Homo Religiosus
Smal is eng
Hoe het werkt
Moed tot absolute eerlijkheid
Volwassen Geloof                                                                                        Hoofdstuk 19

        


‘To YOU I'm an atheist; to God, I'm the Loyal Opposition.’ -- Woody Allen (source unknown)

‘If Woody Allen were a Muslim, he'd be dead by now.’ -- Salman Rushdie










Homo Religiosus

Waarom houd ik me altijd bezig met m’n oom Marcus?

Als kind stond ik regelmatig voor zijn foto op de schoorsteenmantel naar hem te staren. Hij intrigeerde me altijd omdat hij er niet meer was en er dus alleen maar verhalen over hem waren. Hij was vreselijk knap. Hij was bijna afgestudeerd voor chirurg. En als ik over hem vroeg werd mijn moeder altijd zo bedroefd. Ze herhaalde altijd maar: ‘Hij was zo gevoelig; hij was niet opgewassen tegen de kille wereld.’ Zo keek ik dan altijd naar hem.



Bijna afgestudeerd


Hij was juist twee maanden voor mijn geboorte overleden vlak voor zijn 29ste verjaardag. En hij was de liefste oom die ik gehad zou hebben. Wanneer ik naar zijn foto staarde was ik hier zeker van. Altijd wanneer ik naar hem keek had ik hem lief. Later wanneer ik piano speelde was het vaak uit vergeelde boekjes waar zijn naam in stond. Ik was voor hem in de plaats gekomen.


Toen ik 16 was begreep ik het opeens: hij had zelfmoord gepleegd. Ik legde mijn theorie voor aan mijn oudere broer. Ja, daar had hij nog nooit aan gedacht. Zou best zo kunnen zijn...Het is een van de kenmerken van de oude wereld dat over zulke dingen nooit gepraat werd. Dat kon men niet of dat mocht men niet. Zelfmoord was een soort doodzonde, te erg om te overdenken. Maar toen ik het uiteindelijk zelf ontdekte en mijn moeder vroeg om de waarheid, kon ze niets anders doen dan het maar te bevestigen.

Maar nog gekker werd het. Pas jaren later hoorde ik eindelijk wat de reden was geweest: hij had zelfmoord gepleegd omdat hij homofiel was. Het gekke voor mij lag niet in deze reden. Ik begreep best dat hij dat deed. Ik had er niet de uitleg van anderen voor nodig, die zeiden: in díe tijd, in een christelijk gezin, in de conservatieve maatschappij van de vijftiger jaren! Ik begrijp ook de nog zoveel diepere oorzaak: Mijn oom wilde oprecht christen zijn, hij kende de bijbel door en door en bemerkte dat hij een dubbelleven leidde. De bijbel veroordeelde hem. Hij kon daarom zichzelf niet meer verdragen, een gevoel waar menig christen, opgegroeid met het idee van de verdorvenheid van de mens, goed mee vertrouwd is.

Nee, het gekke voor mij was niet het waarom van zijn daad, maar dat mijn moeder uitlegde dat zij ook nog maar pas wist dat haar broer homofiel geweest was! Er was namelijk maar één broer die het geweten had en dit bijna zijn leven lang voor zich gehouden had.

Het is moeilijk om mensen van een andere generatie iets kwalijk te nemen, hoewel het mijn eerste gedachte is. Het gebrek aan openheid had te maken met de praktijk van waar het christelijk geloof altijd automatisch op uitloopt: schaamte voor elkaar niet aan de onmogelijke goddelijke eisen te voldoen en daaruitvolgende beklemmende angst voor God.


De zestiger jaren van de vorige eeuw zullen de geschiedenis ingaan als een breukvlak tussen twee werelden, twee zeer verschillende maatschappijen. De generatie van daarvoor kan de nieuwe generatie van na de zestiger jaren niet begrijpen. Zij leefden in een volkomen andere wereld. In de jaren zestig veranderde de westerse maatschappij definitief van geloof in autoriteiten tot mondigheid van elk individu. En het beste wat een nieuwe generatie kan doen is altijd maar te proberen de vroegere tijd te leren begrijpen en ervan te leren, maar doorgaans valt ook dat niet mee, of is het zelfs onmogelijk.

Als ik naar de tijd van de zestiger jaren kijk, de tijd waarin ik als kind opgroeide, waarin de wat oudere jeugd alle heilige huisjes omvergeschopte, dan vind ik het soms jammer dat er zoveel kapot gegaan is en zoveel met grote agressie omvergeschopt werd. Maar aan de andere kant haal ik als kind van die tijd opgelucht adem: een mens mag nu steeds meer zichzelf zijn. Hoe verheven de oude waarden ook waren, hoezeer men de voortreffelijke waarheid over zeden, gedachten en gedrag ook onomstotelijk wist aan te tonen, er waren mensen die met geen mogelijkheid in dit keurslijf pasten. De wereld zat vol met hypocrisie, psychische angst en wrede door de godsdienst opgelegde straffen. Om het wrede van het optreden van de christelijke godsdienst scherp te doorzien moet men wellicht een atheïst zijn. Indien u, lezer, christen bent, wordt niet boos om de volgende uitspraak, maar doet u eens uw best om ook maar iets hiervan te begrijpen, want deze bittere ervaring staat aan de basis voor de ontkerstening van onze maatschappij:


Het resultaat van de christelijke macht is zonder meer rampzalig. De gehele westerse cultuur is tot op de dag van vandaag verziekt door de tirannie van een aantal haatdragende geestdrijvers, die precies de essentieel menselijke verhoudingen stelselmatig verstoord hebben. Als de mensen hunkerden naar vrede riepen zij op ten oorlog, als de mensen elkaar wilden beminnen werd de sexuele liefde als iets verdorvens voorgesteld, als de mensen hulp en troost zochten werden zij gestraft met boetedoeningen, als zij over hun werkelijkheid wilden nadenken werden de vuren van de brandstapels opgestookt. Het is waar, tegenwoordig loopt het allemaal zo'n vaart niet meer, maar de schijn bedriegt! Het zijn alleen maar de methoden van machtsuitoefening die veranderd zijn. Je moet tegenwoordig veel geraffineerder te werk gaan als je succes wilt hebben. Je kunt bijvoorbeeld niet meer botweg stellen dat homofilie verboden is, neen, je moet er begrip voor tonen en meeleven met die mensen die het zo moeilijk hebben; vervolgens moet je je "medeleven" ongemerkt ombuigen naar "medelijden"; daarmee heb je de grond gelegd voor "barmhartigheid" zodat je met een "hulpprogramma" kunt beginnen en aan het einde van de rit heb je weer iemand een gigantisch schuldgevoel ingeprent, zodat zij of hij psychisch van jou afhankelijk wordt. Op dezelfde manier kan je de zaak manipuleren als het over abortus, euthanasie, bewapening of feminisme gaat.

Het wordt de hoogste tijd om onze wetboeken -voor zover wij die nog nodig menen te hebben- eens grondig te herzien in het licht van het ware recht van de mens: bezit te zijn van ZICHZELF.

Filosoof Jan Vis


Op wat details na was er in de maatschappij van vroeger maar één waarheid, en o wee, als je over de heersende waarheid zo je twijfels had. Of stiekem afweek van de voorgeschreven regels. Dan werd het leven zo buitengewoon zwaar dat men zich soms vanwege ondraagbaar schuldgevoel van het leven beroofde. De maatschappij van tegenwoordig maakt het een mens niet zo moeilijk meer. Maar alles is geheel anders wanneer je, zoals ik, opgegroeid bent in één van die laatste enclaves, je kan ze zelfs burchten noemen, van de oude wereld, waar alles op z’n plaats stond. Indien je je aan het christelijk geloof overgeeft heb je geen overweldigende maatschappij nodig die je aanklaagt. Dan klaagt je eigen innerlijk je voortdurend aan. Ik zag veel goeds in die oude wereld van goddelijke autoriteiten. Ik had me overgegeven aan prachtige idealen, wellicht de mooisten van alle. Ik nam die idealen ernstig op en leefde nauwgezet. Misschien is er tegenwoordig nog een enkeling die weet waar je het kan lezen: er is een brede weg en een smalle weg. Als je het goed wil doen, wordt het niet gemakkelijk, dan moet je de smalle weg bewandelen. Maar als klein kind zat ik al in de kerk mijn zakbijbeltje onder de preek door te bladeren en vond ik daar beangstigende bladzijden. Ecce homo religiosis:


‘Formulier voor de uitsluiting uit de gemeente van Christus’:


Eerste afkondiging:

Gemeente van onze Here Jezus Christus, de kerkenraad moet u met droefheid meedelen, dat een broeder uit de gemeente zich heeft schuldig gemaakt aan . . . Ondanks vele vermaningen toonde hij geen enkel teken van berouw. Daarom heeft de kerkenraad hem moeten afhouden van het heilig avondmaal. Dit heeft helaas niet mogen leiden tot zijn bekering. Ook daarop volgende vermaningen zijn vruchteloos gebleven. De kerkenraad ziet zich nu geroepen de tuchtoefening voort te zetten en zal tot uitsluiting van deze broeder moeten overgaan, wanneer hij zich niet bekeert van zijn zonde. De kerkenraad deelt u dit nu voor de eerste keer mee. Hij roept u met klem op, de Here aanhoudend te bidden, of Hij deze broeder tot bekering wil brengen.


Tweede afkondiging:

Gemeente van onze Here Jezus Christus, de kerkenraad heeft u reeds eerder moeten meedelen, dat een broeder zich heeft schuldig gemaakt aan . . . U hebt toen vernomen, dat hem het heilig avondmaal ontzegd was, omdat hij zich niet wilde bekeren. Ook na voortgezette uitoefening van de tucht is bij deze broeder niets van bekering gebleken. Integendeel, alle vermaningen bleven vruchteloos. Nadat de kerkenraad de instemming heeft ontvangen van de classis, deelt hij u met droefheid mee, dat hij ingrijpender tuchtmaatregelen moet nemen. Hij maakt u nu de naam van de betrokken zondaar bekend. Zijn naam is . . . Met diepe ernst roept de kerkenraad u op, deze broeder liefdevol te vermanen. Bid de Here, of Hij hem nog tot bekering wil brengen, zodat de zonde uit de gemeente gebannen en de zondaar behouden wordt.


Derde afkondiging:

Gemeente van onze Here Jezus Christus, de kerkenraad was tot twee keer toe genoodzaakt u mee te delen dat broeder N. zich heeft schuldig gemaakt aan . . . U hebt toen vernomen, dat hij zich niet wilde bekeren en dat hem het heilig avondmaal is ontzegd. De kerkenraad moest ingrijpender tuchtmaatregelen treffen. Maar tot nu toe is van bekering bij deze broeder geen sprake. Integendeel, alle vermaningen zijn vruchteloos gebleven. Daarom deelt de kerkenraad u met droefheid voor de derde en laatste keer mee, dat hij met deze broeder verder moet handelen. Indien hij zich niet bekeert, zal hij op . . . buiten de gemeenschap van de kerk worden gesloten. Voor het laatst roept de kerkenraad u dringend op hem liefdevol te vermanen. Bid de Here vurig, of Hij deze broeder nog tot bekering wil brengen, zodat hij zich niet tot het uiterste verhardt.


Verantwoording

De kerkenraad heeft u tot drie keer toe bekend gemaakt, dat broeder N. in zonde leeft. Het doel van die afkondigingen was, dat hij zich door uw gebeden en vermaningen tot God zou bekeren en verlost zou worden uit de macht van de satan, die hem in zijn greep houdt. Maar helaas heeft niemand de kerkenraad bericht, dat er bij deze broeder ook maar een spoor van berouw op te merken valt. Toch is hij vele malen gewaarschuwd. Zijn schuld, die op zichzelf al ernstig is, wordt nog verzwaard, doordat hij in de zonde volhardt. De kerkenraad heeft lang geduld met hem gehad, maar weet zich nu geroepen over te gaan tot het laatste redmiddel dat God in zijn Woord geboden heeft, namelijk de uitsluiting uit de gemeente. Deze uitsluiting dient om hem tot schaamte over zijn zonde te brengen, en om te verhinderen dat dit verziekte lid het hele lichaam, namelijk Christus’ gemeente, aantast; bovenal om te voorkomen dat Gods naam gelasterd wordt.


Uitsluiting

Joh. 20 : 23, 1 Kor. 5 : 13, Matt. 18 : 17. Christus heeft de uitoefening van de tucht opgedragen aan zijn ambtsdragers met de woorden: Voorwaar, Ik zeg u, al wat gij op aarde bindt, zal gebonden zijn in de hemel, en al wat gij op aarde ontbindt, zal ontbonden zijn in de hemel (Matt. 18 : 18).
Daarom verklaren wij als herders en opzieners van deze gemeente in de naam van onze Here Jezus Christus, dat N., die zichzelf reeds buiten de gemeente van Christus gesloten heeft, heden buitengesloten wordt. Hij is nu buiten de gemeenschap met Christus gesteld. Hij heeft geen recht meer op de sacramenten. Hij deelt niet meer in de geestelijke weldaden die God aan zijn gemeente schenkt. Zolang hij in zijn zonden volhardt, zal hij naar het bevel van Christus voor u zijn als de heiden en de tollenaar.


Oproep tot de gemeente

Wij roepen u op hem niet als uw vijand te beschouwen. Integendeel, tracht hem te vermanen zoals men een broeder doet. 2 Tess. 3 : 14, 15. Maar ga ook geen te nauwe banden met hem aan. Laat hem daardoor merken, dat hij zich bekeren moet. 1 Kor. 10 : 12; Hebr. 12 : 1, 2; 1 Petr. 5 : 8; Luc. 22 : 46 ; Hebr. 4 : 7; Filip. 2 : 12

Deze uitsluiting, gemeente, is voor ons een waarschuwend voorbeeld. Laten wij toch de Here vrezen en nauwkeurig op onszelf letten. Want wie meent te staan, moet toezien, dat hij niet ten val komt. Blijf in de gemeenschap met de Vader en zijn Zoon Christus en ook met alle oprechte christenen, om zo het eeuwige leven te verkrijgen. U hebt gezien, op welke manier onze afgesneden broeder langzamerhand het spoor bijster is geraakt. Leer hieruit, hoe sluw de satan te werk gaat, wanneer hij mensen in het verderf stort en hen afkerig maakt van Gods Woord en de sacramenten.

Weersta het kwaad in het begin. Leg af alle last en de zonde, die ons zo licht in de weg staat. Loop met volharding de wedloop, die voor ons ligt. Laat ons oog daarbij alleen gericht zijn op Jezus, de Leidsman en Voleinder van het geloof. Wees nuchter, waak en bid, om niet in verzoeking te vallen.

Heden, wanneer u de stem van de Here hoort, verhard u niet. Bewerk uw behoud met vrees en beven. Laat ieder berouw hebben over zijn zonden, zodat we niet opnieuw door de Here vernederd worden en over een ander gemeentelid bedroefd zouden moeten zijn. Leef eensgezind en godvrezend. Alleen God is het, die in ons werkt het willen en het werken naar zijn welbehagen. Laten wij daarom zijn naam aanroepen met belijdenis van onze zonden.


Gebed:

Rechtvaardige God, barmhartige Vader, wij klagen onszelf aan vanwege onze zonden. Wij erkennen dat wij de pijn en het verdriet over de afsnijding van onze broeder verdiend hebben. Ja, wij zijn allen waard van U afgesneden en verbannen te worden om onze overtredingen. Maar Here, wees ons om Christus’ wil genadig. Wij hebben berouw over onze zonden en vragen U om vergeving. Geef dat wij ons steeds meer inspannen U te dienen. Doe ons voortdurend op onze hoede zijn voor besmetting door de wereld en door hen die van U zijn afgedwaald. U verheugt Zich niet in de dood van de zondaar, maar wel hierin, dat hij zich bekeert en leeft. Daarom mogen wij in ons midden weer opnemen allen die tot U terugkeren. Geef dat wij ons inspannen, zowel door onze vermaningen als door ons goede voorbeeld, deze afgesneden broeder en anderen die afgedwaald zijn, terug te brengen tot U.



Zegen onze vermaningen, zodat wij ons kunnen verblijden over allen die ons nu reden tot droefheid geven.









Smal is eng

Waar verwordt de God van de liefde tot een God van straf en verdoemenis? Waar verwordt vroomheid tot in de goot schoppen van jezelf, tot afsnijden van anderen? Die vrome mensen die anderen afsnijden zeggen zelfs zelf de pijn en het verdriet te verdienen. Ons probleem zal van eeuw tot eeuw dezelfde zijn, omdat we in het christendom eigenlijk geen antwoorden hebben. Het één is er niet zonder het ander. Men preekt tegelijkertijd een God van genadige liefde als een God van ongenadige toorn. Christelijke ideologie is sado-masochistisch. De enge weg betekende oorspronkelijk ‘smalle’, moeilijke weg, maar, net zoals het woord in de taal, verandert automatisch van betekenis. ‘Eng’ wordt een synoniem van griezelig, beklemmend, angstig. Wie in de moderne tijd kan Liefde en Hel aaneenknopen zoals Jezus dat deed? Het is uitermate vreemd dat er in de hele bijbel zo goed als nooit over de hel gesproken wordt, maar als erover gesproken wordt dan zijn het nagenoeg altijd de woorden van Jezus. Hij dreigt altijd met de hel. Er is niets vreemder dan het feit dat we met de komst van het christendom –het geloof dat liefde en vergeving predikt- tezelfdertijd ook het allergrootste barbarisme in ’s mensen denken zijn intrede doet:



Bovenstaande is de meest bittere keerzijde van de grootste idealen en monden uit in een wereld die zowel de menselijke als Gods waardigheid met voeten treedt. Zo heeft een jood er eens op gewezen dat het Oude Testament dan wel met een vreselijk wraakzuchtige en bloeddorstige God aankomt, maar desalniettemin een zo vredelievende godsdienst opleverde dat men een spreekwoord had ‘Wanneer het Sanhedrin één keer in de zeventig jaar een doodvonnis uitspreekt zal zij moordenaar genoemd worden’. Maar hoe ironisch, de geschiedenis van de volkeren die ‘de godsdienst van de liefdevolle God van genade’ prediken is doorweekt van het bloed van ontelbare mensen! In deze tijd kan niemand zulk nieuwtestamentisch denken meer begrijpen. Wat een geloof: hier is de Goede Boodschap; indien je het niet aanneemt zul je voor eeuwig gemarteld worden! Wat een belachelijke gedachte ook, want welk nut heeft wraak? Het denkbeeld van de hel is de grootste perversie van ’s mensen denken.

Een tijdje terug vertelde iemand mij het volgende verhaal: de bus zat vroeg in de morgen vol met mensen die allemaal hun dag begonnen. Iemand die voorin een boek zat te lezen drukt op de knop en maakt zich op door de achterdeur naar buiten te gaan. Terwijl hij heel langzaam door het gangpad loopt laat hij met een grijns aan iedereen de omslag van zijn boek zien. Er staat een tekening met vuur en folteringen op en de titel: ‘Wat denkt u over de hel?’
-‘Ook u zult er naar toe gaan’, herhaalt hij zacht tegen iedereen die hij voorbijloopt, en verlaat rustig de bus.



De keerzijde van de godsdienst is de creatie van de hel in allerlei vormen door mensen. Veelal doet hij het anderen aan. Maar veelal ook creëert hij de hel voor zichzelf. Hij maakt van zijn eigen leven een hel. Hij maakt van zijn innerlijk een sado-masochistische hel. Ik heb het ook bij tijden mijzelf aangedaan. Geloof in de straffende God geeft angst. Geloof in ‘in zonde geboren worden’ geeft ziekelijke minachting voor zichzelf, maakt een mens krachteloos.

Juist de mens die oprecht volkomen uit de kracht van de Liefde wil leven komt op die enge plaats waarin hij moet toegeven het niet te kunnen. En dan knakt z’n hoofd. Dan geeft hij het op. En wanneer een mens zich dan mislukt vindt is het allerergste wat hem kan overkomen de gedachte dat God hem zal veroordelen, of als alternatief, dat het leven een marteling is. Dan kan hij zich in wanhoop van zijn leven beroven.









Hoe het werkt

Nu ik ouder ben weet ik waarom ik zo moest staren naar m’n oom.


Mijn oom Marcus, een oprecht christen, een man van grote wetenschappelijke en kunstzinnige talenten, had zelfmoord gepleegd omdat hij niet durfde te zijn wie hij was, omdat de maatschappij het voor hem zo moeilijk maakte er voor uit te komen. Omdat het christelijk geloof hem vertelde dat hij tegennatuurlijk en dus zondig was. Omdat hij angst had, en niet kon geloven dat hij een liefdevol mens was, niet mondig genoeg was om er voor op te komen. Hij durfde de godsdienst nooit de naakte waarheid over haarzelf te vertellen. Hij werd nooit volwassen in zijn geloof.

Ik kan me voorstellen dat mijn oom in het geheim hulp heeft gezocht. Misschien heeft hij bij een -ongetwijfeld onbekende- dominee aangeklopt. Deze degelijke christen zal hem ongetwijfeld verteld hebben wat de bijbel erover te vertellen heeft. Hij kwam aan met ‘liefdevolle vermaningen’; zo beginnen de vromen altijd, zelfs al weten ze over het hele onderwerp niets af. Ze zullen je met grote stelligheid vertellen hoe de wereld in elkaar zit al hebben ze in hun hele leven nooit iets anders gedaan dan als een gekooid vogeltje altijd maar op datzelfde stokje te zitten. De vrome degelijke christen heeft namelijk ‘het onfeilbaar woord van God, waar alle antwoorden in staan’. De dominee zou hem vast verteld hebben dat God hem wel helpt als hij er oprecht berouw van heeft. Wellicht heeft zijn probleem te maken met een egocentrische manier van leven. Als hij zich gaat richten op het andere geslacht zullen de gevoelens vanzelf wel komen. Hij moet er maar flink voor bidden. En m’n oom deed krampachtig zijn best. Hij had een lief vriendinnetje, was zelfs al verloofd.

Nog beter kan ik me voorstellen dat hij bij niemand hulp zocht. Hij wist alle antwoorden al, hij was een belezen man, en hij wist daarom ook dat er voor hem geen antwoord was. Hij was arts. Hij kende het menselijk lichaam en het ‘onfeilbare woord van God’ door en door en het ‘formulier van uitsluiting’ ook. [1]

En toen zijn studie voor chirurg bijna af was, en hij dus spoedig zou moeten trouwen en de knoop als het ware voor eens en altijd moest doorhakken, wist hij dat het onmogelijk was. Een leven in tweestrijd, in tegenstrijdigheid, een dubbelleven, was volkomen onmogelijk, is een ondraagbare kwelling. Hij wist dat hij nooit van die tegenstrijdigheid verlost zou worden, al bad hij er een eeuw voor. Zijn homoseksualiteit moet voor hem een onvoorstelbaar zware psychische last geweest zijn. Aan de buitenkant zag hij eruit als een godsgeschenk aan de wereld, iemand gezegend met wijsheid, intellect, inzicht, kunstzinnige gaven, grote bijbelkennis. Hij liet ons schriftjes achter waarin hij eigengemaakte verhalen had geschreven op 9-jarige leeftijd. Geschreven in vlekkeloos mooi handschrift, geïllustreerd met prachtige tekeningen in allerlei kleuren inkt.


  


  


Later schreef hij voortdurend opstellen over een bonte verscheidenheid van zaken. Hij had als hobby sterrenkunde. Ik vond de volgende verklaring op een vergeeld, deftig papiertje:


Haarlem, October 1947

Met vreugde kan ik verklaren dat Marcus Alexander Iddo Vethaak een eminent leerling is geweest. Dat blijkt hieruit, dat hij in enkele jaren, behalve het orgelspel, zich cultureel ontwikkelde door met grote ijver Harmonie te studeren en daarvoor doorwerkte de Harmonieleer van Hugo Riemann. Vervolgens Contrapunktstudies met groot succes doorwerkte van Haller, dwz. het streng-kerkelijk-contrapunkt.
Als gevolg van deze studies zijn de kleine composities die hij gemaakt heeft overtuigende bewijzen. Het actieve orgelspel geeft bewijs van practische aanleg.
Aldus verklaart ondergetekende, Jac. De Jong, muziekleraar.


Maar aan de binnenkant was zijn ziel volkomen uiteengerukt sinds de ontdekking van zijn seksuele geaardheid. Hij werd bedolven onder een ondraaglijke hoeveelheid zelfhaat, omdat hij vroom en oprecht christen was. Hij zal zich afgevraagd hebben waarom God hem homoseksueel had gemaakt. Het verenigen van fundamentalistisch christelijk geloof en homoseksualiteit mondt uiteindelijk uit in haat voor het leven en hunkering naar het moment van bevrijding van schuldgevoel en zonde: zelfmoord. Wie weet met hoeveel duizenden keren we het verhaal van Marcus kunnen vermenigvuldigen? Wanneer ik het antwoord krijg zal ik het de godsdienst in zijn gezicht smijten. De wereld was te kil voor hem? Nee, het was de godsdienst, niet de wereld. Het christendom mag ’s mensen grootste troost in het leven zijn, maar de keerzijde van deze godsdienst is de grootste tragedie van het leven.


Eerst mijn grootmoeder en daarna mijn moeder: 40 jaar lang bewaarden ze zorgvuldig de drie fotoalbums van Marcus, plus een kartonnen doosje met schriftjes en briefjes en andere memorabele herinneringen aan hem. Na die 40 jaar, toen ik op de rand van zelfmoord stond vanwege schuldgevoel en depressie, vroeg ik mijn moeder of ze er afstand van wilde doen en het aan mij zou willen geven. Ik zei het te bewaren voor het nageslacht. Ik wist toen nog niet dat ik dat uiteindelijk zou doen door dit boek te schrijven. Ik vroeg het omdat ik altijd met Marcus geleefd heb, hem altijd gekend heb, en omdat ik op dat moment van m’n leven wist dat ik hem ben.


Marc voorop


Lezend door aandenkens aan hem werd ik aangegrepen door een voordracht die hij gehouden had. Hij had de woorden met een mooie vulpen op zes briefjes papier zorgvuldig uitgeschreven ‘voor de oecumenische groep in Overveen’. Tussen twee haakjes staat: ‘naar ds. G. Th. Rothuizen van Uithoorn, 20 September 1953'. Dit schreef hij drie en een half jaar voordat hij zelfmoord deed:


Angst    Marc Vethaak


Ons bestaan is een angstig bestaan. Angst is existentiëel voor de mens, verweven met zijn leven. Angst treft iedereen. Ziekte is niet alleen in het ziekbed, botsingen niet alleen in het drukke verkeer op straat. Nee, ze komen zo maar voor, een gezonde kan ziek zijn; in de intimiteit van het gezin kunnen botsingen voorkomen, ja zelfs in de eigen gedachtenwereld...

Komt angst niet voort uit lafheid? Kan angst door moedig zijn, door dapperheid en bravour verdwijnen? Neen, moed is vaak de moed der wanhoop, zoals soldaten in de afschuwelijke uitvinding van de oorlog; het is meestal overgecompenseerde angst, blindelings voortjagen en allerlei heldhaftigs doen. Wat is dan de oorzaak van de angst? Slechte opvoeding, te slap en te week, tot papkindje opgroeien, te sterke moederbinding? Hoewel een slappe opvoeding ernstig afgeraden moet worden, kunnen nog de spartaanse opvoeding, noch de opvoeding tot zelfstandig levensinzicht de angst uitdrijven.

Gods woord geeft hier het antwoord: de volmaakte liefde drijft de angst uit. Niet de moed, want de moed kan men niet van iedereen verwachten, van sommigen wel helemaal nooit, omdat ze nu eenmaal lafhartig zijn. Van ieder mens ook soms tijdelijk niet, omdat ieder mens wel eens de moed in de schoenen zinkt. Moed kan men niet van iedereen verwachten, maar liefde wordt van ons mensen geëist. ‘Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf’.

Als we de liefde loslaten, laten we ook God los en omgekeerd. God is de bron van de liefde. Als we de liefde loslaten zijn alle levenskansen vernietigd, want het leven zonder liefde is dood, is een angstleven. Alles zal de mens vergeven worden, behalve de liefdeloosheid. De liefde is immers de vervulling der wet. Iemand kan veel gezondigd hebben, een slechtgelovige of zelfs ongelovige geweest zijn, maar God ziet het hart aan: ‘Hij heeft veel lief gehad’, zegt God dan, ‘Ga in in de vreugde uws Heren’. Voor die liefde moeten we onszelf ook respecteren; wie zichzelf haat is de ongelukkigste mens op aarde, wiens leven wel moet eindigen ( in de zelfmoord ), omdat dit met alle levenswetten in strijd is.

De redding kan alleen liggen in het weer lief krijgen van zijn eigen ‘ik’ via de liefde van een ander voor dat ‘ik’ en ten diepste in Christus’ vergevende liefde ook voor deze beklagenswaardige mens die men zelf is.

Zonder liefde staat alles op losse schroeven, huwelijk, maatschappij, politiek, kerk.

Omdat wij de liefde van God dagelijks kruisigen, en dus de liefde in onszelf doen opdrogen, daarom zijn we bang. We zijn bang voor het huwelijk, bang voor de opstand der horden, bang voor de volgende wereldoorlog, bang voor een nieuwe kerkscheuring.

Maar goddank, er is wel redding, zelfs uit deze angst, die immers verband houdt met straf. Het leven is geen straf meer, er is liefde. Liefde onder ons mensen en de grote liefde van God, die de wereld doordrenkt.

De vreze des Heren is het begin van wijsheid. Vreze des Heren is het krampachtig vasthouden van de vaderhand door een kind, dat bang in ‘t donker is. Als deze vreze er is, deze positieve vrees, dit respect voor de bron van het leven, dan gaat alles meelopen. In voorspoed dankbaar en in tegenspoed geduldig is dan geen onmogelijkheid meer. Dan is er de vreugde die tegelijk ernstig is; de humor die het goede ziet ook in de smartelijkste en meest kwetsende ervaringen, de activiteit die het leven wil kennen in de diepste roerselen, die vecht voor idealen en werken wil voor de ander; de vriendelijkheid die open staat voor de ander, die de toegang verleent tot zijn eigen leven, en die zo dus als het ware zijn leven geeft voor zijn naaste. Zijn we verlegen en schuw tegen elkaar? Het is de vrees en het wantrouwen, dat in de huiskamer begint en op het slagveld eindigt. Hebben we elkaar lief dan staan we open voor elkander, schenken vertrouwen en krijgen dan zonder twijfel vertrouwen terug.

Natuurlijk blijft er nog veel problematiek over, veel twijfel over geloofswaarheden, over de bijbelse realiteit of symboliek, over de zin van het leven, over Gods almacht en onze onmacht. Maar al komt er geen concreet antwoord op deze problemen, God geeft ons een ander antwoord: wij moeten doen, hij geeft ons opdracht om lief te hebben.

Als de liefde voor man en vrouw toeneemt zal de vrees voor mislukte huwelijken en echtscheidingen afnemen. Als de liefde voor de arbeid toeneemt zal de vrees voor de opstand van het proletariaat afnemen. Als het liefderijk begrip voor de vreemde andersoortige rassen en volkeren toeneemt, zal de vrees voor oorlog en de rassenkwestie verdwijnen. Als de liefde voor andersdenkenden, andere kerken en secten, andere godsdiensten toeneemt, zal de vrees voor achteruitgang van het koninkrijk Gods afnemen. Als de liefde voor de hemel toeneemt, zal de vrees voor de hel en de doodsangst verdwijnen.


Als de mens bewust het licht van God laat schijnen in zijn spinnewebbenhart, deze adderkluwen, dan wordt hij wedergeboren, hij wordt een ander mens, een nieuwe mens. Hij gaat in een Godgewijd leven wandelen.

Is het leven dan heerlijk en gemakkelijk? Weg alle angst immers? Ja, maar dit wordt een geweldige inspanning, er is zoveel te doen op deze gevallen wereld, er moeten nog zoveel tot God gebracht worden, er moet nog zoveel wanbegrip weggenomen worden, zoveel vrede gesticht, barmhartigheid verricht, getroost, geholpen, liefde betoond worden. Dit is moeilijk voor de ernstig willende christen, dat kost inspanning en strijd tegen je aangeboren egoïsme, je drift, je heftigheid, je zelfhandhaving, je superioriteitsgevoel, of anders: je verlegenheid, je koelheid, je minderwaardigheidsgevoel, je lafheid, je onverschilligheid, je laksheid. En toch, hoe moeilijk dat is, er is kracht, niet in je eigen kracht en flinkheid, maar die van God. Er is geloof, niet je eigen voortreffelijke godsdienstigheid. Er is gebed, je eigen gebed, zeker, maar nog meer het gebed van de hele mensheid en in het bijzonder het gebed van Christus voor zijn kerk. Hierom is het godgewijde leven moeilijk en toch gemakkelijk, ernstig en toch des te vrolijker, smartverwekkend en toch vol diepe vreugden, gevaarlijk en toch veilig, door een dal des schaduwen des doods, maar ook over lieflijke bergen; bij reus wanhoop in kasteel twijfel, doch slechts tijdelijk, want de sleutel van de Belofte is er, en de Helper staat gereed om telkens in het water te springen als wij dreigen te verdrinken.

Dit is een leven zonder angst. Immers er is in de liefde geen vrees, maar de volmaakte liefde drijft de vrees uit. Angst en vrees houden verband met straf.

Wie zegt God lief te hebben, maar zijn broeder verguist, is een leugenaar. Wie een medemens verfoeit, omdat hij verkeerd doet, ja zelfs wie een booswicht haat, is liefdeloos en zal de laatste zijn in het Koninkrijk Gods. Wie kan dan behouden worden?

Wie zich terugtrekt in zijn ivoren toren, wie wegschuilt achter zelfopgetrokken kerkmuren, achter stapels van papieren geloofsinhouden, wie zelfgenoegzaam alleen zijn eigen voortreffelijke kerkformatie of secte ziet, en blind is voor de rest of nog erger: met stenen en modder gooit naar zijn broeders in Christus, is wel heel ver van het Koninkrijk Gods, ook al is hij de beste bijbelkenner of professor in de theologie. Is het u wel eens opgevallen dat een christen zich nooit als een farizeeër zich zal verheffen boven de medemens (‘We moeten nederig zijn, nietwaar’), maar als het de kerk betreft, dan acht plotseling iedereen zich uitnemender dan de ander. Is dit niet een vreselijke ongehoorzaamheid aan Jezus’ woord en een onheilig farizeïsme?


Waarom aarzelen we, vooral de Gereformeerden, om met de oecumene mee te strijden? Wij zijn bang, we zijn bang ons gezicht te verliezen. We zijn bang dat onze hoogmoed doorzien wordt, dat men onze geremdheid zal aantonen, onze schuwheid om enthousiast te zijn, om te springen van ‘geloofsblijheid’, om mee te zingen en mee te dansen met het koor der wereldchristenheid. We zijn bevreesd om in ons hemd te staan omdat onze vrijzinnige broeders beter Christus’ geboden naleven en vaak dieper en beter Gods woord begrepen hebben voor de dagelijkse practijk dan wij.


Tweeduizend jaar geleden stond Christus op uit de doden, en nu is hij nog in leven, hij leeft voor hen, die hem zoeken, ook al is het nog zo gebrekkig, al is het niet zo 100%, ook al is het niet zo schriftuurlijk, al is het te vrij in de leer. Tweeduizend jaar geleden ging hij met zijn verheerlijkt lichaam naar de oneindigheid, waar geen mensenverstand in kan doordringen. Christus is de liefde van God.

Van ons hele leven, met zijn verschrikkingen, angsten, twijfels, smart, droefheid, vreugde, plezier, hoop, geloof en liefde blijft uiteindelijk alleen de liefde over. Zonder liefde is het leven zinloos en nutteloos; doch de liefde vergaat nimmermeer. Al het andere zal afgedaan hebben. Tenslotte staat de boer naast de kardinaal, de wasvrouw naast de dominee, de ongehuwde moeder naast de perfecte gentleman, de ruwe zeeman naast de violiste, en dan gaat het slechts om één ding: Hebt gij lief gehad?


Wie van dezen zal een tien krijgen, wie net een zes? En zal ikzelf niet een onvoldoende krijgen of misschien een nul, als God mij niet bewaart?

Zo blijven Geloof, Hoop en Liefde, maar de meeste van deze is de Liefde.






Dit is wat Marc mij achterliet. Hij wist het zo goed. Hij was theologisch zo goed onderlegd. Hij had de belangrijkste antwoorden in het leven. Op 25-jarige leeftijd schreef hij precies wat ik op die leeftijd -juist afgestudeerd op de ecumenisch-evangelische theologische hogeschool in Londen- had kunnen schrijven.

Maar drie en een half jaar later nam Marc slaappillen in en deed de gaskraan aan.


Nee, waag het niet om zijn geval uit te leggen door hem geen oprecht christen te noemen. Marc had niet slechts de woorden van buiten geleerd; ‘Je wilde vroeger altijd dominee worden’, schreef een onderwijzer, die hem in de derde klas van de lagere school had lesgegeven, in een ander briefje dat ik vond. Maar zelfs al geloofde hij oprecht in die mooie woorden van geloof, hoop en liefde -net zoals ik dat deed- nog hielpen ze niet toen het leven nieuwe beklemmende levenssituaties opriep. Op het cruciale moment werden al die woorden ontdaan van enige betekenis, ze werden hol en leeg bevonden. Het leven walste die woorden gewoon plat. ‘Zo blijven Geloof, Hoop en Liefde, maar de meeste van deze is de Liefde’...Pats, weg! Zeepbel. Het waren maar eerbiedige woordjes opgeschreven op papier.


Illusie!


De realiteit van het leven is anders:

Zo blijven dan niet Geloof, Hoop en Liefde, maar de meeste van alles en allen is de Angst en de Dood.









Moed tot absolute eerlijkheid

En toch: een ieder moet het in zijn leven niet op verdrinken doen uitlopen. We moeten het anders doen dan Marcus. We moeten zoeken naar wat Marcus’ leven ons leert. We moeten die religieuze tekst van hem nog eens goed doorlezen. Wij moderne mensen staan voor dezelfde vraag als Marcus: kiezen we voor het leven of voor de dood? Kiezen we voor de Liefde of voor de Angst? Het zal duidelijk zijn uit zijn woorden dat Marcus hetzelfde antwoord gaf als wat iedereen zo voor de vuist weg zal antwoorden. Maar te zeggen voor de liefde te kiezen is niet genoeg. Ook niet het echt te menen. Marc schrijft zoals alle christenen oneerlijk over ‘de vreze des Heren’: Hij doet net alsof het slechts ‘positieve vrees’ is, waarmee hij bedoelt ‘respect voor de bron van het leven’. Ach, hoe ontwikkeld, hoe beschaafd, hoe netjes, hoe ordentelijk en evenwichtig. Maar ook: hoe oneerlijk gaan wij christenen om met het geloof. Het móet de Goede Boodschap zijn en daarom wordt de keerzijde altijd verdoezeld, genegeerd of botweg omgedraaid tot het tegenovergestelde. Natuurlijk doen we dit zo kunstig dat we deze intellectuele oneerlijkheid in onszelf nooit erkennen; ja, we worden er zelfs verontwaardigd om wanneer iemand ons aanklaagt met zo'n aantijging. Maar weet wel dat degene die deze woorden die u nu leest opgeschreven heeft 40 jaar een oprecht christen is geweest, en weet waar hij over praat. Als u, gelovig christen, deze dingen niet wil erkennen, dan betwijfel ik het of de eerlijkheid van uw denken even groot is als de mijne. Maar ik wil zoiets eigenlijk niet uitspreken, want ik kan er begrip voor opbrengen. Het kostte mij ook een half leven om deze eerlijkheid te vinden. Om te komen op deze gedachte: absolute eerlijkheid in je denken is belangrijker dan de waarheid van je geloof. Het is de schuld van het zwart-witte geloof dat de unieke waarheid zegt te zijn en nooit tegenspraak duldt; we hebben dit denkbeeld opgedrongen gekregen.


Wat absolute eerlijkheid betreft nog het volgende. Het eerste wat ons duidelijk zal moeten zijn in deze moderne tijd is het doorslaggevende van onze eigen houding, onze eigen keus, ons eigen denken en handelen. We kunnen de gevolgen van ons handelen niet meer vroom begeleiden en omlijsten met woorden als ‘als God mij niet bewaart’, want wij leven in de moderne tijd van de informatie. Wij weten in deze moderne tijd dat God mensen echt niet bewaart. Zo sprak men vroeger: ‘de Helper staat gereed om telkens in het water te springen als wij dreigen te verdrinken’. Hoe ironisch, hoe schreinend. Hoe onwaar. Hoeveel miljoenen keren in de geschiedenis is dit onwaar gebleken? Wijzelf maken van de wereld een hel of bouwen hem op. Wijzelf handelen liefdevol of geven er niets om.
Het is velen opgevallen dat geloof groeit uit angst voor het leven. De angst doet mensen grijpen naar zogenaamde zekerheden, want het zijn zekerheden die overduidelijk voor iedereen behalve de gelovige zelf, dit etiket op geen enkele wijze verdienen. Men handelt met slinkse redenaties zoals men op geen enkel ander gebied zou handelen. Zo komt men altijd op zekerheden die handig worden verpakt in openbaringen aan anderen en in antieke geschriften, allebei per definitie immuun voor verificatie. Men doet vervolgens zijn best om te laten zien dat bijvoorbeeld Jericho echt bestond, de schrift redelijk goed is gecopiëerd door de eeuwen en één of andere buitenbijbelse bron Jezus vermeldt. Zo komt de gelovige uit op zelfgecreëerde zekerheid en geborgenheid, als antwoord op de angst voor het leven, een zekerheid die hij, indien het betrekking zou hebben op iets anders -het bestaan van een groene draak bijvoorbeeld- zonder meer prutsig zou noemen. Maar de prijs die men voor deze innerlijke rust betaalt is zeer hoog: men verliest de mogelijkheid om de waarheid in eigen lijf naar boven te halen. De belevenissen, de ervaringen die men in het leven voortdurend opdoet, moeten voortdurend ondergeschikt gemaakt worden aan de waarheid die de eens aanvaarde boekgodsdienst nu constant opdringt. Zo worden gelovigen voortdurend getraind om het doodeerlijk zijn zoveel mogelijk te onderdrukken. En uiteindelijk schiet men er niets mee op: men ruilt de angst voor het leven slechts om voor angst dat men de verkregen geborgenheid weer kwijtraakt. Gelovigen zijn altijd bang dat ze iets afgepakt worden. Gelovige oren zitten dan ook meestal dicht voor alle andere geluiden dan hun vertrouwde geloofsovertuigingen en men komt nooit toe aan bewustwording.


Het ontbreekt vele gelovigen aan geloof in het leven, aan geloof in zichzelf. Vele mensen beseffen nooit dat een mens een stap verder moet gaan dan geloven. Geloven is niet het eindpunt. Het eindpunt is de werkelijkheid onder ogen zien en je eigen diepste en eerlijkste IK te vinden. Wij moeten zo eerlijk worden als voor ons maar mogelijk is. Wij hebben in deze moderne tijd geen andere keus. Wij leven in een nieuwe tijd, wij zijn de 21ste eeuw binnengegaan, waarin er voor een mens geen andere weg meer open staat dan de naakte waarheid onder ogen te zien. In deze tijd moet een mens volwassen worden en zich durven laten zien zoals hij is. Hij moet doodeerlijk worden. En als dit uitloopt op depressiviteit, zelfs zelfmoordgedachten vanwege schuldgevoel, dan moet een mens leren moedig te zijn, verantwoordelijkheid te dragen, te staan voor keuzes die hij zelf gemaakt heeft. Dat is uiteindelijk een onderdeel van de liefde.


Het ontbrak Marcus aan moed. Hij dacht dat je dat niet van iedereen kon verwachten. Maar zo moet het toch niet. Ieder mens moet wel degelijk moed hebben. Moed om te leven, moed om zichzelf te zijn. Moed om ‘vrij in de leer te zijn’, moed om toe te geven dat God zich niet in ontegenzeggenlijke duidelijkheid heeft geopenbaard. Moed om soms koppig te zeggen dat je het er totaal niet mee eens bent, terwijl je wel degelijk weet dat je tegelijkertijd ook nederig bent, en het je beslist niet te doen is om gelijk te hebben, moed om anders te zijn, om alleen te staan. Wat anders is de bijbelse homohaat dan een uiting van primitief machodenken van agressieve mannen? Een man die van kinds af aan geen interesse vertoont in wedstrijdjes en winnen, in vechten en de sterkste te zijn, maar zachtheid en gevoeligheid vertoont, wordt gehoond, uitgescholden voor meisje, voor abnormaal uitgemaakt, voor ziek verklaard. Wat anders is zulk een primitieve haat ook nog in wetvorm gieten en er bovendien nog bij vermelden dat het Gods wetten zijn, dan een smerige zonde? Kijk, zúlke dingen moet een mens bereid zijn te zeggen over zijn eigen geloof, want alleen zo bereiken wij onze hoogste mensheid. Ach, wat heb ik gemakkelijk praten in onze tijd, waarin ieder vrij mag uitspreken wat er in zijn hart leeft. Maar hoe moeilijk was het vroeger, toen de godsdienst mensen in een houdgreep hield. Een beklemmende houdgreep van schuld en angst. En daarmee moest men leven omdat men in een homogene cultuur nu eenmaal geen alternatieven had.

Marcus als voorbeeldig christen draaide alles om: moed verwacht hij niet van een ieder, maar –verwijzend naar de heilige schrift- de liefde eist hij. Maar ik begrijp hem best. Hij had namelijk wel de moed zijn eerlijke gedachten voorzichtig uit te spreken. Uit de voordracht horen we goed hoe hij in zijn eigen gedachtenwereld al uit de rechtzinnige leer van het kleine groepje waar hij toe behoorde is gegroeid. Hij doet door liefde te eisen het meest krachtige beroep op alle strakke en stramme toehoorders om hetzelfde te doen. Want hij wist best dat een kameel eerder door het oog van de naald gaat dan dat een ‘ware gelovige’ een nieuwe kolossale waarheid in z’n leven opdoet. Mijn vader vertelde me dat hij later met dit jongerenwerk dan ook moest ophouden omdat men hem te vrijzinnig vond in de leer. Dit is de tweede stap die vrome mensen zetten, wanneer hun ‘eindeloos geduld’, ‘liefdevolle vermaningen’ maar niets anders opleveren dan ‘bedroevende volharding in de zonde’. Zo heeft Marcus de liefde gepredikt en stuitte hij op een muur van onbegrip, liefdeloosheid. Het leven maakte het hem uiteindelijk overduidelijk: zijn idealen waren slechts illusies. Hij wist wat de derde stap (‘de derde afkondiging’) van vrome mensen zal zijn.


Maar Albert -de schrijver dezes- maakt zich vrij van heiligeschriftdwingelandij en walgvroomheid zoals in de kerkformulieren (‘Doe ons voortdurend op onze hoede zijn voor besmetting door de wereld en door hen die van U zijn afgedwaald’) ; een ieder die zijn eigen gedachten maar vrij laat gaan weet dat liefde niets te maken heeft met eisen, en ook niets met 'positieve vrees' en angst. ‘Gij zult’ uw naaste liefhebben is zelfs een lachwekkende uitspraak. ‘Liefde’ en ‘gij zult’ kúnnen vanzelfsprekend nooit met elkaar verenigd worden. ‘Liefde’ en ‘met vrezen en beven’ ook niet. Liefde en ‘op je hoede zijn voor besmetting en afdwaling’ ook niet. Het zijn allemaal onzinnige tegenstrijdigheden in de godsdienst die menselijk denken verwringen en ziek maken.


Ik lees het weer eens, die zin die de kern blootlegt: ‘Vreze des Heren is het krampachtig vasthouden van de vaderhand door een kind, dat bang in ‘t donker is.’ Hier zien we waar Marcus’ leven op uitliep. De praktijk van het leven deed alles om zijn geloof tegen te spreken. En toch wilde en kon hij niet de conclusie hieruit trekken: De God die mij opgedrongen is, is onze grootste illusie. Hij bleef krampachtig aan de God van de bijbel vasthouden maar zag zich steeds meer in het donker lopen. Dit mondt uit in moedeloosheid en uiteindelijk letterlijk in de dood. Alle krampachtigheid in de liefde is een gevolg van het oneerlijk zijn tegenover zichzelf. In het geval van Marcus het gevolg van ‘bijbelgetrouw christendom’. Het gevolg van móeten geloven volgens een bepaald stramien en een gevolg van angst voor verkeerde stappen. Uiteindelijk zag Marcus alleen nog maar zelfbeschuldiging en zich volkomen alleen staan.


Als we hier van willen leren zullen we moeten zien dat tot volwassene opgroeien betekent dat een mens de moed moet opbrengen in het donker te lopen. En de liefde betekent vertrouwen op de vaderhand. Je laat gewoon de vaderhand los en juist wanneer je je eerste eigen onafhankelijke schreden doet begint het vertrouwen pas echt. Een mens kan niet anders. Hij moet opgroeien tot volwassene; tenminste als hij het niet verkiest altijd maar in angst te blijven leven door een leven lang als een kind de dingen te blijven beleven. Het kind denkt dat God liefde van de mens eist. Zijn leven is vol van ‘Gij zult’. En hij denkt voortdurend dat God met straffen klaar staat wanneer iets niet lukt. Hij durft nooit de straat over te steken zonder eerst toestemming te vragen. Maar een volwassen mens weet dat liefde inherent aan de mens is. Hij loopt gewoon overal rond en deelt het uit. De liefde is simpelweg in hem omdat hij een kind van God is, door God gemaakt is, naar het beeld van God gemaakt is. De zaak is zo simpel dat hij hiermee volledig afgedaan is. Een mens hoeft geen liefde te zoeken, hij hoeft alleen maar de angst en de boosheid uit zijn leven te bannen.


In volkomen vertrouwen op de liefde moet een mens leven en sterven. God veroordeelt mij niet, nu niet, later niet, nooit. God heeft geen hel klaarstaan. Ik hoef er zelfs geen moment over na te denken. Het denkbeeld van de hel en eeuwige verdoemenis is het meest dwaze en afschuwelijke wat een mens, wat een godsdienst, in al zijn kronkels maar kan voortbrengen. Pas nu begin ik te begrijpen wat Liefde is. Het is zo ongeveer gelijk aan het tegengestelde van Calvinisme met z’n formulieren van afsnijding en andere formulieren van rechtzinnigheid. En ook gelijk aan het tegengestelde van een hoop andere vormen van christendom. Het duurde een half leven voor mij om erachter te komen omdat de godsdienst op een vreemde manier de boodschap van liefde die ik hier naar voren breng, ook predikt, om het meteen daarna weer te verduisteren en te ontkrachten, te ontluisteren, door met de andere helft, de volledig tegengestelde boodschap te komen. We komen in het christendom uit op schizofrenie; onmogelijkheden, tegenstrijdigheden, orwelliaans dubbeldenken, waarin we kunnen stikken. De keerzijde van de godsdienst, de meest liefdeloze kijk op het leven, zit opgesloten in wat mensen ‘het evangelie’, de Goede Boodschap noemen op een manier dat er niet van te scheiden is. Met het geloven in de Goede Boodschap sterkt ook voortdurend de Kwade Boodschap aan. Hoe meer je iemand ‘verlossing’ aanbiedt, hoe meer je hem in een zwarte verdorven wereld moet laten lopen. Zie hoe naief de godsdienst ons een wereld van slechts twee kleuren aanbiedt: ‘Weest allen mijn navolgers, broeders, en ziet op hen die evenzo wandelen. Want velen wandelen als vijanden van het kruis van Christus. Hun einde is het verderf, hun God is de buik, hun eer stellen zij in hun schande, zij zijn aardsgezind.’ (Fil. 3: 17-19) Marcus voelde dit zwart-wit denken tot op de kern van zijn leven.


Marcus schreef de voordracht ‘Angst’ voor zichzelf. Hij speelde drie en een half jaar voor zijn dood al met de gedachte van zelfmoord. Hoe kijken we nu achteraf regelrecht in het binnenste van zijn gekwelde ziel wanneer we lezen: ‘Wie zichzelf haat is de ongelukkigste mens op aarde, wiens leven wel moet eindigen in de zelfmoord’. Dat laatste was zo extreem gezegd (hoewel de zelfhaat de kern van het discipelschap van Jezus’ volgelingen is en –zoals hiervoor al gezien- door Jezus zelf vereist wordt!) dat hij, nadat het opstel afgeschreven was, bij het doorlezen ervan flink schrok en er met een donkerder pen toch maar twee haakjes om die angstige woorden schreef. Hij streepte de woorden ‘in de zelfmoord’ niet weg, het bleef als het ware staan als uitroepteken voor ons toekomstige mensen, wie weet juist voor mij, maar besloot wel ze achterwege te laten wanneer hij straks voor de groep zou spreken.


Albert, die zoveel jaren bijbels onderricht heeft gehad dat hij zichzelf grondig haat (hoe staat het er deze keer ook al weer: dit ‘spinnewebbenhart, deze adderkluwen’), zal halsstarrig doorgaan tot hij het volkomen tegengestelde van dit denken is. Hij zal doorgaan tot het einde, en er nog in geloven als dat einde bitter zal zijn. Want God heeft hem naar Finland gestuurd. Dat heeft Hij niet zomaar gedaan; Finland is het land van de Sisu, het eindeloos eenzaam doorzetten in de eindeloze winter, en na zo’n twintig jaar begint Albert het eindelijk te begrijpen. En hij leert eindelijk ware nederigheid en liefde voor zichzelf. Hij leert eerlijkheid, dwz respect voor zichzelf, en daarmee wordt hij eindelijk volwassen. Zijn hart is verre van een spinnewebbenhart, verre van een kluwe adderen. Hoe vaak heb ik vrome mensen niet deze walgtaal horen spreken; je zou een heel woordenboek kunnen aanleggen met de beschrijvingen van de verdorven mens door evangelische christenen! Vrome finnen noemen zich in een gezang ‘wij wormen der aarde’. Een greep uit de christelijke lectuur die ik vandaag doorbladerde: ‘We zouden ons moeten wegschamen voor God’, ‘We zouden moeten walgen van onszelf’, ‘We zijn dorre botten’. Enige gedachten uit de Dortse leerregels: ‘Maar door het ingeven van de duivel en door zijn eigen vrije wil is de mens van God afgedwaald, en heeft hij zich van deze mooie gaven beroofd en in plaats daarvan is over hem gekomen: blindheid, gruwelijke duisternis, ijdelheid en verkeerdheid van oordeel in z’n verstand, boosheid, hardheid, en bovendien onzuiverheid in al zijn pogingen.’

Met zulk een taal verandert vroomheid echter in belachelijke onzin, en voor degene die het elke week hoort en er echt in gelooft, wordt zij tot oorzaak van geestelijk ziek worden.


De kern van gezonde godsdienst is niet zelfhaat en zelfverachting, dit -in zijn heiligheid verterende- God om genade smeken, maar juist het tegenovergestelde: het stralende licht en de schoonheid te zien van het leven, je eigen door God gegeven wonderlijke en schitterende leven en het ervaren van zijn veilige vaderarmen, zélf in te zien wat je als mens wíl zijn en als werkelijkheid wíl ervaren. Daarom heeft Albert een naief, kinderlijk vertrouwen op God. Daarom kan hij God ook af en toe uitschelden of, nog erger, het bestaan van God gewoon ontkennen. Want God straft niet. Alleen een zielig mens kan zo ongelofelijk dom denken. God weet ook wel hoe stuntelig Hij zichzelf aan de mens heeft geopenbaard! Wanneer Albert God uitscheldt, komt God hem troosten, zal Hij hem warmte geven, de tranen van zijn ogen wissen. Net zoals Albert het zelf ook wil doen wanneer hij iemand in nood ziet.


Godsdienst is: God die liefdevol voor de mens zorgt; God, die de mens dient.


Albert wordt uiteindelijk bevrijd van de angst als mens in z’n hemd te staan. Hij krijgt met het volwassen worden eindelijk liefde voor zichzelf, en bijgevolg liefde voor het leven. Wat schreef Marcus ook al weer?



Iemand kan veel gezondigd hebben, een slechtgelovige of zelfs ongelovige geweest zijn, maar God ziet het hart aan: ‘Hij heeft veel lief gehad’, zegt God dan, ‘Ga in in de vreugde uws Heren’. Voor die liefde moeten we onszelf ook respecteren; wie zichzelf haat is de ongelukkigste mens op aarde, wiens leven wel moet eindigen (in de zelfmoord), omdat dit met alle levenswetten in strijd is.
De redding kan alleen liggen in het weer lief krijgen van zijn eigen ‘ik’ via de liefde van een ander voor dat ‘ik’ en ten diepste in Christus’ vergevende liefde ook voor deze beklagenswaardige mens die men zelf is.


Alleen met behulp van anderen die hem lief hebben lukt het hem op te groeien. Alleen op die manier lukt het hem uiteindelijk nu eerlijk tegenover de gehele wereld te laten zien wie hij werkelijk is. Hij schaamt zich niet meer voor zichzelf. Dit is ongetwijfeld de grootste opgave voor een ‘bijbelgetrouw christen’ om in het leven te leren, maar hij móet zover komen. Hij hoeft zich niet voor zichzelf te schamen, hij heeft geen verlossing van schuld nodig. Hij moet leren zien dat niet de bijbel heilig is, maar hijzelf, doodeenvoudig omdat hij Gods schepsel is. Dit is de diepste waarheid van dit boek voor mijzelf. Uiteindelijk leert Albert het. Hij glimlacht om zichzelf. Hij is gewoon een mens. Hij wordt eindelijk mens. De mens die hij wilde zijn en waar hij over kan schrijven, de mens die fantastisch heerlijk ‘vrij in de leer’ was, af en toe gebrekkig en wie weet later op z’n verzadigde oude dag zelfs ongelovig, maar die het Koninkrijk ingaat ‘omdat hij veel heeft liefgehad’.



Opeens gaat er een nieuwe wereld voor mij open. Ik zie de vrome wereld van de 19e eeuw opeens in vogelvlucht aan mij voorbijgaan. Overal wordt de brave Camera Obscura gelezen, om huisorgeltjes vroom gezongen en in kerken en couranten constant gewaarschuwd tegen het gif van ideeën en decadentie voortspruitend uit de goddeloze Franse revolutie. Maar als er één man is die in die nederlandse wereld met kop en schouders boven alle anderen uitsteekt, die we vandaag de dag nóg bewonderen, dan is het Multatuli, de man die z’n geloof opgaf, in alles vrij en zichzelf was, nooit naar verdienste erkend werd, maar als volkomen eenzame roepende in de woestijn meer voor de liefde, voor de verdrukten in Indonesië, voor de rechten van arme arbeiders in zijn vaderland, voor de emancipatie van de vrouw vocht dan welke andere nederlander dan ook. Marcus’ moeder heette Dekker en kwam uit Zaandam. Ook Multatuli heette Dekker en zijn vader kwam uit Zaandam. Als Marcus geweten had dat Multatuli familie was, zou hij misschien de moed gevonden hebben die hem ontbrak. Lees hoe deze man met z’n vissen-sterrenbeeld omging:


De ware overwinning scheen mij te bestaan in een onafgebroken reeks van smartelijke nederlagen’ (Multatuli = ‘Ik heb veel geleden’).


‘De roeping van de mens is mens te zijn.’


‘Ik vraag gerechtigheid voor de vertrapte mensheid. Dat zal ik blijven vragen zolang ik adem heb. Ik zal het uitroepen aan de hoek der straten. Ik zal het aan de koning zeggen als ik hem wijs op de juwelen zijner kroon. En aan Holland als ik wijs op zijner gestolen kapitalen.’


‘De laatst bewaarde notitie van Multatuli's hand, het valt nu eenvoudig te constateren, is een schaakzet: Lf8-c5. Hij was verwikkeld in een partij correspondentieschaak met dokter A. Gorter, die hij op 14 februari per briefkaart schreef: ‘Wat de schaakparty aangaat, ook ik brand van strydlust. M'n allervriendchappelykst plan is, u te verpletteren. Om te beginnen. 2) Sg1-f3. . . Sb8-c6. Dat je nu nog niet verpletterd bent, weet ik wel, maar dat komt 'n beetje later.’ Op het briefkaartje dat hij per kerende post van Gorter ontving, die als tegenzet Lf1-c4 indiende, krabbelde Multatuli in blauw potlood zijn allerlaatste zet, in een partij die hij nooit meer zou kunnen winnen.’ (boekenrecensie in Trouw 12 Mei 1995)


‘Zo ontstaat uit Van Stratens boek een absurd vertekend portret, zonder dat er nu zoveel aperte fouten aan te wijzen zijn. De ondertitel is al dadelijk een grote dwaasheid: 'Van blanke radja tot bedelman'. Daar had heel wat toepasselijker kunnen staan 'Van kantoorbediende tot profeet' of 'Van gesjeesd gymnasiast tot gezeten burger' of 'Van dromer tot revolutionair'’. (boekrecensie in het Parool, 31 Maart 1995)


‘In duizenden artikelen, schotschriften, pamfletten, herinneringen, briefwisselingen en halve biografieën is over Multatuli overwegend gepolemiseerd, waarbij de moraal bijna altijd centraal stond: kwesties als kastekorten, speelschulden, overspeligheden, charlatanerieën, knoeierijen en vermeende leugens, en dat allemaal bij een man die waarheid en deugd in pacht zei te hebben. Niet helemaal onlogisch in een land van theologen, waar het waardeoordeel gewoonlijk zwaarder weegt dan het feitenrelaas. Mysterieus leken vooral de tegenstrijdigheden - alsof een op zichzelf oppassende ambtenaar niet ook slordig kan zijn, een waarheidszoeker niet ook eens mag jokken en een liefhebbende echtgenoot niet wel een keer kan zwichten voor een buitenechtelijke verlokking.


Multatuli noemde zichzelf bij herhaling een schrijver tegen wil en dank - of zelfs juist helemaal geen schrijver: z'n missie reikte immers oneindig veel hoger.’ (Jan Blokker)


Ik hoef maar een korte levensbeschrijving van deze man te lezen en ik voel in al m’n aderen aan hem verwant te zijn. Roekeloos en diepzinnig, arrogant en ongedwongen, excentriek en behouden, zedenloos en liefdevol. Je vindt in hem zo ongeveer alles wat met elkaar ogenschijnlijk in tegenstrijd is. Dit was ten voeten uit een man die de moed had volkomen zichzelf te zijn. En het is juist deze man die de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, dus literatuurwetenschappers, historici, schrijvers, uitgevers en publicisten, die in staat zijn de Nederlandse literatuur in haar volheid te overzien, meer dan honderd jaar later in de eigen Nederlandse literaire canon van zo’n honderd auteurs uit alle eeuwen met stip bovenaan zetten (nieuws van 21-06-2002)


Uiteindelijk gaat Marcus ook het Koninkrijk binnen. Omdat ook hij veel heeft liefgehad. Hij heeft het dan wel opgegeven, maar dat was de schuld van de liefdeloze, met de schuldenlast en hel dreigende godsdienst, niet van hem. Hij kon de godsdienst geen klap geven, maar liet zichzelf door de godsdienst van dag tot dag op z’n andere wang slaan. Hij was een van de weinige ware volgelingen van Christus. Hij wilde Hem niet aan de kant zetten, Hem niet aanvallen, zoals ik dat kan doen om mijn leven te redden, maar stikte liever. Zelfs door zijn dood heen laat hij ons in wat er van hem achterbleef zien hoe zijn leven in het teken van de liefde wilde staan. Wat een schande voor de godsdienst: Alle eeuwen door zijn het altijd de allerintelligentsten, de allerbegaafsten, de diepzinnigsten, de mensen die het meest lief willen hebben die het meest te lijden hebben van de godsdienst. Dit gegeven staat nota bene aan de basis van het christendom, het is namelijk de ervaring van Christus zelf. En toch zijn er alle eeuwen door maar een paar die dit begrijpen.
Zelfmoord was voor Marcus het enige en laatste middel om zijn werkelijke ik tot uiting te laten komen. De hoge prijs die hij moest betalen voor het volkomen eerlijk tegen zichzelf zijn en op te houden met doen-alsof en de leugen.
Zelfmoord is hoge prijs die wij mensheid moeten betalen voor het falen van onze godsdienst.


In de astrologie ziet men het christelijk geloof als de creatie, en Christus zelf als de volkomen uiting, van het laatste teken van de dierenriem, Vissen. We zijn al aardig wat van dit typische sterrenbeeld tegengekomen in dit boek. Multatuli, Marcus, Albert.... Einstein, Chopin, Voltaire, ze zijn volgens de beschrijvingen allemaal geënt op dit denken en leven in de wolken. Hypergevoelig voor het kosmisch aspect en naar men zegt uiterst kwetsbaar. Altijd doen ze een greep naar het ongrijpbare. Ze leven ermee, strijden er fel tegen en gaan er gelaten mee dood. Ze leven in extremen, alles of niets. Alles of niets is de kern van christelijk geloof. Het is de uiting van de mens die het hoogste zoekt maar zich door duisternis omgeven voelt. Wanneer ze zich in de kunst uitbeelden is het allemaal wit: Michelangelo, Chopin. Noem de naam van welke grote componist dan ook en je zult altijd stemmen horen opgaan die juist die muziek niet uit kunnen staan. Maar van Chopin wordt gezegd dat hij de componist is waar men zich het minst aan ergert. Iedereen vindt hem op z’n minst af en toe het horen waard. Maar dat extreme witte is het gevolg van de ontzaglijke, beangstigende kracht van het zwarte waar ze zich door omringd voelen. Juist daarom uiten ze zich in extremen. Het extreme van Jezus’ uitspraken is niet te overtreffen. We kunnen met hem alleen wedijveren in extremiteit indien we de dingen totaal omdraaien. Dan komen we uit op die andere vissen, Voltaire. Ook hij is in extremiteit niet te overtreffen:


‘Het christendom is de meest lachwekkende, de meest absurde en meest bloedige godsdienst die de wereld ooit heeft geinfekteerd.’

‘God is een komediant die toneelspeelt voor een publiek dat te bang is om te lachen.’


Hij kwam op zulke woorden uit, niet omdat hij kwaadaardig was, maar precies vanwege het tegenovergestelde: hij leed meer dan anderen onder de duisternis die in de wereld heerst. In feite zijn Jezus en Voltaire tesamen het fundament waar we op staan. Een andere vissen, Victor Hugo, zag het:


‘Jezus weende. Voltaire lachte. Op deze goddelijke traan en deze menselijke lach berust ons gehele moderne leven.’


Het Vissenbestaan is denken dat je het leven volkomen begrijpt en daardoor haten ze het grondig en haten ze zichzelf. Ze putten altoos kracht uit het begrijpen, het erboven staan, en tezelfdertijd worden ze er altoos door beangstigd. Een andere vissen, Schopenhauer, laat zien hoe diep begrijpen kan ontmoedigen en je doet vechten tegen de bierkaai:


‘Godsdienst is het meesterwerk in de kunst van het africhten, want het traint mensen hoe ze moeten denken.’

‘Iemand van fouten bevrijden is geven, niet iemand iets ontnemen.’


Altijd zijn ze op zoek naar de essentie, altijd weten ze zich ook op weg naar het zekere verlies, de ondergang, de dood. Zijn ze arrogant of oprecht?


‘In de wetenschap weegt de autoriteit van duizend niet op tegen de gezonde redenering van één.’ (Weer een vissen, Galilei).


Ongeoorloofd lakoniek of zeer wijs?


‘Als iemand op dit moment het bestaan van God zou bewijzen, zou het geen enkel aspect van mijn gedrag veranderen.’(Nog een vissen, Luis Buñuel).


Hebben ze zicht op diepe waarheden of zijn ze diep ongelukkig?


‘In naam van Hippocrates hebben dokters de ultieme vorm van marteling uitgevonden: mensen laten doorleven.’(dezelfde Buñuel).


Chopin: ‘Iedere moeilijkheid die je verdoezelt zal een schim worden die opduikt wanneer je later rust zoekt.’


Chopin kon pianospelen als de besten van de wereld, maar hij trad zo weinig mogelijk op als mogelijk was, omdat zelfs één fout hem van stuk zou brengen. Ik schreef dat ze ‘naar men zegt’ kwetsbaar zijn, omdat ze in werkelijkheid helemaal niet geven om hun leven. Ze zijn roekeloos. Zelfs de dood kwetst hun niet. Ze doen zo maar afstand van hun leven, of gooien zoals ik zomaar die heilige bijbel in een hoek, of geven vanwege een verliefdheid zomaar hun vaderland op, en ondergaan hun lot zonder tegenspartelen. Omdat alleen zo de hoogste menselijkheid tot uiting kan komen. En ook omdat ze altijd naar bevrijding, het opstijgen tot het hogere, de extase hunkeren. Vechten kunnen ze alleen door het uitspreken van extremiteiten om mensen zoveel mogelijk maar voor het zwarte te behoeden. Het is niet iets wat je letterlijk op moet nemen. Niets in het leven moet je letterlijk opvatten, zullen ze uiteindelijk zeggen. Er is namelijk uiteindelijk niets waar wij mensen iets zinnigs over kunnen zeggen. Voltaire legde het uit met het volgende verhaaltje: Er was eens een man die een prieeltje bouwde in z’n tuin. Ik riep er eens rond en ging er even lekker zitten. In gedachten verzonken hoorde ik opeens een mol tegen een kakkerlak zeggen: Deze paal zit bijzonder stevig in de grond. Hij moet door een Meestermol in de grond gegraven zijn. Nee, zei de kakkerlak, hij is er door de Opperste kakkerlak neergezet opdat wij er op mogen klimmen. Vanaf dat gesprek was het me duidelijk, zei Voltaire: het heeft geen zin te discussiëren met mensen.


Maar als Vissen toch discussiëren draaien ze het liefst alles om, omdat je daarmee de hoogste wijsheid opdoet. Zo vraag ik: Waarom bijvoorbeeld aanbidden wij gelovigen Christus vanwege de zelfmoord die Hij deed, en bedanken we Hem er elke dag van ons leven voor, maar zijn wij altijd verdrietig over alle anderen die het doen? Christus zei het zo:


‘Niemand heeft grotere liefde dan dat hij zijn leven geeft voor zijn vrienden.’ (Joh. 15: 13).


Dát was zijn kijk op het leven, en de uiteindelijke reden van zijn sterven.
Zo is zelfmoord een extreme uiting van liefde op dezelfde manier als ‘rechtvaardige toorn’ een extreme uiting ervan is. Zelfmoord is niets anders dan op een voor ieder verstaanbare manier je stem uitbrengen op de partij: ‘Ik wil leven in een wereld gebaseerd op liefde’. Het is op een extreme manier een belangrijke (Vissen zouden zeggen: een mooie) boodschap aan ons mensen die achterblijven brengen. Het is een boodschap uitschreeuwen: ik wil slechts in een wereld van liefde leven; doe er in godsnaam toch wat aan! Zo dragen zij hun steentje bij. Misschien is het de enige manier waarop wij hardhorige mensheid een bepaalde boodschap opvangen.


Lees nog van een ander geval. Een lief, beeldschoon meisje van 17, opgegroeid in een gelovig gezin, deed zelfmoord, na een tijd depressief geweest te zijn:


-Ze was heel erg intensief bezig met grote levensvragen. Ze was zeker geen kind, ze zat diep in het gevecht met het leven. Toen ze weer thuis was uit het ziekenhuis, zei ik: ‘Meid, ga toch op een sport!’ Haar eenvoudige woorden: ‘Mama, en jij dan?’ zal ik van m'n leven niet vergeten. Toen drong het tot me door dat mijn negatieve zelfbeeld m'n hele leven en dat van haar en wie al niet vreselijk beïnvloed had. Ik geloofde wel dat God mij aanvaard had, maar nooit had ik mezelf, met fouten en gebreken, aanvaard.’


-Je bedoelt dat het bijbelse onderwijs midden in Galaten 2:20 stopte: niet meer ik ­ en dat er geen aandacht meer was voor wat er direct op volgt: maar Christus leeft in MIJ.


-Ja, dat is het. Ik ben echt heel dankbaar hoor, voor wat ik in de gemeente gehoord heb, dat de Here Jezus gestorven is voor mijn zonden en dat we eeuwig leven gekregen hebben. Maar vrijheid om te mogen zijn wie je bent, ontspannen en onbekommerd, dat was er helemaal niet bij.’


Uit een brief, drie jaar later geschreven door moeder:


Lieve Anne-Wil,
Het is bijna drie jaar geleden, dat je bij ons bent weggegaan. Ik zie erg op tegen die dag, de 23e juni, omdat alles wat er gebeurde me weer glashelder voor ogen staat. Hoe vaak zijn m'n gedachten al naar die dag teruggegaan! Je schreef in een van je afscheidsbrieven: mijn moeder zal zich schuldig voelen, maar niemand hoeft zich schuldig te voelen, het ligt helemaal aan mij!

Hoe velen met mij voelden zich schuldig. Kind, als je eens wist hoe erg die gevoelens zijn! Maar jij weet het, jij voelde je constant schuldig en verantwoordelijk voor alles en iedereen, nog het meest voor mij. Nu moet ik de Heer steeds met klem vragen, maak het draaglijk voor me en voor de anderen die eronder lijden, doet U alstublieft die gedachten bij ons weg.

Natuurlijk weet ik dat al m'n zonden vergeven zijn, ook m'n tekortkomingen, zeker op die dag dat ik jou alleen liet. En ook de keuze die jij gemaakt hebt is je vergeven, dat weet ik zeker. Soms denk ik: haalde Hij mij misschien bij jou vandaan om Zelf jou op Zijn schouders te kunnen dragen? Eén ding weet ik: niemand kan beter voor jou zorgen dan de Goede Herder, die je heeft thuisgebracht. (uit Bode des heils, Oktober 2002).



My son killed himself








            



















[1]En hij kende natuurlijk ook de redenaties en houdingen van orthodoxe christenen; de christenen waren in die tijd nog eensgezind over de bijbelse lering aangaande homofilie.


Tegenwoordig komt de strenge veroordeling nog steeds algemeen voor onder evangelische/orthodoxe/fundamentalistische christenen. Lees een typerende discussie tussen een evangelische christen en een niet christen die ik op een discussieforum op het internet tegenkwam:


Evangelische Christen: “Ik zet me af tegen homofilie omdat het iets is dat door God volkomen verworpen wordt. Ik heb God lief en haat alles wat Hij haat, en heb lief alles wat Hij lief heeft.”


Merk op hoe griezelig dichtbij deze opvatting ligt bij de denkwereld van moslim-terroristen.


Niet-Christen: “Haat en liefde zijn emoties en die zijn als zodanig niet zomaar even te activeren. Haten en liefhebben omdat God dat zou vragen is dus onzin. Dat praat je jezelf maar aan.”


Evangelische Christen: “ Onzin. Geestelijke liefde en haat komen van God en die krijg je pas als je Gods Geest in je krijgt.”


Niet-Christen: “Je kletst uit je nek.”


Evangelische Christen: “Dat komt op jouw zo over omdat je zelf die ervaring niet kent. Zoals de Bijbel al zegt: "Doch een ongeestelijk mens aanvaardt niet hetgeen van de Geest Gods is, want het is hem dwaasheid en hij kan het niet verstaan, omdat het slechts geestelijk te beoordelen is." 1 Kor. 2:14. En omdat jij in die categorie valt snap je het niet. Natuurlijk haat God wel. Hij haat de zonde en alles wat kwaadaardig is en onrein en onheilig. Hij haat de zonde, maar de zonDAAR heeft Hij lief en wil hem redden en verlossen van de zonde.”


Niet-Christen: “Slimme zet van die Paulus. Zou ik ook zeggen als ik mensen wilde bekeren. Iedereen die dan zijn vinger opsteekt en een intelligente kritische opmerking maakt kun je hiernaar verwijzen en dan heb je hem de mond gesnoerd. het is DE manier om mensen monddood te maken en dat geeft geen pas. Ik hoop dat je dat inziet.”


Zoals gewoonlijk in zo’n discussie over het geloof komt er dan een gematigder iemand aan om de brand te blussen. Uit de bijbel kun je tenslotte alles halen:


Esoterisch-Christen : “Beste bijbelse letterknecht! Stop eens met oordelen over anderen met behulp van de Bijbel svp... het is gewoon beschamend dat jij hier voor God speelt... Laat het oordeel over aan God zelf.”


Hier zien we de negatie of het omzeilen van de uitspraken van de bijbel over homofilie in naam van de nederigheid en wellicht de liefde, de boodschap die we ook gepreekt zien worden in de bijbel. Merk trouwens op dat ook deze verlichte christen ‘het oordeel’ toch laat staan.

En dan komt er tot slot nog iemand die het nog mooier doet en de handen van het christelijk geloof volledig schoonwast door het volgende op te merken:


Modern-Christen: “Hm, God cq de Bijbel is niet zo eenduidig in het veroordelen van homofilie, teksten op verschillende plaatsen laten ruimte voor zowel goed- als afkeuring, jij wenst de Bijbel alleen op een bepaalde manier uit te leggen.”


Deze christen vertegenwoordigt de verdraaiïng van de bijbel, de aanpassing van de bijbel op ons modern denken. Dit laatste is de absolute dooddoener voor elke gezonde discussie over godsdienst en de reden voor het voortbestaan van het christelijke geloof. Juist deze buitengewone jongleurtechnieken van de mens met zijn eigen gedachten laten velen voor eeuwig met de godsdienst verder leven. Maak je eigen god, zoek er de toepasselijke bijbelteksten bij (die je ongetwijfeld in de bijbel kunt vinden) en je bent christen. We WILLEN de waarheid over de bijbel gewoon nooit zien. Uiteindelijk komt de Niet-Christen dan ook met deze gerechtvaardigde opmerking:


Niet-Christen: “Ik spoor aan tot discussie, maar mensen moeten wel beseffen dat er logische regels verbonden zijn aan het voeren van een discussie. Als ik vraag om bewijzen dat de bijbel het woord van God is, dan kun je niet zeggen: "Dat staat in in de bijbel". Als je dat niet inziet, dan houdt het echt op.”


En inderdaad, godsdienstige kwesties eindigen altijd op een botsen tegen de muur. Indien je een christen vraagt welke doorslaggevende reden gegeven zou kunnen worden om het geloof op te geven, zal de christen altijd zeggen dat dit in het geheel niet mogelijk is. Hij denkt door zo te spreken God (lees: zijn godsdienstigheid en vroomheid) eer aan te doen, en ziet niet in dat hij door zo te spreken afscheid neemt van het gezonde menszijn. Zo kan ik in dit boek ook gemakkelijk voor Paulus gaan spelen, en in dezelfde redeneertrant van hem de gelovigen voor de voeten werpen: "Doch een christelijk mens aanvaardt niet hetgeen de waarheid over de realiteit is, want het is hem dwaasheid en hij kan het niet verstaan, omdat het slechts met eerlijk denken zonder bijgeloof te beoordelen is."

 



[2]Zo hebben vele psychologen de godsdienst uitgelegd als voortkomend uit melancholie, depressiviteit, het zich zwak voelen van de mens. Ook kunstuitingen kunnen veelal zo uitgelegd worden. Indien dit niet de gehele waarheid over godsdienst is, dan toch zeker een groot onderdeel ervan. Deze uitleg kan ook zeer scherp licht werpen op mensen zoals ik die zelfkennis willen opdoen.