons in dit leven nodig is tot Zijn eer en tot behoud van de zijnen."
Het antwoord kan niet duidelijker zijn. Het christendom heeft niets over God te zeggen: over zijn openbaring in de natuur is men in één zin uitgesproken, en de rest wat gezegd wordt spreekt deze zin tegen. (Een onderstreping van bovenstaande kan men lezen in de volgende zin uit een lezing van prof. Houtepen: "Van de 1500 bladzijden met oecumenische verklaringen [van de Wereldraad van Kerken] over allerlei kwesties die de kerken verdeeld houden, gaan er maar 15 uitdrukkelijk over God.") Christelijk geloof is slechts een verhaal dat betrekking heeft op een door mensen bedacht geloofssysteem. Het doel van dit systeem is "om mensen hun verontschuldiging te ontnemen" en ze zo slaaf te maken van dit systeem. Als wapen gebruikt men beloning en straf, "behoud van de zijnen", dwz behoud van enkele mensen die op de juiste wijze aan het systeem voldoen, en eeuwige verdoemenis voor de rest. En dan heeft men nog het lef te stellen dat dit alles "tot Zijn eer" geschiedt!
Laten we de dilemma's van de vorige twaalf hoofdstukken eens opsommen en de balans opmaken om te zien op hoevele manieren God in het christelijk geloof door het slijk wordt gehaald:
Kan er afgezien van de angst en het op andere manieren psychisch ziek-zijn van de mens een reden gegeven worden om deze God van de bijbel te vereren?
In dit e-boek hebben we het vrijwel niet gehad over de talloze tekstuele problemen en de kolossale problemen van literair-kritische aard die de bijbel ons oplevert, want dan zou de omvang van dit boek wellicht het dubbele of driedubbele zijn, maar ook hier bevinden we ons in een moeras waar we ons voortdurend in weg voelen zinken. Alleen al met de persoon van Jezus zoals die ons in de korte beschrijvingen van Hem zijn overgeleverd komen we terecht in 1000 probleemstellingen die de geloofwaardigheid van de bijbel in twijfel trekken. Om maar een puntje van de ijsberg op te sommen het volgende:
Tenslotte, zoals in dit e-boek uitgebreid aan de orde is geweest, wat de bijbel in zijn geheel betreft is het overduidelijk dat zij niet alleen op wetenschappelijk, maar ook en vooral op het ethische vlak zo achterhaald is dat we die niet meer als een godsopenbaring kunnen beschouwen en aan een volmaakte God toe kunnen schrijven. Eerder is de bijbel een middel om het zicht op God volkomen kwijt te raken. De alternatieven zijn de volgende:
"Welnu, ofwel wist God zelf in die tijd niet beter [Hegels slimme oplossing; hij stelde voor dat God, De Geest, ethisch onderhevig is aan een groeiproces gelijk aan de vooruitgang van de mensheid], ofwel heeft hij de mensen bewust om de tuin geleid, ofwel is de bijbel (Oude en Nieuwe Testament) niet zijn Openbaring, ofwel heeft hij het ideale excuus: hij bestaat niet. Ik beweer dat er geen andere mogelijkheden zijn." (Etienne Vermeersch)
De alternatieven zijn allemaal stuk voor stuk ontluisterend voor iemand die zich kent als christen. In onovertrefbare scherpe bewoordingen worden deze dingen uitgebreider aangesneden door Etienne Vermeersch in Postscriptum over de God van het christendom en Hoezo christelijke waarden.
De vraagtekens stapelen zich tot in het oneindige op wanneer we ook nog de christelijke geschiedenis erbij betrekken. Hoe kan Jezus ons de opdracht geven de gehele wereld in te gaan om het christelijk geloof dat ‘de Goede Boodschap’ wordt genoemd, ter behoudenis van de goddeloze mensen te prediken en ons 1500 jaar laten wachten voordat we eindelijk het Amerikaanse continent ontdekken en het die ‘goddeloze’ wereld pas kúnnen aanbieden? En wat is er van die wereld overgebleven nadat wij met ons christendom aankwamen? Hoe kan Hij zijn werk zo in de steek laten door in de gebieden die het langst christelijk waren opeens een nieuwe godsdienst te laten opspringen die al zijn volgelingen met het zwaard ‘bekeert’ tot een alweer nieuw en alweer als enige waar geloof ‘Islam’? Hoe laat Hij zijn werk volkomen in de steek door de kerk in de middeleeuwen te laten vervallen tot een schandelijke instelling?
Arthur Schlesinger Jr.:
‘Als historicus moet ik toegeven dat het enigszins op mijn lachspieren werkt wanneer ik de joods-christelijke traditie geprezen hoor worden als de bron van onze tegenwoordige aandacht voor de rechten van de mens…In feite werden alle religieuze tijden gekenmerkt door een grove onverschilligheid ten opzichte van mensenrechten…niet alleen in het zwijgzaam toestaan van armoede, ongelijkheid, uitbuiting en verdrukking, maar ook in het enthousiast rechtvaardigen van slavernij, geloofsvervolging, het in de steek laten van kleine kinderen, martelen en volkenmoord. De godsdienst gedurende het grootste deel van de westerse geschiedenis, heeft de verzoekingen en het lijden van de mensheid altijd gezien als verordineerd door de Almachtige om zondige stervelingen te testen en te zuiveren…Daarenboven heeft de godsdienst aan hierarchiën, autoriteiten en ongelijkheid een goddelijke goedkeuring gegeven. De godsdienst haatte godslastering en vreesde valse leringen het meest…het was de tijd van gelijkheid dat aan zulke religieuze praktijken als brandstapels pas een eind maakten.’ (speech at the inauguration of Vartan Gregorian as president of Brown University, 1989)
Ik daag iedere bijbelgetrouwe christen uit om boeken met de volgende onderwerpen te lezen en daarna te verklaren dat hij zijn geloof behouden heeft, en zo het antwoord 'ja' is, te vertellen om welke reden dan wel:
Ik heb de redenen die gegeven worden door brave christenen trouwens al opgevist uit het internet:
Voor gelovigen die kritisch willen leren denken over hun geloof hier een mooie boekenlijst, en hier nog één.
Iets wat voor ieder nu levend mens duidelijk is, is het feit dat de moderne wereld in zogoed als alles verschilt van de vroegere tijdperken. Er leven in deze moderne eeuwen meer mensen dan er zo ongeveer voor het jaar 1600 in alle tijden uit onze opgetekende geschiedenis tesamen geleefd hebben! Als de God van de bijbelse traditie de ware God is, dan heeft Hij in deze wereld geen aanhangers meer. Zelfs zij die zeggen hun geloof op de bijbel te baseren leven in een volkomen andere denkwereld dan hetwelk hun bijbel ze onderwijst. De moderne mens kan zich niet meer behelpen met de oude godsvoorstellingen. [1]
Ik blijf somber peinzen op welk punt in mijn leven ik nu terecht gekomen ben. Ik begrijp opeens de draagwijdte van het godsdienstige dilemma, de diepten van onze europese cultuur. Ik voel me op de meest afschuwelijke manier bedrogen door het orthodoxe christendom. Ik voel me ellendig. Als een mens geen antwoorden heeft kan hij zich wanhopig voelen. Maar veel erger is de toestand van iemand zoals ik die eens dacht de antwoorden te hebben, maar later inziet dat hij op een grove manier bedrogen was en met zijn ogen open blind door het leven ging. Lees hier het aangrijpende verhaal van een atheïstische theoloog, Ralf Bodelier, en denk je in wat een lange weg wij goedgelovigen hebben:
Soms kijk ik om in schaamte en verwondering. Was ik zo naïef? Heb ík dat allemaal gedaan en dat allemaal geloofd? De stap van gelovige naar atheïst, is alleen vergelijkbaar met ontwaken. Slaap je, dan weet je niet dat je slaapt. Ben je eenmaal ontwaakt, dan kun je je niet meer voorstellen hoe het was toen je sliep. Wel dat de slaap van de rede monsters baart.
Lees, nu we op dit punt van dit e-boek gekomen zijn, om het enigszins te kunnen begrijpen eens enkele woorden van een vurige prediker van het evangelie waar ik aandachtig naar luisterde toen ik jong was:
‘De Bijbel is het enige boek dat een uitweg uit de wanhoop van de moderne mens biedt, door hem een weg te wijzen hoe hij van zijn schuld bevrijd kan worden en hoe zijn relatie met God hersteld kan worden. Het is erg belangrijk in te zien dat de Bijbel in dit opzicht inderdaad volkomen uniek is. Geleerden hebben de klassieke werken van de antieke beschavingen en de heilige Oosterse boeken nagespeurd en zowel christenen als niet-christenen hebben erkend dat deze geschriften geestelijk dor zijn. De Koran van de Islamieten bestaat uit een grote hoeveelheid kaf, waarin enkele korrels tarwe verborgen zijn, ontleend aan de Bijbel. De Veda van de Hindoes, de Zendavesta van de Perzen, de Tipitaka van de Boeddhisten en de Confuciaanse klassieken van de Chinezen bevatten ‘onleesbare massa’s ballast, een vervelende en vermoeiende warboel, waarvoor onmogelijk belangstelling kan worden opgewekt’ (Harold St. John). Verscheidene van deze oude boeken vallen op door hun grove immoraliteit. Prof. Max. Muller durfde de boeken van de Hindoes niet letterlijk te vertalen om niet gearresteerd te worden wegens het publiceren van de meest obscene pornografie. Er is een niet te overbruggen morele kloof tussen de Bijbel en menselijke religieuze geschriften, welke alleen verklaard kan worden als we inzien dat de Bijbel het geïnspireerde Woord van God is.’
‘Maar denk er dan aan wat het grootste feit van dit alles is, het (volgens verschillende autoriteiten) best gedocumenteerde feit uit de hele geschiedenis. Dat is het feit dat Jezus Christus, de volmaakste Mens die ooit op aarde geleefd heeft, de Zoon van God, op de derde dag na zijn sterven is opgestaan uit het graf. Daar kun je niet om heen. Hij wil jouw leven binnenkomen, als jij de deur niet voor Hem gesloten houdt. Blaise Pascal zei eens: “Er is licht genoeg voor hen die willen zien”. Wil jij? Kijk niet naar wat de massa doet – de massa heeft nooit gelijk. Kijk naar wat je zelf bent.’ (Dr. W. Ouweneel in ‘Jeugd in een stervende eeuw’).
Nu ik wat langer rondloop op aarde is het voor mij onbegrijpelijk dat mensen die een stuk of drie keer doktor zijn zulke ongelooflijk naieve dingen kunnen schrijven. De enige troost die ik uit dit feit krijg is dat ik het mezelf daardoor kan vergeven als jong mens ook zo naief te zijn geweest. Bovenstaande christelijke voorstelling is trouwens niet slechts naief, maar bovendien oneerlijk. De zin "Het is het enige boek dat hem wijst hoe de mens zichzelf in overeenstemming met zijn persoonlijkheid vervullen kan", slaat me nu ik boven de 40 ben in het gezicht. Hoe kan iemand het je volledig overgeven en laten inpakken door een boek dat duizend antieke leerstellingen opdringt in overeenstemming laten zijn met de vervulling van je eigen persoonlijkheid? Er is niets dat ik in mijn leven zo sterk gevoeld heb als dit: mijn persoonlijkheid is volkomen tegenovergesteld aan de godsdienst die mij opgedrongen is. Zoals Ouweneels schrijven laat zien begint het christelijk geloof met 'hoe iemand van zijn schuld bevrijd kan worden'. Er is niets dat zó indruist tegen mijn eigen persoonlijkheid als dit basisgegeven. Er vált namelijk niets te verzoenen tussen mij en God. Ik heb de God die deze wereld gemaakt heeft lief, en wil in deze wereld liefdevol handelen en denken. En als ik daarbij een steekje laat vallen, dan doet dit helemaal niets af aan dit basisgegeven. Een mens houdt innig van zijn hond, terwijl hij best weet dat die hond af en toe kan bijten. En dan moeten we geloven dat God tot zo'n onvoorwaardelijke liefde niet in staat is? Dat wij bij God in schuld staan omdat wij als mens in de wereld zijn geboren? Deze gedachte dat liefde totaal geen voorwaarden stelt draag ik in me vanaf mijn allervroegste jeugd; het is mijn diepste innerlijk. Het licht schijnt in mijn eigen innerlijk, en de bijbel heeft in mijn leven niets anders gedaan dan het proberen uit te doven en vies te maken. Het christelijk geloof maakt van zowel God als de mens een afzichtelijk gedrocht, en verdraait het menselijk leven tot het toppunt van onnatuurlijkheid.
Maar deze woorden nu na 30 jaar opnieuw gelezen te
hebben begrijp ik opeens de inleidende woorden tot Ouweneels boek die ik al
eerder aanhaalde: ‘Miljoenen jonge mensen
zijn gevangen in een afstervingsproces van deze eeuw dat zal eindigen in
nihilisme en anarchisme. Dit proces is het gevolg van het moderne denken.’ Ik begrijp nu dat
deze woorden niet slaan op
de miljoenen mensen buiten het
christendom, maar juist op de mensen die verstrikt zijn in het krampachtige,
benauwde, conservatieve christendom! Het is een onderdrukt visioen in het brein
van Ouweneel zelf. Hij is scherp genoeg om het instorten van zijn eigen
denkwereld aan te voelen, is er zo bang voor dat hij zich met man en macht
ertegen verzet met behulp van verkrampte opinies waaraan hij tegen beter weten
in blijft vasthouden, om het instorten van zijn wereld maar te voorkomen.
Wanneer zoals bij mij, na een half leven in zulke leugens geloofd te hebben, de
ogen van zulke mensen eindelijk opengaan, is het gevaar wel zeer groot dat ze
doorslaan naar een uiterste zoals nihilisme en anarchie en ongecontroleerde
agressie. Hetzelfde is ook op te merken in de theologie van de Katholieken.
Terwijl de Protestantse theologie al honderden jaren bezig was met het onderuit
halen van de traditionele theologie en men er zich moeizaam, maar toch nog
enigszins op kon aanpassen, bleven de Katholieken stevig op hun eiland van
kerkelijke autoriteit, zekerheden en middeleeuwsheid, totdat in de zestiger
jaren van de vorige eeuw opeens de dijk doorbrak. Vanaf die tijd heeft het er
vaak op geleken dat vele Katholieke theologen er alles aan doen om zo
buitenissig modern en revolutionair mogelijk te zijn. Het hele hebben en
houwen van de kostbare interieurs van hele Katholieke kerken spoelt bij wijze
van spreken de zee in. Alsof ze nog maar één waarde hebben: in het Guiness boek
van records te komen. Zo is ook het moslimfundamentalisme een uiting van wanhoop
bij het aanzien van het instorten van de oude waarheden.
Een evengroot gevaar voor mij zal zijn dat ontmaskering van de waan, de naïviteit
en het valse van traditionele theologische opvattingen de mens zo gemakkelijk
vullen met een gemoed waarin minachting en arrogantie de boventoon voert. Het inzicht
dat het in de godsdienst om theologische hersenspinsels gaat, die nu eindelijk
achterhaald zijn door allerlei
moderne feiten, geproduceerd door te werk gaan via een onwrikbare 'wetenschappelijke methode',
die ver uittorent boven het denken van vroeger, mondt dan gemakkelijk
uit in een arrogantie die altijd denkt het beter te weten, maar die aan de
diepere waarheden van het leven geheel voorbij gaat, en waaraan dieper inzicht volkomen ontbreekt.
Ik vond een paar woorden die Nietzsche ooit eens neerschreef en ik goed in mijn oren wil knopen:
Je vereert en veracht in je jonge jaren nog zonder de nuanceringskunst die de grootste winst van het leven is, en je moet er dan ook hard voor boeten mensen en dingen op die manier met je ja's en nee's te hebben overvallen...Later, als de jonge ziel, door louter teleurstellingen gemarteld, zich eindelijk argwanend tegen zichzelf keert, nog altijd vurig en wild, ook in haar argwaan en gewetenswroeging: hoe kwaad maakt zij zich dan, zij verscheurt zichzelf van ongeduld, zij neemt wraak voor haar lange zelfverblinding alsof deze vrijwillig was gekozen! In deze overgangsfase straf je jezelf door je gevoel te wantrouwen; je foltert je enthousiasme door twijfel, je voelt zelfs een goed geweten al als een gevaar, als weer een soort jezelf voor de gek houden; en vooral kies je partij, principieel partij tegen 'de jeugd'. -Tien jaar later: en je begrijpt dat ook dit alles nog -jeugd was! (Voorbij goed en kwaad, §31)
Ik zal me moeten wapenen tegen al deze gevaren. Het zal me niet gemakkelijk vallen in dit tweede deel van mijn boek en in dit tweede deel van mijn leven, zoveel is zeker.[2]
Om te beginnen zal ik Ouweneel en alle
andere leermeesters met groot charisma die ik heb gehad vergeven voor het
verkondigen van zoveel zekerheden. Ze zijn allemaal mensen zoals ikzelf, en
zijn op zoek naar houvast en goedheid in het leven. Ik merk via het internet
op dat Ouweneel inmiddels ook bepaalde dingen op een andere manier bekijkt.
Ach, wat heb
ik te doen met zo iemand als Ouweneel die zich liever van de ene naar de andere kromme
bocht van het geloof begeeft
(zie ook dit mooie artikel
voor de laatste smakelijke details aangaande de eindtijd)
en zo ongeveer bij het uitspreken van de naam Jung al met furore door zijn geloofsgenoten aangevallen wordt,
dan zich er volkomen uit bevrijdt en eindelijk als een vrij man de heerlijke
frisse lucht van het leven mag inademen. Wanneer ik deze site
bekijk kan ik niet anders zeggen dan dat het christendom wel het toppunt van
triestheid te noemen is, een soort mengeling van masochistische en sadistische
trekken, de allergrootste en allerafschuwelijkste val om in te vallen om je
leven maar zuur te maken, om de werkelijkheid van het bestaan maar nooit in te kunnen
zien, om beurtelings dan weer jezelf
dan weer de ander door de rechtzinnige mangel te nemen, om uiteindelijk zelf altijd
maar gelijk te hebben. Terwijl alles onder het
mom van waarheid, goedheid en liefde geschaard wordt, is de waarheid over het
christelijk geloof de meest bedroevende verkrachting en verduistering van ons menszijn.
Als eerste waarheid van 'diep inzicht' zal ik hiermee komen: Weg die malle zogenaamde zekerheden over
het luchtledige! Weg met de tiran van het leven, de zwarte bijbel! Weg uit de enge kring van mensen die
zich in alle ernst 'gemeenschap der heiligen' noemen. Word weer mens, dwz behoor slechts tot één
gemeenschap: de wereldgemeenschap!
Gelukkig de mens
die niet meegaat met wie wedergeboren denkt te zijn.
die de weg van de ware gelovigen niet betreedt,
die bij vrome antwoordapparaten niet aan tafel zit,
maar vreugde vindt in altoos voor nieuwe raadsels te staan
en altijd recht wil doen aan zijn oprechte eigen menszijn,
of nu de zon schijnt, of de maan.
Hij zal zijn als een boom,
geplant aan stromend water.
Iedere dag draagt hij vrucht,
zijn bladeren zijn altijd vers.
Alles wat hij aanraakt, komt tot bloei,
overal waar hij ademt is frisse lucht.
Zo niet de verlosten!
Zij zijn als kaf,
dat hier op aarde zaad van verdeeldheid rondpreekt,
dat in een hiernamaals betaald wil worden voor liefde,
en nooit verzuimt een God te prediken van straf.
Vromen houden niet stand in het gezelschap van waarachtig menszijn,
Dogmatici niet waar eerlijkheid van denken heerst.
God zegent de weg van de mens die zijn God kastijdt,
de weg van de deugdzamen loopt dood,
en die van de zekerweters is het hardleerst.
[Psalm 1 van de 21ste eeuw]
Meer Psalmen van Volwassen Geloof
![]()
Dominees verwonderen zich erover hoe ik zo verdorven kan zijn de bijbel aan te vallen.
Ik zal ze vertellen waarom ik het doe:
Dit boek, de bijbel, heeft de allerwijsten en besten vervolgd, zelfs tot aan de dood toe. Dit boek
was verantwoordelijk voor het vertragen en doen stilstaan van de vooruitgang van het menselijke
ras. Dit boek vergiftigde de bronnen der kennis en leidde de menselijke energie in de verkeerde richting.
Dit boek is de vijand van vrijheid, de verdediger van slavernij. Dit boek zaaide het zaad van
haat uit in gezinnen en tussen naties, het voedde de vlammen van oorlog, het maakte de wereld
armer. Dit boek is het borstpantser van koningen en tirannen, maakte vrouwen en kinderen tot slaven.
Dit boek maakte regeringen en rechtshoven corrupt. Dit boek heeft van hogescholen en universiteiten
de onderwijzers van onwaarheden en haters van wetenschap gemaakt. Dit boek heeft het christendom
volgestouwd met elkaar hatende, wrede, geen kennis hebbende en elkaar te lijf gaande sekten. Dit
boek leerde de mens zijn medemens vanwege godsdienst te vermoorden. Dit boek financierde de Inquisitie,
vond martelwerktuigen uit, bouwde de kerkers waar goede en liefdevolle
mensen in wegteerden, smeedde de kettingen die aan hun lichaam verroesten, richtte de brandstapels op
waarop ze stierven. Dit boek stak het vuur aan onder hun voeten. Dit boek verjoeg de rede
uit het levan van miljoenen en vulde de gestichten met waanzinnigen. Dit boek heeft vaders en moeders
het bloed van hun kinderen doen opofferen. Dit boek was de vlonder waarop de slavin-moeder stond
toen ze zonder haar kind verkocht werd. Dit boek deed de zeilen van de slavenhandelaars opzwellen
en maakte
van levende wezens handelswaar. Dit boek ontstak het vuur waarmee 'heksen' en 'tovenaars' verbrand werden.
Dit boek vulde de duisternis met boze geesten en de lichamen van mannen en vrouwen met boze geesten.
Dit boek verontreinigde de zielen van mensen met het schandelijke dogma van eeuwige pijn. Dit
boek maakte van goedgelovigheid de grootste deugd, en van onderzoek de grootste misdaad. Dit boek
vulde naties op met kluizenaars, monniken en nonnen, -met de vromen en nuttelozen. Dit boek
gaf grotere waarde aan onwetende en ongewassen heiligen dan aan filosofen en filantropen. Dit
boek onderwees mensen de geneugten van dit leven te verachten, zodat men gelukkig zou zijn in een volgend
leven. Het leerde mensen dit leven te verspillen omwille van het volgende.
Ik val dit boek aan omdat het de vijand is van menselijke vrijheid. Dit boek is de grootste
hindernis op de weg naar menselijke vooruitgang.
Laat mij nu aan de dominees eens één vraag stellen: Hoe kunt u zo verdorven zijn dít boek te verdedigen?
(Robert Ingersoll, About the Holy Bible, 1894)
De god die de
christenen voor ogen hadden (tijdens de eerste 17 eeuwen en voor velen ook nu
nog) was in hun ogen volmaakt goed, en ze meenden dit uit zijn Openbaring af te
leiden, maar volgens ons is hij dit in het geheel niet. Als er een goede god
zou bestaan in de betekenis die wij daar nu aan geven, kan die niet de god van
het historische christendom geweest zijn, en ook niet de god die zich volgens
de christenen in de bijbel had geopenbaard. Kortom een god die volgens ons –
met onze visies op ethiek – een fatsoenlijk wezen zou zijn, kan gewoon niet de
god van de christenen zijn, ook niet de god die zij in zijn Openbaring meenden
te herkennen, en zeker niet de god die neutraal onderzoek zowel van het Oude
als van het Nieuwe Testament aan het licht brengt.
Wie desondanks
nu als 'goed geïnformeerde gelovige' een eigen visie op God heeft, en die nog
steeds 'christelijk' wil noemen, moet, als hij daarover in discussie wil
treden, een uitleg van dit godsconcept voorleggen en de redenen vermelden
waarom dat nog altijd de 'god van het christendom' zou zijn.
De genialiteit van Hegel
bestond met name hierin dat hij tenminste een probleem zag, daar waar zoveel
'progressieve' theologen dat niet eens meer zien. De god van het
christendom is onveranderlijk en tijdloos; ook dat is in talloze teksten terug
te vinden. Maar indien dat zo is, dan moet hij steeds in dezelfde betekenis 'goed'
zijn. Als slavernij, foltering, enzovoorts volgens hem goed waren, zoals
eeuwenlang werd voorgehouden, dan hebben wij (indien hij bestaat) het bij het
verkeerde eind. Als wij echter de juiste opvatting hebben, dan was hij er naast
– of ten minste heeft hij het in zijn Openbaring verkeerd uitgelegd.
Dat is een onoverkomelijk dilemma.
[Etienne
Vermeersch]
De
Zarathoestra van Vlaanderen in strijd met de katholieken
![]()
[1]"Godsdienst is belangrijk" wordt onderschreven door slechts 16% van de Britten, 14% van de Fransmannen en 13% van de Duitsers. Kerkbezoek is in Europa dramatisch afgenomen in Europa de laatste decennia, in de Skandinavische landen zelfs gedaald tot slechts 1-3%. (Institute for Social Research, University of Michigan, World Values Survey, 1995-1997). In Nederland zei in 1971 23 procent van de Nederlanders geen geloof aan te hangen, in 2004 was dat 40%. Laatstgenoemd cijfer zou nog hoger uitgevallen zijn, ware het niet dat de bevolking toenam met 5,3 procent moslims (1971 0,4% van de bevolking, 2004 5,7%)(Elsevier, De nieuwe atlas van Nederland, 24 april 2004). Het aantal niet-godsdienstige Nederlanders verdubbelde dus in ruim dertig jaar.
[2]
Het zal zo'n persoon niet gemakkelijk vallen indien hij zijn persoonlijke worsteling
en opgedane inzichten niet voor zich houdt. Iemand zoals professor Vermeersch krijgt
(op het internet) voortdurend te horen dat hij haatdragend is, intolerant, zich
traumatisch afzet tegen zijn verleden, op revanche belust is
enz. Iemand noemt hem een 'beschamende mestkever' (belgen zijn taalkunstenaars zullen we
maar denken). Hopelijk vindt deze man ook de volgende beschrijving over zijn optreden:
"Er was eens een sergeant die 's nachts
over het kazerneterrein liep en trek had
in een sigaret. Hij ontdekte echter dat hij geen vuur bij zich had. Toen zag
hij iemand lopen, een van zijn soldaten die eigenlijk al op bed had moeten
liggen, zo schatte hij in. Hij besloot de man eerst om een vuurtje te vragen en
vervolgens op zijn donder te geven. Met irritatie in de stem riep hij de man:
"Hee jij! Hierkomen!"
De man loopt rustig op de sergeant toe. "Heb je vuur?!" Rustig stak
de aangesprokene een lucifer aan, en toen schrok de sergeant zich dood; het was
niet een ondergeschikte die hij zo zat af te blaffen, maar de generaal. De
sergeant stamelde wat verontschuldigingen, maar de generaal stelde hem gerust:
"Wees maar blij dat ik de luitenant niet ben!"
Deze mop gaat niet alleen over een generaal, maar een generaal heeft hem ook
aan mij verteld. Het verband met Vermeersch is, dat een ware grootheid, hetzij
militair of intellectueel, zich niet laat verstoren door kritische
speldenprikken van mindere goden. Op onze website laten we ons vaak kritisch
uit over skeptici, en soms zelfs met enige irritatie en bitterheid, moeten we
toegeven. Vermeersch blijkt hier mijlenver boven te staan, en spreekt ons aan
op de inhoud.
Dit is ware grootheid, en hierbij complimenteren en danken wij prof. Etienne
Vermeersch voor zijn bijdragen.” (Skepsis
watchers)
[V1]Elisa stierf en werd begraven. In het voorjaar vielen de Moabieten herhaaldelijk het land binnen. Op een keer, toen men iemand aan het begraven was, kwam er plotseling zo’n bende aan. Haastig legden ze de overledene in het graf van Elisa neer en gingen ervandoor. Zodra de dode in aanraking kwam met het lijk van Elisa, werd hij weer levend en kwam overeind.
[V2]In Joppe was een gelovige die Tabita heette. In het Grieks is dat Dorkas. Ze deed veel voor de mensen en gaf ook veel weg. Deze vrouw nu werd ziek en stierf. Ze werd gewassen en in een bovenkamer opgebaard. Lydda ligt niet ver van Joppe, en toen de leerlingen hoorden dat Petrus daar was, stuurden ze twee mannen naar hem toe met het verzoek: ‘Kom zo gauw mogelijk naar ons toe.’ Petrus ging meteen met hen mee. Toen hij in Joppe aankwam, brachten ze hem naar de bovenkamer. Al de weduwen die daar waren, kwamen naar hem toe. Onder tranen lieten ze hem de kleren zien die Tabita gemaakt had, toen ze nog onder hen was. Petrus stuurde iedereen de kamer uit, knielde neer en bad. Hij keerde zich naar het lichaam en zei: ‘Tabita, sta op!’ Ze opende haar ogen en zag Petrus en ze ging rechtop zitten. Hij gaf haar een hand en hielp haar opstaan. Toen riep hij de gelovigen met de weduwen, en daar stond Tabita in levenden lijve voor hen.
[V3]Een jongeman, Eutychus, zat in de vensterbank. Doordat Paulus zo lang sprak, had hij zijn ogen niet kunnen openhouden en nu, diep in slaap, viel hij van de derde verdieping naar beneden. Toen men hem optilde, was hij dood. Paulus ging naar beneden, liet zich over hem heen vallen en sloeg zijn armen om hem heen. Hij zei: ‘Maak jullie niet ongerust, hij leeft!’
[V4]
14 ‘Het is als met iemand die op reis ging. Hij riep zijn dienaars bij zich en
vertrouwde hun zijn eigendommen toe. Aan 15 de ene gaf hij vijfduizend goudstukken,
aan een andere tweeduizend en aan een derde duizend; ieder kreeg wat hij aankon.
Toen vertrok hij. 16 Onmiddellijk ging de dienaar die vijfduizend goudstukken had
gekregen, er zaken mee doen en hij verdiende er vijfduizend bij. 17 Zo deed ook de
tweede en hij verdiende er tweeduizend bij. 18 Maar de dienaar die duizend goudstukken
had gekregen, ging een gat graven en verstopte het geld van zijn heer daarin.
19 Een hele tijd later keerde de heer van die dienaars terug en hij riep hen ter
verantwoording. 20 De dienaar die vijfduizend goudstukken had gekregen, kwam naar
hem toe en overhandigde hem er nog vijfduizend: Heer, u hebt mij er vijfduizend
gegeven, kijk, ik heb er nog vijfduizend bijverdiend. 21 Uitstekend, zei zijn heer.
Je bent een goed en trouw dienaar. Iets kleins heb je goed beheerd, nu zal ik je
over iets groots aanstellen. Kom binnen en vier feest met mij. 22 Toen kwam de
dienaar die er tweeduizend had gekregen: Heer, u hebt mij er tweeduizend gegeven,
kijk, ik heb er tweeduizend bijverdiend. 23 Uitstekend, zei zijn heer. Je bent
een goed en trouw dienaar. Iets kleins heb je goed beheerd, nu zal ik je over
iets groots aanstellen. Kom binnen en vier feest met mij. 24 Toen kwam ook de
man die er duizend had gekregen: Heer, ik weet dat u streng bent; u maait waar
u niet gezaaid hebt, en u oogst waar u niet hebt uitgezet. 25 Ik was bang en ben
daarom uw geld in de grond gaan verstoppen. Hier hebt u het weer terug. 26 Jij
slechte, luie dienaar! antwoordde zijn heer hem. Je wist dus dat ik maai waar ik
niet gezaaid heb, en oogst waar ik niet heb uitgezet. 27 Waarom heb je mijn geld
dan niet op de bank gezet? Dan had ik het bij mijn thuiskomst met rente kunnen
opvragen. 28 Neem hem die duizend goudstukken af en geef ze aan hem die er al
tienduizend heeft! 29 Want iedereen die iets heeft, krijgt nog meer en heeft
overvloed. Maar wie niets heeft, hem zal wat hij heeft, nog worden afgenomen.
30 En gooi die nutteloze dienaar eruit, de buitenste duisternis in!
Daar zal hij huilen en knarsetanden!’
[V5]
11 Jezus vertelde de mensen die naar hem luisterden, nog een gelijkenis. Want hij
was nu dicht bij Jeruzalem en ze dachten dat het koninkrijk van God wel gauw werkelijkheid
zou worden. 12 Dit zei hij: ‘Een edelman vertrok naar een ver land om tot koning
gekroond te worden en daarna weer naar huis terug te keren. 13 Hij riep tien van zijn
dienaars en gaf hun ieder een zilverstuk ter waarde van een pond. Doe er zaken mee
zolang ik weg ben, zei hij.
14 Maar de mensen van zijn land haatten hem en stuurden een afvaardiging achter
hem aan met de boodschap: Wij willen niet dat deze man koning over ons wordt.
15 Toen de edelman tot koning was gekroond, keerde hij terug. Meteen liet hij de
dienaars aan wie hij het geld gegeven had, bij zich roepen: hij wilde weten wat
voor zaken elk van hen gedaan had. 16 De eerste kwam en zei: Majesteit, met uw
zilverstuk heb ik er tien bijverdiend. 17 Uitstekend gedaan, je bent een goed
dienaar, antwoordde de koning. Omdat je een kleine som goed hebt beheerd, krijg
je het bestuur over tien steden. 18 Majesteit, zei de tweede, met uw zilverstuk
heb ik er vijf bijverdiend. 19 Jij krijgt het bestuur over vijf steden, antwoordde
de koning hem. 20 De derde zei: Majesteit, hier is uw zilverstuk; ik heb het veilig
weggestopt in een doek. 21 Want ik was bang voor u, omdat u een streng man bent.
U neemt wat u niet hebt uitgezet, u maait wat u niet hebt gezaaid. 22 De koning
antwoordde hem: Jij bent een slecht dienaar, je veroordeelt jezelf met je eigen
woorden. Je wist, dat ik een streng man ben, dat ik neem wat ik niet heb uitgezet,
dat ik maai wat ik niet heb gezaaid? 23 Waarom heb je mijn geld dan niet naar de
bank gebracht? Dan had ik bij mijn terugkomst het er met rente af kunnen halen!
En hij beval zijn mannen: 24 Neem hem zijn zilverstuk af, en geef het de man die
er tien heeft. 25 Majesteit, zeiden ze, die heeft er toch al tien! De koning zei:
26 Ik zeg jullie: aan wie heeft, zal gegeven worden en wie niet heeft, hem zal
worden afgenomen zelfs wat hij heeft! 27 Maar zij die mij niet als koning wilden,
mijn vijanden, breng ze hier en dood ze voor mijn ogen.’