Religie is een spel
De wortel van het spel
Hoe het spel te spelen
De lange weg van de ontmanteling
Een schets van Volwassen Geloof
Volwassen Geloof                                                                      Hoofdstuk 20a

        

Print "Is Volwassen Geloof Mogelijk" als Word document (59 bladzijden):



Hij die niet langer in God vindt wat groots genoemd kan worden zal het nergens meer vinden –hij zal het grootse óf moeten ontkennen óf het zelf moeten scheppen.
[Friedrich Nietzsche]













"Ja, er valt veel op de weg, maar minder dan wij vaak denken. De eerste bekering die ik meemaakte was gelijk de opmerkelijkste. Marciano kwam uit zichzelf naar mij toe en zei: 'Ik heb belangstelling voor God.' Dat is wel even raar. We maakten een afspraak en tot mijn verbazing kwam hij die na. In het begin vond ik het moeilijk om mensen echt te begeleiden tot en met hun bekering. Ik was gewoon super- voorzichtig. 'Maar wat moet ik nou doen?', vroeg Marciano. Ik zei hem tot Jezus te bidden en Hem vergeving vragen. 'Maar hoe doe ik dat dan?' Ik legde hem uit dat je je ogen sluit, neerknielt en tegen Jezus gaat praten. Tot mijn stomme verbazing knielt hij neer en vraagt hij: 'En wat moet ik nu zeggen?' Zo heb ik Marciano echt woord voor woord en stap voor stap tot Jezus geleid. Prachtig! Zo heb ik vaker mensen de woorden van hun gebed mogen voorzeggen."
[evangelist Jaap Noorlander]




Religie is een spel

Geloof is als de frontpage van deze site: mooie bellen blazen met de zee van het bestaan als onuitputtelijke voorraad zeepsop. Religie is een ervaring van je eigen ziel. Wat zich in de zeepbel bevindt is beperkt tot het innerlijke leven van de mens. Objektieve bewijzen van Gods handelingen om ons heen zijn er niet, hoezeer de religie ook zijn best doet om ze aan te wijzen. Over Gods concrete handelen kun je alleen maar lezen of verhalen horen, je kunt het niet waarnemen in de wereld om je heen. Je kunt het wel jezelf wijsmaken. Het is bijvoorbeeld een algemeen verschijnsel onder gelovigen om over wonderen te spreken. Tegenwoordig gaat het dan vaak om gebedsgenezers. Of deze verschijnselen iets over God te zeggen hebben kunnen we ons met recht afvragen. Niet alleen vanwege de vaak opgemerkte bedriegerij en mensenverering aan de ene kant of zelfbegoocheling aan de andere kant, maar vooral ook omdat we in aanmerking moeten nemen dat deze verschijnselen zich voordoen in álle religies, in álle culturen, en de dingen dan ook altijd typisch worden toegeschreven aan de god die juist in ons straatje te pas komt. Al dit soort dingen waren ook al in de grieks-romeinse tijd in overvloed in de heidense religies aanwezig. De godsbeelden hadden magische krachten, van sommigen bloedden de wonden, andere godsbeelden konden knipogen, het hoofd knikken, de hand opheffen. Van de beelden van Minerva wordt verteld dat ze een speer konden zwaaien; de beelden van Venus konden wenen. Één van de beroemdste beelden was dat van Memnon, dat goddelijk kon spreken bij het aanbreken van de dageraad.
Wat de wonderen van de christenen betreft, als je de prachtige verhalen mag geloven is het grootste wonder dit: waarom zijn er nog zoveel zieken op de wereld?...Vooral als je door de gebedsgenezer wordt verteld: "God wil niet dat je ziek bent, dat wil de duivel."
Welnu, we moeten er rekening mee houden dat wonderen in de wereld evengoed uitgelegd worden zonder het woordje God in de mond te nemen. In bepaalde culturen kan het wonder liever toegeschreven worden aan Maria , onzichtbare geesten van voorouders of aan duivels enz. De nieuwste rage is ze toe te schrijven aan buitenaardse wezens die onze aarde bezoeken...Nog moeilijker wordt het (als je de gelovigen moet geloven) wanneer iemand een wonder in de naam van Jezus zegt te doen of te beleven maar het wonder in werkelijkheid van de satan afkomstig is (A course in miracles). Maar gelukkig hebben deze gelovigen altijd de beschikking over de geweldige inzichten die de Heilige Geest hun geeft om 'de geesten te kunnen onderscheiden'...


Dit brengt me op een idee: Wanneer we over onze religiositeit nadenken, zouden we ons bijbels geloof eens moeten vergelijken met de meest vreemdsoortige ideeën die elders onder mensen om ons heen opgang doen. Laten we het traditionele christelijke geloof eens vergelijken met de opvattingen van mensen die in UFO’s en contacten met buitenaardse wezens geloven. Als typisch voorbeeld een prachtig verhaal dat ik vond in een Fins tijdschrift ‘Ultra’:


Als kanaal voor dit artikel fungeert de contactpersoon, ziener, genezer en leraar geestelijke wetenschappen, Pasi (spreek uit: passie) Raitanen. De nu 35-jarige Pasi Raitanen heeft al sinds zijn jeugd paranormale gaven. Voor hem werd ook de wereld van Ufo’s een werkelijkheid.

Volgens Pasi zijn er in Finland meer dan 20 ‘benzinestations’, oftewel ‘energieoplaadplaatsen’, waar de ufo’s regelmatig op afstevenen om hun energie aan te vullen. Deze plaatsen zijn al duizenden jaren oud. Zoals men op de bijgevoegde kaart kan zien zijn ze verspreid vanaf de zuidkust tot aan Lapland toe. Het grote aantal energieplaatsen is oa te verklaren door op te merken dat de verschillende buitenaardse rassen die onze aarde bezoeken hun eigen plaatsen hebben en de tankplaatsen ook van model en energiesoort van elkaar verschillen. Ufo’s maken van de volgende energiesoorten gebruik:

-Zout- en zwavelverbindingen. Dit is de meest elementaire energievorm waaruit ufo’s hun stuwkracht ontwikkelen. Deze verbindingen kunnen ze direkt uit zeewater destilleren.

-Hila-energie. Deze energie wordt overal in de kosmos aangetroffen en is een bijzonder geavanceerde energievorm.

-Kristalenergie, gehaald uit gesteenten. Eén van deze plaatsen zijn de bekende mijnen in Outokumpu waar veel chroomdiokside gevonden wordt.

-Energie die uit bijzondere materialen zoals Iridium tevoorschijn komt. Iridium is zeldzaam op aarde, maar elders veel voorkomend. De buitenaardse wezens nemen daarom vaak voorraden mee, die ze in de vorm van grote kisten in de aarde begraven. Eén kist gaat zo’n 100 tot 500 jaar mee.

Het eerste contact dat Pasi kreeg met Ufo’s was geheel toevallig. In 1991 was hij op eendenjacht en vond hij midden in de wildernis een geheel onbegroeide plaats van 10 bij 10 meter van waaruit hij goed de eenden kon beloeren. Na een half uur daar gestaan te hebben voelde hij zich plotseling misselijk worden, en na een uur voelde hij grote duizeligheid opkomen. Hij moest overgeven en hield het die avond met de jacht wel voor gezien.

De volgende avond ging hij weer naar dezelfde plek. Na een korte tijd daar weer gestaan te hebben overviel hem een paniekgevoel, net alsof iemand hem duidelijk maakte dat hij zich naar een ander gebied moest begeven. Pasi gaf echter niet toe aan dit gevoel, maar bleef -zoals het een Fin betaamt- koppig zitten.

Na een uur zag hij opeens uit de richting van de zee een vliegende schotel opdoemen van wel zo’n 200 meter doorsnede. Pasi begreep meteen dat dit ruimteschip hem op de vlucht wilde zetten voordat het zou arriveren. Wie weet kwam het omdat hij zich tot het uiterste verzet had, maar nu was wegvluchten bijna onmogelijk. Pasi kon zich maar moeizaam bewegen. Hij vond z’n fiets maar kon maar ternauwernood fietsen. Maar naarmate de afstand tot de ufo-landingsplaats langzaamaan groter werd voelde hij geleidelijk zijn krachten weer terugkomen. Na drie kilometer was het alsof hij een onzichtbare muur gepasseerd was en voelde alles weer normaal aan. Zijn paniek was ook geheel weg.

Vanaf die tijd is Pasi steeds in contact geweest met buitenaardse wezens. De volgende avond al vroeg hij ze hoe de vork in de steel zat. De buitenaardse wezens vertelden hem dat ze in de 50-er jaren een kist van 10 bij 10 meter, waar energie in zit, op die plaats hadden neergezet en dat het dus een tankstation was. De buitenaardse wezens veroorzaken bij de mensen met opzet een paniekreaktie om mensen voor gevaren te behoeden wanneer ze in aankomst zijn.

Behalve aan hun eigen energievoorziening besteden buitenaardse wezens ook hun aandacht aan onze menselijke energievoorziening. Pasi vertelde over het voorval dat in Luvia plaatsvond in 1995. Een familie woonde op een eenzame plek in een afgelegen bos. Op een gegeven moment bemerkten zowel de vrouw des huizes als haar zoon dat er zich in en om het vrijstaand huis een krachtig energieveld bevond. De moeder kreeg zelfs aanvallen van bewusteloosheid waarvan haar dokter de oorzaak niet kon vaststellen.

Pasi bezocht het huis en merkte op dat zich op 200 meter hoogte, precies boven het huis, een ufo bevond van enkele tientallen meters doorsnede. Pasi vroeg de buitenaardse wezens waarom ze daar geparkeerd waren, en kreeg als antwoord dat ze behoorden tot een groep van 4 ufo’s die tot taak hadden gekregen de kerncentrale in Olkiluoto met een krachtig energieveld te omspannen, waardoor eventuele radioaktieve straling niet naar de omgeving zou lekken. Het energienet dat om de kerncentrale werd gesponnen heeft de vorm van salmiakruitjes, de meest efficiënte vorm voor energie.

Zijn de energiebronnen van ufo’s in de toekomst ooit ook eens door mensen te gebruiken? Pasi vertelt dat de buitenaardse wezens voortdurend mensen opleiden om nieuwe energiebronnen te ontwikkelen. In de buurt van Finland is zelfs een kilometers lang ruimteschip dat dient als opleidingscentrum. Meestal gebeurt deze scholing tijdens de slaap van mensen. Iemands bewustzijn wordt dan getransporteerd naar dit schip. (Hierbij zij nog vermeld dat ufokenners het er in het algemeen over eens zijn dat grote ufo’s zich in een andere dimensie bevinden, niet met radar of door menselijke waarneming op te merken). Vanaf 1996 wordt deze scholing steeds grootschaliger aangepakt, als gevolg waarvan we nu een grote stroom nieuwe therapiën en behandelingsmethoden hebben gekregen. Een van de meest gebruikte nieuwe technieken berust op magnetisme. Over tien jaar zal de mensheid al over een grote hoeveelheid technieken beschikken die we van buitenaardse wezens gekregen hebben.

Maar hoe weet de lezer nu of deze dingen waar zijn of niet? Volgens Pasi zijn alle theorieën over het einde van de wereld, waar we jaar in jaar uit over horen, niet door buitenaardse wezens ingegeven. Zij willen namelijk de mensheid verder op weg helpen, en geen angst aanjagen. Hoeveel geloof we aan doemdenkers moeten hechten laat alleen al het feit zien hoevaak ze er in alle eeuwen naast hebben gezeten. Volgens Pasi doen we er goed aan niet slechts belang te hechten aan contacten met buitenaardse wezens, maar zouden we ons meer moeten richten op de geestelijke waarden van hun hoogste vertegenwoordigers. (Buitenaardse rassen bestaan in allerlei verschillende niveaus van ontwikkeling). En hij roept ons op om toch altijd ons gezond verstand te gebruiken. ‘We hebben niet voor niets een kritische geest gekregen. We hebben permissie er gebruik van te maken.’, zegt hij.


Na zo’n smeuiïg verhaal als het bovenstaande zal de lezer meteen begrijpen hoe geweldig ik nu in mijn schik ben indertijd de zo onmogelijk toeschijnende kluif van het leren van de weerbarstige Finse taal ondernomen te hebben, zodat ik nu geheel Nederland op de hoogte van deze belangwekkende zaken kan stellen. (Indien iemand nog behoefte heeft aan een tweede ronde om te zien waar geloof toe in staat is, dan is hier nog een amusante link, waar Rudolf Steiner u alles vertelt over de geheime achtergronden van aardbevingen...) Goed, het is natuurlijk gemakkelijk te glimlachen en je te verbazen over menselijk gedrag en kinderachtig denken. Maar laten we er nu eens over nadenken of het ufogeloof ook maar op enige wezenlijke wijze verschilt van bijvoorbeeld het christelijk geloof.

Let op de verbluffende overeenkomsten:


Carl Sagan in zijn boek The demon-haunted world, omschrijft de gelovige wereld vlijmscherp met het volgende verhaaltje:


"Er woont een vuurspuwende draak in mijn garage!"
Stel dat ik heel serieus zo'n stelling naar voren breng. Jij zou zoiets dan natuurlijk willen verifiëren, de waarheid ervan voor jezelf vaststellen. Er zijn namelijk alle eeuwen door ontelbare drakenverhalen geweest, maar men heeft nooit echte bewijzen voor hun bestaan op tafel gelegd. Wat een gouden gelegenheid hebben we nu!
"Laat me hem eens zien.", zeg je, en ik laat je dan mijn garage zien. Je kijkt erin en ziet een ladder, wat lege verfpotten, een oude driewieler -maar geen draak.
"Waar is de draak?", vraag je.
"O, die is precies op deze plaats.", antwoord ik, en ik spreid mijn handen vaag uit in alle richtingen. "Ik had vergeten erbij te vermelden dat de draak onzichtbaar is."
Je stelt voor dat we meel op de grond strooien om de voetstappen van de draak te registreren.
"Zou op zich een goed idee zijn", zeg ik, "maar deze draak zweeft in de lucht."
Dan zul je aankomen met een infrarood-sensor om het onzichtbare vuur waar te nemen.
"Zou op zich een goed idee zijn, maar het onzichtbare drakenvuur is ook zonder hitte."
Welnu, dan kom je met een spraybus om de draak daarmee voor de dag te halen.
"Zou op zich een goed idee zijn, maar de draak is onstoffelijk en de verf zal er dus niet aan blijven kleven."
Enzovoort, enzovoort. Ik heb op iedere test die je maar uitvindt een uitleg waarom deze methode niet werkt.
Welnu, wat is het verschil tussen een onzichtbare, onstoffelijke, zwevende draak die vuur spuwt zonder hitte en een draak die helemaal niet bestaat? Indien met geen mogelijkheid mijn stelling bewezen kan worden, er niets verzonnen kan worden met behulp waarvan we de stelling kunnen verwerpen, wat voor betekenis heeft het dan te zeggen dat draken bestaan? Het feit dat men de stelling op geen enkele manier kan weerleggen betekent nog niet dat de stelling dus bewezen is. Beweringen die niet getest kunnen worden, stellingen die immuun voor weerlegging zijn, zijn wat hun waarheid betreft waarde-loos, zonder enige waarde, hoezeer ze ons ook mogen inspireren en een gevoel van ontzag schenken. Waar het op neer komt is dat ik je uitnodig om iets op mijn woord te geloven, zonder enig bewijs.
Het enige wat je werkelijk kan concluderen uit de overtuiging dat ik een draak in mijn garage heb, is dat er zich iets vreemds afspeelt in mijn hoofd. Je zult je afvragen hoe ik op zo'n vreemde gedachte ben gekomen. De mogelijkheid dat ik een droom gezien heb of last heb van hallucinaties zou meteen onder ogen gezien moeten worden. Maar in dat geval, hoe verklaar je dat ik hier zo uiterst serieus mee bezig ben? Wie weet heb ik hulp nodig. Op z'n minst zou je je kunnen afvragen of ik er geen idee van heb dat mensen wel eens falen in hun redeneringen en waarnemingen.

Stel nu dat je ondanks alle onsuccesvolle pogingen de zaak te testen tóch open blijft voor de mogelijkheid dat de stelling waar zou kunnen zijn. Je komt niet met de klinkklare conclusie dat het onzin is dat er een vuurspuwende draak in mijn garage huist, maar laat de zaak vooralsnog open voor eventueel nader onderzoek later. Hoewel huidig onderzoek niets oplevert zou er in de toekomst iets gevonden kunnen worden waardoor de stelling wél overtuigend bewezen zou kunnen worden. In dat geval zou het echt unfair zijn als ik me beledigd zou voelen dat je mijn stelling niet meteen aanneemt. Ook zou het onjuist zijn als ik je zou uitmaken voor iemand die willens en wetens negatief wil zijn of geen voorstellingsvermogen heeft.

Stel dat het anders was gelopen. De draak is inderdaad onzichtbaar, maar het lopen van de draak kan opgemerkt worden via zichtbare voetstappen in het uitgestrooide meel. Je infrarood-sensor slaat uit naar het maximum. De sprayverf laat een gekartelde ruggegraat zien zwevend in de lucht. Hoe sceptisch je ook geweest zou mogen zijn ten aanzien van het bestaan van draken -laat staan ten aanzien van onzichtbare draken-, je zult nu toegeven dat er 'iets' is, en dat het verdraaid goed overeenkomt met de beschrijving van een onzichtbare vuurspuwende zwevende draak.

Nu weer een ander scenario: stel dat ik niet de enige ben. Stel dat je een hoop bekenden hebt, ook mensen die elkaar in het geheel niet kennen, die allemaal vertellen draken in hun garage te hebben- maar in alle gevallen lopen onderzoekingen uit op iets volslagen ongrijpbaars. We zullen dan allemaal toegeven dat het zeer verwonderlijk is dat velen in de ban zijn van zulke vreemde, onbewijsbare opvattingen. Niemand van je bekenden is gek. Je zou je afvragen in wat voor wereld we zouden leven indien iedereen ervan overtuigd was dat onzichtbare draken zich overal ter wereld zich schuilhouden in de garages van mensen. Ik moet u zeggen dat ik liever leef in een wereld zonder, maar wie weet waren al die oude chinese en griekse verhalen over draken dan toch geen mythen...

Gelukkig, eindelijk krijgen we een rapport: drakenvoetstappen zijn ergens concreet gesignaleerd. Maar de voetstappen worden nooit gesignaleerd wanneer een ongelovige erbij is. Er dient zich dus een andere mogelijkheid aan: bij nader onderzoek is het duidelijk dat het hier om vervalsingen gaat. Maar er verschijnt weer zo'n drakenenthousiast; hij laat z'n verbrande vinger zien en wijt dit aan een zeldzame lichamelijke verschijning van een vuurspuwende draak. Maar alweer, er dienen zich andere mogelijkheden aan. We beseffen meteen dat men zijn vingers ook op andere manieren kan verbranden dan via de vuurspuwende vlammen uit een drakenmond. Hoezeer de aanhangers van draken zich ook op deze "bewijzen" vastbijten, ze is verre van overtuigend. En zo kunnen we weer de zaak openlaten voor eventueel toekomstig bewijsmateriaal, en intussen kunnen we weinig anders doen dan ons afvragen wat toch de oorzaak kan zijn dat mensen die ogenschijnlijk met gezonde rede, collectief door het leven gaan met zulke waandenkbeelden.



Tenslotte kunnen we ons de volgende vraag voorleggen: Hoe is het mogelijk dat men de tere zeepbellen van anderen met het grootste gemak doorprikt, de waandenkbeelden van andere gelovigen en godsdiensten dus met het grootste gemak opmerkt, maar tezelfdertijd volkomen blind is voor het ongerijmde in zijn eigen godsdienst? Indien een christen de proef op de som wil nemen laat hem deze site eens doorlezen om te zien hoe mensen hun denkvermogen tot het uiterste inspannen om allerlei 'feiten' te zien die niet bestaan, zich in allerlei vernuftige denkkronkels begeven om dingen te bewijzen die totaal niets met de realiteit te maken hebben, hoe mensen omgaan met het woord 'logica', om te zien hoe geloof mensen zó opslokt dat het een onoverbrugbare kloof, scheiding en onbegrip schept tussen de gelovige en ongelovige, hoe mensen hun leven en welzijn, al hun aandacht en tijd kunnen schenken aan onzin en absurditeiten. Zo stuitte ik op een christelijke site die bijvoorbeeld met deze woorden komt:


Een vaak gehoord antwoord van niet-christenen is dat zij God niet begrijpen en Hem afwijzen omdat ze Hem 'niet voelen, niet zien etc'. De wegen van de Heer zijn voor hen ondoorgrondelijk. Vaak is dat al voor velen een aanleiding om het geloof te verwerpen. Maar bedenk jezelf eens het volgende: een klein kind begrijpt vaak bepaalde dingen niet, hoevaak komt het niet voor dat een kind iets wil en dat de ouders het er niet mee eens zijn. Dat kan gewoon zijn omdat het op dat moment niet mogelijk is. Een kind kan op dat moment het totaal niet beseffen, dus doorgrondt het kind niet zijn/haar ouders. Maar vaak achteraf worden dingen toch duidelijk. Het is niet goed om God af te wijzen op basis van het feit dat je Hem niet begrijpt, Hem niet ziet, Hem niet voelt, als niet-christen zijnde. Miljoenen mensen wereldwijd kunnen je vertellen dat God geen verzinsel is.

Jezus lééft, nog steeds!!!!!!

Aanvaard Jezus, voordat het te laat is. Nu kun je nog kiezen.......


In elf zinnen wordt hier een vracht aan onzinnig denken over ons heen gegooid. Het is werkelijk ongelooflijk dat mensen met een moderne schoolopleiding niet het ongerijmde inzien van zulke redeneringen. Iedereen zou meteen de volgende gezonde opmerkingen kunnen maken:
1. Iemand die niets voelt, opmerkt, ziet etc. wijst God niet af; er valt voor hem helemaal niets af te wijzen. Hij wijst slechts pretenties van boekgelovigen af, pretenties van mensen die God in alle details denken te kunnen uitleggen. Zo iemand kan echter wel degelijk tezelfdertijd een godsbeeld hebben en God eer aan willen doen in zijn leven. Wie weet heeft hij juist meer van Gods grootheid begrepen dan de naieve verhalenvertellers. Sterker nog, ik denk dat de definitie van een atheïst veelal deze is: iemand die meer dan anderen over God en godsbeelden heeft nagedacht, iemand die een lange speurtocht achter de rug heeft, goden en godsbeelden van binnen en buiten kent, ze allemaal gewogen en te licht bevonden heeft.
2. De analogie van het kind is zeer goed. Maar pas hem daarom ook op de goede manier toe: wij mensen staan met het weten, het doorgronden van het bestaan, voor een raadsel. Als er iets is wat wij moderne mensen weten, is het juist dit gegeven. Wat is er dan dommer dan het proberen op te lossen door daar antieke menselijke geschriften voor te gebruiken? Inderdaad, wellicht wordt het op den duur duidelijker, over een jaar of tienduizend ofzo, als we nog verder opgroeien. Maar kleine kinderen zijn we niet meer, wij zijn al een stuk opgegroeid in vergelijking tot het antieke denken uit de oudheid.
3. "Miljoenen mensen kunnen ervan getuigen dat God geen verzinsel is." Wel, er zijn er ook miljoenen voor wie het tegendeel waar is. En zij die over God spreken, hebben ze het allemaal over dezelfde God? Maar let op, dezelfde mensen die bovenstaande tekst uitspreken zullen deze claim weer tegenspreken wanneer een Hindoe dezelfde zin gebruikt om zijn goden aan de man te brengen, of wanneer Allah als enig God wordt uitgeroepen en ga zo maar door!
4. Het ongerijmde van de uitspraak wordt voortreffelijk geïllustreerd door de uitspraak 'God bestaat' te vervolgen met 'Jezus leeft'. Hoe in vredesnaam kan dit hetzelfde zijn? Hoe in vredesnaam kan men tot zo'n conclusie komen uit het gegeven dat God bestaat?
5. Wat is idioter dan als laatste middel om iemand te overtuigen van iets moois een dreigement te gebruiken? Aanvaard Jezus voor het te laat is! Het evangelie dat de liefde zegt aan te bieden heeft de verdoemenis en het beroep op de angst weer in de andere hand. Ik zou zeggen: doorzie deze verachtelijke vorm van geloven toch eindelijk, nu kun je nog kiezen en wat moois van je leven maken!


Lees het volgende verhaaltje, te vinden in een geschrift van 100 jaar geleden:


Een Gelijkenis, door M.M.Mangasarian

Vandaag ben ik 2500 jaar oud. Ik ben al bijna net zo lang dood geweest. Ik werd in Athene geboren en mijn graf was niet ver van het graf van Xenophon en Plato, uitkijkend op de witte glorie van Athene en de blauwe wateren van de Aegeïsche Zee.

Na vele eeuwen in mijn graf te hebben geslapen, werd ik plotseling wakker -geen idee hoe en waarom- en door een kracht, waar ik geen vat op had, getransporteerd naar deze nieuwe dag en deze nieuwe stad. Ik arriveerde er bij zonsopgang, de hemel was nog levenloos en sloom. Bij het naderen van de grote stad hoorde ik klokken luiden, en even later zag ik de straten vol goed geklede mensen die in groepen van afzonderlijke families in allerlei richtingen ergens naar op weg waren. Blijkbaar waren ze niet op weg naar hun werk, want hun kinderen gingen mee, gekleed in hun beste kleren, en ze zagen er allemaal goed geluimd uit.

"Dit moet een dag van feest en aanbidding zijn, ter ere van één van hun goden", mompelde ik in mezelf. Om me heen kijkend zag ik een man in een deftig zwart pak. Hij keek me glimlachend aan en stak hartelijk een hand naar me uit. Hij had zeker opgemerkt dat ik een vreemdeling was en hij wilde me een blijk van gastvrijheid laten zien. Ik ging hier dankbaar op in en klemde zijn hand vast. Hij op zijn beurt deed hetzelfde met kracht. We keken een moment in elkaars ogen. Mijn gevoel van verloren te zijn in een volkomen vreemde omgeving scheen geheel tot hem doorgedrongen te zijn. Hij bood aan me van hulp te zijn met uitleg. Hij legde me uit wat de betekenis van de klokken was en waar de mensen naartoe op weg waren. Het was Zondag -de zondag vóór Kerstmis- en de mensen waren op weg naar 'het huis van God'.

"En u bent zeker ook op weg daar naar toe.", zei ik tegen mijn vriendelijke gids.

"Ja", antwoordde hij, "Ik ga voor in de dienst. Ik ben een priester."

"Een priester van Apollo?"

"Nee, nee", liet hij meteen weten, terwijl hij zijn hand opstak om me tot zwijgen te brengen, "Apollo bestaat niet; hij was slechts een afgod."

"Een afgod?", zei ik verbrouwereerd.

"Ik zie dat je een Griek bent", zei mijn gids tegen me, "en de Grieken -niettegenstaande hun hoogwaardige cultuur- waren een volk dat aan afgodendienst deed. Ze eerden allerlei goden die in werkelijkheid niet bestaan. Ze bouwden tempels voor goden die slechts namen waren. Namen voor het luchtledige. Apollo en Athene -en de hele santekraam op de Olympus- waren niets anders dan de uitvindingen van een levendige verbeelding."

"Maar wij Grieken hielden van onze goden.", protesteerde ik, terwijl mijn hart onstuimig begon te kloppen.

"Het waren geen goden, ze waren afgoden, en het verschil tussen een god en een afgod is dat een afgod slechts een levenloos voorwerp is. God is een levende Persoon. Wanneer je god slechts een voorwerp is, maar niemand heeft hem ooit in werkelijkheid gezien, noch zijn stem gehoord, noch hem aangeraakt, in kort, wanneer er niets is om zijn bestaan te kunnen verifiëren, dan is hij een afgod. Heb je Apollo gezien? Heb je hem horen spreken? Heb je hem ooit in levende lijve aangeraakt?"

"Nee.", zei ik zachtjes.

"Heb je ooit van iemand gehoord die hem wel gezien heeft?"

Ik moest toegeven dat ik daar nooit van gehoord had.

"Hij is dus een afgod, en geen God."

"Maar velen van ons Grieken hebben Hem in ons hart gevoeld en zijn door Hem geïnspireerd."

"Jullie hebben je dat maar ingebeeld", zei mijn gids, "Indien hij echt goddelijk was dan zou hij tot op deze dag geleefd hebben."

"Is Hij dood dan?", vroeg ik hem.

"Hij is nooit levend geweest, en zijn tempels zijn al zo'n 2000 jaar ruïnes."

Ik kreeg tranen in mijn ogen toen ik hoorde dat Apollo, de God van Licht en Muziek, er niet meer was, dat Zijn schitterende tempel tot ruïne vervallen was en het vuur dat brandde op zijn altaar, gedoofd was. Ik vermande mij en zei: "Maar onze goden waren schoon en sierlijk; onze godsdienst was rijk en vol kleurenpracht. Het maakte de Grieken tot een volk van dichters, redenaars, kunstenaars, strijders, diepzinnige denkers. Het maakte Athene tot een stad van licht, het schiep het Schone, het Ware, het Goede -ja, onze godsdienst was Goddelijk."

"Jullie godsdienst had slechts één gebrek.", liet mijn gids hierop horen.

"Welk gebrek?", vroeg ik hem in de grootste verwondering.

"Het was niet waar."

"Maar toch blijf ik in Apollo geloven", riep ik uit. "Hij is helemaal niet dood, ik weet dat hij leeft."

"Bewijs het", zei hij tot mij. En na een kleine pauze vervolgde hij: "Als jij hem tevoorschijn kan toveren, zullen we allemaal op onze knieën vallen en hem vereren. Laat ons Apollo zien en hij zal onze god zijn."

"Apollo tevoorschijn toveren!", riep ik boos uit. "Wat een godslastering!" Maar ik ging serieus op de woorden van mijn gids in en vertelde hem hoe ik meer dan eens Apollo's stralende aanwezigheid in mijn hart gevoeld had. Ik vertelde hem ook over de onsterfelijke woorden van Homerus aangaande de goddelijke Apollo. "Twijfel je aan Homerus?", zei ik tegen hem, "Aan Homerus, de goddelijk geïnspireerde bard? Aan Homerus die zijn pen doopte in een inktpot zo groot als de Zee, die boven de Tijd stond? Aan Homerus, van wie elk woord een Druppel des Lichts was?" Daarna vervolgde ik met het reciteren van een gedeelte van de Illiad, de Griekse Bijbel, door alle Hellenen vereerd als het zeldzaamste manuscript dat tussen hemel en aarde te vinden is. Ik liet hem de beschrijving van Apollo horen; met zijn Lyre kan geen enkel instrument vergeleken worden, zelfs honing is niet zoet genoeg om de zoetheid van zijn woorden uit te beelden. Ik liet horen hoe zijn moeder van stad tot stad trok om voor deze jonge God, de Zoon van Zeus, de Allerhoogste, een waardige geboorteplaats te vinden. En hoe Hij tenslotte geboren werd en in de kribbe lag, omgeven door de niet aflatende zorg van alle godinnen. Zij baadden Hem in stromende beken en voedden Hem met nektar en ambrosia afkomstig van de Olympus. Daarna sprak ik de woorden uit die verhalen van hoe Hij zijn banden verbrak, hoe Hij uit zijn kribbe sprong en zijn vleugels spande als die van een zwaan, hoe Hij opsteeg naar de zon, terwijl Hij de woorden uitsprak 'de wil van God voor stervelingen aan te kondigen'. "Is het mogelijk", zo vroeg ik, "dat dit alles slechts gefabriceerde zaken zijn, een fantasie van de verbeelding, net zo zonder inhoud als lucht?" "Nee, nee, Apollo is zeker geen afgod! Hij is een God, en de Zoon van een God. De gehele Griekse wereld is mijn getuige dat ik de waarheid verkondig!" Hierop keek ik met spanning naar mijn gids om te zien welk een indruk deze spontane opwelling van de grootste gedachten en gevoelens op hem maakte. Maar ik zag bij hem slechts een minachtende koude glimlach op z'n lippen, een lach die mijn hart doorstak. Het leek wel alsof hij eigenlijk tegen me wilde zeggen: "Jij arme stakker vol waanideeën! Je bent niet intelligent genoeg om in te zien dat Homerus maar een sterveling was, dat hij slechts een kunstwerk maakte, een toneelspel waarin hij goden en helden deed optreden om die te bezingen; niet intelligent genoeg om in te zien dat deze goden slechts in zijn fantasie bestonden, en dat ze in werkelijkheid net zo dood zijn als hun uitvinder, Homerus de dichter zelf."

We stonden inmiddels voor de ingang van een imposant gebouw waarvan mijn gids zei dat het 'het huis van God' was. Naar binnen lopend zag ik ontelbare kleine lichtjes, wapperend en flikkerend in de enorme ruimte. Ik zag er afbeeldingen, altaren, en beelden aan alle kanten. De lucht was bezadigd met wierrook. Sommige mannen in schitterende gewaden liepen me voorbij. Ze knielden voor bepaalde lichtjes en beelden. Het gehele publiek zat geknield neer, er heerste een plechtige stilte, zo plechtig dat ik erdoor overweldigd werd. Mijn gids begreep hoe moeilijk het voor mij was de betekenis van dit alles te begrijpen. Hij nam me mee naar een afgelegen hoek en legde op gedempte toon uit dat men de geboorte van hun Verlosser, Jezus, de Zoon van God, vierde.

"Net als Apollo, de Zoon van God", zei ik, opgelucht iets van herkenning op te merken.

"Vergeet die Apollo", zei hij met strengheid. "Er bestaat niet zo'n figuur. Het was slechts een afgod. Als je naar Apollo op zoek zou gaan zou je in het gehele universum niet één kunnen vinden die in hem gelooft of weet van hem heeft." "Jezus", zo vervolgde hij, "is de eniggeboren Zoon van God. Hij kwam naar onze aarde en werd uit een maagd geboren." Alweer klaarde mijn gezicht op, en wilde ik mijn gids vertellen dat het precies zo zit met Apollo, maar ik deed het maar niet.

"Jezus groeide op tot man", vervolgde de gids, "en deed nooit eerder geziene wonderen, zoals het gebieden van storm, de blinden ziende maken, de doven hun gehoor geven, water in wijn doen veranderen, de massa's met een paar broden wonderbaarlijk voeden, komende gebeurtenissen voorzeggen, en het opwekken van doden." "Natuurlijk", gaf mijn gids toe, "jullie goden deden ook wonderen. En jullie orakels voorzegden de toekomst...Maar er is één verschil: de dingen die over jullie goden gezegd worden zijn slechts verzinsels. De dingen die over Jezus verteld worden zijn waar gebeurd. Het verschil tussen heidendom en christelijke godsdienst is het verschil tussen fabel en feit."

Plotseling hoorde ik een golf van gemompel, als het ritselen van bladeren in het bos, zich uitstrekkend over het gehele publiek. Voortgedreven door mijn Griekse nieuwsgierigheid om te weten baande ik mij een weg naar voren, waar de grote aangestoken kandelaars stonden. Ik dacht dat dit vast de aankondiging van de verschijning van de God Jezus zou zijn, en ik wilde Hem zien. Ik wilde Hem aanraken, of als de mensenmassa te groot zou zijn, tenminste Zijn stem horen. Ik, die nog nooit in levende lijve een god had gezien of gehoord of aangeraakt, ik die in Apollo geloofd had zonder ook maar iets bewijsbaars over hem in handen te hebben, wilde de Echte God zien, Jezus.

Maar mijn gids pakte me beet bij m'n schouder, en trok me terug.

"Ik wil Jezus zien", fluisterde ik hem in haast toe. Ik zei het oprecht en met gepaste eerbied. "Komt Hij niet hier deze morgen? Spreekt Hij niet met z'n aanbidders? Laat Hij zich niet aanraken, zijn handen vastklampen of zijn voeten kussen? Laat Hij zijn aanbidders niet zijn goddelijke adem inhaleren of het goddelijke licht in zijn ogen zien of de muziek horen die uit zijn mond komt? Laat mij Hem toch ook zien!", smeekte ik mijn gids.

"Het is onmogelijk Hem te zien", antwoordde mijn gids een weinig in verlegenheid gebracht. "Hij laat Zichzelf niet meer zien tegenwoordig."

Ik stond zo versteld van deze opmerking dat ik met stomheid geslagen was.

"De afgelopen 2000 jaar", vervolgde mijn gids, "heeft het Hem niet behaagd iets van zich te laten horen of Zich aan iemand te laten zien."

"Is dit echt waar? Heeft Hij in 2000 jaar niets van zich laten horen of laten zien?, vroeg ik in opperste verwondering.

"Niets."

"Is Jezus dan niet net zoveel een afgod als Apollo?", vroeg ik geërgerd en ongeduldig. "En zijn deze mensen op hun knieën niet in evengroot duister wat betreft hun god als de Grieken over Apollo? Zijn deze mensen dan niet even idolaat als de Atheners?" "Wat zeg je", zo vroeg ik m'n gids, "indien ik van jou zou eisen Jezus tevoorschijn te toveren, en Hem te bewijzen voor mijn ogen en oren, op dezelfde manier als jij van mij vroeg Apollo te laten zien? Wat is het verschil tussen een ceremonie ter ere van Jezus en één ter ere van Apollo, aangezien ze allebei verborgen zijn? Indien Jezus leeft en Apollo dood is en een afgod, welk bewijs hiervoor heb je, aangezien ze allebei even onzichtbaar en ontoegankelijk zijn. Maar indien 2000 jaar lang lichten ontsteken, altaars oprichten en tempels bouwen voor Jezus die niemand in al die tijd gezien noch gehoord heeft, geen heidendom en afgoderij is, dan is de verering van Apollo ook geen heidendom en afgoderij.

En mij herinnerend wat mijn gids gezegd had over de Griekse mythologie, dat het mooi was, maar niet waar, zei ik tegen hem: "Jullie tempels zijn indrukwekkend en kostbaar, jullie muziek is groots en jullie altaars schitterend; jullie eredienst prachtig, jullie gezangen mooi, jullie wierrook, klokken en bloemen, jullie goud en zilver en bekers allemaal getuigend van zeldzame smaak, en jullie geloofsoverdenkingen subtiel en jullie predikers welbespraakt. Maar jullie geloof heeft slechts één gebrek: het is niet waar."


En hier volgt een respons van mensen die kritisch staan tegenover sceptici. De schrijver van volgend stukje redeneert niet vanuit een bepaalde christelijke overtuiging, maar zijn redenaties kunnen als typerend worden beschouwd voor mensen van allerlei pluimage die in het bovennatuurlijke geloven:


Wij, skepsiswatchers hebben ontdekt dat het verhaal van Sagan gebaseerd is op een bestaande situatie. De man met de draak, zo wisten wij na te gaan, is Mr. Jones en wij hebben hem op onze manier aan de tand gevoeld. Het toeval wilde dat tegelijkertijd skeptische lieden ook onderzoek naar de draak verrichten. Wij gingen de garage binnen en we hadden al het gevoel dat er een vreemde atmosfeer hing. Iets in ons vond het niet helemaal bij de situatie passen dat de skeptici af en aan liepen met de meest uiteenlopende instrumenten. Maar wij zijn nieuwsgierig genoeg om deze onderzoekers af en toe te vragen of ze al iets merkwaardigs aan 't meten waren. Steevast was het antwoord nee.
Onze interesse ging in eerste instantie uit naar Mr. Jones. Merkwaardigerwijs hadden de skeptici, die inmiddels al een halve laboratorium in de garage van Mr. Jones hebben ingericht, geen enkele belangstelling voor de man. Ze vonden hem alleen maar in de weg lopen en een storende factor bij hun metingen.
Wij vroegen Jones hoe hij zelf wist dat er een draak zich bevond in zijn garage. Hij zei dat hij dat voelde aan de vibraties die in de lucht hingen. Wij begonnen te vermoeden dat wat wij in eerste instantie beleefden, de vreemde, ietwat mystieke atmosfeer, meer om het lijf had dan een vluchtig sentiment. Het gevoel leek wel sterker te worden.
Onze volgende vraag was hoe hij aan de draak was gekomen. Hij antwoordde dat hij bezoek had gekregen van een drakengoeroe die hem een onzichtbaar draken-ei had gegeven, dat uiteindelijk, na regelmatig een drakenmeditatie gedaan te hebben, is uitgekomen. Verder wilden we weten hoe het is om een draak in je garage te hebben. "Heel aangenaam, het is goed voor je trillingsgetal", kregen we te horen, en hoewel we niet precies wisten wat hij bedoelde, was er toch iets in ons dat geraakt werd door deze woorden.
Ondertussen hadden de skeptici gefrustreerd hun apparatuur vervangen door nieuwe, nog indrukwekkender ogende machines. "Weer niks!", hoorden wij ze nog mopperen. Jones verklaarde verder nog dat als je het drakenlied zong, dat het dan kan gebeuren dat je drakenvisioenen krijgt, of 's nachts drakendromen droomt.
De skeptici begonnen zich steeds meer te irriteren aan de onwetenschappelijke atmosfeer die er hing in de garage, en dat wekte hun spotlust op. Zoveel onzin hadden ze nog nooit gehoord! Wij, echter, waren nieuwsgierig geworden en besloten de proef op de som te nemen. Wij concentreerden ons op wat Jones het derde oog noemde: ergens tussen je wenkbrauwen, maar dan een paar cm in je hoofd, en wij zongen het drakenlied. En inderdaad, de atmosfeer werd nog mystieker en indrukwekkender. We meenden zelfs enige lichtflitsen met ons derde oog te ontwaren, maar voorzichtig als wij zijn, gaven wij daar geen ruchtbaarheid aan. "Hé, zien jullie wat?", spotten de skeptici vanuit de andere kant van de garage. Het zou ongepast zijn op dit cynisme te reageren, wil je tenminste in de geest van de draak handelen, althans, zo ervoeren wij dat.
Verder werden we niet veel wijzer van Jones, want eerlijk gezegd was hij een beetje een simpele ziel. Maar iets in hem en in zijn garage bleef ons trekken. Ook de volgende dag vroegen we of wij in zijn garage het drakenlied ten gehore mochten brengen, en wederom kwamen we in een prettige, mystieke atmosfeer. De skeptici, die nog steeds driftig aan 't meten waren, vroegen zich af waar wij toch in hemelsnaam mee bezig waren. "Je moet het drakenlied zingen!", zeiden wij nog. "Flauwekul!", werd er teruggeroepen. Maar aangezien ze even moesten wachten voordat hun computer de laatste meetgegevens had verwerkt, besloten ze ook een lied ten gehore te brengen. Een skeptisch lied! Het rijmde niet eens, maar was wel wetenschappelijk verantwoord, zo verzekerde men ons. En ze produceerden meer decibellen, dus dat zou de draak wel doen ontwaken, redeneerden zij.
Om een lang verhaal kort te maken: wij bleven verlangen naar de draken-atmosfeer en hebben Jones gevraagd of wij ook een draak in onze garage mochten hebben. Gelukkig had zijn draak eieren gelegd en wij kregen er elk één. De drakengoeroe had dat hoogstpersoonlijk goedgekeurd. Jones schreef ons verder dat de skeptici inmiddels vertrokken waren. Ze hielden het niet meer uit in zijn garage, en verlangden naar tastbaardere zaken als hun laboratorium en hun studeerkamer. Daar schreven zij kritische verhandelingen waarin ze met hem en met zijn garage de draak staken.
Wij deden trouw de drakenmeditaties, zingen regelmatig het drakenlied en nu hangt er ook een aangename, mystieke sfeer in onze garage. Op hoogtepunten krijgen wij een drakendroom en ervaren wij drakenvisioenen.
Soms cirkelen er skeptisch uitziende lieden om onze garage, die ons moeilijke vragen stellen. Eerlijk gezegd weten we ook niet goed wat we moeten antwoorden. Bijvoorbeeld: hoe weten wij dat het een onzichtbare draak is, en geen leeuw, spook of een alien? Eerlijk gezegd weten wij dat niet uit eigen ervaring. Hierbij moeten we afgaan op wat drakenvisionairs ervan zeggen. Wij weten alleen: -dat wat wordt aangeduid als 'draak' gaat gepaard met een aangenaam, mystiek gevoel en de ervaring van contact met iets wezenlijks.
-het is belangrijk de voorschriften in acht te nemen: drakenmeditatie doen en het drakenlied zingen. Als wij door drukke werkzaamheden dit nalaten, verliezen wij allengs het contact met wat we voor 't gemak maar even de draak noemen. Het komt er in ieder geval op neer dat je open moet blijven staan voor de draak.
-spreken wij andere mensen met een draak, onze drakenbroeders, dan hebben die soortgelijke ervaringen als wij. Wij leren veel van deze uitwisselingen.
De vraag is natuurlijk: houden we onszelf en anderen niet voor de gek? Wij denken dat dat nogal meevalt, omdat vrijwel iedere drakenbroeder en zuster met dezelfde vraag worstelt. Onderling stellen wij deze vraag dan ook regelmatig en eerlijk gezegd kunnen wij niet helemaal uitsluiten dat onze drakenervaringen enigszins zijn ingekleurd door onze ideeën en filosofieën. Zolang wij ons van dit gevaar bewust zijn, kunnen we niet al te zeer de fout ingaan. Gelukkig hoef je geen van boven af opgelegde, dogmatische filosofie aan te hangen om een draak in je garage te mogen hebben. Overigens, wij hebben ook garages bezocht waarvan beweerd werd dat daar griffioenen, eenhoorns of heilige maagden zouden huizen, maar ondanks dat ook daar grote aantallen volgelingen voor waren, hadden die toch minder indruk op ons gemaakt dan Mr. Jones met zijn draak. En dan heb je nog de skeptici die bij hoog en bij laag beweren dat in al deze garages hooguit auto's te vinden zijn. Wij haasten ons tevens te verwijzen naar de skeptici in de garage van mr. Jones, die ook zo hun vooropgezette ideeën hebben. Zij hebben in de eerste plaats al geen affiniteit met deze materie en bovendien doen zij zogenaamd alles om de realiteit van de draak te trachten aan te tonen, maar weigeren de instructies van Jones op te volgen.
Voordat wij van fanatieke volgelingen van David Icke te horen krijgen dat wij heulen met de reptilians, moeten wij stellen dat het hier slechts om een metafoor handelt. De draak staat hier symbool voor de spirituele factor, die we bij zovele paranormale zaken aantreffen. Daar geen oog voor hebben is hetzelfde als een deel van de informatie niet willen onderzoeken. Dat neemt niet weg dat het eveneens zinnig is met wetenschappelijke methodes, zoals testen en meten, de kwestie te benaderen. Als we nog even mogen meegaan met de beeldspraak: er zijn ook drakenbroeders die de skeptici voor leugenaars uitmaken omdat zij, deze broeders, ervan overtuigd zijn dat er wel van alles en nog wat te meten moet zijn. Als dat er niet uit blijkt te komen, zou dat de schuld zijn van de skepticus! Zij beseffen niet dat de essentie van de draak in een andere dimensie ligt en dat dit slechts met anderssoortige zintuigen benaderd kan worden.
Nu hebben we de zaak heel zwart-wit gesteld: iets wat geheel in een andere dimensie ligt wat wel op anderssoortige wijze is waar te nemen. Met bijna al het esoterische en paranormale is het zo dat weliswaar, -vergeef ons het mystieke taalgebruik- de essentie in een andere dimensie ligt, maar het verschijnsel vaak ook nog een fysieke component heeft waar wel metingen aan verricht kan worden. Wie daar geen oog voor heeft (zoals de fundamentalistische gelovige drakenbroeders), sluit zich af voor een belangrijk pad naar waarheid: de wetenschap. Wij hopen echter duidelijk gemaakt te hebben dat hoewel de fysisch wetenschappelijke benadering faalt bij de bestudering van spirituele zaken, deze materie zich toch op een nuchtere, objectieve manier laat benaderen. Overigens: wij dienen onze vrienden van Skepsis niet te onderschatten, want er vliegt wat rond in de wereld.


Laten we deze reactie op het gezonde denken van Sagan eens grondig onderzoeken, want het zegt alles over 'de gelovige mens'.


In zijn boek The demon-haunted world, laat Sagan ons op talloze manieren koel zien wat gezond en ongezond menszijn is. Om er maar één voorbeeldje uit te pikken:


"In 1858 werd bericht dat de Heilige Maagd Maria in Lourdes verschenen was als bevestiging van het dogma van haar onbevlekte verwekking, dat paus Pius IX vier jaar tevoren had uitgeroepen. Sindsdien zijn er zo'n honderd miljoen mensen naar Lourdes gekomen in de hoop genezen te worden van hun ziektes die de geneeskunst van hun tijd niet kon verslaan. De Rooms Katholieke kerk verwierp de authenticiteit van ontelbare gerapporteerde genezingen. Over een tijdsbestek van bijna anderhalve eeuw werden 65 wondergenezingen geaccepteerd. (Van de 65 waren 90% genezingen van vrouwen.) De kans op genezing in Lourdes is dus ongeveer één op de miljoen, hetgeen ongeveer gelijk staat aan de kans een loterij te winnen of te verongelukken gedurende een vliegtuigvlucht, inclusief die naar Lourdes.
Het spontaan genezen van kanker wordt -alle kankersoorten bij elkaar opgeteld- geschat op iets van tussen één op de duizend en één op de honderdduizend. Als slechts 5% van alle mensen die naar Lourdes gaan aan kanker zouden lijden, zouden we tussen de 50 en 500 "wonderbaarlijke" genezingen van alleen kanker al verwachten. Aangezien van de 65 erkende genezingen slechts drie van kanker waren, schijnt het percentage van spontane genezingen in Lourdes dus wat minder te zijn dan wanneer de slachtoffers gewoon thuis gebleven waren."


En denk je nu eens in: dit absurde bijgeloof houdt 6 miljoen mensen per jaar (recente cijfers) in de ban.

Wanneer we de christelijke godsdienst onder de loep nemen zien we dat het staat of valt met bijgeloof, dwz het op bovennatuurlijke wijze ingrijpen van God op aarde, in de praktijk juist heel persoonlijk voor de gelovige zelf. Keer op keer wanneer je verhalen van christenen leest kun je opmerken dat dit de basis van hun geloof is. Hier een voorbeeld dat ook meteen laat zien waarom dit bijgeloof in wonderen de basis moet zijn. Indien het wegvalt blijft er weinig of niets over om stevig op te staan met al je stellige overtuigingen over God die de bijbel je maar aanpraat:


"Ik geloof Paulus wanneer hij zegt dat de Schrift is geïnspireerd door God en dat ze nuttig is voor afkeuring, berisping, correctie en instructie in rechtschapenheid. Wat ik niet geloof, is de interpretatie van deze uitspraak die 'fundamentalisten' er gewoonlijk aan geven. Eén argument is dat het Woord van God duidelijk niet foutloos tot de schrijvers van de Schrift kwam, hoezeer de fundamentalisten het ook willen doen voorkomen alsof het wel zo is. Hoe verklaar je dan dat volgens Marcus, Yeshua de Farizeeën vertelde dat David het offerbrood at en aan anderen gaf in de tijd van priester Abhiatar, terwijl Samuel zegt dat David het offerbrood alleen van Ahimelech, de vader van Abiathar, nam (1 Samuel 21)? Hoe verklaar je dat Lucas vertelt dat Yeshua een blinde man geneest op weg naar Jericho (Lucas 18:35 e.v.), terwijl Marcus, in een verhaal dat bijna woordelijk hetzelfde is, vertelt dat Hij Bartimaeus geneest onderweg vanuit Jericho (Marcus 10:46 e.v.)? Mozes zegt dat hazen herkauwen (wat niet het geval is, maar destijds dacht men van wel), veel getallen in Koningen en Kronieken kloppen niet met elkaar, Judas sterft op twee verschillende manieren nadat hij twee verschillende dingen heeft gedaan met het geld dat hij ontving, en er is geen enkele manier om de verhalen over de bekering van Paulus uit Handelingen (verteld door Lucas) en uit de Galatenbrief (verteld door Paulus zelf) met elkaar te verenigen. Bij Johannes vindt zelfs het Laatste Avondmaal plaats op een andere dag dan in de andere drie Evangeliën (Johannes 19:24). Wat mij betreft vormen geen van deze tegenstellingen een probleem, als we tenminste toestaan dat de schrijvers van de Schrift dezelfde fouten maken die wij elke dag maken, zèlfs wanneer God via ons spreekt. Er bestaat pas een probleem, èn een belediging, wanneer wij eisen stellen aan de apostelen en de profeten die geen enkele profeet vandaag de dag aan zichzelf zou durven stellen! Het is nog tot daaraan toe dat al je voorspellingen nauwkeurig moeten zijn. Maar moet je een fotografisch geheugen hebben om te bewijzen dat je geïnspireerd bent door God? Mattheus en Johannes waren wellicht ooggetuigen, maar Johannes heeft zijn Evangelie waarschijnlijk pas 60 jaar na de gebeurtenissen geschreven, en Marcus en Lucas waren niet eens ter plekke. Hun verhalen waren tweedehands, via Petrus (Marcus) en via onderzoek en interviews (Lucas), eveneens tientallen jaren na de gebeurtenissen.

Maar laten we met een vrolijke noot eindigen. Ik geloof dat de Schrift geïnspireerd is en dat de mens erdoor toegerust is voor het uitvoeren van alle goede werken. Mijn eigen favoriete ongelooflijke boodschap uit de Schrift kwam na de oprichting van onze gemeenschap in Bethel Springs. We waren begonnen na een fantastische bijeenkomst in Standing Stone (Staande Steen) National Park, ongeveer vijf uur vanaf Bethel Springs. Daar nam God alle tegenstellingen weg en Hij bond ons samen als één volk. Het resultaat was de Kerk in Bethel Springs, nu genaamd Rose Creek Village.

Een paar maanden later vond Noah (David Taylor) de tekst in Genesis die de reis van Jacob naar zijn familieleden, op zoek naar een vrouw, beschreef. Onderweg rustte hij, vond een steen om zijn hoofd op te leggen, en droomde over een ladder die zich uitstrekte van de aarde naar de hemel, een ladder waar boodschappers van neerdaalden en langs opklommen. Toen hij 's ochtend wakker werd, in de overtuiging dat God bij hem was, zette hij de steen rechtop, goot er olie overheen en noemde hem Bethel. Als je een gezworen atheïst bent, zegt dit je allemaal niks. Het zal je nergens van overtuigen. Maar als je mij bent, is het onmiskenbaar een ontzagwekkende demonstratie van de kracht van de Schrift en de voorzienigheid van God. Wat God door Jacob deed ging over ons! In Standing Stone, goot Hij de olie van Zijn Heilige Geest uit en noemde ons Bethel! Wij vonden dit opwindend en toen enkele zusters een lied maakten over die passage uit de Bijbel en de gebeurtenissen in Standing Stone National Park, kwam er een windvlaag iedere keer als zij het refrein zongen. Op een avond zat ik buiten in het donker met hen en we zongen dat liedje terwijl we op de trampoline zaten. En weer kwam er een windvlaag iedere keer als ze aan het refrein begonnen. Het was behoorlijk ongelooflijk.

Vanwege dit soort dingen is het voor mij niet nodig dat Mozes, Mattheus, Johannes of Lucas een perfect geheugen hadden, of geïnspireerde kennis van de wetenschap. Er is namelijk een goede reden om te geloven, en ik hoef de Schrift niet te veranderen in een onaantastbaar fantasieboek geschreven door onmogelijke mensen om te kunnen geloven. [Petra de Jong op een internet forum]


"Het was behoorlijk ongelooflijk" is het fundament waar de christen op staat. Tot zulke opvattingen spoort de bijbel ons natuurlijk voortdurend aan. Zo komt de bijbel met een behoorlijk ongelooflijk verhaal in het boek Daniël over vrome joodse mannen die niet gehoorzamen aan het gebod van de vreemde koning op te houden met hun joodse godsdienst. Als straf worden de drie mannen in een heet opgestookt vuur geworpen. En zoals dat gebeurt in verhaaltjes voor kinderen: de drie mannen lopen ongedeerd rond in het vuur, tot verbazing van allen die de juiste God niet aanbidden. Als detail wordt erbij vermeld dat er onverwachts vier mannen in het vuur rondlopen, ongetwijfeld om te laten zien dat de drie mannen zelf niet goddelijk zijn door dit staaltje onmogelijkheid, maar hulp uit de hemel krijgen om het vuur te kunnen doorstaan en er ongedeerd weer uit te kunnen komen. De moraal voor de gelovige: Wees getrouw aan de hoogste mensheid en laat je niet bangmaken. God grijpt in om te laten zien dat geloof tot alles in staat is, veruit alles te boven gaat en het denken en handelen van de machtigste koningen op aarde voor schut kan zetten.
Dit verhaal nu is typisch voor de gehele bijbel: de bijbel nodigt ons op vele bladzijden uit om onze wetenschappers met hun meetapparaten en methoden de zaken te laten onderzoeken. Het gaat in de bijbel altijd om echte mannen, een echte engel, een echt laaiend vuur, een massa mensen die er getuigen van zijn, een echte opstanding uit de dood, een echte stok die verandert in een slang, een echt lopen op water, een persoonlijke God die voortdurend ingrijpt en spreekt. Zolang er geen wetenschap bestond kon het geloof dit gemakkelijk doen. Je hoeft maar een boek over de middeleeuwen op te slaan om te zien hoe gemakkelijk het was in welke absurditeit dan ook te geloven. Maar vanaf de tijd dat wetenschap en moderne technieken zich ontwikkelden zijn bijbelse opvattingen voortdurend aan de kaak gesteld en voor schut gezet. Maar op de één of andere manier lukt het sommige moderne mensen toch nog steeds in godswonderen om zich heen te geloven; de reden hiervoor is de behoefte aan opwinding en steun. Het gemakkelijkst is dit geloof dan ook voor jonge mensen (pakweg 15-25 jarigen) en weinig geschoolde mensen.


We zullen ons nu moeten afvragen hoe we tot een geloofwaardig geloof kunnen komen? Hoe destilleren we geloof van naief bijgeloof? Het antwoord ligt nogal voor de hand: door uit "de moraal voor de gelovige" die ik hierboven opsomde slechts de eerste zin te behouden, en de rest, het naieve, weg te gooien. Om te beginnen moet men tot dit inzicht komen:


Je kunt God en je eigen religie alleen bewijzen door je zelfopgebouwde fantasieën de bewijzen te laten leveren. Religie is een spel, veelal ons fantaseren over de grenzen heen van ons denkvermogen. Religie is dus des te geloofwaardiger des te minder we uitspraken doen die onze fantasie heeft gefabriceerd, of wanneer we ons bij het doen van religieuze uitspraken ervan bewust zijn dat ze uit onze fantasie opborrelen. Zo is ook je persoonlijk geloof des te geloofwaardiger des te minder je geloven hoeft in bovennatuurlijk goddelijk ingrijpen wanneer je in nood zit, of des te minder je geloof de basis heeft van opwindende zaken, de "ontzagwekkende demonstratie van de kracht van de Schrift en de voorzienigheid van God" om je geloof maar te bewijzen. Geloof is slechts geloofwaardig -dus volwassen- wanneer het dát uitspreekt waar wij voor willen staan, dát zegt, wat we willen wezen. Anders gezegd: een geloof is pas geloofwaardig wanneer het overeind blijft zelfs indien de God die we erbij gefantaseerd hebben helemaal niet blijkt te bestaan. En dit kan alleen wanneer we ons bewust zijn van het grote aandeel dat fantasie heeft in ons leven. Een persoonlijkheid als Okke Jager wordt door iemand beschreven op deze manier:


"Wij weten het soms beter dan God zelf en moeten Hem -de grote Andersdenkende- soms zelfs proberen te bewegen om op ons denkspoor over te gaan. 'Hoor eens, God, U hebt de moed verloren, lijkt het wel, maar wíj denken er anders over.' Geloven is met God mee denken, maar als het moet ook voor Hem uit en tegen Hem in."


Dát is volwassen geloof. Dat mag pretentieus lijken, maar het is bij nader beschouwing in werkelijkheid precies het tegenovergestelde. Het is de uitspraak van iemand die zo eerlijk en zo menselijk opbouwend als maar mogelijk is in het leven wil staan. Het is de uitspraak van iemand die geen pretenties meer heeft, de uitspraak van iemand die aan geloof de waardevolste inhoud wil schenken die het maar hebben kan. Niet meer de betekenis van mystieke, geopenbaarde, dogmatische zekerheid, waar naief blind in geloofd moet worden, maar de betekenis van slechts volkomen zichzelf te willen zijn en een voortdurend zoeken naar de ideale verschijningsvorm van zichzelf.


"Geloven is met God meedenken, als het moet ook voor Hem uit en tegen Hem in".
Wat een briljante uitspraak!









De wortel van het spel

Het religieuze spel raakt het fundament van ons bestaan –ons gehele bestaan berust op denkvermogen- en is daarom zo moeilijk te doorbreken of aan de kaak te stellen. We voelen ons in ons innerlijk verplicht de godsdienst niet als een spel, maar als werkelijkheid en de meest serieuze bezigheid aan te duiden. We voelen ons als mensen bovendien verplicht (of genieten ervan) ons denkvermogen tot aan het uiterste te rekken om de raadsels op te lossen. Zo zijn de godsdiensten vol van mythen, pogingen om met een eenvoudig beeld bij benadering het wezen der wereld te karakteriseren (zoals het ontstaan van de wereld als een kunstwerk door de hand van een schepper, de wereld te zien als een strijdtoneel tussen twee tegengestelde machten, of een oerschuld te vinden als reden voor het lijden). En van die mythen maken wij vervolgens dogma’s. Dogma’s zijn ten diepste onmogelijk klinkende dingen (verhalen, redeneringen) waarin je móet geloven. En dat lukt ons niet omdat ze logisch en onvermijdelijk zijn, maar omdat we er in wíllen geloven. Dogma’s voldoen aan de behoefte tot een gemakkelijk te begrijpen synthese van de wereld en het leven te komen, de raadsels zo eenvoudig mogelijk op te lossen. Zo hebben wij in de godsdienst te maken met teugelloze fantasie en soms met een onvergeeflijke vereenvoudiging van de werkelijheid, met als onderwerp de meest diepzinnige en moeilijkste aspekten van het leven. Het resultaat is veelal platvloersheid, zoals een goddelijke windvlaag van instemming wanneer je het refrein van een mooi geestelijk zingt. Als illustratie zou ik ook kunnen noemen het christelijke dogma dat hemel en hel afhankelijk is van de vraag of iemand de juiste theologie bezit (oftewel of iemand gelooft in een verhaal/overlevering).


De wortel van dit spel zijn de psychische problemen die voortvloeien uit de angst voor het bestaan en de vervreemding van onszelf. Satan, de Boze, is geen objektief religieus gegeven. De duivel, engelen en demonen zijn slechts beelden in de menselijke ziel, het resultaat van ons niet kunnen begrijpen van de totaliteit van al het bestaande. De strijd tussen God en de Satan is de kinderlijke voorstelling, de concretisering van onze innerlijke drama’s; drama’s die bij sommigen (Johannes op Patmos, de ufo contact-persoon?) zelfs psychoses genoemd kunnen worden. (psychose = staat van bewustzijn waarbij het contact met de werkelijkheid verstoord is geraakt). Zo is ook verlossing geen objectief gegeven. Ten hoogste ‘voelen’ wij verlossing als een moment waarop onze angst doorbroken wordt, of later een sleurgevoel van ‘het zit wel goed met mij’, of zelfs: ‘ik onderschrijf de formule tot het verkrijgen van verlossing’.


De oorsprong van de religieuze ervaring hebben vele psychologen gezocht in het diepste innerlijk van de mens, in de nabijheid van zijn dromen (bijv. Jung). Uit het onderbewustzijn stijgen beelden en voorstellingen op, die tot ons verschijnen alsof ze autonoom zijn en die de theologen ‘godsopenbaringen’ hebben genoemd. In werkelijkheid zijn er helemaal geen objektieve openbaringen van God, maar alleen maar ‘openbaringen’ van de eigen innerlijke ervaring.


De werking van ons innerlijk kunnen we ook leren kennen door te bestuderen hoe ons geweten werkt. Traditioneel is ‘geweten’ in het christendom altijd in verband gebracht met ‘de innerlijke stem van God’. Maar in werkelijkheid wordt ons geweten slechts gevormd door de eisen en verlangens van de omgeving om ons heen. Deze eisen en verlangens roepen bij ons angsten op. Heel sterk komt dit naar voren in het volgende verhaal uit de biografie van Edmund Gosse (Father and Son, 1907):


Wat de feesten van de kerk betreft hield mijn vader er zulke zonderlinge opinies op na dat men ze grotesk zou kunnen noemen. Hij beschouwde ze als volkomen waardeloos, maar de viering van het kerstfeest haatte hij wel het meest. Dit zag hij als niets minder dan afgoderij! ‘Zelfs het woord kerstmis is paaps’, riep hij uit. ‘De mis van Christus!’ sprak hij dan uit met een gezicht alsof hij per ongeluk uitwerpselen in z’n mond proefde. Daarna was hij gewoon uit te wijden over hoe het feest een aanpassing was van gruwelijke heidense rites. Hij ging door met het verduidelijken van de afschuwelijkheid van het kerstfeest totdat ik me ervoor schaamde zelfs maar een hulstbesje aan te kijken. Op kerstdag 1857 kwam het tot een vreemd voorval. Mijn vader had streng verordineerd dat geen van de maaltijden ook maar enigszins mocht afwijken van de alledaagse maaltijden: niet uitgebreider en ook niet ingetogener. Men gehoorzaamde natuurlijk, maar het dienstpersoneel –stiekem opstandig- bereidde toch een kleine plumpudding voor zichzelf...
Vroeg in de middag zeiden de dienstmeisjes (we konden er ons nu al twee veroorloven) met vriendelijke stem dat ‘die arme jongen toch ook een beetje verdient te proeven’, en ze lieten me even de keuken in glippen, waar ik me aan een stukje plumpudding tegoed deed. Even later voelde ik me beroerd in m’n maag en werd ik geteisterd door geweldige gewetensnood. Op het laatst kon ik de benauwdheid niet meer aan en vliedde ik naar de studeerkamer, waar ik uitriep: ‘O, papa, papa, ik heb het vlees dat aan de afgoden is geofferd gegeten!’ Het duurde een tijdje om tussen het huilen door uit te leggen wat er gebeurd was. Daarna zei mijn vader op gestrenge toon: ‘Waar is dat vervloekte ding?’ Ik legde uit dat het weinige wat er nog van over was zich op de keukentafel bevond. Hij nam me bij de hand en begaf zich in grote vaart onder het verbrouwereerde dienstpersoneel, nam het bord met het restant van de pudding in de ene hand, terwijl hij met de andere nog steeds strak mijn hand vasthield, en rende naar de afvalhoop, waar hij het eten dat door afgoderij bezoedeld was met kracht op de ashoop wierp en het met een hark diep onder de as begroef. De resoluutheid, het geweld en de snelheid waarmee deze buitengewone handelingen werden uitgevoerd maakten op mij zo’n indruk dat het nooit uitgewist zal worden uit mijn herinnering.


De godsdienst heeft er naast het gebruik maken van zulk een indringende opvoeding en onuitwisbare jeugdervaringen met speciale godsdienstige handelingen eeuwenlang op geoefend om de diepe onderbewuste belevingswereld effectief naar boven te halen. Zij gebruikt hiervoor speciaal ontworpen rituelen, prachtige muziek, indrukwekkende plechtigheid, ons overweldigende beelden van schoonheid en rijkdom, bepaalde reuk, herhalingen die ons in trance brengen, geheimzinnigheid die ons vastnagelt, en vooral ook door indien nodig onderhuids een beroep te doen op diepgewortelde angst voor ongehoorzaamheid en afvalligheid. En zij vermaant ons bovendien nog waakzaam te zijn en bovennatuurlijke wonderen op te merken.

Profeten, dichters en musici in de bijbel zijn dan ook één en dezelfde soort mens, mensen met een ‘levende verbeelding’, ‘kunstenaars’. Zie voor een illustratie 2 Kon. 3: 14, 15:


Toen zei Elisa: `Zowaar de HEER van de machten leeft, in wiens dienst ik sta, als het niet was omwille van koning Josafat van Juda, dan keek ik u niet eens aan. Maar laat nu iemand komen die citer kan spelen.'
Zodra de citerspeler begon te spelen, kwam de hand van Jahweh op Elisa. Hij zei: `Zo spreekt Jahweh:...


Het eigen onbewuste is de bron van elke godsopenbaring (of duivel/demonen/ufo ervaring). Hoe groter onze verbeeldingskracht, hoe ‘gevoeliger’ we zijn, des te meer ‘inspiratie’ we krijgen en profeet/kunstenaar/mystiek worden.


Mensen die op deze manier ‘gevoelig’ zijn, dus ontvankelijk voor het onderbewuste, spelen met vuur, reden waarom we veel van dat soort mensen zien ‘doorslaan’, eronder zien bezwijken of ‘aan de rand van de afgrond’ zien leven.


De beroemde psycholoog Jung schreef het volgende over zijn eigen ervaringen met het zich concentreren op zijn diepste bewustzijn:


“Het was een stroom van onweerhoudbare beelden, die zijn baan brak en ik deed mijn uiterste best niet te verdwalen en een weg te vinden. Ik stond hulpeloos in een vreemdsoortige wereld en alles kwam mij moeilijk en onbegrijpelijk voor. Ik leefde voortdurend in een intense spanning en dikwijls leek het of er reusachtige blokken op mij neerstortten. De ene donderslag volgde op de andere, dat ik het uithield is een kwestie van brute kracht. Andere mensen zijn er aan bezweken; Nietzsche, Helderlin, vele anderen. Maar er huisde in mij een demonische kracht en van het begin af stond het vast dat ik de zin moest vinden van hetgeen ik in mijn fantasieën beleefde. Het gevoel dat ik aan een hogere wil gehoorzaamde bij het standhouden onder de lawine van het onderbewuste, was wel niet te bewijzen, maar bleef mijn leidraad in het tot stand brengen van mijn taak.”


Jung noemde deze ‘demonen’ in de mens ook wel ‘het afdalen in je eigen ziel, totdat je de schaduwzijden van jezelf ontmoet’. Voor veel psychologen is ‘heel’ worden, ‘gezond worden’ een soort ontdekken en accepteren van je eigen schaduwzijden. Of wellicht is het slechts diep jezelf leren kennen en er vertrouwd mee raken.


In het christendom is ‘volkomen overgave’ aan God in de ideale vorm veel meer dan een leven van ‘hoge moraal’ leven. Want dit laatste wordt in de devotieliteratuur altijd denigrerend afgeschilderd als ‘wetticistisch’. Wanneer we dit soort literatuur lezen zullen we gemakkelijk tot de conclusie kunnen komen dat deze overgave, ‘liefhebben van God’ een soort innerlijke overvloed is, een soort bedwelming, welke alleen met de toestand van het verliefd zijn vergeleken kan worden. Moderne jonge christenen spreken in de regel over ‘een persoonlijke relatie met Christus’, hetgeen het beeld van de verliefdheid nog duidelijker maakt. Voor de verliefde mens bestaat er geen realiteit meer. Voor de verliefde mens is er slechts één gedachte, waaraan letterlijk al het andere ondergeschikt gemaakt wordt. Hij is in zijn leven in zoverre ‘doorgeslagen’ dat hij leeft in en ten behoeve van luchtkastelen. Dit kan men zelfs zo bedreven doen dat vele geestelijken de wereldlijke, tastbare sexuele overgave als zonde, als concurent of als minderwaardig zien.


Ervaringen als ‘verliefd zijn’, ‘extase’, ‘volledige overgave aan idealen’ hebben natuurlijk een belangrijke plaats in het leven, maar zijn ook zeer eenzijdig en tijdelijk. Ze worden altijd opgevolgd door ‘naar beneden vallen’, de feiten van het leven enz. Op dat punt vangen de dogma’s, wetten, voorschriften en regels ons weer op.


Indien het nog steeds niet duidelijk genoeg is hoe wij onze eigen God en godsdienst scheppen, laat men dan weer eens een bijbeltekst onder ogen nemen:


Psalm 20:

‘Jahweh moge u antwoorden in tijden van benauwdheid,
de naam van Jakobs God moge u onaantastbaar maken;
Hij zende u hulp uit het heiligdom en ondersteune u uit Sion.
Hij gedenke al uw offers, en uw brandoffer achte Hij welgevallig.
Hij geve u naar uw hart, en doe al uw plannen in vervulling gaan.
Wij willen juichen over uw overwinning en in de naam van onze God de vaandels opsteken.
Jahweh vervulle al uw begeerten.

Nu weet ik dat Jahweh zijn gezalfde de overwinning geeft.
Hij antwoordt hem uit zijn heilige hemel met de machtige heilsdaden zijner rechterhand.
Sommigen beroemen zich op wagens en anderen op paarden,
Maar wij roemen in de naam van Jahweh, onze God.
Zij zinken neer en vallen, maar wij richten ons op en houden stand.

O Jahweh, schenk de koning de overwinning.
Moge Hij ons antwoorden ten dage dat wij roepen.’


Van begin tot eind geeft deze psalm een beeld van de wereld van de eenvoudige mens, de wereld van een ieder van ons kinderlijke gelovigen. Geloof maakt ons een kruising tussen Superman, Bill Gates en Alexander de Grote. Onze fantasieën, onze behoeften worden gekoppeld aan een vaste overtuiging dat het maar geen fabeltjes zijn, maar door geloof tot werkelijkheid wordt. Als we nu na duizenden jaren op zo’n psalm belanden moeten we onze ogen eindelijk openen: hier worden op grove wijze alle wensdromen die we maar mogen hebben geuit en worden we ervoor uitgenodigd aan deze kinderlijke wensdromen het etiketje ‘God’, ‘Jahweh’ te plakken, waarna ze allemaal heel zeker uit zullen komen. Dít is de kern van de traditionele godsdienst.


In werkelijkheid is deze psalm een vorm van je reinste zelfbedrieging. We kunnen natuurlijk opmerken dat het wellicht positief is dat zo’n geloof juist aan al onze behoeften voldoet: God is voor de volwassene het equivalent van de teddybeer voor kinderen, iemand die voor je klaarstaat wanneer je alleenstaat en ervoor zal zorgen dat al je behoeftes bevredigd zullen worden, omdat het ons spel is. Maar laten we niet onze ogen sluiten voor de negatieve aspekten van zo’n geloof: Dat het zelfs zeer gevaarlijke aspecten kan hebben zien we al meteen wanneer we opmerken dat het etiket ‘God’ bijvoorbeeld ook aan de wensdroom van militaire overwinningen geplakt wordt, en ons het zicht op de realiteit volkomen doet verliezen, of wanneer we ons (zoals gebruikelijk) in de waan bevinden dat de waarheid die aan onze behoeften voldoet (onze godsdienst), de waarheid moet zijn voor ieder ander mens. Op deze manier hebben we van God iets banaals of zelfs gevaarlijks gemaakt.

Maar we herkennen onszelf toch ook gemakkelijk in deze psalm. Zijn wij moderne mensen ook maar iets veranderd? We moeten altijd blijven inzien dat de gedachten in deze psalm zo door en door menselijk zijn. We moeten zo oppassen voor onszelf! Zo is het een koeienwaarheid die velen maar niet kunnen zien, dat we door te geloven in ‘de goddelijke afkomst van de heilige schrift’ er een afgod op na houden.









Hoe het spel te spelen

Hoe wij tegenwoordig om moeten gaan met alle diepe innerlijke gevoelens opborrelend vanuit ons onderbewustzijn kan niet van buitenaf voorgeschreven worden, maar moet door ons mensen via een innerlijk groeiproces tot wijze antwoorden komen. We zijn allemaal mensen met onze eigen unieke ervaringen in het leven. Vanmorgen hoorde ik op de satellietradio een verhaal dat mensen in een ziekenhuis ergens in Amerika elke dag het gordijn voor een bepaald raam wegtrekken om in het condenswater van dat raam te staren en daar na enige concentratie de verschijning van Christus te ontwaren. Er was er eerst maar één die het zag, maar al spoedig stond er een grote schare naar te turen, waaronder ook kritische geesten, zoals de radioverslaggever, die moesten toegeven dat het echt zo is. Indien u in een wereld wil leven waar dit geschiedt, kan ik u verzekeren dat het ook ‘s morgens in het raam van uw eigen slaapkamer gezien kan worden wanneer u ziek bent. Ik denk dat het voor een ieder van ons al heel nuttig is om slechts bovenstaande in te zien.


Wellicht is zo’n geval als een christusverschijning onschuldig of werkt het zelfs positief voor zieke mensen. Wie ben ik om het dan te veroordelen? Placebo medicijnen werken ook; wel, fijn als ziekten ook met nep-medicijnen kunnen genezen. Een christusverschijning is voor mensen hetzelfde als een astrologiebeschrijving van je persoonlijkheid: het doet er niet toe welke beschrijving je leest, je zult er vast wel lezen dat je bijzondere talenten hebt en het leven dus met vertrouwen tegemoet kunt gaan. Ik zou ten hoogste zeggen dat ik in een andere wereld leef en opgegroeid ben. Indien ik het leven met vertrouwen tegemoet ga is het niet omdat iemand of iets anders mij dat voorschrijft, maar omdat ik zelf de keus gemaakt heb het leven te dienen en ervoor gezorgd heb gereedschap in m'n handen te hebben. Voorschrijven zal ik dus anderen ook niets, want iedereen moet zelf tot zijn/haar eigen inzichten komen, en als er iets is dat het verhaal over de vrienden van Daniël ons leert is het wel dat mensen niet door bevelen hun gedachtenwereld kunnen veranderen. Ik dring dan ook slechts aan op het gebruik maken van de bevindingen en resultaten van eeuwenlang kritisch onderzoek en opgebouwde wetenschap. Het is de wetenschap die ons de mensenwereld heeft geschonken waarin we nu leven (en waaraan overigens bijna iedereen zijn leven te danken heeft). Omdat ik ervan gebruik maak kan een visioen, een engelverschijning, wonderen van God of Satan niet gebeuren in mijn wereld, en gebeurt het daarom niet. Wetenschap heeft niets met vijandschap tegen God te maken, maar slechts met observaties van hoe God werkt (of wellicht meer: hoe Hij niet werkt, en wat wij mensen behoren te doen). Maar ik had al tientallen jaren geleden gebruik van de wetenschap kunnen maken zoals ik het nu doe, en dat liet ik na. Mijn groei was onnodig langzaam. Misschien heeft het er mee te maken dat we aan communicatiestoornissen lijden in het gesprek tussen geloof en wetenschap, waarbij beide partijen elkaar argwanend aankijken, misschien nog meer in onze tijd heeft het ermee te maken dat de wetenschap het gesprek niet meer wil aangaan, maar de godsdienst met volkomen stilzwijgen gadeslaat, alsof we volledig uitgepraat zijn. Wellicht is dit voor sommige mensen al zo, maar voor de overgrote meerderheid van de mensen overal op aarde is dit bepaald niet een uitgemaakte afgehandelde zaak, maar zal wetenschappelijk denken nog generaties lang aktief onderwezen moeten worden om het mensen eigen te doen maken. Daarom dring ik er bij ieder ander nu op aan niet zo geestelijk lui te zijn als ik was.
Ook zou ik voortdurend willen oproepen om altijd een oog open te houden om te zien of de illusie waar we ons aan overgeven ons niet schade berokkent. Ook deze gedachte kwam niet in me op. Wellicht dacht ik jeugdig overmoedig dat mijn prachtige godsdienstige idealen geen schaduwkanten kunnen hebben...Maar geloof me, het kan nooit kwaad je hele leven er serieus op te studeren welk een kwaad er in de godsdienst, in jouw godsdienst, kán schuilen. Op die manier zal het des te minder schade opleveren in de toekomst.

Voor de moderne mens is wetenschappelijke kennis opdoen mijns inziens een centrale opdracht in het leven.


Voor iemand die zijn geloof zoveel mogelijk wil laten omschrijven door wat de bijbel als geheel over God zegt, werkt het geloof op een manier die ik regelrecht schadelijk zou durven te noemen. Het fantasiegesprek dat wij dan met onze imaginaire gesprekspartner hebben wordt in vaste banen geleid die ontsproten zijn uit de fantasie van de antieke mens. Zoals we hebben kunnen lezen kunnen ze omschreven worden met denkbeelden als grillig optreden van God, intolerantie, goddelijke straf, toorn en wraak, slaafse onderwerping en een zich tot op sadomasochistische hoogten bezighouden met het aldoordringende probleem van de zonde. In deze vorm van geloven is geen ruimte meer voor spontaneïteit. Groot en logisch is het gevaar op een troost uit te monden dat Hij je misschien niet zal verdoemen, maar je gered zal worden als je het maar volhoudt tot het einde. En dat je redding bestaat uit het zo weinig mogelijk mee mogen doen aan het leven hier op aarde en maar moet uitzien naar een hemels nieuw leven, dat gekenmerkt zal worden door iets wat op een eeuwige kerkdienst lijkt. Van dit laatste schrikbeeld kun je dan verlost worden door te redeneren dat je het echt niet saai zal vinden omdat je na dit leven van nature veranderd zult zijn. Iedere gelovige wiens sleutelwoorden in zijn persoonlijke leven angst en depressie zijn is verstrikt in deze godsdienstbeleving. Het grootste probleem van deze gelovigen is dat hun eigen geloof het hun verbiedt angst en depressie ooit te erkennen als afkomstig van hun geloof. Daarom zal zo’n geloof uitmonden in psychische ontreddering of zelfmoord voor iemand die zich er niet radikaal van bevrijdt. Voor zo'n persoon zou ik slechts totale bevrijding (onthouding) van godsdienst aanbevelen als afdoend middel.


Om dit gekenschetste kwaad van religie te demonstreren volgt hier een kostelijk verhaaltje van een christengelovige in gesprek met ongelovigen op een internetforum:


Ach, wat ik duidelijk wil maken, mensen weten de waarheid, maar willen het niet zien! Ze denken het altijd zelf beter te weten, daar heeft God veel verdriet van. Maarja ik wens de mensen die in de 7 jaar van de verdrukking komen [zoals in openbaringen in de bijbel is voorspeld] veel succes! En neem vooral het teken van het beest niet aan, want dan kun je al raden dat je in de hel komt. Maarja die keuze laat ik aan jullie over! Ik geloof zelf dat Jezus de zoon van God is!! En niet een profeet of een sprookje, omdat er nu nog steeds veel wonderen gebeuren in de wereld [die zelfs dan nog mensen niet willen zien!!!] Wat ik ook niet vat is, als men niet gelooft dat er een God bestaat...waarom gaan ze dan niet ZELF zoeken? En laten ze het maar over aan de wetenschap? GA ZELF ZOEKEN! vraag het aan de mensen om je heen, ga boeken lezen, ga naar kerken zoals de pinkstergemeente en maak zelf de wonderen mee! Daar worden mensen genezen! Daar is God echt aan het werk! Maar ik hou hierbij op. Ik hoop dat jullie beetje duidelijkheid hebben gekregen... 'kHeb zelf erg veel dingen ervaren waardoor ik tot geloof ben gekomen, 'kheb op het randje van de dood gelegen toen ik een man naast me in het ziekenhuis zag, die de rest niet zag.. doodeng maarja, ik vragen aan die man wie hij was, en moet je nagaan! Het was een beschermengel! Mensen ik wou dat ik [omdat jullie persé bewijs moeten hebben!] bewijs kon geven! Maarja helaas kan ik dat niet; maargoed, ik hoop dat jullie ooit God nog vinden, VOOR het telaat is...


We hebben hier een prachtvoorbeeld van de zielige manier waarop een mensenbrein te werk gaat. We zien iemand in grote geestelijke nood. Hij zoekt houvast en troost in het geloof. Maar omdat geloof nergens op gebaseerd is en voortdurend aan kritiek onderhevig is, moet men voor zichzelf de zekerheid verschaffen waaraan het ontbreekt. Vandaar dat deze mens met een fantasie van een wonder aankomt. Dat het een fantasie is geboren uit depressiviteit, onzekerheid en een diep weten dat het geloof op drijfzand berust, komt niet slechts hierin tot uiting dat niemand anders de beschermengel kon zien, maar kan men ook opmaken aan de klagerige toon en de dreigementen van de schrijver: hij laat (zonder dat hij er zelf erg in heeft) in iedere zin zien hoezeer hij zich bedreigd voelt, en moet zich daardoor verdedigen door 1) zichzelf geloofszekerheid te verschaffen (let op hoe men daar welgeteld zestien uitroeptekens voor nodig heeft), en 2) anderen van domheid en koppigheid te beschuldigen, en 3) hen te bedreigen met goddelijke straf. Let op hoe zo iemand voor zichzelf de volledige zekerheid verschaft aan Gods kant te staan; het komt geheel niet in hem op dat hij zijn nietige menszijn op komische manier opblaast, hij weet zelfs zonder een spoor van twijfel dat God verdriet heeft over mensen die anders dan deze persoon zelf denken. Let op hoe hij de vele wonderen die volgens deze persoon gebeuren zonder er een moment over na te denken direkt aan het christelijk geloof toeschrijft, alsof uit het één zonder meer het ander volgt. Het komt in zo'n persoon niet eens op dat andere mensen zijn godsbeleving juist afwijzen OMDAT zij hebben gezocht, omdat zij denken en hij dat zelf nog nooit gedaan heeft. Hij roept op tot zoeken, en vat in het geheel niet dat wetenschap juist gelijk staat aan zoeken en gedegen antwoorden krijgen. Tenslotte hoopt hij voor andere mensen dat zij God vinden, VOOR het te laat is. Uit dit laatste kan men opmaken dat in de denkwereld van deze gelovige men in de eerste plaats in God moet geloven omdat de straf anders voor de deur staat. De gedachte dat iemand die zich de goddelijke toorn en straf nooit aangepraat heeft, ook volstrekt geen enkele behoefte aan zijn God zal hebben, zal nooit bij deze persoon zijn opgekomen. Dat een geloof in een straffende God slechts de uiting is van een zieke menselijke geest, en dat geestelijke gezondheid gelijk staat aan het verwerpen van zo'n bizar geloof zal hij beslist ook niet kunnen vatten. Zo'n gedachte zal deze gelovige zelfs geen moment serieus kunnen overdenken, want dan zou zijn gehele leven instorten. Een mens is veelal hopeloos verstrikt in zijn eigen gevangenis; hij móet wel in vertrouwde vaste banen denken. De gevangenis van ons denken is jammergenoeg vaak een enge cel van een paar vierkante meter, met een piepklein raampje vanwaaruit altijd precies hetzelfde saaie beeld te zien is. De tragiek van de gelovige is dat hij het bijbelgeloof aanhangt om te dienen als medicijn in de beangstigende wereld, maar niet opmerkt dat dit geloof in werkelijkheid juist op vele manieren die beangstigende wereld creëert.


Ook het fanatiek verwerpen van iedere vorm van godsdienst kan natuurlijk schade berokkenen. Een goede illustratie is de anecdote van iemand die bij de naar Londen gevluchtte Freud op bezoek kwam. Ze hadden het een tijdje over de belangrijke ontdekking van psychoanalyse en over Freuds vlucht uit Oostenrijk na de Anschluss. Het was vrijdagmiddag en toen de klok vijf uur sloeg kwam Martha Freud binnen, al een halve eeuw met de grote psycholoog getrouwd. Ze sprak de volgende woorden tegen de bezoeker: ‘U moet weten dat op vrijdagmiddag alle goede joodse vrouwen kaarsen aansteken om de komst van de sabbat te vieren. Maar dit monster, deze Unmensch, staat het niet toe omdat hij van mening is dat godsdienst bijgeloof is.’

Stel je voor, een halve eeuw lang ruzie om zo'n onbenulligheid!
Geef mensen liever de religie waar ze zo'n zin in hebben, op dezelfde manier als we mensen laten luisteren naar de muziek die ze aardig vinden. Aan de andere kant zouden gelovigen soms eens moeten ophouden met het wassen van hun handen in onschuld, en eens serieus gaan denken over de vraag waarom sommige mensen veranderen in stieren die door een wapperende rode doek geplaagd worden, wanneer ze met de christelijke religie geconfronteerd worden. Wanneer ook maar iets van de schuld van de irritatie gedeeld zou kunnen worden zou de wereld er al veel beter uitzien.









De lange weg van de ontmanteling

Wij moderne mensen zijn uitgekomen op een dramatisch punt van de geschiedenis. Veelal beginnen we ons leven met het in ons opzuigen van godsdienstige illusies. Daarna gaan we op de lange weg van de ontmanteling. Dan komen we tenslotte op het punt van de ontluistering, het verdriet. Niemand heeft dit mooier onder woorden gebracht dan Thomas Hardy, ongeveer 100 jaar geleden:


Thomas Hardy, God's funeral (1908-1910)

I
I saw a slowly-stepping train --
Lined on the brows, scoop-eyed and bent and hoar --
Following in files across a twilit plain
A strange and mystic form the foremost bore.

II
And by contagious throbs of thought
Or latent knowledge that within me lay
And had already stirred me, I was wrought
To consciousness of sorrow even as they.

III
The fore-borne shape, to my blurred eyes,
At first seemed man-like, and anon to change
To an amorphous cloud of marvellous size,
At times endowed with wings of glorious range.

IV
And this phantasmal variousness
Ever possessed it as they drew along:
Yet throughout all it symboled none the less
Potency vast and loving-kindness strong.

V
Almost before I knew I bent
Towards the moving columns without a word;
They, growing in bulk and numbers as they went,
Struck out sick thoughts that could be overheard: --

VI
'O man-projected Figure, of late
Imaged as we, thy knell who shall survive?
Whence came it we were tempted to create
One whom we can no longer keep alive?

VII
'Framing him jealous, fierce, at first,
We gave him justice as the ages rolled,
Will to bless those by circumstance accurst,
And longsuffering, and mercies manifold.

VIII
'And, tricked by our own early dream
And need of solace, we grew self-deceived,
Our making soon our maker did we deem,
And what we had imagined we believed,

IX
'Till, in Time's stayless stealthy swing,
Uncompromising rude reality
Mangled the Monarch of our fashioning,
Who quavered, sank; and now has ceased to be.

X
'So, toward our myth's oblivion,
Darkling, and languid-lipped, we creep and grope
Sadlier than those who wept in Babylon,
Whose Zion was a still abiding hope.

XI
'How sweet it was in years far hied
To start the wheels of day with trustful prayer,
To lie down liegely at the eventide
And feel a blest assurance he was there!

XII
'And who or what shall fill his place?
Whither will wanderers turn distracted eyes
For some fixed star to stimulate their pace
Towards the goal of their enterprise?'...

XIII
Some in the background then I saw,
Sweet women, youths, men, all incredulous,
Who chimed as one: 'This is figure is of straw,
This requiem mockery! Still he lives to us!'

XIV
I could not prop their faith: and yet
Many I had known: with all I sympathized;
And though struck speechless, I did not forget
That what was mourned for, I, too, once had prized.

XV
Still, how to bear such loss I deemed
The insistent question for each animate mind,
And gazing, to my growing sight there seemed
A pale yet positive gleam low down behind,

XVI
Whereof, to lift the general night,
A certain few who stood aloof had said,
'See you upon the horizon that small light --
Swelling somewhat?' Each mourner shook his head.

XVII
And they composed a crowd of whom
Some were right good, and many nigh the best....
Thus dazed and puzzled 'twixt the gleam and gloom
Mechanically I followed with the rest.



I
Ik zag een traag voortschrijdende stoet -
Gefronste wenkbrouwen, diep vezonken ogen, gebogen ruggen, oud van dagen -
In rijen lopend over een schemerige vlakte
De vooroplopers hadden een vreemd en mystiek voorkomen.

II
En met een aanstekelijke stroom van gedachten,
Of met een sluimerend weten diep binnen in me,
Dat me al aangesproken had,
Werd ook ik aangegrepen door eenzelfde gevoel van verdriet.

III
Mijn ogen probeerden de stoet te overzien,
Eerst had het de vorm van menselijkheid, immuun voor verandering,
Dan weer de gedaante van een wolk van enorme afmeting maar zonder duidelijke vorm,
Bij tijden zag ze eruit als hebbende vleugels van geweldige spanwijdte.

IV
Deze fantastische verscheidenheid
Was altijd aanwezig tijdens hun gang
En op de voorgrond stonden immer de symbolen
Enorme kracht en intense goedertierenheid.

V
Bijna zonder het te merken
Begaf ook ik me stilzwijgend in de richting van de stoet:
En terwijl ze groeiden in omvang en getal
Sprak men zieke woorden uit die men op kon vangen:

VI
"O Projektie van de mens, geschapen naar ons evenbeeld,
Wie zal uwe doodsklokken overleven?
Waarvandaan kwam de verleiding te scheppen
Hem die we niet langer in leven kunnen houden?

VII
"Eerst boetseerden we hem als jaloers en opvliegend,
Terwijl de eeuwen voorbijrolden gaven we hem rechtvaardigheid,
De wil om te zegenen hen die door de omstandigheden vervloekt waren,
We gaven hem lankmoedigheid en uitbundige genade.

VIII
"En voor de gek gehouden door onze vroege droom
En onze behoefte aan troost, bedrogen we ons steeds meer.
Het maaksel van onszelf achtten we al spoedig onze maker,
En wat we ons inbeeldden, geloofden we.

IX
Totdat de niet tegen te houden zwaai van de Tijd
De onverbiddellijke en kille werkelijkheid,
De Vorst van onze eigen makelij mishandelde;
Hij wankelde en zonk; en nu is hij overleden.

X
Zo tasten we al kruipende verder
In een donkere languitgerekte tocht naar het vergeten van onze mythe.
Nog droeviger dan zij die weenden in Babylon,
Zij die tenslotte nog de hoop op terugkeer naar Zion konden koesteren.

XI
Hoe zoet was het in verloren gegane tijden
De wielen van elke dag aan het draaien te zetten met vertrouwensvol gebed
Ons 's avonds in rust neer te leggen
En ons verzekerd te weten van de zegen van zijn tegenwoordigheid!

XII
Wie of wat zal zijn plaats innemen?
Waarop zullen dolers hun radeloze ogen richten,
Welke ster zal hun gang inspireren,
Naar het doel van al hun ondernemingen?

XIII
Ik zag sommigen staande op de achtergrond,
Lieve vrouwen, jeugdigen, mannen, allen mensen die het niet wilden toegeven.
Ze riepen met schrille stem: "Dit is een vervalsing van stro,
Deze dodenmis is een aanfluiting! Hij leeft nog steeds in ons!"

XIV
Ik kon me niet meer verankeren in hun geloof, en toch,
Ik kende velen van hen, ik sympatiseerde met hun allen;
En hoewel ik nu zonder boodschap ben, heb ik niet vergeten
Dat waar men over rouwde, ooit ook ik hoog gewaardeerd had.

XV
Het scheen me zelfs toe dat de grootste vraag voor een ieder deze is:
Hoe we met zo'n verlies kunnen leven.
En erop starend, scheen het alsof er een groeiend inzicht was
Een bleek maar positief lichtstraaltje ergens diep verborgen.

XVI
En in een poging de algemene nacht enigszins te verlichten
Zeiden enkelen die alles van opzij hadden aangekeken
"zien jullie dat kleine lichtje aan de horizon? -
het wordt toch al iets groter?" Maar iedereen die in rouw was schudde zijn hoofd.

XVII
En de stoet bestond uit een grote schare
Waarvan sommigen zeer goed waren, velen zelfs tot de besten behoorden...
En zo, lam geslagen en in de war, hangend tussen een sprankje hoop en somberheid
Sloot ik me als een robot aan bij de rest.



Het proces van het afsterven van de bijbelse God is al 250 jaar oud. Aan het einde van de 19e eeuw drong het door tot vrijwel alle schrijvers, kunstenaars en intellectuelen. Pas sinds de zestiger jaren van de vorige eeuw dringt het door tot de grote massa van de europese maatschappijen.

Wellicht zullen alleen mensen die deze ommezwaai in hun leven hebben meegemaakt dit ervaren op de manier van Hardy. Toen ik op dit gedicht stuitte was het alsof ik mijn eigen gedachten, ervaringen en gevoelens hoorde uitspreken.

Interessant is ook op te merken dat 100 jaar na het schrijven van dit gedicht velen nog steeds leven met deze God en reageren op de manier van couplet XIII. Het proces van de zonsondergang van de geopenbaarde boekgodsdienst schijnt eeuwenlang te worden.


In tegenstelling tot vele atheïsten uit zijn tijd had Hardy totaal geen haat of weerzin tegen de godsdienst. In de loop van zijn leven moest hij op een gegeven moment gewoon toegeven dat het allemaal maar mensenfantasie was. Hij gaf dan ook zijn christelijk geloof geheel op, maar ging gewoon door met het genieten van rituelen, geestelijke muziek, de sfeer van kerkdiensten, het kerstfeest enz. Toen hij een 'honorary fellowship' kreeg aangeboden in Cambridge vroeg men voorzichtig of hij de kerkdienst die erbij hoorde wel kon bijwonen. Hij zei hier geen moeite mee te hebben. "Het is voor mij alleen de sfeer nog, natuurlijk, die me wel aanspreekt".

Zijn laatste roman "Jude the obscure" werd voor 'obceen' uitgescholden, en een bisschop verbrandde een exemplaar van het boek in het openbaar. De intolerantie van de bisschop dreef hem uiteindelijk de kerk uit. Hardy had er graag nog af en toe heengegaan. Mensen zoals Hardy werden 'Modernisten' genoemd, en werden van alle kanten met grof geschut bestookt: door de orthodoxen, maar ook door de atheïsten.

In zijn boeken ondergaan de hoofdpersonen altijd een enorme lading aan ongeluk, ziekten, financiële nood en ongelukkige huwelijken. Zijn pessimisme kwam voort uit het zien van zoveel unfairness in de wereld. Hij wilde zijn ogen niet sluiten voor deze realiteit. In zijn verhalen laat hij altijd zien dat het lijden van de mens volkomen onverdiend is en geen enkele zin heeft. Velen uitten de kritiek dat Hardy realisme wel probeert uit te beelden, maar in werkelijkheid een verdraaid (eenzijdig negatief) beeld van de werkelijkheid geeft. Deze kritiek hield uiteraard op met het uitbreken van de eerste wereldoorlog.


Wat Hardy zo goed beschrijft in bovenstaand gedicht is dat het opgeven van de godsdienst niet zomaar een intellectuele kwestie was waar we nu 'gewoon' anders over denken. Het was als het verlies van een geliefde, iets dat verlamt, alle levensenergie wegneemt, iets dat zo tragisch is dat het voor de mens moeilijk te geloven is dat het ooit nog weer 'mooi' kan worden. De godsdienst heeft er altijd toe gediend om het leven voor onszelf 'mooi' te maken.


Nu we een eeuw verder zijn zien we dat het merendeel van de moderne mensen inderdaad 'modernisten' zijn, Hardyisten. Het modernisme kun je tegenwoordig invullen op honderd-en-een manieren (zelfs met Ufo’s), maar in wezen betekent het dat de mens niet kiest voor het orthodoxe geloof en ook niet voor het atheïsme. Het eerste wordt als onmogelijk en te eng beschouwd, het tweede als te kil, te troosteloos. Beide alternatieven doen niets om het leven 'mooi' te maken.

Maar onze behoefte aan moois blijft natuurlijk. Zo zijn er volgens de opiniepeilingen veel meer mensen die af en toe bidden dan mensen die in God geloven! Het kerstfeest zal ook wel nooit verdwijnen, en af en toe in retraite gaan in een klooster ofzo zal ook wel zeer modieus blijven. Zelfs het zingen van gregoriaans is tegenwoordig gaaf.

Het is dus blijkbaar zo dat de godsdienst voornamelijk voortdobbert omdat ze iets voor ons gevoel, 'voor onze ziel' te bieden heeft, iets wat we tenminste tot nu toe nergens anders vandaan kunnen halen. In een land als Finland gaat maar 3% van de bevolking naar de kerk, zal slechts zelden iemand een bijbel opslaan of een gesprek over God beginnen, maar de overgrote meerderheid is lid van de kerk! Van je loon wordt automatisch 1% afgetrokken aan kerkbelasting, waarmee de kerken worden onderhouden, begraafplaatsen, enz. en zo kun je dan lekker trouwen in de kerk. Ook met kerst heb je tenslotte toch een kerk nodig, want met witte sneeuw en een denneboom is het nog niet helemaal perfect kerstmis. Het komt veel voor dat iemand die niet bij de kerk hoort zich toch maar even aansluit alvorens hij/zij gaat trouwen, want dat trouwen in de kerk hoort er nu eenmaal bij. En als een kind geboren wordt hoort de doop erbij. En terwijl de dominee in het huis van de ouders in z'n antieke gewaad met prachtige traditionele welbespraaktheid en overvloed van woorden de zaak uitlegt zoals het eeuwenlang is uitgelegd, fladderen al die woorden aan de oren van de toehoorders voorbij. De doop is voor de ouders van het kind en de uitgenodigden slechts het plechtige moment waarop de naam van het kind wordt bekend gemaakt. Ik heb het meegemaakt tijdens zo'n bijeenkomst dat een kind de naam Michael kreeg en ik tegen de vader terloops zei dat de jongen een mooie bijbelse naam gekregen heeft. De vader wist het niet en ik zag hem zijn wenkbrouwen fronsen, alsof hij daar niet zo mee in zijn schik was. Hij ging even later naar de dominee en vroeg waar het wel niet staat. De dominee zei lachend "Nou, dat weet ik zo niet, hoor" en vervolgde met het drinken van z'n kopje koffie.


Inderdaad, het zijn precies mijn eigen gevoelens in dat gedicht en inderdaad, het is moeilijk er weer iets moois van te maken. Godsdienst is een grabbelton geworden, een onopgeruimde slaapkamer van een 14 jarige.

Waar het in het leven om gaat is uiteindelijk in te zien dat niet alles mooi ís. De werkelijkheid onder ogen zien is voor een ieder van ons de grootste opgave in het leven.

Het is dan ook volkomen logisch dat een mens een mooi behangetje uitzoekt om de kille muren van zijn bestaan mee op te fleuren. Dit behangetje doet het goed zolang je gelooft dat het 'werkelijk uit de hemel is komen vallen', dus een objektief gegeven is in het leven. Wanneer je doorziet dat het je eigen maaksel is, wordt het net zo broos als je eigen leven. De mate waarin we het doorzien komt waarschijnlijk overeen met de mate waarin we eerlijk durven te zijn tegenover onszelf en ook met de mate waarin het ons lukt ons te weren tegen geestelijke luiheid; dit laatste zeg ik omdat volgens mij het merendeel van de mensen over geestelijke of filosofische dingen denkt wanneer ze een jaar of 15-20 zijn, en er vervolgens hun hele leven mee ophouden of ingegraven in een loopgraaf de rest van het leven de eens ingenomen positie steeds met hand en tand moeten verdedigen. Maar misschien is dit een foutieve waarneming; tenslotte heb ik zelf ook een enorme ommekeer gemaakt in mijn denken op latere leeftijd.

Ikzelf heb vaak het gevoel gehad dat uiteindelijk deze innerlijke eerlijkheid van hoger belang is dan de geborgenheid en zekerheid die je uit je fantasiewereld krijgt. Ik stel me voor dat iedereen die zijn oude waarden voor zichzelf in diggelen zag vallen dit gevoel zal hebben. Een hypocriet onderhouden van waarden en overleveringen (wellicht uit angst) waar je eigenlijk niet in kan geloven is het meest funeste voor een mens. Want dan zal een mens zichzelf niet meer serieus kunnen nemen.


Eerlijkheid tegenover je diepste ik weegt zwaarder dan alle geloofsovertuigingen die je maar heb opgedaan, en daarmee ben ik terug op de eerste woorden van dit boek:


It is far better to grasp the Universe as it really is than to persist in delusion, however satisfying and reassuring.[Carl Sagan, The Demon-Haunted World].


Iemand die zich uit het christendom onttrekt zal meteen weten wat de achtergebleven gelovigen van bovenstaande redeneringen zullen zeggen: het is niet de moed van de mens, maar zijn hoogmoed! Zo zal de afvallige gelovige zijn gehele leven gepijnigd worden door de pijlen die zijn oude geloof altijd op hem probeert af te schieten, waar hij ook loopt, waar hij zich ook achter verschuilt. Het ergste is de pijn te ondervinden van de kloof die ontstaat tussen jou en de dierbaren waar je je van afscheidt en wier geloof jou naar de hel verwijst. Af en toe overvalt het mijzelf en weet ik niet of ik het overleef, er gezond onder blijf.

Als het je overgeven aan en opgeven van godsdienst u onbekend is, prijst u zich gelukkig. Het je bevrijden van godsdienst is een strijd waar menigeen aan ten onder gaat. Ik heb een intelligente kennis uit mijn jeugd die in 1981 een 'bekering' tot een of andere sekte van een 'geheime messias' (de Maitreya) doormaakte, erdoor werd opgeslokt, zich lange tijd eruit wilde losworstelen, en uiteindelijk in een psychose terechtkwam, waarna hij jaren in een psychiatrische inrichting moest doorbrengen. Hij kwam er uiteindelijk uit, maar heeft nooit een levenspartner kunnen vinden, is nauwelijks aan het werk geweest in de maatschappij en leeft alleen op een flatje, onder toezicht van een tutor die hem altijd moet komen opzoeken...

In de godsdienst spelen de allergrootste krachten van liefde en angst -de basisingrediënten van ons leven- de hoofdrol. Op de een of andere manier hebben ze die twee aan elkaar kunnen lijmen en er een soort betoverende muziek van gemaakt, waarin zowel harmonie als waanzin tot een eenheid wordt gesmeed.









Een schets van Volwassen Geloof

Ik eindig met een schets van het denken waar ik op ben uitgekomen. Slechts een schets, omdat het uitwerken ervan nog mijn verdere leven nodig heeft. Ik denk dat ikzelf in mijn leven op couplet XV van Hardy’s mooie gedicht zal blijven staan, maar zeker weten doe ik het niet!


De beste omschrijving voor een gezond geloof vinden de psychologen en theologen ‘geïntegreerd geloof’ of ‘volwassen geloof’. Mensen met een geïntegreerd geloof zijn volgens hen gericht op hogere waarden. Zo zijn ze meer gericht op ‘zijn’ dan op ‘hebben’. Dat zijn ze niet uit angst voor God of voor de kerk, maar uit vrije wil, verinnerlijkt. Daarnaast hebben ze vertrouwen op God, ook bij tegenslagen. Ook voelen ze zich verantwoordelijk voor hun medemensen en voor de schepping.
Volgens de ondervraagden kunnen de volgende zes woorden het best ‘gezond geloof’ omschrijven: verwondering, openheid, oprechtheid, identiteit, integriteit en inspiratie. Een belangrijke uitkomst van de studie volgens de onderzoekster is dat een geïntegreerde, groeigerichte, meer ervaringsgerichte ‘down to earth’-visie van het christelijk geloof naar voren komt, gericht op de relatie met zichzelf, met God en met de ander.


Bovenstaande woorden komen uit een artikel dat in Tertio, een christelijk opinieblad, heeft gestaan en op het internet te belezen is. De woorden zijn ontleend aan een proefschrift van Psychiater en Theologe Margreet de Vries-Schot. We vinden hier bijzonder waardevol denken, echter enigszins ontsiert doordat men zich nog steeds op 'christelijk' en 'God' blijft vastbijten. Waarlijk gezond en volwassen geloof is ook deze woorden als overbodig te zien. Christelijk is een woord dat slechts verdeeldheid zaait, en God een woord dat op talloze verschillende manieren kan worden ingevuld, en dus het toppunt van verwarring is en zoveel mogelijk in het openbaar vermeden dient te worden.


Maar tezelfdertijd denk ik dat men begrip moet proberen op te brengen voor ieders verschillende achtergrond, en leert de ervaring dat mensen vaak vastgeroest zitten in de geijkte denkpatronen waarmee ze zijn opgegroeid. Het is misschien teveel gevraagd van veel mensen hun God-stokpaardje ook innerlijk overboord te gooien. In mijn eigen leven schijnt het een proces van jaren te zijn. Volwassen geloof betekent voor mij God in mijn denken houden zolang ik er niet zonder kan. Tezelfdertijd trek ik conclusies uit het moderne weten dat in de loop van mijn leven op me af is gekomen en steeds omvangrijker wordt. Ik denk dat het daarom niet lang meer duurt of ik zal het woord God zelf niet meer kunnen gebruiken. Maar voor zover en zolang ik en vele anderen nog met het denkbeeld 'God' in gedachten rondlopen zou ik het volgende willen voorstellen:


Het moderne wereldbeeld laat ons zien dat God, de schepper van het universum, op geen enkele manier gedacht kan worden als een persoon met menselijke attributen. Dit in te zien laat het gehele gebouw van de traditionele christelijke godsdienst ineenstorten: allereerst heeft God geen behoeften, zoals een mens die denkt te hebben. God eist van ons mensen dus totaal niets, het allerminst bloedoffers. Gods schepping kunnen we ook niet meer uitleggen als eens perfect en daarna ten dele mislukt. In Gods schepping mislukt natuurlijk niets, zoiets kan alleen gebeuren in het geloof van mensen die iets anders dan God voor God aanzien; alles wat is, is door God geproduceerd en daarom door God gewild. In Gods schepping bestaat dan ook geen tegenstander van God, alsof de zaken er onzeker voor zouden staan of iemand/iets God in de weg zou kunnen zitten. God speelt geen spel dat half mislukt. Deze wereld is niet 'gevallen' en verdorven. De oneindige verscheidenheid en tegengestelde krachten zijn er om scheppend in het leven te staan, om het leven eeuwig te sturen in de richting die we ervaren als meer perfect, meer volkomen. Menselijk geluk is niet het volkomene ervaren, aangezien het opweg zijn daarnaartoe eeuwig is, maar het scheppend denken en handelen.
In Gods schepping zijn ook geen voorwaarden waaraan we moeten voldoen om op de plaats van bestemming te komen of om verlossing te ervaren. God openbaart zich niet aan de enkeling of aan één uitverkoren volk, terwijl Hij de rest in de steek laat. In Gods schepping kunnen er ook geen schepsels zijn die hun doel missen. In Gods schepping bestaat zelfs geen correctie van fouten, ook geen straf, geen prijsuitreiking, geen voorwaardelijke liefde, geen pakket met opschrift ‘absolute waarheid en unieke weg tot behoud’ waarin geloofd moet worden. In Gods schepping zijn er geen onderdelen die gezegend worden en andere onderdelen die afgedankt of genegeerd of veroordeeld en weggegooid worden.


Volwassen geloof dient gespeend te zijn van iedere vorm van angst. Volwassen geloof bestaat uit zienswijzen, handelen en denken, waar wij moderne mensen volledig achter kunnen staan zonder ons denken te verdraaien. Er zijn dingen die ons verstand te boven gaan, en die moeten we eeuwig laten staan als vraagtekens. Maar volwassen geloof mag nooit in strijd zijn met ons gezond verstand, de menselijke logica en de feiten van het leven. Juist omdat wij moderne mensen zoveel weten, leren we dat volwassen geloof dus een belangrijke plaats geeft aan twijfel, aan onzekerheid, aan het niet-weten en aan het verwerpen van oude denkbeelden die niet kunnen voldoen aan de toets van ons intellect. Dit is de hoogste mensheid, omdat het eerlijkheid hoger heeft staan dan onze behoeften.


Waar volwassen geloof positief voor wil staan is dit:

Geen mens is gescheiden van God, want alles is uit God. Bij iedere ademhaling ademt ieder mens God in. Het gehele bestaan, dus alles, vloeit met noodwendigheid voort uit God, zodat vanuit het standpunt van de eeuwigheid er geen goed en kwaad bestaat, of anders gezegd, alles wat gebeurt eigenlijk goed is. Het ultieme geluk bestaat in de liefde tot God, of -in termen van Spinoza's denken- het liefhebben van de kosmische noodwendigheid als de eigen wil, eenvoudiger gezegd: het onvoorwaardelijk bevestigen van het leven. In ieder mens leeft altijd een diep verlangen naar contact met het goddelijke. 'Contact met het goddelijke' staat gelijk aan identificatie van de eigen wil met de kosmische wil (=de Natuur waarin alles gedetermineerd is). Op het moment dat een mens dit hoogste inzicht bereikt valt alle strijd weg, en kan een mens een glimp opvangen van het hoogste geluk, dwz innerlijke vrede.

Geen mens hoeft te voldoen aan eisen voordat hij Gods liefde kan ervaren, aangezien geen mens zal zijn doel voorbij kan schieten. Volwassen Geloof heeft slechts één centraal basisgegeven vanwaaruit het gehele leven wordt opgebouwd en beleefd: het weet zich verbonden met al het andere in de schepping, met al het andere levende en het niet levende. Het leeft daarom uit liefde. Het zoekt niet hongerig en wanhopig naar liefde, maar is het zelf en strooit het overal uit. Godsdienst is het openstaan voor een diepe verbondenheid met het Grote Geheel van het bestaan, en het altijd bezig zijn met de hoogste invulling van ons menszijn.

Het leven is ten diepste een spel waar de paradox van de autonome, ogenschijnlijk vrije en scheppende wil van de mens verbonden wordt aan de hoog erboven verheven staande kosmische wil waarin alles tot in het kleinste detail gedetermineerd is. De liefde van Volwassen Geloof omvat daarom zowel het passieve weten van 'het komt wel goed', zelfs een 'het is al goed', alsook het altoos scheppend bezig zijn, alsof het alles van ons afhankelijk is, alsof niets goed is. Want zodra men bezig is met het passieve, volgt automatisch de tegenreactie: de uitdaging van het juist aktief scheppen ervan. En omgekeerd volgt op het aktieve de tegenreactie dat dit een illusie is omdat alles al een onderdeel in een vaststaand raderwerk is. Dus Liefde is zowel iets teers en sentimenteels, een soort troost, pleister op de wonde voor zwakkelingen om het leven draaglijker te maken, een haven van rust waar de vermoeide mens op adem komt, als ook de aktieve Kunst, het scheppen van het Esthetische, Bewuste Keuzes tot nastreven van Harmonie, het altoos Dienen van het Geheel. Op de liefde berust al het Bouwen en het zich Ontwikkelen van de maatschappij en de mensheid, dus de Samenwerking tussen mensen om Idealen te bereiken. Liefde is passief bezien Begrip, het inzien van het proces van Eenwording, maar aktief bezien het immer willen bereiken van de Hoogste Menselijkheid via keuzes die je zelf heel bewust en opnieuw en opnieuw en opnieuw maakt. Vanaf het moment dat een mens besluit de liefde en harmonie te zijn ervaart hij de liefde overal en ten alle tijden. Het is een natuurwet (zoals ook geloof in het omgekeerde een natuurwet is). Dit is het geheim van geloof, de Geest Gods. Geloof heeft niets te maken met het bovennatuurlijke (er is geen bovennatuurlijk), ook niets met antieke verhalen waarin per sé geloofd moet worden. Geloof betekent alles in het leven te ervaren in het vertrouwen dat alles zo moet zijn zoals het is en uiteindelijk niets zijn doel kan missen. Wanneer iemand je erop aanspreekt dat dit geloof ook maar een fantasie is, dan antwoord je: inderdaad, ik weet best dat er vanalles is dat deze gedachten tegenspreekt, maar het is de fantasie waaraan ik mij wil overgeven, omdat ik zo mijn hoogste menszijn kan ervaren. En omdat ik inzie dat het mijn fantasie is, is het geloofwaardig. Het is een bewuste keuze. Volwassen geloof is dus niet 'maar' een fantasie, het is de allermooiste overtuiging die je je voor jezelf kan indenken. Volwassen geloof is niet het voor waar houden van bepaalde gebeurtenissen, hemelse toestanden, bovennatuurlijke zaken en onzichtbare wezens, maar mijn steeds zoeken naar de hoogste invulling van mijn bestaan, het licht willen zijn (de eerste woorden die God uitsprak), het bouwen van bruggen. Wat het goddelijke of de Godheid zelf betreft kunnen wij niet anders dan stilzijn: we kunnen het niet met ons verstand uitleggen of ons er een voorstelling van maken, omdat het ons verstand ver te boven gaat. Het goddelijke kan slechts ervaren worden als iets mysterieus en kent men in alle godsdiensten als 'mystiek'. In de fantasie van Volwassen Geloof wordt niets in Gods schepping afgedankt, is er geen strijd tussen ons te bovengaande vreemde persoonlijke machten van het goede en het kwade. Volwassen Geloof wil in alles streven naar heling, naar eenwording, naar de voltooiing van alle dingen. Een zinvol leven is handelen vanuit die gedachte. En terwijl je het gevoel hebt dat je er naar streeft weet je (dwz geef je jezelf over aan de gedachte) dat het niet te stuiten is, dat het ook automatisch gebeurt. Want boven ons leven van 'vrije wil' dat we ons verbeelden te leven staat het 'ondoorgrondelijke' plan van God, waarin we allen slechts onderdeeltjes zijn die hieraan gehoorzamen, net zoals een mier niet anders kan dan een mierenleven leiden. Je doet bewuste keuzes, wil leven uit liefde en lijdt vanwege de gebrokenheid, maar tegelijkertijd kan je niet anders dan doen en denken zoals je doet. Streven naar eenwording is eigenlijk hetzelfde als te ervaren dat je al één bent met al het andere, dat de voltooiing al geschied is. Dit eenworden (=liefde) telkens te ervaren geeft ons geluk en dat wat men 'geloofszekerheid' noemt. Liefde is kiezen voor de illusie die je gelukkig maakt, de illusie één te zijn met God. Zo is volwassen geloof een innerlijk weten temidden van totale onzekerheid. Op precies dezelfde manier als het ogenschijnlijk chaotische weer berust op volledig vaststaande wetmatigheden. Volwassen geloof betekent met deze inzichten (het zich volkomen richten op de betekenis van de begrippen ‘liefde’ en ‘harmonie’ en ‘groeien’) zélf betekenis geven aan het leven. Op dezelfde manier als de wetenschap de natuurwetten bestudeert om zelf betekenis te geven aan het bestaan om het leven zelf op die inzichten te bouwen.


Volwassen geloof is een perfecte wereld ontwaren in ons eigen bewustzijn en er vervolgens naar leven omdat het onze werkelijkheid is. Godsdienst is het proces van dit 'ontwaren'; de allerhoogste invulling van ons leven. Het zou daarom wel eens van vitaal belang kunnen zijn religie in ons denken te behouden. Het goddelijke zal ieder mens echter in zijn eigen ziel op zijn eigen manier gewaar moeten worden, en kan op geen enkele wijze opgelegd worden of door anderen ingevuld worden of op een bepaalde nauwomschreven manier van een ander geëist worden, want dan is de ervaring niet authentiek. Hoogstens kunnen anderen ideeën aandragen. Godsdienst is de 'bezieling' van ons leven en dient daarom een volkomen persoonlijke zaak te zijn en op een persoonlijke manier -de manier die ons de hoogste glans geeft- ingevuld. Geloof is dat wat een mens boven zijn tegenslagen en kleinheid uittilt en hem altijd hoop geeft.

Laat ik hier nog aan toevoegen dat met bovenstaande denkbeelden het oude strijdperk, waarin theïsme en atheïsme het tegen elkaar uitvechten, volkomen achtergelaten wordt. In deze strijd gaat het om denkbeelden waar de modern ontwikkelde mensheid allang bovenuit gegroeid is. Zowel de theïsten als de atheïsten hebben het over een god van de primitieve mensheid die achter ons ligt, en doen net alsof de keus voor het één of het ander onze enige alternatieven zijn. In de 21ste eeuw is hun strijd onbenullig geworden. Ze blijven zich ogenschijnlijk tot in het oneindige blindstaren op een armetierige vorm van godsdienst. De theïsten houden halsstarrig vast aan denkbeelden die volkomen onwaar zijn; zij zullen dit boek van mij lezen en het eenvoudig beantwoorden met één enkele tekst uit hun heilige schrift waarin menselijk intellectueel denken veracht en beschimpt wordt en de armen van geest zalig gesproken worden. De atheïsten ergeren zich kapot aan deze vorm van godsdienst en vinden het bespottelijk. Zolang er miljoenen aanhangers van boekgodsdiensten rondlopen op aarde verrichten de atheïsten natuurlijk een nuttig opruimingswerk. Maar veelal staren de atheïsten zich blind op deze vorm van godsdienst en met het verwerpen ervan gooien ze alles wat religieus heet overboord. Het komt bij hen blijkbaar nooit op dat godsdienst ook op een totaal andere wijze ervaren kan worden dan onze traditionele boekgodsdiensten ons hebben geleerd. Religie kan zelfs zeer goed ervaren worden zonder het woord 'God'. Eerder roep ik op om in te zien dat voor menselijk scheppend denken nog oneindig veel nooit eerder ontdekte denkwerelden mogelijk zijn die religieus genoemd kunnen worden omdat ze ons richting en vervulling van ons bestaan kunnen schenken. Met de moderne middelen van globale communicatie zullen ontelbaar velen aan het ontdekken hiervan hun steentje kunnen bijdragen en vele van deze nieuwe denkwerelden in deze eeuw aangeboord worden.


Laat de laatste woorden van dit hoofdstuk uit de mond van een ander komen. Einstein zegt het in deze prachtige bewoording, waarin men kan proeven hoe religie en atheïsme samen kunnen gaan:


Het diepste en verhevendste gevoel waartoe wij in staat zijn is de gewaarwording van het mystieke. Daaruit alleen komt ware wetenschap. Wie dit gevoel vreemd is, wie zich niet meer verwonderen en in ontzag verliezen kan, die is naar zijn ziel reeds dood. Te weten dat het ondoorgrondelijke werkelijk bestaat en dat het zich als hoogste waarheid en stralende schoonheid openbaart, waarvan wij slechts een vaag vermoeden hebben - dit te weten is de kern van alle godsvruchtigheid.