De keus van de moderne mens
Een lang proces
Wat de doorslag geeft
Andere denkwerelden gaan open
Volwassen Geloof
Inzicht als middel tot mondig worden
Volwassen Geloof                                                                                          Hoofdstuk 16

        





[In een radio interview:]
-Meneer Rubinstein, gelooft u in God?

-Nee, ziet u, ik geloof in iets veel groters.

Arthur Rubinstein








De keus van de moderne mens

Een half leven vol gedachten over godsdienst. Om de een of andere reden staat de godsdienst centraal in mijn leven. Ik ben een mens die zich alsmaar pijnigt met de gedachte de zin van het alles te willen bevatten, de waarheid te willen vinden. Ieder modern filosofisch mens, de mens die steeds maar denkt en steeds maar dieper durft te graven, bemerkt voortdurend in een diep dal zonder leidraden rond te lopen. De leidraden die je eens had blijken na een tijdje niet bestand te zijn tegen de werkelijkheid. Je ogen ervoor dicht doen lukt af en toe wel. Maar met beklemmende intensiviteit komen de vragen telkens weer op je af. Het probleem van iedere moderne denker is dat alles tegenwoordig met zo’n scherpe logica afgedankt wordt, het broze van ons verleden, al onze kinderlijke vooronderstellingen, onze manier van leven, onze tegenstrijdigheden, onze barbaarsheden, dit alles wordt zo overduidelijk aangetoond. Er blijft met de groter wordende kennis die op ons afkomt zo weinig houvast over dat er uiteindelijk voor de denker bijna geen materiaal meer over blijft om iets wat stand houdt mee op te bouwen. Af en toe wil een mens zijn oren stoppen, zijn ogen liever dicht doen, zich diep onder de dekens begraven, de zoektocht opgeven. De antwoorden die gegeven worden zijn o zo doorzichtig; een denker ziet ze allemaal aan met een glimlach. Of met een diep gevoel van verdriet en eenzaamheid, zoals Sinuhe alles ervaart in het geniale boek van Mika Waltari. De existentialisten hebben een hele levensfilosofie gemaakt van het absurde. Je kan ze moedig noemen of uiterst beklagenswaardig. Maar hetzelfde kan gezegd worden van ieder ander mens. Juist dat is het allerbeklemmendste.


Uiteindelijk moet een mens toch keuzes doen. Hoe denk ik nu eigenlijk? En heeft mijn denken iets waardevols aan te bieden, iets wat de moeite waard is om op het internet te plaatsen, iets waar een ander wat aan zou kunnen hebben?


Hoe denk ik nu eigenlijk...Ben ik er nu achter gekomen? En dit is nu het unieke van onze tijd: een modern mens kán geen definitieve keus doen wat betreft de realiteit van het bestaan. Hij heeft geen ‘uiteindelijke oplossing’, hij gelooft niet in een ‘laatste waarheid’, een onomstotelijke basis waaraan hij zich kan vasthouden, een pakket met opschrift: ‘dit is het nou, de waarheid’. Dit is niet triest, maar juist de hoogste waarheid die we kunnen bereiken, het grootste inzicht, de grootste wijsheid. Het waardevolste dat ik tegen andere mensen kan zeggen is dit: lever je nooit uit aan welke godsdienst of ideologie dan ook.


De keus die een modern mens maakt om het geheel te beschrijven is ‘het opweg-zijn’, het leven in een nooit ophoudende stroom van steeds nieuwe prikkels, het leven in de wetenschap van het nooit zullen aankomen, het leven in het zich bewust zijn van het niet-weten; het zoveel mogelijk eerlijk willen zijn in eigen mondig denken en moedig alle consequenties van de eindeloze stroom aan informatie onder ogen zien, het zoeken en ervaren van de tastbare liefde en troost op aarde en het zetten van hoge doelen voor de verre toekomst van de mensheid die de mensheid op eigen kracht zal bereiken. Zo is het eerder triest dat een groot deel van de mensheid meent goddelijke openbaringen op schrift te hebben. Deze gelovigen hebben van mensen -priesters, profeten, wijzen, rondtrekkende predikers- afgoden gemaakt. Buitengewoon triest is ook dat godsdienst voor velen van deze boekgelovigen voor het merendeel de betekenis heeft van bijgeloof (=angsten en sensatiezucht over de bemoeienis van onzichtbare machten in het aardse leven).

Het is vreemd dat nieuwe rationele antwoorden zich aan de lopende band aan de mens van de 21ste eeuw hun gezicht tonen, terwijl het toch tezelfdertijd steeds maar een noodzakelijkheid blijft bijgeloof van eeuw tot eeuw aan de kaak te stellen, aangezien een groot deel van de mensheid toch nog steeds in de ban van vele vormen van bijgeloof leeft en het erop lijkt dat een groot deel van de mensheid hiermee nog eeuwenlang wil doorgaan. Mijn schrijven wil erop wijzen dat de christelijke godsdienst ook tot bijgeloof behoort. Ik ben er zelf een voorbeeld van dat het mogelijk is in de waan te leven 'rationeel' te denken, terwijl men tegelijkertijd verstrikt is in de grootst mogelijke vormen van bijgeloof. Hieruit wil ik me bevrijden door innerlijk op te groeien, door op Volwassen Geloof te komen.


Opweg-zijn, maar waar naar toe? Volwassen Geloof: We weten het alleen intuïtief, in de vorm van utopisch denken. Maar over God en een hemel valt er helemaal geen woord te zeggen, eigenlijk weet ik er zelfs niet eens over te dromen, de moderne fantasie heeft er totaal geen geloofwaardige ingrediënten voor. Ja er valt toch wel iets over de hemel te zeggen: ‘Niets heeft de mensheid zo gemakkelijk uitgevonden als een hemel’ (Lichtenberg). Al het andere wat je erover zegt heeft evenveel waarde als wanneer je wat pleegt te zeggen over je leven vóór je geboorte: het is een interessant tijdverdrijf, net zoals een roman lezen.


Hoe op weg? Het antwoord zal steeds veranderen, maar altijd zal het uit eerlijkheid geboren moeten zijn. Iemand heeft het eens zo gezegd:



Gij zult u van God geen gesneden beeld maken, heet in onze dagen:
Gij zult niet weten wie gij zijt en wat van u wordt. (Rudolf Augstein).



Er is geen grotere intellectuele eerlijkheid en geen hogere mensheid dan volgens deze sublieme uitspraak te leven. Bijgevolg staan in het leven van de moderne mens twee geweldige sleutelbegrippen centraal: absolute intellectuele eerlijkheid en moed.

Bovenstaande woorden die ik hier neerzette werden voor mij enkele jaren later subliem bevestigd tijdens het lezen van een passage van Nietzsches de Antichrist:


Men late zich niets wijs maken: grote geesten zijn sceptici. Zarathoestra is een scepticus. De sterkte, de vrijheid uit kracht en overmaat aan kracht van de geest blijkt uit scepsis. Mensen met overtuigingen komen bij fundamentele kwesties van waarde en onwaarde niet in aanmerking. Overtuigingen zijn gevangenissen. Men kijkt niet ver genoeg, men kijkt niet onder zich: om te mogen meepraten over waarde en onwaarde moet men vijfhonderd overtuigingen onder zich zien, achter zich zien...Een geest die grote dingen wil, die ook de middelen daartoe wil, is noodzakelijkerwijs sceptisch. Vrijheid van elke soort overtuiging hoort bij het sterk zijn, bij het vrij om zich heen kunnen kijken...De grote hartstocht, het fundament en de macht van zijn wezen, die nog verlichter, nog despotischer is dan hijzelf, maakt zijn gehele intellect aan zich ondergeschikt; zij neemt alle bedenkingen weg; zij geeft hem moed, zelfs tot onheilige middelen; zij gunt hem eventueel zelfs overtuigingen. De overtuiging als middel: veel bereikt men slechts door middel van een overtuiging. De grote hartstocht gebruikt en verbruikt overtuingen, maar zij onderwerpt zich er niet aan, -zij weet zich altijd soeverein.
Omgekeerd: de behoefte aan iets wat van een onvoorwaardelijk ja en nee is voorzien, is een behoefte uit zwakheid. De mens van geloof, de 'gelovige' van welk type dan ook, is noodzakelijkerwijs een afhankelijk mens, -iemand die zichzelf niet als doel kan nemen, die van zichzelf uit helemaal geen doel kan stellen. De 'gelovige' behoort zichzelf niet toe, hij kan slechts middel zijn, hij moet verbruikt worden, hij heeft iemand nodig die hem verbruikt. Zijn instinct bewijst de hoogste eer aan een moraal van de zelfverloochening: alles, zijn schranderheid, zijn ervaring, zijn ijdelheid, haalt hem daartoe over. Elk soort geloof is zelf al een uiting van zelfverloochening, van zelfvervreemding... Bedenkt men hoezeer voor de overgrote meerderheid een richtlijn nodig is die haar van buitenaf bindt en houvast biedt, hoezeer de dwang, in hogere zin de slavernij, de eerste en laatste voorwaarde is onder welke de mens met een minder sterke wil, met name de vrouw, floreert: dan begrijpt men ook de overtuiging, het 'geloof'. De mens met overtuiging vindt in haar zijn ruggegraat. Veel dingen niet zien, in geen enkel opzicht onbevooroordeeld zijn, partijgangers zijn door en door, ten aanzien van alle waarden een strenge en noodzakelijke optiek hanteren - dit alleen bepaalt dat een dergelijk soort mensen zelfs maar bestaat. Maar op grond daarvan is dit soort mensen de tegenpool, de antagonist van wat waarachtig is, -van de waarheid...Het staat de gelovige niet vrij zelfs maar een geweten te hebben voor het probleem van 'waar' en 'onwaar': op dit punt eerlijk zijn, zou meteen zijn ondergang betekenen. De pathologische aard van zijn optiek stempelt de overtuigde tot een fanaticus. (§54)









Een lang proces

De twee beschrijvingen over het christelijk geloof waar ik het vorige hoofdstuk mee besloot kwam ik anderhalf jaar geleden tegen. Ik las ze door en las mijn eigen gedachten. Het enige verschil was dat ik ze zelf toen niet zo scherp en pittig en stellig zou formuleren. De schrijvers gingen verder dan ik durfde te gaan, waren veel radikaler; één heeft het over ‘christelijke waanzin’ en hoe de ander zich bisschop van een christelijke kerk blijft noemen was voor mij een volslagen raadsel. Wellicht was bij mij –‘evangelisch christen’- de angst nog niet volledig uitgeband, of misschien waren die schrijvers wat langer op weg in hun mondig denken. Lange tijd blijft bij de mens die zijn oude religieuze wereld ziet instorten de vraag hangen wat hij er toch van wil behouden, ervan meenemen, de toekomst in. Godsdienst hoeft niet noodzakelijkerwijs te worden weggegooid, er zit een kant aan die je nergens anders vindt, zoals je meteen zult ontwaren wanneer je een kathedraal binnenloopt en daar muziek van Guillaume Dufay, Josquin des Prez, Palestrina of Bruckner hoort. Indien je ontdekt van verbeelding te willen leven (prachtige woordvondst van H.M Kuitert om de religieuze mens te kenschetsen), laat de godsdienst dan de muziek van je leven zijn. Godsdienst is om van je leven kunst te maken. Maar zie in dat God niet in een boek kan worden geperst. Dan maakt het een slaaf van je, dan verandert godsdienst in wetgeving, God in een autoritaire man, je kijk op de werkelijkheid in waandenken en benauwdheid.


In 2003 schreef ik deze gedachten op papier:
"Ben ik christen of niet? Misschien is het dat ik in het leven gewoon liever bij de vraagtekens blijf staan. Ik wil Jezus niet aanklagen. Ik heb geen antwoord, geen eindoordeel op de persoon van Jezus. De theologie van het traditionele christendom is voor mij volledig door de mand gevallen. Ik kan er niets meer mee doen. Maar de boodschap van het evangelie is voor mij toch de raadselachtigste en indringendste boodschap die ik ken. Intuïtief weet ik dat het elk gewoon verhaal te boven gaat. Intuïtief weet ik dat God aan het woord is in Jezus en in Zijn dood. Wie weet denk ik er zo over omdat ik erin ondergedompeld ben. Wie weet heeft Freud gelijk, en behoor ik bij het indelen van de mensheid tot mensen die op de grens van infantiliteit en volwassenheid staan. Misschien kan ik uiteindelijk toch niet van bijgeloof afkomen, of heeft het tenminste nog vele jaren van ‘opgroeien’ nodig. Misschien heeft het ook te maken met het feit dat ik een diep emotioneel mens ben. In Gethsemane is het afgelopen met 'Jezus Gods Zoon'; Hij is opeens mens zoals ik. Ik voel heel concreet in mijzelf de afschuwelijkheid van het kruis zoals het de kern van ons menszijn aantast: tot dusver had Jezus een voorbeeldig leven geleid. Maar nu smeekt hij dat hij het volgende niet zal behoeven te ervaren. Zijn wil kwam totaal niet meer overeen met de wil van God. Maar zijn wil is voor hem niet doorslaggevend. Hij voegt er toch aan toe: ‘Niet mijn wil, maar de Uwe, geschiede!’ (Lukas 22:42). Het meest mysterieuze en verschikkelijkste van al zijn lijden was het verlies van de gemeenschap, het afgewende gezicht, de actieve vijandschap van God zelf, dat uit hem de verweesde uitroep wrong, ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?’ De verschrikking van die drie ijselijke uren, toen de Vader van zijn gehele leven voor zijn diepste ziel verborgen was kan ik op de een of andere manier vatten, het is de schreeuw van de moderne mens. Het is de schreeuw van de radeloosheid en geeft me tranen in mijn ogen. Het doet me liefde voelen voor hem. Dát is de enige boodschap van het verhaal die voor mij nog overblijft. Ik word opgeroepen om liefdevol mens te zijn in deze wereld, zelfs al spreekt alles wat ik tegenkom in mijn leven dit tegen.

Als God zo met zijn zoon handelt, begrijp ik ook iets van Gods handelen met mijzelf. De vraag die voor christenen nog blijft luidt: Was het rechtvaardig? Deze vraag is voor mij volslagen onzinnig geworden, zoals in alles het ‘rechtvaardige handelen van God’ in de bijbel mij onzinnig lijkt. Wij staan ditmaal oog in oog met de meest fundamentele christelijke geloofsstelling dat God het Hem liefste Wezen van het ganse heelal met gruwelijk kwaad bezocht. God beschikt kwaad, ook daar waar geen directe schuld bestaat.

Het enige zinnige antwoord dat ik vanuit mijn godsdienstige verleden nog onder woorden kan brengen is dat in het leven van Jezus op een goddelijke manier wordt laten zien hoe God het kwaad gebruikt, om een hoger goed te bereiken. Het is het middel, dat Hij gebruikt om zijn schepping uit de neutrale onverschilligheid tot een actieve en innige beantwoording van zijn liefde te brengen. En zelfs al zou ik of iemand anders er niet in geloven, God bereikt er toch zijn hoger doel mee. Dat is de zin van lijden van een ieder van ons in het leven. De zin van elk lijden in alle tijden. En met die gedachte erachteraan verdwijnt de uniekheid van het christendom. Het blijft slechts als verhaal, als symbolische vorm voor het begrijpen en aanvaarden van het leven. Alleen in die zin is de boodschap uniek.


Om de reden van de ervaring van de liefde heeft God ook het kwaad gewild. En Hij zorgt zelf voor de ‘oplossing’, de vervulling van het hele scheppingsgebeuren. We kunnen zelfs stellen dat de Lijdende zelf heeft willen zien hoe zijn werk in mij en u uitwerkt en hij hierdoor verzadigd wil worden. Met deze gedachte zou iemand nog als christen verder kunnen leven.

Maar voor de rest doet de bijbel voor mij weinig anders dan het zicht op God verduisteren. De traditionele voorstelling van het vervolmaakte universum is er bijvoorbeeld één die nog de littekens en ontsieringen van zonde zal dragen. Dit kan beslist niet op waarheid berusten, zoals zoveel andere dingen in de bijbel niet op waarheid kunnen berusten. Het Niets of het Al zou allebei wel een volmaakte optie zijn, maar de christelijke oplossing van eeuwige schapen en bokken nou net niet.
Al de gedachten aan een straffende God, een God van toorn en oordeel, een God van de hel, een God die slechts door het terechtstellen van onschuldig bloed met ons verzoend kan worden, maken onze godsdienst en ons bestaan tot een zielige vertoning. Dezelfde Jezus die het lijden vrijwillig op zich neemt om de hoogste liefde te laten zien in de wereld, wordt in Mattheüs 25 afgeschilderd als de ongenadige rechter die de schapen beloont en tegen de bokken zegt: "Jullie zijn vervloekt, verdwijn uit mijn ogen naar het eeuwige vuur dat bestemd is voor de duivel en zijn engelen." Als er iets is wat het heelal ons moderne mensen leert dan is het dat Gods gedachten oneindig hoger zijn en de bijbel Hem op vele manieren door het slijk haalt. Als de verzoeningsdood van Christus zo nodig moet blijven staan, dan zal het volkomen anders geinterpreteerd moeten worden. Het kruis van Christus heeft alle zonde van alle tijden in rechtvaardigheid omgezet, alle overtreding in gehoorzaamheid, alle krenking in verzoening, en alle haat in liefde omgezet. Zijn dood was niet omdat God bloed wilde zien, maar omdat Hij liefde wilde laten zien. Iedere christen zou moeten begrijpen dat men op geen enkele andere wijze eer genoeg aan God zou doen. Ik zie de godsdienst van de 21ste eeuw maar met één eenvoudige boodschap komen: de boodschap van hoop dat al het lijden in ons leven zal worden omgezet tot volkomen liefde. Uiteindelijk gebeurt alles omdat het lijden in de wereld van de tweeheid niet opweegt tegen de zaligheid van de volmaakte eenwording. Deze wijsheid is niet van mij, maar van Friedrich Weinreb, die dit beschouwde als de kern van het Oude Joodse Weten."


Tot zover mijn gedachten van toen. Ik schreef er nog achteraan dat ik met dit denken op een fundamentele wijze afscheid van het traditionele christendom neem, en merk nu, 1½ jaar later, op dat ik afscheid neem van het christendom in welke vorm dan ook.
Voor een gelovige is zijn geloof opgeven een bijkans onmogelijke zaak, maar hoe langer ik bezig ben met dit proces, des te definitiever en duidelijker de contouren van de uitkomst beginnen te worden. Aan het begin van de reis om het vertrouwde geloof op te geven ziet de gelovige steeds maar grijparmen die hem terug willen halen. Hij ervaart nog de angst het verkeerd te doen. Hij wordt heen en weer geslingerd. Hij kan niet meer terug, want het zijn grijparmen van een enge inktvis geworden, maar soms ook niet verder op weg naar licht en lucht. Zo schreef ik in een vorig hoofdstuk 1½ jaar geleden ‘Indien dit godslasterende ideeën zijn, zo moge God mij met oud- of nieuwtestamentisch bliksemvuur straffen...’ en voelde die avond dat ik ze uitsprak de angst voor God op een wijze waarvan ik nooit gedroomd zou hebben dat die in mij aanwezig zou zijn. Maar wanneer de reis tot over de helft komt ervaart de afvallige opeens dat er veel meer licht van God uit de richting van waarheen hij zich naartoe begeeft kan ontwaren dan uit de richting vanwaar hij komt. Terugkijkend op zijn oude geloof ziet hij opeens, alsof zijn ogen voor het eerst open zijn, alle schaduwen waar hij vroeger in geloofde maar nooit als schaduwen onderkende. Het zijn opeens schaduwen omdat je nu inziet dat zovele geloofszaken God op geen enkele manier eer aan deden.


De allergrofste zonde van het christendom is dat het zichzelf verabsoluteert. Vanaf het begin heeft ze de pretentie gehad de enige, onvoorwaardelijke, eeuwig geldende en onveranderlijke weg te zijn tot gelukzaligheid, tot kennis van God en inzicht in het leven. Ze heeft zich de rang toegekend van de enige kinderen van God te zijn, en hiermee heeft ze de mensheid opgedeeld in twee groepen –zij die bij God horen, en zij die erbuiten vallen. Deze zonde is van onmetelijke omvang. Traditioneel christen worden is gelijk aan jezelf buiten de mensheid plaatsten. Afscheid van dit traditionele christendom is dan ook de grootste verademing van mijn leven: een terugkeer tot de mensheid! Het Jodendom, Christendom en de Islam, dus de openbaringsreligies, of boekreligies, hebben de fundamentele eenheid van de mensheid opgeheven en hebben daardoor onnoemlijk veel lijden teweeggebracht. De moderne mens zal die solidariteit weer moeten herstellen. Er zijn geen patentoplossingen voor het wereldraadsel, er is geen zware, smalle weg tot behoudenis, terwijl de massa altijd de ‘weg des verderfs’ inslaat. We hebben als mensen allemaal hetzelfde lot, gedragen ons allemaal op dezelfde menselijke en klungelige manier, en hebben allemaal eenzelfde taak.


Ik weet dat ik zeer goed op de hoogte ben van de betrekkelijkheid van al mijn weten, al mijn waarheden en al mijn overtuigingen. Nederig voel ik mij bij elk nieuw inzicht, bij elke nieuwe uitspraak die ik doe. En hoewel ik me een paar bladzijden hiervoor beriep op de gezondheid en uiterste kracht van mijn geest, weet ik best dat ook dit maar een illusie is. Ik moet deze kleren af en toe aantrekken om het te kunnen overleven. Ik weet ook dat een boek als dit, dat De Aanklacht had kunnen heten, geschreven zou kunnen worden over welke andere godsdienst of atheïstische levensbeschouwing dan ook. Om het leven te overleven zet een mens de rede aan de kant en beroept hij zich op het diepste dat ihj in zichzelf kan vinden en ‘ik’ kan noemen.


Ons gehele leven berust uiteindelijk op ervaren, niet op het rationeel weten. We hebben weinig anders in ons bestaan, hoewel de voetbreed vaste grond waarop we staan toch de belangrijkste moet zijn in ons leven. Ik probeer te leren dat rationeel weten nooit in strijd mag zijn met geloof. Tezelfdertijd zie ik in dat rationeel weten slechts één kant van de realiteit is. Het brengt ons ten eerste niet ver genoeg; wat we rationeel weten is tenslotte de analyse van één druppel in de soep, in de toekomst misschien van twee druppels. Maar ten tweede is ons menszijn zo doordrenkt van gevoelens, van beleving, dat een mens op één of andere manier hieraan ook in zijn denken recht moet doen. Bovenstaande klemtoon op ervaren is ook gemakkelijk te begrijpen wanneer we ons indenken waarom God de schepping maakte. Hij was dan wel almachtig, alwetend, volmaakt, maar zonder schepping heeft dit alles geen zin en betekenis. Voor God kan er geen andere reden voor de schepping zijn dan het alles te willen ervaren. Precies zo zit het met de reden voor ons leven: de zin van het leven is het ervaren van alles en uitkomen op de keus voor de liefde, voor het opbouwen, voor het ja-zeggen.

Wanneer we het samengaan van ervaren en rationaliteit verder denken wordt het mij geheel duidelijk dat Gods geluk, dwz Zijn ervaren van al Zijn facetten, alleen groot genoeg gemaakt kan worden, wanneer Hij een ‘inclusieve’ God is, dwz wanneer de ware God uiteindelijk de God van iedereen en alles is. Het al maar verder leven van mijn leven doet eigenlijk niets anders dan God steeds maar groter maken en mijn gedachten van goed en fout, schapen en wolven, waarheid en valse leer maar steeds meer overboord gooien. Meer dan Mozes, David, Calvijn en al de theologen respecteer ik grote componisten. Mensen die mij God doen ervaren.


Ik voel dat ik dezelfde zekerheid in me heb als Jezus van God een taak gekregen te hebben, ik voel dezelfde liefde van God altoos in me opborrelen, hetzelfde medelijden met de gehele mensheid door me heen stromen, op elk moment van mijn leven ervaar ik dezelfde zekerheid van het uiteindelijke toekomstige geluk van de eenwording. Dit denken heb ik niet omdat ik mij ‘in pacht van de waarheid’ waan, ook niet omdat ik bepaalde wijsmakende boeken doorgelezen heb, kennis heb opgedaan of een bijzonder mens ben, openbaringen heb gekregen. Het is doodeenvoudig de keus voor het goede, en dit behoort tot mijn natuurlijk menszijn. We hebben er verder geen bewijzen van de metafysische wereld voor nodig; het is nu eenmaal een deel van me, net zoals mijn oren en ogen. Ik durf te wedden dat het in u, lezer, ook gevonden kan worden.









Wat de doorslag geeft

Ik heb Jezus lief, maar toch niet zoals ik in totale overgave een vrouw kan liefhebben. Het is de angst voor de gestrengheid, de heilige toorn van de bijbel, de heilige toorn van Jezus, de dreiging met de hel, het veroordelen, de intolerantie, het fanatieke, dus de onmenselijkheid van Jezus, of beter gezegd van de bijbelschrijvers, van de cultuur waarin de verhalen geschreven zijn, die voor het verschil zorgt. Dit is voor mij ook meteen het grootste opstakel om Hem goddelijk te noemen. Een even groot obstakel is voor mij dat ik niet zie hoe het Oude Testament met de godsdienst van het Nieuwe in overeenstemming te brengen is, hoe het Oude Testament überhaupt iets zinnigs over God zegt, en wat het Nieuwe Testament betreft, hoe de moderne kennis van het heelal zich kan verbinden met een opvatting dat de Schepper ervan zich hier op één moment in unieke geïncarneerde vorm vertoont.


Alles in de bijbel is krom, vreemd, draaierig, absurd. Godsdienstige opvattingen zijn in de bijbel op honderd-en-een punten in grove tegenstelling tot elkaar; we vinden er letterlijk alles wat we in ons leven maar eruit willen halen, van het verbranden en uitmoorden van ‘slechte’ mensen, via het onaantastbaar zijn van de oprecht gelovige, zelfs wanneer ze je in een vuur gooien dat zeven maal hoger is opgestookt er nog ongeschonden uitkomen, tot aan het je gewillig laten doodslaan door anderen om de liefde te laten zien. Ik noem de bijbel dan ook een grabbelton.


Al deze onmogelijke tegenstellingen vinden we terug in het beeld dat ons geschetst is van Jezus, de man die de ene dag zegt de vermoeiden rust te geven, een zacht juk te geven, nederig van hart te zijn, en op een andere dag zich tot De Waarheid uitroept, de enige weg tot God, en de bokken in een vurige oven werpt. Ach, misschien is de juiste analyse van mijzelf dat ik -zelfs nu nog- Jezus niet aan durf te klagen, want ik weet best wel dat de historische Jezus met geen mogelijkheid niet eens te vinden is in de geschriften die er over Hem zijn. Jezus is geen levende persoonlijkheid maar een gefrabriceerde mythe. Dit verklaart alle ongerijmdheden en de zaak is daarmee voor een rationeel persoon volkomen af. Maar voor iemand zoals ik, die zijn hele leven geheel in het geloof is opgegaan, lijkt het er vaak op dat de bijbel, het fundamentalistische christendom, hem ongeneeslijk verminkt heeft, geinfecteerd heeft met een nooit te verwijderen angst voor straf van God. Alleen de tijd zal mij leren of dit inderdaad zo is.


Omdat bijbelse voorstellingen mij schade aandoen, mij verminken, kan en wil ik van nu af aan op geen enkele wijze meer leven met het christendom. De verzoeningsleer van het christendom is ten diepste gebaseerd op bloedwraak. Lees het verhaal in 2 Samuël 21 nog een keer. God eist bloedwraak, en wanneer er zeven onschuldigen opgehangen zijn ‘ontfermt Hij zich’ over het land. Een verhaal als dit, zorgvuldig gemeden door alle vrome predikers, slaat mij in m’n gezicht. Dit primitieve godsbeeld staat aan de basis van het christelijk geloof. Ik heb talloze keren evangelische christenen horen zeggen dat God niet anders kón handelen dan door Jezus als onschuldige voor onze zonden te laten sterven. ‘De prijs moest betaald worden’. Je vraagt je dan af: aan wie? God moest sterven en dit als losprijs aan Zichzelf betalen? Of moest Hij vanwege één of ander hemels juridisch systeem deze losprijs aan de duivel betalen? Welke voorstelling is naiever? Dit is op nog meer manieren een belachelijke redenering: Natuurlijk kon God anders handelen. Hij leert ons toch ook ‘vergeef ons onze zonden gelijk wij hen vergeven die tegen ons gezondigd hebben’. Liefde IS vergeven om niet. Alle andere uitleggingen van liefde zijn slappe aftreksels van dit begrip, iets wat een fundamentalistische christen nooit zal kunnen begrijpen, omdat zijn geloof hem verbiedt zo te denken en hij een slaaf is. Door deze opvatting aan te hangen blijft een mens ook gedurende zijn hele leven op aarde een slaaf van de angst en wreed denken.


Hier zien we het christendom verstrikt in één van zijn grootste dilemma’s. Hoewel de christelijke theologie uitspreekt dat de liefde de hoogste waarde is, spreekt het zichzelf tegen door te stellen dat er boven God een soort wereldwet bestaat waaraan ook Hij zich moet onderwerpen (net zoals in de religies van de Grieken en Germanen het lot boven de goden stond). Het is een wet die het God verbiedt schuld voor zondigen zonder genoegdoening (maar zonder meer als een daad van genade) te vergeven. Dus niet de liefde, maar ‘de gerechtigheid’ is het hoogste. Omdat de mens deze wereldmoraalwet niet kan vervullen moet God het zelf doen en moet Hij daarvoor eerst een menselijke gedaante aannemen. De kern van het christendom is dan ook dat het staat op het fundament van het oeroude mensenoffer, dat de toorn van God wegneemt en redding biedt. Deze gedachte berust op een zeer oud denken dat we ook in 2 Kon. 3: 27 tegenkomen: De Israelieten belegeren de hoofdstad van de Moabieten. De al eerder genoemde koning Mesa ziet dat verlies onvermijdelijk is. Dan brengt hij op de stadsmuur (zodat het voor de Israelieten goed zichtbaar is) zijn oudste zoon ten offer aan zijn God Kamosh –een laatste redmiddel. De Israelieten worden daarop volgens de tekst vertoornd (andere vertaling zegt 'ontzet') en vertrekken: ze weten dat er nu niets meer tegen in te brengen is, want mensenoffer heeft blijkbaar toverkracht en dwingt zelfs de goden tot ingrijpen. Dit oeroude bloedige waanidee (dat God zijn grenzeloze toorn slechts tot bedaren kan brengen door het offer van een onschuldig mens) staat via de viering van het avondmaal centraal in de christelijke geloofsbelevenis, een gedachte die me nooit meer loslaat, en nu ik het overdacht heb, het me voor eeuwig belet er ooit nog aan deel te nemen. Wat baat het –zoals dit in de christelijke theologie gedaan wordt- dit verschrikkelijke denkbeeld om proberen te turnen tot iets dat op liefde lijkt door het aan te vullen met de nog absurdere gedachte dat God in de vorm van een Godmens het offer zelf brengt? En dan komt als klap op de vuurpijl nog de bedroevende conclusie dat het offer van Jezus slechts een deel van de mensheid redt. Onmogelijk om met zo’n stuntelig godsbeeld te blijven leven.


Mijn ketenen zijn nu gebroken. Mijn vrije geest roept uit:

Vergeven in liefde betekent juist dat je voor zonde geen genoegdoening verlangt. Dit is de hoogste trap van de liefde, een traptrede die men in de bijbel nog niet ontdekt heeft, maar voor de moderne mens openstaat.


Het zien van deze waarheid opent onze ogen definitief voor de tekortkomingen in de opvattingen van het christelijke geloof. Aan de basis van het christelijk geloof staat de stelling ‘op zonde moet straf (de dood) volgen’. Juist deze fundamentele stelling doodt de liefde en is de bron van alle angst. Het is een waandenkbeeld. Ik weet, tesamen met miljoenen tijdgenoten, geen andere kant op te kunnen gaan dan een nieuw ingeslagen weg die we als ‘verlicht’ zien te gaan volgen, een weg die gebaseerd is op ons menselijk rationeel denken en het achterlaten van onze oude tradities en opvattingen. Alle tijdgenoten van mij die ook maar een vleugje onmenselijkheid, doemdenken en strafdenken prediken durf ik wél aan te klagen. Voor mij, nog opgegroeid met de God van de straf en het oordeel, vereist het moed. Voor mensen na mij, die niet meer zijn opgegroeid in een klimaat dat doordrenkt is van de zwart-wit wereld van de bijbel, maar in de 21ste eeuw in toenemendemate ondergedompeld zullen worden in een syncretistische godsdienst waarin alleen plaats voor liefde en begrip voor anderen is, zal het misschien veel gemakkelijker zijn. Ja, het zal in de toekomst een tour de force zijn om ook maar enig bloed in de schoenen van God te schuiven, omdat deze denkbeelden Hem onteren, net zoals alle denkbeelden over straf, oordeel, hel en absolute gehoorzaamheid. Omdat al deze denkbeelden niet te verenigen zijn met het geloof in de kracht van de liefde.


Wel vind ik het vreemd dat dit niet al in bijbelse tijden ontdekt is, want de bijbel laat op het eind horen dat van alle dingen de liefde het grootste is. Ook veel profeten van voor de ballingschap vallen de offerdiensten aan. (Jes. 1: 11-17 , Jer. 6: 20 en
7: 21,22, Hos. 6: 6: ‘Liefde wil Ik, geen offers’, Amos 5: 21-27 , Micha 6: 6-8). Tegenover nutteloze offers stellen zij gehoorzaamheid aan God, het doen van zijn wil. Bovendien  gaat de bijbel fel te keer tegen afgoden zoals Baal en Moloch die kinderoffers eisten! [1] Hoe in vredesnaam hebben we onze gedachten toch tot dezelfde barbaarsheid omgebogen door te denken dat God genoegdoening door het bloedoffer van een onschuldig mens (Zijn Zoon) eist? Is Deuteronomium 12: 31 niet duidelijk genoeg? Het offeren van kinderen is een gruwel. ‘Niet alzo zult gij Jahweh, uw God, dienen’. Er is maar één manier om van innerlijke schizofrenie af te komen: de waanvoorstellingen moeten we onderscheiden van de werkelijkheid, en ze uit ons leven wegdoen. [2]


Voor de mensen vóór mij, mensen zoals Mozes, Calvijn en mijn ouders, die zoveel te meer in de oude bijbelse wereld ondergedompeld geleefd hebben zal ik genadig moeten zijn. Net zoals ik dat voor mijn eigen fragiele innerlijk moet zijn. De mensen vóór mij waren verantwoordelijk voor de wereld waarin zij leefden. Ook zij konden niet anders. De mensheid heeft tenslotte van het prille begin af bloedoffers gedaan, doodstraf geëist. Mensen van vroeger werden in de eerste plaats door de Angst geregeerd. Zij hadden ook zicht op orde, zekerheden, plechtigheid, rituelen, dingen die voor de moderne mens veelal niet meer te bevatten zijn, maar waarvoor ik ze respecteer.

Wel vraag ik me af hoe mijn ouders, die nu nog leven, ja, zelfs al deze ketterse woorden van hun zoon nog zullen lezen, straks de grens van de dood zullen overschrijden. Zullen ze dat in angst voor de dood en het oordeel Gods doen of in vertrouwen op de liefde van God?

Of moeten we gewoon maar besluiten dat een mensenleven nu eenmaal altijd maar een hutspotje van allebei zal blijven? [3]









Andere denkwerelden gaan open

Toen ik 17 was kocht ik een dik boek met een diepe analyse van alle wereldreligies. Wanneer een mens aan het begin van zijn geestelijke reis door de wereld staat, staat hij vaak nog open voor alles wat er in de wereld te koop staat. En het volgende schrikbeeld opende zich voor mijn psyche: de mens is als een verdwaalde mier in een ontzaglijk groot bos. Hij probeert een weg te vinden naar de Oorsprong en komt allerlei gidsen tegen. Het probleem is nu dat ze allemaal in een andere richting staan te wijzen. Het komt er dus op aan de juiste gids te volgen. Maar voor we het weten worden we al meegesleept door de semitische godsdiensten, omdat die met het allergrootste fanatisme aan de basis van hun godsdiensten hebben staan dat er maar één weg is. Ze staan met hun vlaggetjes te wapperen alsof hun eigen leven er van afhangt. Lees weer die woorden van Paulus:‘Indien iemand de Here niet liefheeft, hij zij vervloekt.’ Indien u vergeten bent waar het stond in de Corinthebrief dan kunt u het ook nog eens opzoeken in de Galatenbrief:


‘Maar ook al zouden wij, of een engel uit de hemel, u een ander evangelie verkondigen, afwijkend van hetgeen wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt!’ (Gal 1:8).


En als de zwaarwichtigheid van deze lering nog niet helemaal tot de lezer is doorgedrongen dan herhaalt Paulus het voor de zekerheid nog een keer:


‘Gelijk wij vroeger reeds gezegd hebben, zeg ik nu nog eens: indien iemand u een evangelie predikt afwijkend van hetgeen u ontvangen hebt, die zij vervloekt!’(Gal 1:9).


Hier laat Paulus zelfs weten dat het een gewoonte van hem is deze uitspraak te doen! Het is maar goed dat er bijna tweeduizend jaar staan tussen zijn woorden en mij en wellicht u lezer. Hoe anders zouden wij mensen, veelal zeer ontvankelijk voor gehoorzaamheid aan autoriteiten en aan ‘het goede’ zo’n indringende boodschap kunnen weerstaan? Let op hoe Paulus hier optreedt alsof hij de unieke spreekbuis van God is, de volledige waarheid en de sleutels tot het openen of sluiten van de hemelpoort in pacht heeft. Dit heeft model gestaan voor alle latere evangelisten en volksmenners. Het is dan ook geen wonder dat, er van afhangend waar we wonen, we al gauw kiezen voor het Christendom of de Islam, niet in het minst omdat ze ons in de vorm van overtuigende persoonlijkheden en bloedstollende verzen uit het woord van God bang maken dat we anders in de hel terechtkomen.


Nietzsche in zijn Aldus sprak Zarathoestra gaf een psychologisch uiterst scherp beeld van Paulus, de eerste en grootste van de fanatiekelingen die de absolute waarheid hebben en daaraan van de gehele wereld gehoorzaamheid eisen. Ze zijn innerlijk volkomen kapotte mensen, gekweld en kapot gemaakt door de godsdienst van het negatieve, van eeuwige zelfbeschuldiging en nooit goed genoeg zijn, kapot van angst voor God en de marteling van het aardse leven. Deze mensen groeien via waanideeën uit tot de felle predikers die ze zijn, op deze betreurenswaardige wijze proberen ze hun chaotische geest en levensmoeheid te redden. Ze maken van zichzelf het centrum van de wereld, ze hebben de toegang tot de hemel hoogstpersoonlijk in dit leven al ontvangen, dienen zichzelf onder het mom van het dienen van de allerhoogste God. Paulus is de man die achter het hoofdstuk De Tovenaar verborgen gaat (de bijbelkenner zal gemakkelijk vele toespelingen op de desbetreffende bijbelteksten uit het leven en optreden van Paulus herkennen):


"Toen echter Zarathoestra om een rots heen liep, zag hij niet ver onder zich, op hetzelfde pad, een mens die als een dolleman met zijn armen zwaaide en ten slotte met zijn buik ter aarde stortte. 'Halt!' sprak Zarathoestra tot zijn hart, 'hij daar moet wel de hogere mens zijn, van hem kwam die akelige noodkreet, -ik zal kijken of hulp hier iets kan uitrichten.' Maar toen hij naar de plek liep waar de mens op de grond lag, vond hij een sidderende oude man met glazige blik; en hoezeer Zarathoestra zich ook inspande om hem op te richten en weer op zijn benen te zetten, het was vergeefs. Ook scheen de ongelukkige niet op te merken dat er iemand bij hem was; veeleer keek hij aldoor pathetisch in het rond, pathetisch gebarend, als een door alles en iedereen verlatene en vereenzaamde. Ten slotte echter, na veel trillen, stuiptrekken en ineenkrimpen, begon hij aldus te jammeren:


Wie warmt mij, wie mint mij nog?
Geeft hete handen!
Geeft een zalfje voor het hart!
... Opgejaagd door jou, gedachte!
Onuitsprekelijke! Verhulde! Ontzettende!
O jager achter wolken
Teneer gebliksemd door jou,
O honend oog, dat mij aanstaart vanuit het donker:
-zo lig ik,
Buig en kronkel, gekweld
Door alle eeuwige martelingen,
Getroffen door jou, zeer wrede jager,
O onbekende - god!
...Doorsteek en breek dit hart!
Wat moet al dit martelen
Met afgestompte pijlen?
...Waartoe die ladder?
Wil je klimmen,
Klimmen
In mijn hart, tot mijn geheimste
Gedachten doordringen?
..Wat wil je met plunderen winnen?
Wat wil je met luisteren winnen?
Wat wil je met folteren winnen?
O folteraar!
O beul en god!
Of moet ik, gelijk een hond
Mezelf voor jou in het stof wentelen?
In overgave, in razende geestdrift
Jou liefde toekwispelen?
Vergeefs! Blijf steken,
Wreedaardige doorn! Nee.
Geen hond -slechts jouw wild ben ik!
Zeer wrede jager!
Jouw trotse gevangene."
...


Dit opkomen voor ‘de waarheid’ kan men alleen begrijpen wanneer het overduidelijk is dat ‘de waarheid’, de goddelijke inzichten, de goddelijke levenswandel van de gepredikte godsdienst met kop en schouders boven al de anderen staat, zodat ‘de waarheid’ voor ieder welwillend mens meer dan duidelijk is, en niet te pas en te onpas de mensen voor de voeten gelegd moet worden. Helaas, juist op dit punt lijden we schipbreuk met het christendom, zoals ik heb geprobeerd te laten zien in dit boek en zoals we op elke bladzijde van de geschiedenis kunnen lezen. De christenen die andere christenen, wier laatste woorden nog het OnzeVader waren, het schavot of de brandstapel opduwden, zullen een eeuwig getuigenis zijn van de onmenselijkheid van hun geloof en de bijbelse instrukties. Ik ben tot de conclusie gekomen dat de christelijke godsdienst gebaseerd is op ideeën van Angst voor God, van Straf komende van God en van Rechtvaardigheid die indruist tegen ontwikkelde menselijke rede. Uiteindelijk heeft de godsdienst zich weten omhoog te vijzelen door de boodschap van Liefde hierboven te plaatsen. Een geweldige vondst, maar de onderbouw deugt niet. In feite hebben we door een huwelijk te sluiten tussen liefde en allerlei ideeën uit wrede en barbaarse tijden, de betekenis van liefde ontkracht. Dit is de diepste gedachte in dit boek.


Als er iets is wat ik me nog herinner van mijn openstaan voor alle wijsheden uit de wereld op 17-jarige leeftijd, dan is het het inzicht, het zekerweten dat ik toen had, dat onze westerse wereld vreselijk veel te leren heeft van het Hindoeisme en Boeddhisme (hoewel we ook hier onze kritische moderne geest moeten behouden om niet te vervallen in weer andere vormen van waandenken). Ze zullen je daar niet zozeer verketteren wanneer je met andere inzichten voor de dag komt. Daar waar de semitische godsdiensten met heilig verterend vuur te keer gaan, afgodsbeelden verbrijzelen, zondaren uitroeien of op z’n minst ‘uit hun midden doen’, zien wij de oosterse godsdiensten de tegenwoordigheid van God in alle dingen prediken, zodat alles heilig wordt, zelfs een steentje dat je gewoon oppakt, en niets gedood mag worden, zodat er uiteindelijk eigenlijk niets overblijft van agressie, haat en fanatisme, maar alles samensmelt in de ervaring van de niet te beschrijven God. Zo staat het boeddhistisch ideaal als een veruit gezondere en als een meer realistische benadering van het werken met de complexiteit van het probleem van goed en kwaad, dan de christelijke denktrant van ‘rechtvaardigheid’ via doodstraf en eeuwige vergelding.

Kenmerkend voor de doorsnee christen en zijn geloof is het voorkomen van een zondig leven vanwege de angst voor Gods toorn. Hieraan verwant is dan het ijveren voor de verbreiding van de juiste geloofsopvattingen en gebruiken. De boeddhist daarentegen streeft in de eerste plaats het reduceren van leed na en verkrijgt daardoor automatisch het geluk waar hij naar zoekt. Hij bereikt de reductie van (persoonlijk) leed, door zijn ongecompliceerde en ongedwongen levenswandel, het in eigen kracht opgeven van zijn ingebeelde behoeften. Hij zal de ander nooit iets opdringen, maar trekt zichzelf eerder terug. Hij raakt dan ook niet verbitterd, koestert geen wraakgedachten, ook niet wanneer anderen in hun beoordeling over hem, hem grove onrecht aandoen. De boeddhist is als het ware spiritueel vrijblijvend, hij voelt geen noodzaak te moeten moraliseren, anderen te veroordelen of zijn waarheid als de enige en unieke waarheid naar voren te brengen. Het boeddhisme is, in tegenstelling tot het christendom, niet behept met een moreel ‘predestinatiecomplex’ (‘En indien de Here die [laatste] dagen niet had ingekort zou geen vlees behouden blijven, doch terwille van de uitverkorenen, die Hij heeft uitverkoren, heeft Hij die dagen ingekort’, luidt de leer van Jezus, Marc. 13: 20). Het boeddhisme heeft het heilloze pad van straf of beloning en het uitverkoren zijn volkomen verlaten en beschouwt zulks als louter decepties. De boeddhist treft de juiste voorzorgsmaatregelen, die zijn zintuigelijke belevingswereld (preventief) moeten behoeden voor een al te grote geestdrift; terwijl de christen juist, door het in gebed zijn met ‘zijn’ God en antwoorden krijgen, door bijzondere geestesgaven te ervaren en via het zuiver in de leer zijn, telkens maar krampachtig naar uiterlijke tekens van een ‘emotionele band met God’ zoekt om zijn geloof te versterken. De boeddhist, gericht op het vermijden van leed, streeft gedurende zijn gehele leven, simpelweg naar een gemoedstoestand van vredige, kalme mildheid. Hij heeft geen mythes nodig waarin hij per sé moet geloven om goed gelovige te zijn. Bovenstaande verschillen zijn geen kleinigheden; kennelijk slaagt de boeddhist door het volharden in zijn morele gelatenheid wel, waar de christen er maar niet in schijnt te slagen, diens kerfstok van zonden vrij te pleiten. Als gevolg van het morele dilemma (volgens het schema: zonde - rechtvaardigheid van God – straf - verlossing – op voorwaarde van zuiverheid in de leer) bevindt de christen zich voortdurend in een vreemde mengeling van dan weer ‘verlossing’ en ‘wie kan ons scheiden van de liefde van Christus’, dan weer ‘vergiffenis en boete’, dan weer in ‘angst voor de God, die is als een verterend vuur’.


Zo zou men de westerse godsdiensten mannelijk kunnen noemen en de oosterse vrouwelijk. Deze ‘mannelijkheid’ van de bijbelse godsdienst is door de eeuwen nog vele malen versterkt doordat het christendom zich voornamelijk uitbreidde naar Europa. Noord-Europa was al bevolkt door barbaarse mannencivilisaties, waar alleen al vanwege het barre klimaat alles draaide om het gevecht om overleving, en de rest van Europa werd na enkele eeuwen ook door Vandalen, Goten, Hunnen, Vikingen enz. tot een ‘beschaving’ van plunderaars, geweld en barbaarsheden gedegradeerd. Ook de Islam heeft zijn best gedaan deze tradities in ere te houden. Het duurde eeuwen voordat deze volkeren, ondanks dat ze geleidelijk aan het christendom hadden aangenomen, en anderen Allah ‘de barmhartige’ noemden, ontdekten dat je in de wereld ook andere dingen kunt doen dan rechtzinnig in de leer zijn, vechten, doodslaan en ziek worden. En hoewel de westerse mens nu op een geheel ander niveau staat, laat deze eeuwenlange geschiedenis nog steeds zijn sporen achter. Ons Europese volkslied wordt door Beethoven vertolkt, het verhaal van zijn leven, een titanengevecht tegen de krachten van de duisternis, zijn norse en heldhaftige kop, zegt alles over ons Europeanen. En de woorden van Schiller komen uit de idealen van de revolutionaire strijd. Ons beeld van de wereld is nog steeds die welke door Tolkien slechts enkele jaren geleden meesterlijk beschreven is in ‘The Lord of the Rings’: ons gehele leven zien wij als een strijd tegen de machten van de duisternis. Onze hoogste bewondering is voor heldhaftigheid in de strijd tegen het gigantische kwaad, hoewel we vanwege ons vleugje christendom uiteindelijk natuurlijk de eer van de overwinning aan kinderlijk oprechte kleine hobbits geven.


‘Op dat ogenblik kwamen de discipelen bij Jezus en vroegen: Wie is wel de grootste in het Koninkrijk der hemelen? En Hij riep een kind tot Zich, plaatste dat in hun midden, en zeide: Voorwaar, Ik zeg u, wanneer gij u niet bekeert en wordt als de kinderen, zult gij het Koninkrijk der hemelen voorzeker niet binnengaan’ (Matt. 18:1-3).


In de praktijk van het leven hebben we dit ook hier niet mee kunnen leven, doen we niet anders dan met gefronsde wenkbrouwen zien hoe het kwaad zich al maar vergroot, en slaan er vervolgens met heilige (tegenwoordig amerikaanse) toorn op los. Hoe kan het ook anders wanneer we van eeuw tot eeuw de bijbel moeten meeslepen.


Ik heb me als man vaak innerlijk een vrouw gevoeld op aarde. Toen ik jonger was had ik het er soms moeilijk mee, omdat een man een man moet zijn in onze maatschappij. Als je als man Chopin speelt ben je toch eigenlijk een beetje raar. Maar nu ik ouder ben zie ik dat het juist andersom is. De mens die androgien is, die zowel man als vrouw in zich herkent, is de ontwikkelde mens, de mens van de toekomst. Een man die Chopin niet liefheeft is een beetje raar. Zo denk ik dat een westers mens van de 21ste eeuw er goed aan doet naar het verre oosten te kijken om te zien hoe ook geleefd kan worden in een wereld waar men geen ideeën over zoiets als de satan heeft, in een wereld die een spreekwoord heeft uitgevonden: ‘Het belangrijkste in de wereld is een tuin aan te leggen en die te onderhouden, en ook dat is niet belangrijk’. Een wereld die van nergens zo zeker is als van de wetenschap dat alles één is. Dit is de mooiste gedachte uit het oudeweten van het verre oosten, omdat je met die wetenschap de hoogste trede op de trap van de liefde kunt betreden.

Je hoeft er maar een moment over na te denken, en je ziet al dat ons uiteindelijke teruggaan tot de Oorsprong niets anders kán betekenen dan dat goed en kwaad ophouden te bestaan. Ook hemel en hel kan in de eenheid niet meer bestaan. Zelfs ‘eeuwigheid’ verliest alle betekenis wanneer tijd wegvalt.


Zo voel ik heel sterk dat ik in de wereld niet wil spreken met felheid. Felheid is het struikelblok voor mij in de traditie van de semitische godsdiensten.

Als iemand die geboren en getogen is in de westerse traditie weet ik dat ik er gemakkelijk aan mee kan doen, bijna iedereen in onze cultuur ‘weet het beter’. Ik ben ook die fase doorgegaan. Maar nu zeg ik: zelfs al verlaag ik me er soms toe, ik wil hier niet aan meedoen. Alles wat iemand pijn doet, doet mij pijn. Zo zou ik niet willen dat een evangelisch christen mijn eigen woorden leest, wanneer de boodschap hem alleen maar pijn doet. [4]


En toch moest ik op dit punt van mijn leven komen. Het punt dat ik met felheid een keuze maak voor mijn eigen keus en mijn eigen pad ga bewandelen. Het móest, omdat er geen andere weg tot bevrijding is. En ik, al 25 jaar theoloog die zijn mond maar niet open kan doen, word nu voor een moment evangelist...bevrijdingsevangelist om mensen te verlossen van het christendom! Maar een Paulus wil ik niet blijven. Ik doorzie de valstrik die er voor mij in het verschiet ligt! Ik doe één keer mijn mond wagenwijd open over de godsdienst, maar houd me daarna voorgoed stil erover en zal me vervolgens slechts met de aarde bezighouden.


Dit is de kern van Volwassen Geloof, de hoogste godsdienst: stilzijn over God.









Volwassen Geloof

En toch ook, wanneer ikzelf voel dat God mij pijn doet door mij in de steek te laten, klaag ik Hem uiteindelijk wel met felheid aan, maar voel ik meteen ook dat ik Hem daarvoor vergeving moet vragen, omdat ik Hem geen pijn wil doen en er van overtuigd ben dat ook Hij mij geen pijn wil doen. Ik vergeef God. Die drie kleine woordjes zijn de diepste gedachte over de liefde die ik in mij voel. Dit is mijn evangelie van de liefde.


Mijn eigen keus, mijn eigen pad, komt voort uit de volgende moderne gedachten:

Ik wil in God geloven, hoewel Hij er in het leven alles aan doet om mij maar niet in Hem te laten geloven. Als gevolg hiervan komt er een fundamentele ommezwaai in mijn denken: de eerste helft van mijn leven liet Hij mij voortdurend weten dat ik Hem alles verschuldigd was, dat ik vanwege mijn slechtheid maar ternauwernood gered zou worden, maar de tweede helft van mijn leven zal juist het tegenovergestelde zijn: Hij heeft mij opgevoed ethisch te denken en daarom heb ik er nu recht op Hem te vermanen. Het belasteren van mijzelf is in feite het belasteren van God. Want Hij heeft mij gemaakt tot wat ik ben. Ik wil Hem liefhebben en mijn hoofd voor Zijn grootsheid buigen, maar zal nooit zijn stokslagen, doodvonnissen, zogenaamde eeuwige veroordeling en andere wreedheden voor goddelijk houden. De bijbel leg ik naast me neer; vanaf nu is mijn eigen rede de maatstaf.


Het volwassen geloof waar ik op uitkom, vloeit volkomen natuurlijk uit de moderne tijd waarin ik leef. Ik leef in een tijd waarin God zich totaal verborgen houdt. Bovendien leven wij moderne mensen met een scherp beeld van onze geschiedenis. En we kunnen daarin tot onze verbazing zien dat het evangelie, de godsdienst van de liefde, in alle eeuwen weinig meer heeft voorgesteld dan de godsdienst van honderd-en-een verboden, vermaningen, bedreigingen, vervolgingen en vermoorden van ontelbaren. Zo zie ik nu duidelijk dat mijn geloof tot nu toe kinderlijk was. Ik zat voortdurend met gedachten dat God mensen behandelt alsof ze altijd kleine kinderen zijn. Ze zijn voortdurend stout, begrijpen de dingen nooit goed, krijgen uiteindelijk prijzen uitgereikt of straffen opgelegd. Maar de God die Zijn gelaat verbergt, die overal op aarde het meest gruwelijke laat gebeuren zonder in te grijpen, krijgt als natuurlijk gevolg hiervan, na eeuwen van menselijke geschiedenis, te maken met de Volwassen Mens. En die mens kán niets anders dan verantwoordelijkheid op zich te nemen voor al de dingen die God nalaat. Hij moet zelf de middelen zien te ontdekken om malaria en lepra te overwinnen. [5] De godsdienst van vroeger ligt definitief achter ons. Het gaf ons bijvoorbeeld de opdracht ‘weest vruchtbaar, wordt talrijk, wemelt op de aarde, ja, wordt talrijk daarop’ (Gen. 9: 7). Wel, zoiets behoort slechts tot het verleden en is een vloek voor de wereld van vandaag. Christenen (bijvoorbeeld de gehoorzame katholieken) die met zo'n opdracht gegeven aan Noach er rustig mee doorgaan, totdat God ooit weer eens iets anders zegt (en dat kan Hij nooit doen, omdat de bijbel al afgerond is!), zijn onvoorstelbaar dom, naief, stram en slaafs in hun denken. De sterk stijgende bevolkingsgroei in de wereld zal ons gehele menselijk bestaan spoedig onmogelijk maken. Wij moeten dus niet wachten op nieuwe goddelijke instrukties, ons niet ingraven in eeuwenoude denkbeelden die geen contact meer hebben met de moderne tijd waarin we leven, ook niet apathisch wachten op de eindtijd, maar ons eigen volwassen denken nu gaan gebruiken en zelf aan de slag gaan. De bijbel kan ons absoluut niet helpen met het oplossen van de bevolkingsexplosie, het grootste probleem waar onze moderne mensheid mee te kampen heeft, maar wél meehelpen aan de ondergang van onze wereld. Wanneer deze eeuw voorbij is, zullen de weinigen die de toekomstige hongersnoden, oorlogen en milieurampen overleven moeten constateren dat de fundamentalistische godsdiensten een grote factor waren in de ondergang van de mensheid?


Mondig denken betekent de bijbel aan de kant zetten waar dat nodig is, maar toch geenszins dat ik in de plaats van God kom te staan. Ik verhef me geenszins boven God. Integendeel, alleen op deze manier behoud ik de omgang met God. Want door naar mijn eigen hoogste mensheid te luisteren weet ik dat ik Gods stem in mij hoor.


Ik zie Hem werken door mijn eigen gedachten.


De mens kan alleen nog maar met zichzelf spreken, hij heeft geen andere gesprekspartner meer. Maar ik noem het innerlijk gesprek met mezelf het gesprek met God. Het is een God die binnen in mij leeft. Het geeft me weer vertrouwen in mijzelf. En het geeft me weer vertrouwen in Hem. Hij is zoveel groter dan mij in de traditionele godsdienst ooit verteld is. Zijn heiligheid betekent iets volkomen anders dan het mij in de traditionele godsdienst uitgelegd is. Wat de traditionele godsdienst in feite gedaan heeft is de werkelijke Schepper van het heelal te versluieren door Hem naar beneden te halen en Hem eeuwenlang het karakter te geven van een man (absoluut koning) uit de antieke tijd. Voor iemand die inziet hoe wij zo de Schepper van het heelal hebben verkleind voelt veel in de bijbel aan als absurd.


Deze ommezwaai in mijn leven is voor mij duidelijk en definitief. Toch is ze in ’t geheel niet gemakkelijk. ’t Valt niet mee zo in het midden van je leven de autoriteit van de bijbel te verliezen, het traditionele geloof achter je te laten, en geheel op jezelf komen te staan. Op de één of andere manier voel ik dat ik in mijn gedachtenwereld maar ten dele mijn kinderlijkheid achterlaat, het deel in m'n denken dat ik primitief kan noemen. Een ander deel wil ik behouden. Het deel in mijn volwassen gedachten dat mij kinderlijk vertrouwen in God doet ervaren. Een van de mooiste passages uit de bijbel die ex-fundamentalisten zoals mij steun geven is de meest vreemde gelijkenis die Jezus ooit vertelde, slechts één evangelist durfde het verhaal op te nemen. Men vindt het in Lukas 16, de gelijkenis van de onrechtvaardige rentmeester. Voor mij is het de gelijkenis over de mislukte theoloog Albert en de God van Liefde:


‘Er was eens een Rijke Man die een man genaamd Albert als rentmeester had. Eens kreeg Hij klachten dat Albert zijn bezit verkwistte. Daarom liet Hij hem bij zich roepen en zei: Wat hoor ik daar van je? Maak de boel klaar om rekenschap af te leggen van je beheer, want je kunt hier niet langer rentmeester blijven, dat zal je duidelijk zijn hoop ik, lees anders het contract nog maar eens door.
Albert nu dacht: Wat moet ik doen, want de Meester geeft me vast en zeker ontslag! Zwaar werk is niets voor mij en om te bedelen, daar schaam ik me voor. Wacht, ik weet het! Als ik dat doe zullen er straks na mijn ontslag mensen zijn die me eten en onderdak geven.
Albert liet de schuldenaars van zijn Meester één voor één bij zich komen. Aan de eerste vroeg hij: Hoeveel ben je de Meester schuldig? Die man antwoordde: Ach, teveel om ooit terug te betalen, ik ben homo.
Hier is je schuldbekentenis, zei Albert, ga zitten, zet een streep door de details en schrijf gauw op dat je elke dag van je leven de echte, de ware liefde gezocht hebt.
Toen kwam de tweede en hij zei: Hoeveel ben jij schuldig? Die man antwoordde: Ik heb een gloednieuwe Ferrari gekocht en op een paar fooien na me nooit echt bekommerd om de armen in Afrika.
En Albert zei weer: Hier is je schuldbekentenis. Schrijf erop dat je een goede auto echt voor je veeleisende werk nodig had en dat je je altijd zo uitsloofde voor je baan om de wereld als een betere plaats achter te laten dan hij was voor je de wereld in kwam.
En de Meester had bewondering voor de sluwe manier waarop zijn oneerlijke rentmeester Albert gehandeld had. De kinderen van de moderne wereld gaan nu eenmaal onder elkaar met veel meer list te werk dan de kinderen van het licht.’


Bovendien had Albert slim geredeneerd dat op deze manier mensen eer zullen geven aan zijn Meester, en hij kende zijn Meester ook wel zo goed dat hij in vertrouwen op de genade van zijn Meester rekende en niet bang was voor gevangenisstraf. In feite deed hij precies zoals zijn Meester het ook gedaan zou hebben. Zijn plan was dan ook gebaseerd op het karakter en de te verwachten reaktie van zijn Meester. Het was geen blind geloof of maar iets uitproberen. Het was een diep weten. Zo herinnerde hij zich hoe de Meester eens reageerde op het naïeve geloof van een heiden, een Romeinse hoofdman:


‘Toen Jezus dit hoorde, stond Hij verbaasd en Hij zei tot de mensen die bij hem waren: Ik verzeker je: nergens, zelfs niet in Israël, heb ik zo’n groot geloof gevonden!..En tegen de hoofdman zei Jezus: Ga maar naar huis.


‘Zoals je geloof is, zo zal het gebeuren.’


Dit was alles wat hij nodig had om zijn leven te redden!


Zo ben ik er in mijn volwassen gedachten volkomen zeker van dat God de mens accepteert. Hij heeft ons ondanks onze primitiefheid lief. God heeft ons gemaakt, en Hij was er zeer tevreden over. Daarop is het liefhebben van God gebaseerd. Iets wat je schept is een deel van jezelf. Een ieder die een perfect kunstwerk maakt heeft weet van deze liefde. En Stravinsky voegde er nog aan toe: ‘Die ‘kinderen’ die ik gemaakt heb, die het minst gespeeld worden, het minst begrepen zijn, die zijn mij het liefst.’

Ik zie steeds meer in dat al onze godsdiensten maar gebrekkige uitdrukkingen zijn van onze menselijke basisbehoefte godservaringen te hebben. De godservaring is nodig om in het ontzagwekkelijke bos maar rond te lopen. Een mens moet leren dat hij God alleen in zichzelf kan horen spreken. Andere stemmen voor openbaring van God uit te maken klinkt heel vroom, maar is afgoderij. Opgegroeid tot volwassenen mogen we weten dat God op geen andere manier tot ons spreekt dan op precies dezelfde manier als wanneer er in de Bijbel staat ‘En God zeide tot hem:’. Ik weet dat het God is die tot mij spreekt, omdat ik voel dat mijn gedachten altijd een beroep doen op mijn hoogste menselijkheid. En tezelfdertijd weet een volwassen mens ook dat het slechts de mens zelf is die spreekt. Ik weet het omdat ik bij elke gedachte die in mij leeft me bewust ben van mijn kleinheid. Het is een paradox. En wie weet is het allebei waar, misschien zijn het Gods woorden, terwijl ze toch ook mijn menselijke woorden zijn; net zoals in de godsdienst honderd en één tegenstrijdige dingen allebei waar zijn.


Voor de mens van de 21ste eeuw is godsdienst waar met een glimlach.


Godsdienst is een sprookje dat toch waar is.


Indien voor u, gelovige, de bovenstaande zinnen nog niet als waarheid tot u overkomen, moet u wellicht opnieuw een paar dingen uit de evangeliën lezen.


Johannes 16:23: ‘Dit zeg Ik jullie, neem het van me aan: wat je de Vader ook vraagt in Mijn naam, dat zal Hij je geven.’
Mattheüs 17:14-20: ‘Een man kwam op Jezus toe, viel op zijn knieën en smaakte: Here heb medelijden met mijn zoon! Hij lijdt aan toevallen en is er slecht aan toe. Hij valt zo maar van zichzelf, dikwijls in het vuur of in het water. Nu heb ik hem bij uw leerlingen gebracht, maar die kunnen hem niet genezen. Jezus zei: o ongelovig en verkeerd soort mensen, hoe lang moet Ik nog bij jullie zijn? Hoe lang moet Ik jullie nog verdragen? Breng hem hier bij Mij. Jezus sprak de boze geest streng toe, en die ging uit hem weg, en vanaf dat ogenblik was de jongen gezond. Toen kwamen de leerlingen naar Jezus toe, en toen ze met Hem alleen waren, vroegen ze: Waarom konden wij hem niet genezen? Door jullie gebrek aan geloof, zei Jezus. Ik verzeker jullie: als je geloof hebt, als is het zo klein als een mosterdzaadje, dan kun je tegen die berg zeggen: Weg van hier, verplaats je daar naar toe! –en hij zal het doen. Niets zal onmogelijk voor je zijn.’


Een ieder van ons gelovigen weet dat deze uitspraken van Jezus niet waar zijn. En toch durft geen bijbelgetrouw gelovige het nu met mij eens te zijn. Indien dit ook het geval is met u, zeg ik u dat u met de angst leeft, en u niet eerlijk durft te zijn.

Ik zal u zeggen hoe u eerlijk moet worden. Jezus zei hetzelfde: wordt gelijk een kind. Een kind leeft alsof de dood niet bestaat hoewel hij best weet dat iedereen doodgaat. Het is allebei waar, en alleen een kind begrijpt deze onlogische denktrant. Een volwassene geeft hieraan de naam ‘naief’ en verliest alles. Alleen een kunstenaar doet er nog een greep naar en geeft het de naam ‘Urlicht’. Luister naar deze muziek van Mahler met oren die openstaan om te horen; u zult het mooiste lied horen dat ooit op aarde geklonken heeft.


Zo is voorzeker de bijbel niet waar en toch waar. Zelfs de hel is waar. En natuurlijk niet waar.

Wanneer we teruggaan naar die eerste verhalen van de bijbel, lezen we dat de mens uit de oertijd schrijft over een God die letterlijk de levensadem in de neus van Adam blaast. Af en toe daalt Hij neder uit de hemel om zich op de hoogte te stellen van de dingen op aarde. Af en toe ruikt Hij ook de liefelijke reuk van offers, en wordt Zijn hart erdoor verzacht. Wanneer het ‘s avonds lekker koel is in het Paradijs kun je God letterlijk zien wandelen in de hof (Gen. 3: 8). Een ieder die deze dingen leest, leest om het letterlijke heen, en leest het zonder moeite met de gedachte dat hier beeldspraak gebruikt wordt. Zover zijn we verwijderd van de oorspronkelijke gedachten van de schrijver die ongetwijfeld letterlijk waren. Op dezelfde manier zijn wij in onze moderne tijd lichtjaren verwijderd van de gedachtenwereld in de rest van de bijbel. Ik gebruik hier met opzet het woord ‘lichtjaren’, omdat wij de eerste mensen in de geschiedenis zijn die zich over de oneindigheid van het heelal onze gedachten kunnen laten gaan. Voor een ieder die God in zijn woordenboek laat staan groeit het Godsbeeld evenredig met de groei van ons ‘vatten’ van het universum.

Omdat we tegenwoordig weet hebben van de onmetelijkheid van het heelal zien we dat God oneindig veel groter is dan welk woord dan ook uit de bijbel ons zou kunnen vertellen. Dit te zeggen is geen godslastering maar juist het tegenovergestelde, het eren van God. Zo is voor de moderne mens ook het achterlaten van het godsbeeld in de bijbel geen godslastering, maar juist het onderhouden ervan in deze tijd zou zo bestempeld kunnen worden. Het eren van de bijbel is precies dat wat de uitdrukking zegt: het eren van iets anders dan God. Dit noemt men in bijbelse taal het maken van een afgod.









Inzicht als hulpmiddel tot mondig worden

We zagen dat niet alleen Paulus, maar ook Jezus het Oude Testament volledig herinterpreteert. Jezus gooit het niet weg, Hij ziet het als het woord van God, maar geeft er een wending aan die zoal niet ongeoorloofd is, dan toch wel heel eigengereid en vanuit een visie van erboven staan gegeven wordt (lees het verhaal ‘Aren plukken op de sabbat’, Mt. 12). Jezus kón niet anders dan zeggen dat hij geen punt en komma van de wet tegenspreekt, weglaat of afdoet, omdat hij anders meteen gestenigd zou worden, maar al zijn woorden staan in grote tegenstelling tot dit oudtestamentische geloof. Zijn boodschap was geheel anders dan wat het Oude Testament ons leerde. Dit wordt nog vele malen versterkt in de boodschap gepredikt door Paulus. Paulus wilde niets liever dan bevrijd worden van de wet. Maar omdat hij ermee opgegroeid was kon hij het natuurlijk niet in brand steken. Op een goed doordachte manier gebruikte hij de wet om aan te tonen dat we Christus nodig hebben. In die zin was de wet perfect, zij diende als een leermeester om ons tot Christus te brengen. Juist vanwege dit perfecte van de wet was het voor de mens een vloek, omdat wij niet perfect zijn om het allemaal op te volgen. Ingenieus bedacht, al is het allemaal onzin wat hij verzint, omdat het Oude Testament veelvuldig het tegenovergestelde zegt: ‘Nimmer zal ik uw wetten vergeten, want door deze hebt Gij mij levend gemaakt’ (Ps. 119: 93), ‘De wet van Jahweh is volmaakt, zij verkwikt de ziel’ (Ps. 19: 8). [6] Maar hoe dan ook, de godsdienst die Jezus en Paulus predikt staat in alles boven en tegenover en in strijd met de oude godsdienst. Zo is Jezus uiteindelijk ook als ketter vermoord. Hij verhief zich tot de status die alleen God kan hebben. Nog steeds staat het voor iedere Jood daarom als paal boven water dat Jezus een valse profeet is. En de Joden doen niets liever dan Paulus hekelen als afvallige Jood, en ze hebben meer dan gelijk. Maar al waren ze allebei ketters, ze brachten de godsdienst op een hoger niveau.

Maar in onze tijd worden we door ons opgroeien als mens gedwongen hoger te klimmen en de sublieme analyse van Nietzsche te aanvaarden: "Wie de god van de bijbel als een god van liefde looft, denkt niet hoog genoeg over de liefde zelf." De manier om uit ons dilemma te komen wordt ons aangeboden door Jezus en Paulus:
Wij zouden uit deze methode van Jezus ‘Er is u gezegd...maar Ik zeg u....’ steun kunnen krijgen, door hetzelfde te doen tegenwoordig. We moeten dan echter wel zo vermetelig zijn te denken dat we het recht ertoe hebben. En dit recht hebben we, omdat de wereld volkomen anders is. Aan de basis van ons moderne leven staat volwassen, mondig denken. Dit betekent dat we onze denkbeelden als volkomen slechte mensen opgeven en ons gaan waarderen als ethische goede mensen, die zowel de kracht van godgegeven intellect en godgegeven liefde in zich hebben als de opvoeding van duizenden jaren menselijke cultuur. We verheffen ons daarbij in de richting van Jezus zelf, en dat lijkt voor gelovigen natuurlijk bijzonder gevaarlijk, en ook arrogant. Maar hebben we een andere keus tegenwoordig? Ik voor mij heb geen andere keus. Ik zie het beslist niet als opstand tegen God, maar als een verruiming van mijn blikveld, een verdieping van mijn zicht op de waarheid en op God, en als de enige manier waarop ik God in mijn denken kan behouden en mijn hoogste menszijn kan beleven.
Aan de hand van onze ervaringen van duizenden jaren geschiedenis krijgen we duidelijker zicht op onze bestemming en onze manier van handelen en denken. Op precies dezelfde manier als Jezus ook als mens getekend werd in het verhaal over de buitenlandse vrouw die om Zijn hulp riep en Hij zijn blikveld moest verruimen. Op precies dezelfde manier als dat wij moeten zien dat God veel groter is dan de God van de bijbel, moest Jezus inzien dat God groter is dan zoals Hij ons in het Oude Testament voorgesteld wordt. Dit verhaal waar ik jarenlang als bijbelgetrouw christen over getobt heb is opeens een sleuteltekst in mijn volwassen begrijpen van de dingen. Het doorbreekt als geen ander verhaal in het evangelie de vaststaande grenzen van mijn denken over Jezus, mijn beeld van Hem, en werpt een volkomen ander en verrassend licht op Hem. Wat dit verhaal van de Kananese vrouw laat zien is dat het de mensen zijn die Jezus vindt op zijn weg die Hem zijn opdracht doen verstaan. Dat het evangelie geen kant en klaar pakketje is dat Hij heeft meegekregen en over de mensen uitstort, maar het iets is dat gebeurt tussen Hem en hen, iets dat gaandeweg gaat groeien. Ik zie opeens dat dit verhaal, wat altijd een van de meest schokkende was, omdat het de goddelijkheid van zowel Jezus als bijbel in één klap van de tafel veegt, juist één van de meest ontroerende verhalen uit het evangelie is! Het tekent Jezus als leerling, als mens zoals ikzelf. Wonderlijk dat Mattheüs dit begrepen heeft, dat Jezus' leerlingen dat begrepen hebben, dat deze mens die zij de Zoon van God genoemd hebben, niet alleen gekomen is als leraar maar ook als leerling. Als een mens die zich gewonnen geeft aan de waarheid die hij op zijn weg ontdekt, ook als het een beschamende waarheid is. Die het vermogen heeft om zichzelf prijs te geven, te buigen, te dienen. De mens die er niet op gericht is om zelf gelijk te hebben, om te gloriëren, maar eerdere gedachten op kan geven. Als een mens die openstaat voor dat wat God hem wil laten zien, en zich daaraan gewonnen wil geven. Zo roept dit verhaal een ieder op om steeds weer grenzen te doorbreken, grenzen waarbinnen we ons juist zo veilig kunnen voelen. Om niet daar te eindigen waar we begonnen zijn, waar onze voorouders al op uitgekomen zijn, maar verder te durven gaan, te groeien in ons geloof. Om de scheidingen in ons denken, vaste beelden waarmee we dat wat we moeilijk en verwarrend vinden ver van ons vandaan houden, oordelen en vooroordelen die ons houvast bieden los te laten als dat moet. Dit brengt ons niet in de chaos die we zo vrezen, maar opent onze ogen voor de andere, steeds hogere orde van de liefde van God.


En nu naar Paulus: Het is al even interessant en steungevend op te merken dat de volwassen mens de gehele bijbel naast zich neer kan leggen op dezelfde manier als Paulus dat destijds deed met het Oude Testament! In feite zitten wij fundamentalistische/reformatorische / orthodoxe/evangelische/bijbelgetrouwe christenen met precies dezelfde traumatische problematiek als waar Paulus mee zat als farizeeër. De bijbel is voor ons moderne mensen wat voor Paulus het Oude Testament was: een leermeester die vroeger zin heeft gehad maar nu ontgroeid wordt. Voor Paulus was het een leermeester tot aan Christus, tot aan de komst van het grotere, voor ons is de gehele bijbel een leermeester tot aan de Mondige Mens, de mens die al het vorige in zich opgezogen heeft en er nu naar hunkert om op te stijgen tot een nog grotere hoogte: de hoogste traptrede van de liefde, de liefde die alles en allen omvat, die geen hel, goddelijke vervloeking, angst en straf meer kent, omdat ze afdoet met zaken als ‘genoegdoening’, vergelding en bloedwraak.

Het gesprek tussen bijbel en de moderne lezer is in deze en alle hieropvolgende tijden een gesprek tussen twee zelfstandige partners. Met de techniek kunnen we steeds meer ‘voor God spelen’, zelf macht uitoefenen. Zo zal de toekomst ongetwijfeld laten zien hoe de mens al maar verder kan denken over menselijke macht, het menselijke spelen voor God – positief bedoeld, als aspect van de menselijke aard en taak, en zal de afhankelijkheid van God steeds meer op de achtergrond raken. Met de techniek verandert de cultuur en verandert de mens, ook in relatie tot ‘de Macht’. Deze machtsverschuiving, dit ‘moderne weten’, impliceert dat men de bijbel kan en moet tegenspreken, in naam van de eigen morele ervaring, een ervaring die opgebouwd is uit de ervaring van duizenden jaren geschiedenis en studie van ontelbare mensen. Als de Schrift dus oproept tot jubelen wanneer de goddeloze ‘verdelgd’ wordt, dan doen we dat niet, omdat we de menselijke geschiedenis nu kennen en het ons alleen maar bedroeft. Als de bijbel anti-judaïstische uitspraken doet (bv. Joh. 8, 39-), dan kunnen lezers die na Auschwitz leven, ook al beseffen ze dat het hier waarschijnlijk de neerslag betreft van een onderling conflict tussen rivaliserende groepen joden, niet anders dan op grond van hun historische ervaring protesteren. Als de bijbel homoseksualiteit veroordeelt, dan kunnen lezers onder verwijzing naar een in angst en depressie gestorven familielid, verschoven waarden en voortgeschreden wetenschappelijk inzicht van oordeel zijn dat 'wij het inmiddels beter weten dan Paulus'. Als de bijbel spreekt over een hel, dan bestaat die hel op dezelfde manier als de neus van God waarmee Hij liefelijke reuk van brandoffers opsnuift in het OudeTestament.

Waar we dan op uit komen, hoe ikzelf uiteindelijk geloof is voor een deel raadselachtig. We weten tenslotte ook niet waar het heelal ophoudt. Sommige wetenschappers trekken hieruit de troosteloze gedachte dat hoe meer we het heelal begrijpen, hoe meer het ook zinloos blijkt. Of het heelal nog miljarden jaren doorgaat met uitdijen dan wel weer zal ineenstorten tot een grote hete vuurbal, een menselijke bestemming is er niet te onderkennen. De werkelijkheid is zinloos, een koud en donker heelal. Ons menselijk leven is op vele manieren een tragedie. Zo zijn de mensen die in onze tijd God aan de kant hebben gezet, in het geheel niet immoreel en goddeloos, maar hebben ze alleen maar moeite met de primitieve godsvoorstellingen –en de daarbij behorende verkitsching en vervalsing van ons bestaan- die men overal nog tegenkomt, en in het christelijk geloof hoogtij viert, en zijn ze niets anders dan eerlijk en oprecht, wanneer ze zeggen er niet aan mee te kunnen doen. Ze hebben gelijk. Het is te begrijpen dat iemand die weet heeft van de oneindigheid en ogenschijnlijke doelloosheid van het heelal er moeite mee heeft tegen een persoonlijke God te bidden, vooral als Hij zich al 2000 jaar heeft stilgehouden en hiermee blijkbaar van plan is door te gaan tot het einde -het einde dat in alle christelijke eeuwen alleen duidelijk zichtbaar is voor alle gelovigen die aan waandenkbeelden overgeleverd zijn.

Iemand legde de onmogelijkheid eens zo uit: ‘Een fundamentalistische christen is iemand die denkt dat God het onmetelijke heelal geschapen heeft en, als een van Zijn belangrijkste bezigheden daarna, voortdurend het seksleven van de gelovige in de gaten houdt’.

De manier waarop wij mensen vaak in het leven staan kan vergeleken worden met de situatie van mensen die opgegroeid zouden zijn door ze letterlijk te laten geloven in de werkelijkheid die zich aanbiedt in de sprookjeswereld van Doornroosje en Roodkapje.


De grootsheid van het heelal maakt het volkomen onmogelijk te geloven in een God die de doodstraf eist voor iemand die Heilige Zalfolie maakt. Nog grotesker is de gedachte dat iemand die op zulke intellectuele gronden de bijbel verwerpt als goddelijk geinspireerd daarvoor een hel in zou moeten gaan. De bijbel valt op talloze manieren door de mand en wij mensen blijven zitten met een enorm gevoel van teleurstelling en bedrogen te zijn. Het ontbreekt atheïsten aan een nieuwe visie op God. Veelal zijn ze boos op God. Ongetwijfeld is dit een tijdelijke situatie, want de mens zal altijd de Oorsprong en de uiteindelijke Voltooiing zoeken. God is het hogere waar wij naar verlangen, maar niet bij kunnen. En het is onzinnig daar niet mee bezig te zijn, te verklaren dat het onzinnig is te stellen dat er mooie muziek bestaat, omdat niemand zoiets kan bewijzen. Iemand die niet wil toegeven dat er mooie muziek is, zal er alleen zelf onder lijden. Dat is wat ik tegen mezelf zou zeggen als ik atheïst zou worden. Zo zal ook iedereen die de liefde van zijn leven vindt zich altijd uitdrukken in metafysische termen zoals ‘wij zijn voor elkaar geschapen’, ‘hij/zij is op mijn weg geplaatst’. Godsdienst hoort bij het leven. Het is de diepste hunkering van de mens. Het is een steun om onze hoogste menselijkheid te vinden. Het is niets anders dan betekenis geven aan het leven, een noodzakelijk gevolg van ons denkvermogen.

Toch is het voor ieder modern mens mogelijk nu al aan te voelen dat onze toekomst ook geheel anders zal kunnen zijn. ‘Volwassen worden’ als mensheid zou ook kunnen betekenen dat we uiteindelijk inzien dat onze godsdiensten op ficties en inbeeldingen berusten en wellicht daaruit de conclusie kunnen trekken dat we het veel beter zonder godsdienst kunnen doen. De godsdienst houdt namelijk in de eerste plaats stand omdat de doorsnee mens niet in staat schijnt te zijn zich een wereld voor te stellen waar een ieder zonder enige vorm van dwang of bangmakerij ‘het goede’ nastreeft. De mens leeft met de angst dat het opgeven van godsdienst uitloopt op chaos. [7] Maar ik voel heel sterk in mezelf dat het opgeven van mijn vroegere godsdienstige denkbeelden in het geheel niet uitloopt op ontaarde mensheid, maar, integendeel, voortkomt uit de diepe hunkering in mij om verlost te worden van de primitieve onderdelen van de godsdienst, om op te stijgen naar een hogere vorm van menselijkheid, iets wat de traditionele godsdienst mij niet aan kan bieden. Ik voel steeds sterker dat de traditionele godsdienst ons juist ervan weerhoudt om op een hoger niveau te komen, door ons altijd maar van eeuw tot eeuw dezelfde starre ideeën aan te bieden en ons verbiedt hieraan ook maar iets te veranderen. ‘Goddelijke inspiratie’ van duizenden jaren oude geschriften laat ons in een dwangbuis leven waar we ons, hoe antieker ze worden, steeds meer in voelen stikken. En ik stel me voor dat er steeds meer mensen zijn met ditzelfde gevoel. Wanneer we dan in de toekomst de weg van vernieuwing opslaan zal de definitie van ‘godsdienst’ totaal anders kunnen worden. De gehele definitie van God zal anders worden: God zou ook dat deel van ons menszijn kunnen zijn dat ons altijd oproept tot onze hoogste menselijkheid. We zouden dan van ‘mensdienst’ kunnen spreken.

Maar in deze tijd –de tijd van mijn leven, waarin de mens nog steeds bezig is met zijn eerste stappen in een wereld gebaseerd op de menselijke rede-is de mens meer dan ooit op hetzelfde punt aangekomen als Prediker in de bijbel. En juist deze Prediker, de man die het boek in de bijbel schreef waar het meest over gedebatteerd is of het wel in de canon opgenomen mocht worden, groeit uit tot de man met de boodschap die het langst standhoudt! Het boek, al duizenden jaren geleden geschreven, bewijst namelijk dat de mens altijd een andere optie heeft. Hoewel alles zinloos lijkt kunnen we ook stellen dat het zinloos is alles weg te gooien. We kunnen toch net zo goed ook God en bestemming in ons denken houden. We kunnen ook net zo gemakkelijk zien dat het geloof, God zelf, alleen maar steeds groter kan worden naarmate de mens steeds meer kennis vergaart. God zou men kunnen noemen ‘de planmatigheid en doelmatigheid’ in het universum, iets dat ons besef veruit te boven gaat, maar waar de wetenschap wel steeds meer kennis van kan opdoen. God behoort tot ons leven om er iets moois van te maken. God is de diepe hunkering van onze ziel naar geluk. Dit is de enige God die wij mensen zouden moeten aanbidden.

Zoals heel duidelijk zal zijn geworden zal het vanaf nu wel het mondige baas in eigen hoofd zijn dat de inhoud van geloof zal bepalen. Maar de moderne tijd laat ook zien dat de mens van alle tijden per slot van rekening zo geleefd heeft. Als grappig en ook treurig voorbeeld: werkgevers beriepen zich eind negentiende, begin twintigste eeuw op Joh. 9, 4a ('Gij zult werken zolang het dag is') en Joh. 11, 9 ('Zijn er niet twaalf uren in een dag?') tegen de eis van vakbonden van een kortere werkdag! Wij zijn slechts de eersten die het door hebben dat we zo leven en het dus moeten toegeven. En dit zie ik eigenlijk meer als een pluspunt, we worden bevrijd van een hoop hypocriet gedrag, en het zien van menselijke kleinzieligheid houdt een mens waarlijk nederig. Zo zei iemand eens dat gelovigen van vroeger hun hoofd schudden toen ze lazen dat Jezus door alle discipelen in de steek werd gelaten. Ze vonden het treurig. Zo denkt kinderlijk denken. Maar volwassen denken van de moderne mens is eerlijker: hij weet dat hij precies zo zou hebben gehandeld.

Wellicht blijft het religieuze besef van mensen van nu af aan voortdurend zweven. Modern geloof heeft niets meer te maken met je handtekening zetten onder een lijst met geloofswaarheden. Niemand kan zijn geloof meer verankeren. Er komt telkens een golf die ons anker dreigt op te lichten. De moderne tijd vereist een geheel modern denken. Na de 20ste eeuw, na Auschwitz, is alles anders. Mijn intuïtie zegt dat het te maken heeft met nog nederiger worden; hoe meer de macht van de mens toeneemt, des te nederiger zal het ons maken. Ook heeft het te maken met nog meer de boodschap van de hoogste menselijkheid, de liefde, te verkondigen en al het andere loslaten.

Wanneer we in ons leven onze plaats bepalen en ons handelen funderen, keuzes doen, kiezen we uiteindelijk wat we het zwaarst laten wegen.

Ikzelf neem van Jezus mee de leidende gedachte dat je alles moet omdraaien tot echte liefde, eerlijke liefde, voelbare liefde, onomstreden vormen van liefde. Lees de woorden opnieuw:


‘Hebt uw vijanden lief, doet wel aan degenen die u haten, zegent wie u vervloeken. Leent zonder op vergelding te hopen en uw loon zal groot zijn en gij zult kinderen van de Allerhoogste zijn, want Hij is goed jegens de ondankbaren en bozen. Weest barmhartig gelijk uw Vader barmhartig is. En oordeelt niet en gij zult niet geoordeeld worden. Want met de maat waarmee gij meet zult gij gemeten worden.’ (Lucas 6:27-38).


Dit bovenstaande bevat alles wat ik overhoud van de autoriteit bijbel, en dan streep ik daaruit ook nog de naieve bijzin over "loon dat groot zal zijn" weg. Maar veracht dit weinige niet. Tel bij elkaar op wat Jezus van het dikke Oude Testament overhield! Met liefde heb je namelijk alles gezegd wat je zou kunnen zeggen in het leven. Een ieder die de kracht van de liefde in zich voelt, hoort ook de stem van God.

Heel pijnlijk is het op te merken dat mensen in dit proces van keuzes te maken op vreselijk ver van elkaar verwijderde afstand kunnen zitten. Sommigen waren 200 jaar geleden al gekomen op het punt waar ik nu moeizaam op klim. [8] Anderen zullen het nooit kunnen zien zoals ik het zie, zoals er alle eeuwen door altijd Joden geweest zijn die het christendom nooit en tenimmer als een ‘vooruitgang’ in de godsdienst konden zien. Godsdienstige vromen zullen met fanatisme nog een derde tempel gaan opbouwen en weer bloedige offeranden aan God gaan doen. En zo leef ik een leven waarvoor ik in bepaalde kerken aan de Satan uitgeleverd zou moeten worden (1 Cor. 5:1-5, 1 Tim. 1:20). Wat ik op mijn beurt met die mensen doe is me altijd maar afvragen hoe het mogelijk is dat deze mensen niet zien dat zij juist handelen alsof ze aan de Satan uitgeleverd zijn. Toch heb ik een optimisme in me dat me doet glimlachen om ze, omdat ik weet dat hun kinderen het beter zullen begrijpen. We kunnen in de tijd namelijk maar één kant op.

Ik ben eindelijk mondig maar voel me tegelijkertijd kleiner dan ooit.


De ethicus David Parker oordeelde dat het Nieuwe Testament wel een heel interessant boek is, maar dat het niet meer relevant voor ons is. Alleen door zijn vreemdheid kan het ons nog verrassen.


‘Ik stel voor dat een van de eerste functies van het Nieuwe Testament niet haar relevantie, maar haar onbruikbaarheid is. Hier hebben we een stel geschriften, geproduceerd in een andere plaats, cultuur, tijd, die anders dan wij aankeken tegen de menselijke ervaring en beslissingen; zo anders dat we er slechts naar kunnen raden. Hun waarde is deze onbruikbaarheid. Als we ze proberen te lezen voor zichzelf, dan zouden ze als een stem van ver kunnen klinken, die ons in onze vooronderstellingen zou kunnen verrassen en ons nieuwe mogelijkheden kan laten zien.’ (Ethics and the New Testament, 1977).


Mooi gezegd. Zo voel ik ook telkens in mijn leven dat het gehele geloof eigenlijk niets anders is dan een appèl op mijn hoogste menselijkheid.





             



















[1]Het duurde echter niet lang na de bijbelse tijd om al op deze ideeën te komen. De al genoemde Marcion (en ook anderen) die in de tweede eeuw na Christus leefde, stuitte vanwege zijn hoge ethische ontwikkeldheid op dezelfde problemen als de moderne mens. Het schriftwoord uit Jesaja 45:7, dat uitspreekt dat God ook het kwade schept, het grillige, onvoorspelbare of tegenstrijdige gedrag van Jahweh, zijn schrikbewind, dwingelandij, wrede straffen en eis van bloedwraak waren voor hem genoeg redenen om aan te nemen dat de God van het Oude Testament niet de Hoogste God was, maar een ondergeschikte god. De Hoogste God was voor hem de God van Jezus, die het zonder dat Hij enige verplichting had op zich nam om de door de ondergeschikte god geschapen mensheid te redden. Oa dit soort ideeën werd Gnosticisme genoemd en door de kerk zwaar vervolgd. De kerk beantwoordde zijn kritiek door het gehele Oude Testament te allegoriseren.



[2]Terwijl ik dit schrijf schiet me te binnen dat er natuurlijk veel christenen waren die dit in de vroege kerk al zo zagen. Dit is vooral aan het licht gekomen met de vondst van 52 vroeg-christelijke geschriften in 1945 in Nag Hammadi, waaronder het Evangelie van Thomas. Deze gnostische literatuur geeft een totaal ander , ‘verlicht’ beeld van Jezus en het christelijk geloof. De interessante materie vereist een geheel ander boek. Een boek dat niets anders dan lof oogst is trouwens al geschreven door Bram Moerland. Iedereen die de gnostiek bestudeert ziet meteen dat deze vorm van geloven een welhaast tegengesteld christendom schept, waarin de mens niet als door en door zondig wordt beschouwd, maar integendeel, als goddelijk. ‘Wij zijn allemaal potentiële Jezus-figuren’ is de boodschap van dit evangelie. Het Thomas evangelie kan niet zomaar aan de kant worden geschoven (hoewel dit natuurlijk wel wordt gedaan door alle christelijke kerken), omdat het evangelie uit dezelfde tijd stamt als de evangeliën in de bijbel.



  

[3]Zo schreef André Horlings in 1994: De grenzen vervagen. Ooit onaantastbare normen en waarden worden uitgehold. De zekerheden van vroeger zijn verdwenen. Het geloof in dogma's is ingeruild voor twijfel over alles. Het ziet er naar uit dat de confrontaties tussen de behoudende religies en de maatschappij steeds heftiger zullen worden. Het broekenconflict in Goes en de hoofddoekenkwestie in Heemskerk zijn symptomen van een groeiend generatieconflict, dat met veel pijn zal worden uitgevochten. In veel gevallen zullen de zekerheden van het religieuze verleden worden ingeruild voor de onzekerheden van de hedendaagse maatschappij.

Volgens de theoloog Anne van der Meiden ervaren velen hun afscheid van de oude waarden als een opluchting; als een last die is afgevallen. ‘Toch zal nog dikwijls een vaag heimwee opkomen bij de herinnering aan het 'gesloten' religieus systeem van thuis, waar de dingen vastlagen, de mensen gesitueerd waren, de orde onverstoorbaar bleek.’ De reacties op zijn boek leerden hem echter ook dat in sommige gevallen leegte en schuldgevoel ontstond; het gevoel dat men verraad heeft gepleegd en bang is voor het oordeel. En angst: ‘Stel je voor dat het allemaal tòch waar is!’



[4]Deze mensen zal ik, om dit schrijven naast zich neer te leggen en de heroïsche strijd tegen het kwaad moedig voort te kunnen zetten, helpen met de volgende woorden, eerder opgeschreven door iemand die het met de vrijzinnige professor Kuitert niet eens was: “Hij is ongetwijfeld een zeer belezen man, thuis in geestelijke en profane literatuur. Bij ieder hoofdstuk geeft hij een mooi citaat van een of andere wijze. Maar is hij ook een meester in wikken en wegen? Mag je woorden uit de Bijbel, moderne en klassieke auteurs, krantenartikelen en niet nader gespecificeerde uitspraken van bekende mannen uit alle eeuwen door elkaar gebruiken als bouwstenen voor een fundamenteel-theologisch boek, zonder duidelijk te maken welke criteria je hanteert? Ik waag dat te betwijfelen! Niet de opbouw van het betoog is belangrijk voor de waarheid, maar de controleerbare juistheid van de context en het verband van de stellingen en citaten. Het ontbreken van noten en een fatsoenlijke bibliografie maakt van zijn boek een pamflet: goed geschreven, maar... is het ook waar wat hij schrijft en zo ja, waarom eigenlijk? Van iemand die de vloer aanveegt met 'subjectieve geloofsvoorstellingen' omdat de wetenschap die ongeloofwaardig maakt, mag men toch wel verwachten dat hij zijn stellingen objectief weet te onderbouwen?”

Gebruik als eindoordeel de volgende woorden (met een glimlachje uitgesproken): “een hutspotje van meest emotionele ideeën”, want voor mijn godsdienstige opinies heb ik inderdaad geen andere doorslaggevende basis. Ik heb nog een goede opmerking bedacht als introductie: "Merk allereerst op hoeveel werk er besteed is aan de studie van de bijbel, maar dit alles met als doel de bijbel aan te vallen en tegen te spreken. Als de schrijver van deze site zich dezelfde moeite had getroost om de bijbel werkelijk te verstaan zou hij in z'n leven een hoop tijd minder verspild hebben."



[5]Zelfs in deze moderne tijd sterft elke dertig seconden iemand in de wereld aan malaria. We mogen er dus volkomen zeker van zijn dat God zich niet bezighoudt of ooit beziggehouden heeft met dit probleem.



[6]De grootste theologische onzin van Paulus staat in Galaten 3: 16. ‘Nu werden aan Abraham de beloften gedaan en aan zijn zaad. Hij zegt niet: aan zijn zaden, in het meervoud, maar in het enkelvoud: en aan uw zaad, dat wil zeggen: Christus.’ In alle schriftplaatsen waar over ‘zaad’ wordt gesproken betekent dit overduidelijk ‘nakomelingen’ in het meervoud (bijv. Gen 17: 7,8) en hebben de schriftplaatsen totaal niets met Christus te maken.



[7]Het is in de christelijke apologetiek de gewoonte het geloof te verdedigen door erop te wijzen dat de mens zonder God geen basis voor zijn waarden heeft en zonder God alles toegestaan zou zijn en de mens in chaos zou vervallen. Dit is bepaald geen gezonde redenering hetwelk op vele manieren bewezen kan worden, maar wellicht het beste door de uitspraak van iemand: ‘Een christen is iemand die de leringen van Jezus en het christendom navolgt, voor zover ze niet in strijd zijn met zijn eigen levenswijze en opvattingen.’ In ieders leven is het uiteindelijk de mens zelf die de basis is voor zijn eigen normen en waarden. Zo is de beschuldiging van christenen dat atheïsme ‘zo ongeveer gelijkstaat aan nihilisme’ van evenveel waarde als de beschuldiging van atheïsten dat ‘zo ongeveer alle gelovigen schijnheilig zijn’. Ethiek is nooit uit de hemel komen vallen. Het is een onderdeel van ons menszijn op dezelfde manier als vingers tot het menselijk lichaam behoren.

Hoe er over u, o ongelovige mens, door christenen zoal gedacht wordt kunt u uitgebreid en in alle helderheid lezen door op Google "mens zonder God" in te slaan. Voor eenmaal is de gehele christenheid dezelfde mening toegedaan. Het is bijzonder triest met u, wellicht erger dan u ooit gedacht had...Het is erg leerzaam om een aantal van deze uitspraken door te lezen, vooral voor de christenen kan het leerzaam zijn. De ongelovigen weten namelijk al dat ze hoogmoedig zijn, maar de christenen schijnen te denken hiervan gevrijwaard te zijn. Ik schotel u een greep uit mijn nederlandse verzameling voor:





In het engels levert "man without God" wel 26 maal zoveel sites op met christelijke bespiegelingen. Dit is de eerste:



En het vervolgt met:


/p>

[8]Bijvoorbeeld Thomas Paine, die in 1775 al de slavernij wilde afschaffen, algemene leerplicht voorstond, voor de gelijke rechten van de vrouw opkwam en als eerste in de wereld voorstelde dat de staat een vorm van sociale voorzieningen behoort aan te bieden aan al haar onderdanen. In 1795 verscheen zijn werk The Age of Reason, geschreven in de gevangenis. Paine begint zijn kritiek op de bijbel vanwege morele geschoktheid naar aanleiding van de tekst van de Pentateuch (de vijf boeken van Mozes). Hij ziet het als zijn taak de moraal van God te redden door te bewijzen dat de Pentateuch niet door Mozes geschreven kan zijn, en pas op zijn vroegst 350 jaar later geschreven werd, zodat heilige oorlog en barbaarse geboden zoals stenigen van ongehoorzame kinderen niet uit de mond van God komen, maar slechts de uitspraken van priesters zijn. Hij doet me met mijn 200 jaar meerdere kennis en theologische opleiding vervolgens beschaamd staan door de volgende woorden uit te spreken: ‘In het algemeen weten de mensen niets van de verdorvenheid die gevonden kan worden in het zogenaamde Woord van God. Opgevoed in een atmosfeer van bijgeloof, neemt men klakkeloos aan dat de bijbel de waarheid bevat en het goede predikt. Ze staan zichzelf niet toe eraan te twijfelen, en ze hevelen hun ideeën die ze gevormd hebben over de goedertierenheid van de Almachtige over op het boek waarvan ze onderwezen werden dat het op Zijn instigatie geschreven was. Lieve hemel! De werkelijkheid is volkomen anders. Het is een boek vol leugens, verdorvenheid en godslastering. Want wat kan grotere godslastering zijn dan wanneer de verdorvenheid van de mens in bijvoorbeeld Numeri 31 toegeschreven wordt aan het bevel van God!’ Van hem is de mooie uitspraak: ‘Ieder godsdienstig systeem dat ook maar iets bevat waar een kind door geschokt raakt, kan niet op waarheid berusten.’



[V1]Er was in de dagen van David een hongersnood gedurende drie jaren achtereen; en David zocht het aangezicht des HEREN. De HERE zeide: Op Saul en op zijn huis rust een bloedschuld, omdat hij de Gibeonieten gedood heeft. Toen riep de koning de Gibeonieten en zeide tot hen – de Gibeonieten nu behoorden niet tot de Israëlieten, maar tot de rest der Amorieten en ofschoon de Israëlieten hun een eed hadden gedaan, had Saul in zijn ijveren voor de Israëlieten en voor de Judeeërs getracht hen om te brengen – David zeide dan tot de Gibeonieten: Wat kan ik voor u doen en waarmee kan ik verzoening bewerken, opdat gij het erfdeel des HEREN zegent? Toen zeiden de Gibeonieten tot hem: Het gaat ons in de zaak met Saul en zijn huis niet om zilver of goud, en het staat niet aan ons iemand in Israël te doden. Maar hij zeide: Wat verlangt gij, dat ik voor u doen zal? Daarop zeiden zij tot de koning: De man die ons wilde vernietigen en die het erop toelegde ons te verdelgen, zodat wij nergens in het gebied van Israël zouden kunnen voortbestaan – laat ons uit zijn zonen zeven mannen gegeven worden, opdat wij hen ophangen, voor de HERE, in het Gibea van Saul, de uitverkorene des HEREN. En de koning zeide: Ik zal hen geven. Maar de koning spaarde Mefiboset, de zoon van Jonatan, de zoon van Saul, vanwege de eed bij de HERE, die hen, David en Jonatan, de zoon van Saul, verbond. Toen nam de koning de beide zonen van Rispa, de dochter van Ajja, die zij Saul gebaard had, Armoni en Mefiboset, en de vijf zonen van Merab, de dochter van Saul, die zij Adriël, de zoon van de Mecholatiet Barzillai, gebaard had, en gaf hen over aan de Gibeonieten. Dezen hingen hen op, voor het aangezicht des HEREN, op de berg. Die zeven vielen tezamen en werden ter dood gebracht in de eerste dagen van de oogst, in het begin van de gersteoogst. 10 Toen nam Rispa, de dochter van Ajja, een stuk grove stof en spreidde het voor zich uit op de rots; (het lag er) van het begin van de oogst af tot er water van de hemel op hen neerstroomde; en zij liet overdag het gevogelte des hemels niet toe zich op hen neer te zetten, noch het gedierte des velds bij nacht. 11 Toen aan David werd meegedeeld wat Rispa, de dochter van Ajja, de bijvrouw van Saul, gedaan had, 12 ging David heen en haalde bij de burgers van Jabes in Gilead de beenderen van Saul en zijn zoon Jonatan vandaan, die zij heimelijk van het plein in Bet-San hadden weggenomen, waar de Filistijnen hen hadden opgehangen, toen de Filistijnen Saul op Gilboa verslagen hadden. 13 Hij bracht de beenderen van Saul en zijn zoon Jonatan vandaar mee; en men verzamelde ook de beenderen van hen die opgehangen waren, 14 en begroef de beenderen van Saul en van zijn zoon Jonatan in het land van Benjamin, in Sela, in het graf van zijn vader Kis. Men deed alles wat de koning had geboden, en hierna ontfermde God Zich over het land.


[V2]11 ‘Wat moet ik met jullie talloze offers? Jullie brengen mij rammen, verbranden het vet van gemeste kalveren, maar ik heb er genoeg van. Het bloed van stieren, schapen en bokken, ik kan het niet meer zien! 12 Jullie komen mij in de tempel vereren, met horden loop je over mijn pleinen, maar wie heeft dat verlangd? 13 Nog meer offers zijn nutteloos, ik walg van hun geur. Jullie vieren Nieuwe Maan en de sabbat, jullie houden bijeenkomsten ter ere van mij en tegelijk doen jullie onrecht. Dat kan ik niet dulden. 14 Ik verafschuw jullie feesten, ik kan ze niet langer verdragen, ik ben ze beu. 15 Als jullie je handen smekend omhoog heffen, houd ik mijn ogen gesloten. Hoelang je ook bidt, ik luister niet. Want jullie handen zijn rood van het bloed. 16 Ga je wassen, maak ze schoon. Maak een eind aan jullie wandaden, laat ik ze niet langer zien. 17 Vermijd het kwade, zet je in voor het goede. Kom op voor het recht, houd uitbuiters in toom, doe recht aan de wezen, verdedig de weduwen.


[V3]Wat geef ik om wierook uit Seba, wat heb ik aan geurige kruiden uit verre streken? Ik ben niet ingenomen met hun brandoffers, hun vleesoffers doen mij geen genoegen.

[V4]Dit zegt de almachtige Heer, de God van Israël: ‘Al het offervlees mag je zelf opeten, van welk offer ook, ik geef er niets meer om. Toen ik je voorouders uit Egypte haalde, heb ik hun geen bepalingen gegeven over vlees- en brandoffers!


[V5]De Heer zegt: ‘Jullie feesten haat ik, ik heb er een diepe afkeer van, ik kan jullie samenkomsten niet verdragen. 22 Zeker, jullie brengen mij brand- en meeloffers, maar ik stel geen prijs op zulke gaven; jullie brengen mij mestkalveren voor het offermaal, maar dat kan ik niet aanzien. 23 Houd op met dat gebral van je liederen, dat getokkel op je harpen wil ik niet meer horen. 24 Zorg liever dat het recht zijn loop heeft en dat gerechtigheid een bedding vindt als een nooit opdrogende beek.


[V6]Uit grote schalen drinken jullie wijn en jullie zalven je met de beste olie; maar om de ondergang van het land, het land van de nakomelingen van Jozef, bekommeren jullie je niet.

 

[V7]1 Jezus zei ook tegen zijn leerlingen: ‘Er was eens een rijke man. Hij had een rentmeester in dienst en men had hem laten weten dat die rentmeester het vermogen van zijn heer verkwistte. 2 Hij liet de rentmeester bij zich komen en zei: Wat ik van u gehoord heb! Leg rekenschap af van uw beheer, want u kunt niet langer rentmeester blijven. 3 De rentmeester dacht bij zichzelf: Wat moet ik doen? Want mijn heer ontslaat mij. Spitten kan ik niet, en bedelen, daar schaam ik mij voor. 4 Ik weet al wat ik zal doen! Dan zullen de mensen mij, als ik ontslagen ben, in huis nemen. 5 Hij liet iedereen die bij zijn heer schulden had, één voor één bij zich roepen. Hoeveel bent u mijn heer schuldig? vroeg hij aan de eerste. 6 Die zei: Honderd vaten olijfolie. En hij zei tegen hem: Hier is uw schuldbekentenis. Ga zitten en schrijf vlug vijftig op. 7 En wat bent u schuldig? vroeg hij een tweede. Deze zei: Honderd zakken graan. En hij zei: Hier is uw schuldbekentenis; schrijf op: tachtig. 8 En de heer prees de oneerlijke rentmeester, omdat hij het handig had aangepakt. Want de mensen van deze wereld gaan handiger met elkaar om dan de mensen van het licht.’


[V8]21 Jezus ging daarvandaan naar het gebied van Tyrus en Sidon. 22 Een Kananese vrouw uit die streek kwam naar hem toe. Ze riep: ‘Heer, Zoon van David, heb medelijden met mij. Mijn dochter is bezeten; ze is er vreselijk aan toe.’ 23 Maar hij gaf haar helemaal geen antwoord. ‘Stuur haar weg,’ vroegen zijn leerlingen hem. ‘Ze blijft ons naroepen.’ 24 Hij antwoordde: ‘Ik ben alleen naar de verloren schapen van het volk Israël gestuurd.’ 25 Maar de vrouw kwam dichterbij en viel voor hem op de knieën. ‘Heer, help mij,’ zei ze. 26 Hij antwoordde: ‘Het is niet juist het brood dat voor de kinderen bestemd is, de honden voor te gooien.’ 27 Maar zij zei: ‘Dat is zo, Heer, maar de honden eten wel de kruimels die van de tafel van hun baas vallen.’ 28 Toen zei Jezus tegen haar: ‘Vrouw, wat is uw geloof groot! Moge gebeuren wat u vraagt.’ En vanaf dat ogenblik was haar dochter genezen.

[V9]26 Toen de koning van Moab inzag dat hij de strijd ging verliezen, probeerde hij met zevenhonderd geoefende manschappen uit te breken in de richting van de koning van Edom, maar de opzet mislukte. 27 Toen offerde hij zijn oudste zoon, zijn opvolger, op de stadsmuur aan de god van Moab. Daarover waren de Israëlieten zo ontzet, dat zij opbraken en naar hun land terugkeerden.