De Crisis van het Geloof
De Zondeval
Kaïn en Abel
De Zonen Gods
De Zondvloed
Modern versus Antiek denken
Aanpassen van de Godsdienst
Een persoonlijke worsteling
Volwassen Geloof                                                                                      Hoofdstuk 2a

        








Indien we een diep verlangen hebben naar een kosmische zin van het alles, laat ons dan op een waardig doel uitkomen.

If we crave some cosmic purpose, then let us find ourselves a worthy goal.

[Carl Sagan, Pale Blue Dot]












De crisis van het geloof

Wanneer je de eerste bladzijden van de bijbel leest word je natuurlijk met honderd en één moeilijkheden op het gebied van de interpretatie geconfronteerd. Je kunt je bijvoorbeeld afvragen waarom God in het hebreeuws Elohim is (dwz ‘Goden’ in het meervoud), hoe het nu kan dat Genesis 1 zegt dat God de mens pas op de laatste werkdag maakt, en Genesis 2 het scheppingsverhaal opnieuw vertelt evenwel met de vermelding dat de dieren pas na de mens gemaakt worden. Maar met al dat soort problemen houden we ons nu niet bezig. Ik heb me in mijn leven door vele boeken gesleept, die me op het goede spoor wensten te houden. Er zijn een hoop commentaren over geschreven die vertellen dat alle tegenstrijdigheden in de bijbel maar op schijn berusten, en dat je best alles aan elkaar kan vlechten. Het mag een beetje moeilijk zijn voor je gezond verstand (vooral wanneer je er echt op gaat studeren), maar als je gelooft, zal het je tot gerechtigheid gerekend worden. En als je een totale onmogelijkheid gelooft, (laten we uit de omvangrijke grabbelton bijvoorbeeld het manna nemen, wat de Israelieten elke dag opraapten, dat weliswaar wegsmolt in de hitte van de zon, maar toch niet in de hitte van de braadpan of oven om er een lekkere maaltijd van de maken) dan word je een heilige. Het zal u best lukken, want het is mij ook gelukt, en ik heb bijna de intelligentie van een lid van de mensa.


Het moderne christendom heeft zich in de geloofwaardigheidscrisis waarin het zich bevindt, voor het merendeel gericht op het kenteren van door de wetenschap aangevoerde bijbelkritiek. Zo lees ik een boek door, geschreven in 1972 door de (latere) aartsbisschop van de lutherse kerk in Finland, John Vikström, De crisis van het geloof, waarin de crisis geheel bestaat uit problemen zoals schepping en evolutie, historische betrouwbaarheid van de bijbel, geloofwaardigheid van maagdelijke geboorte enz. zonder ook maar enige aandacht te schenken aan de veel grotere crisis van het christelijk geloof: de geloofwaardigheid en aannemelijkheid van haar heilsboodschap, haar ethiek, haar godsbeeld, haar mensbeeld. Het is juist de leer van het christelijk geloof die voor mij uiteindelijk de crisis tot zijn grootste afmetingen laat groeien en daarom het onderwerp van dit boek zal zijn. Zaken zoals gebeuren er wonderen, is evolutie waar, moet je letterlijk geloven in het verhaal van Jona en Job, is Jesaja door één of meerdere schrijvers geschreven, heeft Judas zich nu opgehangen (Mattheüs) of heeft hij zich van een afgrond gestort zodat zijn buik opengereet werd (Handelingen), zijn uiteindelijk bijzaken. Neem als vermakelijk voorbeeld van 'theologische oplossingen' van zulke zaken de dood van koning Saul. Heeft deze koning de hand aan zichzelf geslagen (1 Sam. 31), of heeft een Amalekiet hem om het leven gebracht (2 Sam. 1) op zijn verzoek? Het antwoord voor de vromen: Saul viel op zijn zwaard maar was niet onmiddellijk dood, en de Amalekiet maakte hem af. Met zulk gebeuzel zullen we ons echter niet bezighouden; er kleven aan de bijbel veel diepergaande problemen.

Gematigde christelijke overtuigingen proberen alle problemen op te lossen door middel van een handige redenering die je op elke bladzijde van de bijbel kan toepassen wanneer het je uitkomt: op bijna alle kritische vraagstukken heeft het moderne christelijk geloof zich weten aan te passen door ‘inspiratie’ af te zwakken tot iets ongrijpbaars zoals ‘De bijbel is het betrouwbare woord van God in die zaken en vraagstellingen waar God tot ons wil spreken’ (Vikström) en onderscheid te maken tussen ‘de inhoud’ en ‘de verpakking’. Men spreekt graag over ‘het je aangesproken voelen’ door ‘de inhoud’ en heeft er geen moeite meer mee ‘de verpakking’ zo nodig weg te gooien. Mythen worden zonder blozen als mythen beschouwd, maar met een boodschap die de diepe goddelijke waarheid bevat enz. De bijbel wordt gezien als bevattende zowel ‘het menselijke aspect’ (dwz het onware en gebrekkige) als de ‘goddelijke boodschap’ (dwz de betrouwbare religieuze boodschap waarin we moeten geloven). De menselijke kant wordt zelfs gezien als een pluspunt, de tegenstrijdigheden en historische onnauwkeurigheden kun je uitleggen als bewijs van eerlijkheid en als bewijs dat er niet aan de tekst gesleuteld is om alles glad te strijken. Tot het arsenaal behoren ook wapens als ‘in de contekst lezen’, ‘de Sitz im Leben’ begrijpen, ‘niet letterlijk lezen’ enz. Ik wil deze opvattingen voor het merendeel ook onbesproken laten, en geef slechts als commentaar dat deze moderne theologie veel weg heeft van een poging tot wanhopig in leven proberen te houden wat op sterven na dood is. Het lijkt mij toe dat deze eigentijdse christelijke theologie bedoeld is voor mensen die geestelijk grote honger hebben, maar totaal niets anders in huis hebben dan wat kliekjes van een paar dagen geleden. Theologie bedacht door mensen die met het christendom zijn grootgebracht en er maar geen afstand van kunnen of durven nemen. In het laatste hoofdstuk De Pelgrimsreis naar Volwassen Geloof zal ik proberen dit levendig te illustreren. In dit boek wil ik me niet zozeer concentreren op historische betrouwbaarheid, maar op ‘dit fantastische voedsel’ de ‘waarheden’ en ‘de religieuze inhoud’ van het christelijk geloof, oftewel de ethische leringen van de bijbel, en stip andere zaken slechts af en toe aan.


Dat waar ik ten lange leste over struikel is de ethiek van de bijbel, het karakter van God zoals dat ons afgeschilderd wordt.









De Zondeval

Laten we om te beginnen eens Genesis 3: 16-17 lezen. We weten allemaal dat Adam en Eva ongehoorzaam waren aan één gebod van God. Een heel flauw gebod natuurlijk, want God sprak tot Adam en Eva alsof ze kleine kinderen van twee waren, die met geen mogelijkheid begrijpen waarom ze iets niet mogen. God doet er niet de moeite voor ze dat uit te leggen. Logischerwijs kón Hij dat zelfs niet eens, want de mens had volgens het verhaal geen flauw benul van goed en kwaad. ’t Bijbelverhaal is als in het sprookje: maak niet de doos van pandora open, want o wee, als je dat doet...Welnu, wie weet waren Adam en Eva geestelijk pas twee. In ieder geval niet veel ouder dan een jaar, want anders zouden ze al een kind gehad hebben en zou onze theologie van de erfzonde daardoor schipbreuk lijden. Zo heeft God aan het prille begin van de geschiedenis voor de mens een val opgezet, waarvan de uitkomst niet alleen noodlottig de gehele verdere geschiedenis bepaalde, maar bovendien eigenlijk al van te voren vast stond. Adam en Eva namen van de vrucht van de kennis van goed en kwaad net zoals een kind een vuurvlam aanraakt, en net zoals Columbus onder dreiging van het afstevenen op een verschrikkelijke dood maar onverschrokken naar het onbekende westen vaart en net zoals in de toekomst een moedige mens naar Mars gezonden wordt. Adam en Eva worden door de kennis als een van de Goden (Gen. 3:22). Kennis nemen van dingen via ondervinding, het goede daarvan te behouden en het kwade weg te werpen is de kern van het menszijn. Het dualistische leven te leven en op elk moment te beslissen wie we zijn, is toch eigenlijk de zin van het leven. Wanneer we dan de gehele rest van de bijbel God bezig zien met het ‘redden’ van de mensheid, het ‘vergeven’ van de zonde, kunnen we niet aan de gedachte ontkomen, dat God mensen genade aanbiedt voor iets waar Hij toch zelf verantwoordelijk voor is geweest, namelijk het menszijn van de mens. Als het God ging om een liefdevolle relatie tussen schepper en geschapene, welke zijn basis had in blinde gehoorzaamheid aan iets waar het geschapene toch geen idee van had, hoe schraal zou de inhoud van deze liefdesrelatie zijn? Om mens te kunnen zijn en lief te kunnen hebben heeft de mens kennis van goed en kwaad als allereerste vereiste nodig. De bijbel redeneert dus zo: zij beweert dat ons menszijn dat we kennen niet de echte staat van menszijn is, en dat de staat van onschuld, welke bestaat uit het nog-niet-menszijn, het eigenlijke door God bedoelde menszijn is.
Om het wat eenvoudiger te zeggen: Op de manier zoals de bijbel redeneert zijn vogels dus zondig niet omdat ze geschapen zijn met vleugels, want dat is nu eenmaal zo, maar –stel je voor- omdat ze het lef hebben om te vliegen! Dit verhaal klinkt zo vreemd, zo twijfelachtig, dat het in ons denken de allergrootste alarmsystemen zou moeten af laten gaan. Maar vreemd, bij christenen gaat er geen enkel belletje rinkelen. Ze slikken het verhaal (wellicht aangevuld met wat smakelijker ingrediënten, of kunstig verborgen als onderdeel van een aanneembaardere kost) en baseren al hun verdere gedachten hierop.


Geheel afgezien van alle redelijkheid van dit bijbelverhaal (een mug of een teek steekt dus en zuigt ons bloed en geeft ons er af en toe een ziektekiem/virus voor in ruil, omdat Eva van de vrucht at en daardoor de perfekte schepping veranderde in de werkelijkheid die we kennen), zouden we ons verscheidene goddelijke reakties kunnen voorstellen op deze ongehoorzaamheid van de mens, net zoals wij vele opties hebben om op het doen en laten van onze kleine kinderen te reageren. Het vervelende nu is dat God juist zo reageert als wij tegenwoordig eenstemmig verwerpelijk achten, wanneer we het over de opvoeding van kinderen hebben. Gods reaktie is namelijk de volgende: God stelt deze tweejarigen verantwoordelijk voor hun ongehoorzaamheid. En de mens wordt bang voor God, zelfs nog voordat God de kans heeft gehad te laten zien dat Hij boos is en met straffen komt (Gen. 3:9). Vreemd, een mens is bang voor God alleen omdat hij mens is en niet anders kan dan menselijk handelen, en God is boos op de mens voor iets dat niet anders had kunnen zijn. En juist dit is de basis van het geloof waarmee we vertrouwd zijn.


Tegenwoordig leggen we natuurlijk veel liever uit dat de zonde als vanzelf de gevolgen oproept, zoals de natuurwetten dat doen. Aanraken van vlam geeft als natuurlijk gevolg de pijn. Maar dit soort redeneringen gaan helemaal niet op in het bijbelverhaal. Het is de uitleg van de moderne mens die akelige consequenties van zijn geloof probeert weg te strijken. God in de bijbel is nooit onpersoonlijk zoals de natuur. O modern mens, u die in een materialistische wereld van enkel natuurwetten leeft, u mag u dan eenzaam voelen in het universum en het daar moeilijk mee hebben, maar u zult nooit gekweld worden door het aller-verschrikkelijkste denkbeeld dat de mens ooit uitgevonden heeft: Een Opperwezen dat vanwege het overtreden van Zijn wetten persoonlijk pijn wordt gedaan, en daarom heel persoonlijk, met de macht en kracht die het een Opperwezen betaamt, ook straft. En o mens, voor wie het geloof de hoogste troost in het leven is, hebt u er ooit bij stilgestaan dat u, door de mythe als uw werkelijkheid te aanvaarden, uw verlossing gebouwd hebt op uw zelfgecreëerde angsten? Dat u op deze eerste bladzijden van dat wat doorgaat voor het Woord van God uw eigen God, de Vader die slaat, geschapen hebt? En, denk nog verder, dat u daarmee bovendien bepaalt wat voor ouder u zult zijn voor uw kinderen? En dat u daarmee voor de volgende generatie weer het Vaderbeeld schept waarin men zal geloven?


Wanneer we in de bijbel verder lezen zullen we opmerken dat in de godsdienstige wereld de straffen niet rationeel als noodzakelijkheden uitgelegd kunnen worden, want ze hadden net zo goed andere straffen kunnen zijn, een andere reaktie van God kunnen uitlokken. Juist wanneer het er op lijkt dat er toch een bepaalde logica in zit, krijgen we weer te maken met een tegengestelde logica. Af en toe worden er ‘eeuwige wetten’ uitgevaardigd, die even later weer vervallen of door de godsdienst als ‘vervuld’ worden uitgelegd. Af en toe denken we het te begrijpen (een verbod op het eten van varkensvlees zou gezond kunnen zijn), maar dan weer staan we voor een raadsel (‘de kameel moogt gij echter niet eten, omdat hij wel herkauwt, maar geen gespleten hoeven heeft’, Lev 11:4). Dat God persoonlijk is komt het best tot uiting door op te merken dat het gedrag van God in de bijbel nooit voorspeld kan worden door op wetmatigheden te rekenen. Soms straft hij tot zelfs in het tiende geslacht de zonden van de vaderen (‘Een bastaard zal niet in de gemeente des Heren komen; zelfs zijn tiende geslacht zal niet in de gemeente des Heren komen’, Deut. 23:2), soms geeft Hij aan ons wetten die Hijzelf niet onderhoudt (vergelijk Deut. 24: 16: ‘De vaders zullen niet om hun kinderen ter dood gebracht worden; ook zullen de kinderen niet om hun vaders ter dood gebracht worden; ieder zal om zijn eigen zonde ter dood gebracht worden’ met Ex 20: 5: ‘Want Ik, Jahweh, uw God, ben een naijverig God, die de ongerechtigheid van de vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde en vierde geslacht van hen die Mij haten’, en ook met oudtestamentische verhalen waarin de kinderen tesamen met de vader door God terechtgesteld worden);soms ook geeft Hij onverwacht genade aan mensen die het volgens Zijn wetten niet verdienen. Soms is God aanwezig in de kleinste details van het leven ‘een vrouw zal geen mansklederen dragen, en een man geen vrouwenkleed, want deze dingen zijn voor Jahweh, uw God, een gruwel. Wanneer gij onderweg een vogelnest aantreft in een of andere boom of op de grond, met jongeren of eieren- en de moeder zit op de jongen of eieren, dan moogt gij met de jongeren niet ook de moeder wegnemen; de moeder zult gij in ieder geval laten wegvliegen, maar de jongen moogt gij meenemen’ (Deut. 22:5-7), soms weer horen we niets van Hem, terwijl het allergrootste onrecht geschiedt (Richteren 11: 30-40).


Maar dit eerste verhaal legt wel de rode draad bloot die in al de boeken van de bijbel te zien is: God is vertoornd van bladzijde 3 tot aan het laatste woord van het Oude Testament: ‘...opdat Ik niet kome en het land treffe met de vervloeking’ en tot aan het laatste boek van het Nieuwe Testament, waarin Hij zeven schalen der gramschap en zeven plagen voor de toekomstige mensheid in petto heeft. En de mens staat voortdurend te beven van angst. De mens krijgt straf op straf, en het wordt altijd uitgelegd als ‘eigen schuld’.


Welke straffen komen eerst: Wel, de man zal moeten werken in het zweet zijns aanschijns. Het valt dus vooreerst nog wel mee gelukkig, want iedere man weet dat hij op z’n gelukkigst is wanneer hij hard werkt. Het pakt erger uit voor de vrouw: zij zal nakomelingen krijgen met hevige pijn, en desondanks zal ze toch telkens een man begeren om kinderen te krijgen. Bovendien zal de man over haar heersen. Die laatste twee punten zijn alweer een meevaller voor de man. Vooral wat dat laatste betreft heeft hij het de vrouw toch telkens weer duidelijk gemaakt wat Gods wil is, tot op de dag van vandaag.

Ook komt de dood als straf, maar met het oog op al die pijn en dat zweet zou je dat ook als genade kunnen zien. Later lezen we dan ook vaak dat iemand ‘verzadigd van het leven’ sterft. Een mens heeft er helemaal geen behoefte aan meer te ervaren, langer te leven.









Kaïn en Abel

We vervolgen met dat eigenaardige verhaal van Kaïn en Abel. Ik las het vroeger in de kinderbijbel. Er stond een tekening van Doré naast waar de beide broers aan het offeren waren. De rook van het offer van Abel steeg op tot aan de hemel, maar de rook van het offer van Kaïn blijft maar miezerig een halve meter rondom dat altaar hangen. Waarom sloeg God op het ene offer wel acht en op het andere niet? Ik vroeg het mijn moeder en ze wist hier niet op te antwoorden. Merkwaardigerwijze wordt de reden ook niet verteld in de bijbel, tenzij we het moeten lezen in Gen 4:7 ‘Kunt ge het niet goed maken indien gij goed handelt?’ Vanouds is dan ook de uitleg gegeven dat Kaïn geen bloedoffer aanbood. Dat is namelijk het enige juiste offer, zoals je in ieder theologisch boek na kunt lezen. Alweer vreemd natuurlijk, want er werd vermeld dat Kaïn landbouwer was. Hij was dus niet zoals de schaapherder Abel in het bezit van slachtvee. Ook al heel vreemd dat er überhaupt opeens geofferd moet worden, en nog wel met bloedvergieten. Zelfs een kind dat net heeft leren lezen begrijpt dat je met offeren niets kunt aanbieden aan God. Hij heeft geen eten nodig. God heeft op die eerste bladzijden van de bijbel niet uitgelegd dat een mens aan Hem moet offeren en hoe en waarom. Het was zeker niet nodig dit uit te leggen, want iedereen deed het, en overal ter wereld en ten alle tijden. En toch, wanneer we er nu in onze tijd over denken, klinkt het bijzonder onaannemelijk en barbaars dat je met behulp van bloedvergieten het hart van God kan verzachten.We moeten echter met dit verstandelijk redeneren onmiddellijk ophouden, want het offeren en het bloedvergieten is namelijk de basispijler van het hele christelijk geloof. Ontken je dat, dan hoef je niet meer verder te lezen, dan heeft de bijbel je verder niets meer te zeggen, dan stort het hele gebouw ineen. Als je een christen bent moet je hier de deur van je rationele denken op slot doen, je onderwerpen aan 6000 jaar oude (of wellicht nog veel oudere) ideeën van bloedvergelding, hoe eng het ook klinkt, al leef je in de dertigste eeuw na het begin van onze jaartelling. Ook moet je je er met ingenieuze theologieën uit zien te redden wanneer je in het Oude Testament opeens uitspraken tegenkomt die duidelijk laten zien dat meeloffers ook een zondoffer kunnen zijn (Lev. 5:13), een geldoffer af en toe ook schijnt te helpen (Ex. 30: 11-16), het bewijzen van genade en in waarheid leven ook zonden vergeeft (Spreuken 16:6), en ook bidden een substituut voor offeren kan zijn (Hosea 14:3) en Jezus laat weten dat liefde betonen zonden vergeeft (Lukas 7: 47)!



Wie weet moeten we ons hier onderwerpen aan de uitverkiezing. Het is met Kaïn en Abel net zo als later met Esau en Jacob. Hiervan legt Paulus het volgende uit:


‘Want toen de kinderen nog niet geboren waren en goed noch kwaad hadden gedaan - opdat het verkiezend voornemen van God zou blijven, niet op grond van werken, maar op grond daarvan, dat Hij riep,- werd tot hun moeder gezegd: De oudste zal de jongste dienstbaar zijn, gelijk geschreven staat: Jacob heb ik liefgehad maar Esau heb Ik gehaat.
Wat zullen wij dan zeggen: Zou er onrechtvaardigheid zijn bij God? Volstrekt niet! Want Hij zegt tot Mozes: Over wie Ik Mij ontferm, zal Ik Mij ontfermen, en jegens wie Ik barmhartig ben, zal Ik barmhartig zijn. Het hangt dus niet daarvan af, of iemand wil, dan wel of iemand loopt, maar van God, die Zich ontfermt. Want het schriftwoord zegt tot Farao: Daartoe heb ik u doen opstaan, opdat Ik in u mijn kracht zou tonen en mijn naam verbreid zou worden over de gehele aarde. Hij ontfermt Zich dus over wie Hij wil en Hij verhardt wie Hij wil.
Gij zult nu tot mij zeggen: Wat heeft Hij dan nog aan te merken? Want wie weerstaat Zijn wil? Maar gij, o mens! wie zijt gij, dat gij God zou tegenspreken? Zal het geboetseerde soms tot zijn boetseerder zeggen: Waarom hebt gij mij zo gemaakt? Of heeft de pottenbakker niet de vrije beschikking over het leem om uit dezelfde klomp het ene voorwerp te vervaardigen tot eervol, het andere tot alledaags gebruik? En als God nu, zijn toorn willende tonen en zijn kracht bekend maken, de voorwerpen des toorns, die ten verderve toebereid waren, met veel lankmoedigheid verdragen heeft -juist om de rijkdom zijner heerlijkheid bekend te maken over de voorwerpen van ontferming, die Hij tot heerlijkheid heeft voorbereid?’
(Rom. 9)


U ziet, ver komen doe je niet wanneer je rationeel gaat denken over het traditionele geloof. Wanneer we, zoals Paulus dat deed, met logisch denken opmerken dat God niet alleen liefheeft, maar ook haat, en niet op basis van de goede of slechte werken van een mens, maar als willekeurige uitvoering van Zijn plannen, dan mogen gelovigen hier geenszins kritiek op uitoefenen, maar moeten zo redeneren: ‘O mens, wie zijt gij dat gij God zou tegenspreken!’ Houd dus meteen op met vragen stellen, opdat je er niet op deze manier blijk van geeft ook een voorwerp des toorns te zijn. Vanouds heeft ook deze leer van de predestinatie ontelbare mensen in de ban van de angst doen leven. Zo lees ik in een reformatorisch boek uit 1972 –een van die boeken die ik gelovig doorlas in mijn jeugdjaren- naar aanleiding van een vraag over Gods verharding van Farao’s hart: ‘Dit wordt ons niet beschreven om er over te gaan discussiëren en te proberen Gods doen te doorgronden. Maar opdat we bang voor onszelf zullen worden en hartelijk leren bidden om de invloeden van Gods Geest’ (Ds W Vroegindeweij, In antwoord...). Dit fantastisch antwoord zaait niet alleen de angst uit, en doodt niet alleen het denken van een vrij mens, maar roept bovendien op tot iets wat volkomen nutteloos is, wanneer we het over de uitverkiezing hebben en juist lezen dat het er totaal niet van afhangt of we willen of lopen (en dus bidden)! Zoals we weten heeft Calvijn over de predestinatie het meest nagedacht. Hij kwam met zijn tot aan perversie grenzende negatieve gedachten over de verdorvenheid van de mens tot de conclusie dat naar zijn schatting slechts ongeveer één op de duizend de hemel in zal gaan! En dit soort walgdenken, de negatie van alles wat mooi en om van te genieten is, dit in de goot schoppen van jezelf, dit altijd maar in angst en beven voor de straf Gods overpeinzen van de zuiverheid van het geloof, heeft hele volken aangegrepen en werd gezien als vroomheid! [1]
Is het een wonder dat een land als Nederland in de wereld tegenwoordig voorop loopt met het omvergooien van het geloof der vaderen? Wanneer een mens, na een lange tijd in de donkere en klamme kerker van zijn gemoed en denken opgesloten gezeten te hebben, eindelijk frisse lucht en vrijheid krijgt aangeboden, schreeuwt hij het uit van overstelpende emoties. Hij rent als een wilde in het rond, verscheurt al zijn zwarte kleren, en wil de allerfelste en bontste kleuren gaan zien. Hij kijkt zoals Jan Wolkers met agressie terug naar het gereformeerde Oegstgeest en gaat Turks Fruit eten. En luister waarom de grootste nederlandse schrijvers schrijven zoals ze schreven: Gerard Reve: ‘Ik ben niet een dag in mijn leven echt gelukkig geweest’; Willem Frederik Hermans: ‘Angst is het vruchtwater waarin ik ben ondergedompeld. Ik schrijf alleen maar omdat ik bewogen word door angst, weerzin en afschuw.’


We vervolgen ons verhaal: Kaïn wordt boos en jaloers op Abel en slaat hem dood [lees bijbeltekst]. Nu zou je verwachten dat God ditmaal heel boos wordt, want deze vreselijke daad gaat ook voor ieder mens te ver. Maar nee, het valt alweer mee, Kaïn mag alleen niet meer als landbouwer werken. Bovendien moet hij maar ergens anders wonen en als zwerver en vluchteling leven. Ook zien we voor het eerst dat je met God kunt onderhandelen. Wanneer Kaïn erover klaagt dat iedereen die hij tegenkomt hem zal willen doden vanwege zijn moord (op moord moet volgens de bijbel een paar bladzijden later dan ook de doodstraf volgen om volkomen recht te doen), geeft God als antwoord: ‘Helemaal niet; ieder die Kaïn doodt, zal zevenvoudig boeten’(Gen. 4:15). Heel vreemd dat het terechtstellen van een moordenaar door God gewroken zal worden op een vreselijke manier: hij die dat doet zal er zevenvoudig voor boeten, dwz hij die Kaïn doodt zal dat wellicht zelf met de dood moeten bekopen en ook zullen er een stuk of zes van zijn kinderen sterven. Waarom handelt God zo eigenaardig? Waarom is Hij zo ondoorgrondelijk, zo onberekenbaar en grillig, zo onredelijk, zo onbegrijpelijk voor een mens van de 21ste eeuw?


Zou het zijn omdat de bijbel opgetekend is door een hoop mannen die dezelfde karaktertrekken vertoonden als de tegenwoordige mannen uit het Midden-Oosten? Een beetje opvliegend, met dan opeens weer dat joviale. En die de vrouw er flink onder weten te houden? Zou het zijn omdat de God die we in de bijbel tegenkomen slechts het maaksel is van de mens, en nog wel een niet bijzonder hoog ontwikkeld mens? Zie hoe christenen over hun God kunnen spreken:


"Alle zonden zijn erg. Maar de Here vindt opzettelijk zondigen echt verschrikkelijk. Dat voelt Hij aan als een opzij zetten van Jezus. En dat kan God de Vader niet hebben. Dan worden we onoprecht tegenover Hem en dat is iets waar Hij bijzonder gevoelig voor is. Net als wij." (uit een christelijke preek op het internet naar aanleiding van een tekst uit de Hebreeënbrief)


Precies: Net als wij, en wel wanneer we op ons allerzieligst zijn; zo'n god kan een mens met moderne kennis en ontwikkeling dan ook met geen mogelijkheid God noemen.







De Zonen Gods

We zijn op Genesis 6 aangekomen. Een van de meest ongelofelijke teksten uit de oudste historie van de mensheid spreekt over ‘de zonen Gods’, die zich verlustigen in de schone jonge menselijke vrouwen. Uit deze vreemde kruising van mensen en goden werden reuzen geboren ‘mannen van naam, geweldigen uit de voortijd’. Iemand die wat verder leest in de bijbel komt in Job1:6 alweer deze vreemde ‘zonen Gods’ tegen: ‘Op zekere dag nu kwamen de zonen Gods om zich voor de Here te stellen, en onder hen kwam ook de satan. En de Here zei tot de satan: Vanwaar komt gij? En de satan antwoordde de Here: van een zwerftocht over de aarde, die ik doorkruist heb.’ De zonen Gods is dus een oude term waar aan God ondergeschikte hemelse wezens mee bedoeld worden. Geen wonder dus dat uit zulke relaties tussen hemelse wezens en menselijke vrouwen reuzen ontstaan. Maar waar het nu om gaat is het volgende: Gods reaktie is alweer toorn. Hij beschuldigt de hele mensheid ervan dat zij zich misgaan hebben. Iedereen die dit leest zal zich afvragen wat een jonge schone vrouw van 18 anders had kunnen doen dan zich maar gedwee te onderwerpen wanneer zij oog in oog met zo’n geweldenaar, een ‘zoon van God’ stond, en zonder veel poespas gewoon ‘verkozen’ en ‘genomen’ werd. Maar de straf die hierop volgt is dat de levensspan van de mens door God drastisch verminderd wordt tot 120 jaar. Overigens laat het Nieuwe Testament weten dat God ook deze onbeschaamde engelen geducht heeft gestraft: in 2 Petrus 2 kunnen we lezen dat God de engelen die gezondigd hadden niet gespaard heeft, maar hen, door in de afgrond te werpen, aan krachten der duisternis heeft overgegeven om hen tot het oordeel te bewaren. In de brief van Judas wordt ditzelfde in de volgende bewoordingen uitgedrukt: ‘Engelen, die aan hun oorsprong ontrouw werden en hun eigen woning verlieten, heeft Hij voor het oordeel van de grote dag met eeuwige banden onder donkerheid bewaard gehouden’. We moeten er niet aan denken: Na al deze eeuwen met banden in duisternis wachten ze nog steeds op dit laatste oordeel.

Trouwens, let wel op wanneer u een vrouw bent, dit gevaar van op seks beluste engelen waart nog steeds rond:


‘Want een man hoeft zijn hoofd niet te bedekken: hij is het beeld en de heerlijkheid van God, maar de vrouw is de heerlijkheid van de man. (Want de man is niet uit de vrouw, maar de vrouw uit de man. De man is immers niet geschapen om de vrouw, maar de vrouw om de man.) Daarom moet de vrouw een macht op haar hoofdhebben vanwege de engelen.’ , zegt Paulus in 1 Cor. 11.


Een andere kanttekening die we moeten maken is dat deze nieuwe bepaling van God niet uitkomt. In de volgende verhalen leven mannen rustig een stuk langer. Pas duizenden jaren later is het Mozes die als eerste slechts 120 jaar wordt. Hij blijft ook de enige, want in tijden na Mozes leeft iedereen veel korter, tot op de dag van vandaag. In de psalmen kunnen we zelfs lezen dat de levensspan van de mens 70 jaar is, ‘indien wij sterk zijn, tachtig jaren’ (Ps. 90: 10).









De Zondvloed

Op vers vijf aangekomen van dit hoofdstuk is de maat van God vol: God heeft er berouw van de mens gemaakt te hebben omdat ‘al wat de overleggingen van zijn hart voortbrachten te allen tijde slechts boos was’. De lezer blijft nu met een stapel vragen achter en staat perplext: Vijf bladzijden geleden was alles wat God gemaakt had goed. En nu is het mooiste wat Hij gemaakt heeft, de mens, die bovendien naar Zijn beeld gemaakt is, zo slecht geworden dat er in hem niets maar dan ook niets goeds meer over is. Ten alle tijden doet hij niets anders dan slechtheid. De schepping die eerst zo geweldig mooi leek was dus maar een probeerseltje, en God veegt nu alles van tafel. Alles moet worden uitgeroeid. Ik durf het woord bijna niet in mijn mond te nemen, want ik ben na de nazitijd geboren, maar het staat in het heilige boek: ‘Ik zal de mensen zowel als het vee en het kruipend gedierte en het gevogelte des hemels uitroeien, want ik heb er spijt van dat ik ze gemaakt heb’. Uitroeien? Verdelgen? Ook de kleine kinderen? Ook de dieren? Hoe hebben die enige schuld? En God heeft spijt? Als een mens ergens berouw van heeft zeggen we dat hij gezondigd heeft en zich moet bekeren. Maar nu heeft God er berouw van dat Hij de mens gemaakt heeft en heeft hij het recht om alles van tafel te vegen en opnieuw te beginnen. Hij hoeft er zijn verontschuldigingen niet voor aan te bieden. Hij hoeft zelfs niet eens toe te geven dat Hij zich vergist had. Integendeel, het is allemaal de schuld van de mens die verkeerd doet. De mens zal alleen het oordeel ondergaan dat hij verdiend heeft. Nu ja, we moeten er maar aan wennen dat in de bijbel God soeverein is. Dat klinkt mooi, statig en koninklijk, maar het betekent eigenlijk dat Hij doet naar het Hem belieft, zoals een absoluut koning dat vroeger deed. Wanneer het tegen ons gevoel van rechtvaardigheid indruist moeten we ons onderwerpen en kunnen we de gevleugelde zinssnede -tevens irriterende dooddoener- gebruiken: Gods wegen zijn ondoorgrondelijk. We moeten het zondvloedverhaal ethisch maar aanvaarden. ‘t Is toch wel een beetje te begrijpen ook: we hebben allemaal wel eens een sneeuw- of zandkasteel gemaakt dat niet naar onze zin was en het even later in elkaar geschopt. Wie weet lukt het God de volgende keer iets beters te maken.

Maar wat lezen we nu? Op de gehele aarde bevindt zich nog één onberispelijke en rechtvaardige man, Noach, en hij en zijn familie krijgt genade. Hij wordt door God gered, we weten allemaal hoe. Op dit punt aangekomen zit iedereen die het verhaal volgt tegen God te roepen: hoe kunt U dat nu doen? U redt Noach en zijn familie, en daaruit groeit op den duur weer diezelfde mensheid die beter verdelgd kan worden. Het is dus echt de moeite waard niet. We zullen er allemaal later nog last mee krijgen. We zullen na zo’n zondvloed later allemaal ook vreselijk bang voor God zijn. Ik hoor ook nog iemand anders roepen: Als U Noach redt, kunt U nu echt niet nóg een paar mensen opzoeken die het niet verdienen de verdrinkingsdood te smaken? Die ergens op de hei gewoon wat schapen houden, een klein meisje misschien, dat wat met poppen speelt? Maar nee, God is onverbiddelijk, er worden zelfs nog meer dieren gered dan mensen, eerst twee van elke soort, en even later wordt het aantal van de reine dieren opeens vergroot tot zeven (of zeven paren). God heeft Noach blijkbaar uitgelegd dat er reine en onreine beesten zijn. Een deel van de reine dieren waren bestemd als slachtoffers, maar goed, ze mochten toch ruim een jaar langer leven.


Wanneer de zondvloed voorbij is en Noach de aarde weer betreedt, maakt hij meteen een altaar en brengt hij een brandoffer. God ruikt de liefelijke reuk van het brandoffer en zijn hart wordt erdoor verzacht: Hij belooft dat Hij nooit meer de wereld zal verdelgen door een zondvloed, ‘omdat het voortbrengsel van des mensen hart boos is van zijn jeugd aan’. Onbegrijpelijk dat God de zondvloed over de aarde deed komen vanwege de zonde van de mens, en nu, vanwege precies dezelfde reden besluit de mensheid er nooit meer zo voor te straffen. Maar goed, voor even kunnen we opgelucht adem halen. God is niet boos meer. Hij verlangt alleen dat we ons van nu af aan aan de volgende regel houden: ‘Wie des mensen bloed vergiet, diens bloed zal door de mens vergoten worden’. Met het invoeren van de doodsstraf zal het hier op aarde best leefbaar worden. Welk een wijsheid legt God hier als wetgever aan de dag!

(Iedereen die de bijbel uit heeft gelezen weet natuurlijk dat Gods tweede wraakneming het verdelgen van de aarde door vuur zal zijn. Daar heeft Hij natuurlijk het recht toe, want alweer, het is Zijn schepping, en bovendien wordt in het verbond met Noach alleen over verdelgen met water gesproken. Vernuftig niet? Je moet de kleine lettertjes lezen voor je de vlag uit steekt).

En raad nu eens waar deze Rechtvaardige en Onberispelijke man Noach de aarde mee begint op te bouwen? Wel, hij plant een wijngaard en gaat er lekker van genieten. Niet wat je zou verwachten van een man die als enige genade van God kreeg om door te leven. Een beetje genieten OK, maar je helemaal dronken drinken en je ontbloten...Zijn zoon Cham komt langs en ziet hem zo naakt in z’n tent liggen. Hij moet er hartelijk om lachen en roept zijn twee broers.


Daarop namen Sem en Jafet een mantel, legden die op hun beider schouders, liepen achterwaarts en bedekten huns vaders naaktheid, terwijl hun aangezicht afgewend was, zodat zij hun vaders naaktheid niet zagen. Toen Noach uit zijn roes ontwaakte en vernam, wat zijn jongste zoon hem aangedaan had, zei hij: Vervloekt zij Kanaän, een knecht der knechten zij hij voor zijn broeders. Voorts zei hij: Geprezen zij de God van Sem, maar Kanaän zij hem tot knecht. God breide Jafet uit, en hij wone in de tenten van Sem, en Kanaän zij hem tot knecht’.


Ik geef tegenwoordig les op de basisschool aan kinderen van 8 tot 12. Ik ken ze goed: wat hebben ze een lol als een volwassene door een stommiteit een nar van zichzelf maakt! En wat is de reactie van een wijze onderwijzer? Hij glimlacht om ze en hij geeft zichzelf stilletjes een reprimande en de opdracht de volgende keer een betere onderwijzer te zijn. Maar nu deze onberispelijke man Noach. Hij wordt niet alleen boos op z’n zoon Cham, maar vliegt volkomen uit de bocht en vervloekt het nageslacht van zijn zoon! (Kanaän is Chams zoon). We strijken ons door ons haar en binden de touwtjes aan elkaar: Noach gedraagt zich net zoals God. Onberispelijk en Rechtvaardig betekent dus grilligheid en vooral buitengewone boosheid en straf die in geen enkele verhouding staat tot de overtreding, straf die zich zelfs uitstrekt over ongeborenen. Bovendien heeft onberispelijk en rechtvaardig niets te maken met wat wij van die begrippen gemaakt hebben!

Nu weet iedereen die wat meer gelezen heeft over slavenhandel, rassenstrijd en dergelijke, wat het gevolg van deze vloek is geweest. Duizenden keren en honderden jaren is deze bijbeltekst gebruikt om het zwarte ras te onderdrukken. Hoeveel leed heeft deze vloek en het optekenen ervan in de wereld gebracht! Noach had er geen idee van: hij bracht door deze uitspraak meer ellende in de wereld dan alle mensen die in de zondvloed vanwege hun zonden om het leven kwamen. En God dacht dat hij onberispelijk was! Maar goed, God kan ook niet alles weten. Hij wist tenslotte ook niet dat zijn mooie schepping zo bevuild werd dat het hem later berouwde de mens gemaakt te hebben, anders zou Hij toch de mens in de eerste plaats niet gemaakt hebben.

Als een gelovige een beetje moeite heeft met dit verhaal, kan ik hem op een paar punten gerust stellen. Mijn leraar op de lagere school stelde voor dat Noach helemaal niet wist dat de alcohol zich stilletjes ontwikkelt als de druivensap in de zon staat, wie weet scheen de zon na de zondvloed heel anders. En wat het vervloeken van een onschuldige betreft, zie hoe vrome christenen de zaak eenvoudig oplossen:


Lastige Vraag: Nog een vraagje, even later in het verhaal ligt Noach dronken in zijn tent. Sem en Jafet bedekken hem met een mantel. Dan staat er: “Toen Noach uit zijn roes ontwaakte en vernam wat zijn jongste zoon hem aangedaan had zeide hij: Vervloekt zij Kanaan, een knecht der knechten zij hij voor zijn broeders”.
Snap hier niks van! Wat heeft hij misdaan? Of interpreteer ik het stukje niet goed, en is Noach niet boos?


Vroom Antwoord: Het is niet dat Noach Kanaan vervloekt om hetgeen Cham heeft gedaan. Het is niet eens een vervloeking. Het is een profetie, een voorspelling.
Omdat Cham dit had gedaan heeft Noach hem deze vreselijke waarheid verteld, zodat Cham zal moeten leven met deze akelige kennis.


(discussie op internet)


Indien u deze uitleg een te grove verdraaiing van de tekst vindt, kunt u altijd nog proberen bij de joodse traditie een uitleg te vinden die de zaak mooi gladstrijkt. Hiervoor wordt in de regel wel gezorgd. In de omvangrijke Joodse overlevering zult u vast wel een verhaal tegenkomen dat vertelt dat Kanaän ook een twijfelachtige rol speelde in dit verhaal over Noachs dronkenschap. Hij kreeg vast niet zomaar op z’n kop. Deze kanttekeningen zijn van het allergrootste belang voor ieder die wil weten hoe gelovigen met de bijbel omgaan, de bijbel ‘uitleggen’ wanneer ze overduidelijk voor zichzelf spreekt, maar we het maar moeilijk slikken kunnen. [2]


Ik voor mij ben eindelijk op de leeftijd gekomen dat ik de bijbel onbevooroordeeld kan lezen. Zoiets is buitengewoon moeilijk voor een fundamentalistisch christen. Het wordt namelijk ‘arrogant’, ‘zelfoverschatting’ en ‘hooghartig’ genoemd, en getuigt van een zondige levenshouding. En toch doe ik het, omdat ik eindelijk zie dat het precies andersom is: de autoriteiten die ’s mensen vrijheid en eerlijkheid van gedachten verbieden zijn hooghartig, arrogant, en overschatten hun humaan menselijk en eerlijk denken honderdvoudig! En wat een wereld gaat er nu voor mij open! Alles is anders! Het eerste wat me bij het lezen van dit verhaal te binnen schiet is Noach en zijn twee preutse zonen aan te raden om iets van de levenswijze van Finnen te leren. Je gaat hier als vader gewoon met je zonen bloot naar de sauna, en er is niemand die lacht en niemand die ergens naar kijkt. Het klinkt misschien wat vreemd, maar in feite heet zoiets civilisatie en is het vervloeken van iemand inclusief zijn nageslacht volkomen barbaars. Mijn reaktie laat dus meteen zien waar het lezen van de bijbel alsof het een gewoon boek is op uitloopt (en tegelijkertijd ook waarom de religieuze autoriteiten mensen verbieden voor zichzelf te denken).









De Torenbouw van Babel

We zitten al in Genesis 11 te lezen. De mensen bouwen een geweldig gebouw. Ze zijn van plan door te gaan totdat de top tot aan de hemel reikt. Dat gaat echter helemaal te ver. Daar zullen Wij (Gen. 11:7) wel een stokje voor steken. Iedereen weet op welke manier: hun taal werd verward en niemand verstaat elkaar meer. Je zou het niet verwachten, maar het gevolg is dat de mensheid daardoor verstrooid wordt over de gehele aarde. Iets anders wat opvalt in dit verhaal zijn de eigenaardige woorden ‘Toen daalde de Here neder om de stad en de toren, die de mensenkinderen bouwden, te bezien’, en even later nog een keer ‘Welaan, laat Ons nederdalen en daar hun taal verwarren’. Kon God het niet zien vanwaar Hij was? Tegenwoordig wordt ons verteld dat God overal en zelfs in alles is. Precies dezelfde primitieve voorstelling van God lezen we in het verhaal over de verwoesting van Sodom en Gomorra, een paar hoofdstukken later: ‘Daarop zei de Here: Het geroep over Sodom en Gomorra is voorwaar groot, en haar zonde is voorwaar zeer zwaar. Ik wil nederdalen om te zien, of zij inderdaad gedaan hebben naar het geroep, dat tot Mij gekomen is, of niet; Ik wil het weten.’Hier laat God ons zelfs weten dat Hij ook niet alles weet.

Maar nu het belangrijkste: Waarom werd God weer eens boos? Wel, Hij zegt het overduidelijk: ‘Dit is het begin van hun streven: nu zal niets van wat zij denken te doen voor hen onuitvoerbaar zijn.’ God wil niet dat de mensheid zich in grote conglomeraties (steden) nestelt en zich technisch en wetenschappelijk ontwikkelt (allemaal dwaalwegen van Kaïn).

Nu de mensheid zich sinds de renaissance al zo’n 600 jaar technisch en wetenschappelijk op niet eerder geziene manier ontwikkeld heeft en we tegenwoordig allemaal met miljarden met elkaar in contact staan, weten we, aangekomen in de 21ste eeuw, ook waarom God dat niet wil: zulk een ontwikkeld mens wordt mondig, laat zich niet meer door autoriteiten ringeloren en zet tenslotte de God van de bijbel aan de kant.


Het is interessant dit begin van de menselijke geschiedenis en de laatste pakweg 600 jaar ervan met elkaar te vergelijken. De verhalen van de oude wereld geven ons enigszins inzicht in belangrijke zaken zoals het ontstaan van de wereld, de heerschappij van de man over de vrouw, waarom een slang op z’n buik kruipt, waarom we hard moeten werken, wat de oorsprong en status is van de verschillende volkeren en talen, de oorsprong van de reuzen, hoe het zat met de zondvloedramp. Alles wordt in de bijbel uitgelegd in twee kleuren, twee gedachten: Er is 1) een God, in vele opzichten zeer verwant aan de mens, Hij is als een Uitvergroot Man, maar aan de andere kant ver boven de mens verheven, streng toezicht houdend op de daden van de mens, en 2) een mensheid die altijd en in alles verkeerd doet, en willens en wetens altijd de verkeerde kant opgaat. De synthese van deze gedachten is heel eenvoudig: Straf. Dood en pijn.

Op deze manier geeft de bijbel een antwoord op het existentiële probleem van het menselijk leven: Hoe leggen we dood, pijn en lijden uit? Antwoord kort en duidelijk: Eigen schuld (en vooral de schuld van de vrouw). En de hele bijbel vervolgt met de pogingen van God om de mens maar te laten zien dat hij moet leren leven in onderwerping aan God (en de vrouw aan de man). De godsdienst maakt het iedere gelovige dag in dag uit overduidelijk: God is Heilig. En op aarde: overal is zonde, overal loert de tegenstander van God, ook in je eigen hart. Weinigen zijn er die nog naar God willen luisteren. Maar kom tot bekering, want anders zal Gods straf verschrikkelijk zijn!


Uiteindelijk is het me als mens duidelijk geworden: Ik kan en wil helemaal niet leven met een God die haat, wanneer het Hem belieft, die iedereen, zelfs babies, veroordeelt, voortdurend straft en altoos vertoornd is. Deze gedachte is mijn diepste innerlijk, mijn diepste menszijn, uiting van mijn eerlijkste gevoelens. Dat wat ik altijd als axioma in mijn leven heb aanvaard, deze toorn van God en de volledige zondigheid van de mens, verwerp ik nu met de grootst mogelijke kracht, omdat ik nu zie dat deze gedachten, dit sombere en trieste wereldbeeld, zowel de mensheid in zijn geheel alsook de individuele mens volledig omlaag halen, vernederen tot op het diepste punt, en volkomen krachteloos maken. Het doet een mens uiteindelijk stikken in zijn miezerigheid, het laat hem zijn gehele leven beven van angst en hem alleen depressief zijn ogen opslaan wanneer hij elke dag ontwaakt.


Ik weet best dat het Christendom de redding predikt van dit alles. Maar het duurde een half leven voordat ik ontdekte dat het evangelisch/orthodoxe/reformatorische Christendom mij eerst als mens in de goot geschopt had en daar voortdurend mee door zal gaan door mij dag in dag uit van mijn zondigheid te vertellen. En wanneer een mens zich dan volkomen slecht ziet wordt hem dáárvan redding aangeboden. En die redding gaat als volgt te werk: je wordt op een brancard gelegd en geboeid. En op weg naar de zaligheid mag je je niet bewegen, wordt je er voortdurend op gewezen dat naar links en rechts kijken fatale gevolgen heeft. Een mens wordt in het christendom niet verlost van zijn zondigheid; integendeel, hoe vromer hij het christenzijn beleeft, des te zondiger zal hij zich voelen, zijn gehele leven door. Dit is het allergrootste dilemma voor de gelovige: indien hij zich niet diep bewust van zijn zondelast is, is hij geen goed gelovige maar een halfslachtige, wellicht een ‘man van de wereld’. Zonde is namelijk niet alleen ‘doodslaan’ (verhaal van Kaïn en Abel) en ‘geweldenarij’ (verhaal van de zondvloed) maar ook identiek aan ‘wijs willen zijn als God’ (verhaal van de zondeval), of ‘prestaties te leveren zoals God’ (bouw van de toren van Babel). Bijgevolg mag een goed gelovige dan ook niets met de wereld en de mensheid op hebben. De meest kardinale regel in de godsdienst is volmaakt vertrouwen op en totale onderwerping aan God. Een mens moet volgens het geloof van de bijbel een slaaf van God worden, zoals Paulus zich noemt, zich aan Hem onderwerpen zoals Abraham dat deed, zoals Adam en Eva dat hádden moeten doen.

Abraham voldeed aan de hoogste eisen van de godsdienst: toen God hem testte en hem de opdracht gaf zijn zoon te offeren op een berg, ging hij resoluut met z’n zoon op pad om te gehoorzamen. Abraham geloofde God zoals de nazis in Hitler geloofden. Het Nieuwe Testament legt uit dat Abrahams geloof zo groot was dat hij dacht dat God zijn zoon later weer levend zou maken. Vreemd dat men de hele geschiedenis door alleen maar op dat geweldige geloof staart. Een modern mens is van goedgelovigheid helemaal niet zo onder de indruk. Het eerste wat de moderne mens ziet is dat Abraham echt van plan was zijn enige zoon, (zo noemt de bijbel hem, maar tegenwoordig zouden we zeggen: beter gezegd, de enige zoon van zijn eerste vrouw) met een mes op een altaar om het leven te brengen. Als God opdracht geeft tot doodmaken, dan is doodmaken goed. Zo moet je geloven! Zo zal iedere ware gelovige de uitroeiing van de volkeren van Kanaän goedpraten, ja, zelfs de eeuwige veroordeling tot de hel.

Er is trouwens nooit een gelovige te vinden die denkt aan de traumatische implicaties van dit verhaal voor de psyche van de onschuldige jongen Isaak. Hij laat dit, net als God zelf in het bijbelverhaal natuurlijk, volkomen buiten beschouwing. Ook heb ik nooit iemand zich horen afvragen hoe Saraï in dit verhaal past. Dat is ook volkomen overbodig, want ze heeft er in de bijbelse gedachtenwereld totaal niets mee te maken, er totaal geen woord over te zeggen. Kinderen zijn het bezit van de man, net zoals de vrouw dat is. Een gelovige móet deze dingen buiten beschouwing laten, net zoals hij nooit God mag beschuldigen zo’n walgelijke opdracht aan Abraham te geven, omdat zelfs één vleugje kritiek al betekent dat hij hoogmoedig begint te denken over het bijbelse geloof. ‘Bijbelgetrouw christendom’ betekent intellectuele zelfmoord.


Rembrandt, 1634 (Scan by Mark Harden).


Paulus drukt deze blinde gehoorzaamheid als volgt uit:


‘Wij trekken ten strijde voor God met krachtige niet-vleselijke wapenen, zodat wij de redeneringen en alle verdedigingslinies die opgetrokken worden tegen de kennis van God, uit de weg ruimen, elk bedenksel als krijgsgevangene brengen onder de gehoorzaamheid aan Christus, en klaar staan, zodra uw gehoorzaamheid geperfektioneerd is, alle ongehoorzaamheid te straffen.’ (2 Cor. 10:4-6)


Een slaaf van God houdt vooral in slaaf te zijn van Zijn Woord. Zo moet je je vooral nooit afvragen waarom het voor God zo belangrijk is een wet te geven die als volgt luidt: ‘Alle reine vogels mag u eten, maar dit zijn de vogels die u niet mag eten: de arend, de lammergier, de baardgier, de wouw en de verschillende soorten valken, alle soorten raven, de oehoe, de kortooruil, de langooruil en alle soorten sperwers, de steenuil, de ibis, de witte uil, de pelikaan, de visarend, de aalscholver, de ooievaar, alle soorten reigers, de hop en de vleermuis.’ (Deut. 14: 12-18) terwijl Hij het systeem van de slavernij nooit verbiedt. Wanneer de bijbel dus zegt dat de eerste vijf boeken door Mozes geschreven zijn, dan zal menig ware gelovige zeggen dat hij ook het verslag van zijn eigen dood moet hebben beschreven. En wanneer hij schrijft dat Abraham zijn vijanden tot aan Dan achtervolgde (Gen. 14:15), terwijl Dan in Abrahams tijd nog niet eens geboren was, en zelfs in de tijd van Mozes bestond dit gebied nog niet, dan moet hij buitengewone kennis van zaken gehad hebben en met het oog op toekomstige lezers geschreven hebben. [3] Zo gelooft een echte gelovige dat Jona de walvis opslokte als het maar in de bijbel zou staan. Dat deze grappige uitspraak niet overdreven is kunnen we uit de godsdienstige geschiedenis op talloze manieren illustreren. Wie weet is het voldoende uit de voorbeelden die voor het oprapen liggen dat sommigen in de 19e eeuw (als reaktie op de pijnlijke ontdekkingen van de wetenschap aangaande de ouderdom van de aarde) voorstelden dat God de dinosaurusbotten en fossielen wellicht in de grond had gestopt om ons geloof op de proef te stellen! (Lees dit artikel voor een soortgelijke dwaze prediking van een moderne amerikaanse evangelist). Deze onvoorwaardelijke overgave aan God staat zo centraal dat toen Mohammed de Koran schreef met een hutspot van ideeën voor het merendeel ontleend aan mondelinge overlevering van Jodendom en Christendom, dat geloof ‘Islam’ noemde, ‘Overgave aan God’. Dat was de kern van wat hij begrepen had, en hij sloeg de spijker op z’n kop.


De moderne wereld is echter geheel anders. Gaandeweg is de mens anders gaan denken en handelen. We kunnen ons tegenwoordig verbazen over zo’n houding waarbij een mens zichzelf moreel wegcijfert en minacht, de kracht van zijn eigen rede ontkent, recht praat wat hij in zijn hart als krom ziet, goed vindt wat hij in zijn diepste binnenste als liefdeloosheid kent. Hoe is dit mogelijk? Hoe in vredesnaam kan een modern mens geloven dat God voor Jozua de zon deed stilstaan, met als reden dat de Israelieten wat meer tijd kregen om hun vijanden tot op de laatste man af te kunnen maken? De diepste redenen liggen in de diepste gevoelens van de mens: Liefde en Angst. Een mens snakt onophoudelijk naar Liefde en voelt zich op elk moment bedreigd. Naar het één reikt hij zijn handen uit, voor het andere krimpt hij voortdurend ineen. Al zijn handelen, denken en reakties hebben hun wortels in die twee grondgevoelens. En de angst voor God is de geschiedenis door een veel grotere macht dan het geloof in de liefde, omdat de gestrengheid van God vele malen sterker beschreven wordt in de bijbel dan de liefde van God. De angst heerst altijd, de liefde komt af en toe alleen wat verlichting brengen. Tegenwoordig werkt het zo: we denken door tot geloof te komen eindelijk de reddingsboot van de liefde en de zin gevonden te hebben, en ervaren daarna elke kritiek op de bijbel als een gat in de bodem als gevolg waarvan we uiteindelijk wel eens zouden kunnen gaan zinken. Hier werkt de onzekerheid als angst op de achtergrond.









De Moderne Mensheid versus De Antieke Bijbel

De geschiedenis van de laatste eeuwen laat zien dat de rol en inhoud van de godsdienst langzamerhand en met toenemende snelheid verandert. Vanaf de tijd van de renaissance wordt God, die steeds in het centrum van het leven stond, meer en meer naar de achtergrond gedreven en daarvoor in de plaats komt de mens zelf. De mens voelt zich steeds meer als een tiener die ontdekt dat hij volwassen begint te worden, dat hij zelf beslissingen kan nemen, dat hij niet altijd alles aan zijn vader hoeft te vragen, dat hij best verantwoordelijk kan handelen. Hij begint plannen te maken over zijn toekomstige volwassen leven, hij neemt afstand van zijn jeugd en ouders. Zoals iedere ouder weet is het niet gemakkelijk je kinderen de deur uit te zien lopen. De traditionele godsdienst staat dan ook lijnrecht tegenover deze ontwikkeling, zoals Genesis 11 ons al inlicht, en daarvóór ook het verhaal van de zondeval.

Het is ook interessant op te merken dat dit opgroeien van de mens voor een groot deel een gevolg is van de Reformatie. Vanaf die tijd moest men namelijk tegen de geweldige autoriteit van de Rooms Katholieke kerk in opstand komen. Vanaf die tijd deed men zijn best om ook de gewone lieden lezen te leren, om de bijbel te kunnen verstaan in ieders eigen moedertaal. Vanaf die tijd werd een beroep gedaan op de rede van ieder mens om de verschrikkelijke dwaalleringen en allerlei vormen van stompzinnig bijgeloof en zogenaamde wonderen waar de Katholieke kerk doordrenkt van was, aan de kaak te stellen en tegen te staan. Als gevolg ontkiemde het rationalisme pas goed in de protestantse wereld. En toen deze ontwikkeling op gang kwam, ging ze tot de dag van vandaag verder. Geleidelijk aan werd ook het protestantse geloof door nieuwe denkbeelden uitgehold en aangevallen.

Het opgroeien van de mens begon eigenlijk pas tot de maatschappij door te dringen in de tijd van de verlichting. Er gingen heel wat lampjes op in die tijd en daarmee verdwenen een hoop bijgelovigheid en barbaarsheid. Voltaire was in de 18e eeuw de meest vooraanstaande denker, en hij zette een hoop religieuze praktijken en gedachten voor schut. De naam van Voltaire wekt in gelovige kringen nog steeds heftige reakties op. De reden hiervan is niet dat deze man een immoreel leven leidde -integendeel, hij zette zich in als geen ander om onschuldige mensen te redden- maar omdat hij de kerk en het geloof van barbaarsheid en achterlijkheid beschuldigde, sterker nog, als oorzaak van de onmenselijkheid van de mens zag. Daarom is Voltaire nog steeds actueel. Neem bijvoorbeeld een hoofdstuk als 2 Kronieken 16 onder de loep, een verhaal waar ik vanmorgen op stuitte en waarvan ik me kan voorstellen dat Voltaire er heftig op gereageerd zou hebben. Er wordt over een koning Asa gesproken. Deze koning van Juda wordt aangevallen door de koning van Israël. Asa herinnert zich dat zijn vader een verbond sloot met een buitenlandse koning van Aram. Hij vraagt om diens hulp en wordt uit zijn nood verlost zonder veel bloedvergieting. Hoe reageert God in de bijbel? Hij zendt een profeet met de boodschap dat Asa verkeerd gedaan heeft door op een buitenlandse bondgenoot te vertrouwen en niet alleen op God. Als hij alleen op God vertrouwd zou hebben, dan zou God ook de koning van Aram hem in zijn macht gegeven hebben. We zien dus dat het in het Oude Testament er helemaal niet om gaat oorlogen te vermijden, of de hoogste vorm van menselijkheid te vinden, maar enkel en alleen om God maar aan je zijde te hebben wanneer je strijdt, want dan zul je altijd overwinnen. Evenlater in hetzelfde hoofdstuk wordt Asa, toen hij uiteindelijk ziek werd, door de bijbelschrijver berispt op de volgende manier: ‘Zelfs in zijn ziekte zocht Asa geen hulp bij de Here, maar bij dokters’. Letwel, het ging hier om een godvruchtige koning die nota bene in zijn leven een eed had afgelegd Jahweh in geheel zijn leven te dienen en te eren! Al zijn handelen was dus in het geheel niet gericht tegen God. Hij deed niets anders dan wat wij elke dag doen: zijn gezond verstand gebruiken! Dit is dus juist datgene waar de vrome godsdienst altijd tegenin gaat.


Deze manier van denken heeft de kerk altijd een vijand doen zijn van de wetenschap, iets waar Bertrand Russel veel over kon uitweiden. Hier snijden we het punt aan dat wel tot de allergrootste aanklachten tegen de traditionele godsdienst kan worden gerekend en waarschijnlijk ook de grootste oorzaak is van de neergang van de godsdienst sinds de opkomst van de wetenschap: de godsdienst biedt ons een God aan die zogenaamd voor ons zorgt (en die daarom volkomen overgave aan en vertrouwen op Hem eist) maar God heeft dit nooit op een concrete, tastbare wijze voor de gehele mensheid gedaan zoals de mens zelf via de menselijke wetenschap dit heeft gedaan (en we Hem dus nooit zo met dezelfde zekerheid kunnen vertrouwen als we bijvoorbeeld kunnen vertrouwen op inentingen en pilletjes tegen hoofdpijn). In Leviticus 13 en 14 bijvoorbeeld kunnen we ellenlange teksten lezen over slechts één onderwerp: de melaatsheid. Aan geen enkel ander aspect van het leven wordt in de wet van Mozes zoveel aandacht besteed als juist hieraan. We kunnen hieruit opmaken dat deze beangstigende ziekte één van de dingen was die de antieke mens het meest bezighield. En wat doet de godsdienst nu met deze gewichtige zaak? Wel, we kunnen er lezen


a)dat God de plaag doet ontstaan (Lev. 14: 34),


b)hoe de priester de diagnose moet stellen en in het geval hij melaatsheid constateert,


c)de zieke voor onrein moet verklaren,


d)hoe men moet handelen wanneer de plaag eenmaal is uitgebroken (zieken afgezonderd doen wonen, kleren wassen, huizen afbreken en op een onreine plaats storten) en


e)met welke omslachtige rituelen de priester een herstelde zieke of een huis uiteindelijk weer rein kan verklaren. De rituelen vereisen twee reine vogels, waarvan er één geslacht wordt en de andere, tesamen met cederhout, scharlaken en hysop gedoopt wordt in het bloed van de geslachte vogel. Dan mag de nog levende vogel wegvliegen en zal de herstelde zieke met het bloedige mengsel zevenmaal besprenkeld worden. Na nog zeven dagen van wassen, haren afscheren en afzondering zal de zieke nog een schaap als schuldoffer door de priester doen slachten. De priester zal hem dan nog bloed aan zijn rechteroorlel strijken, aan zijn rechterduim en aan zijn rechter grote teen.


‘Dan zal de priester zijn rechtervinger dopen in olie die in zijn linkerhand is, en van die olie met zijn vinger zevenmaal sprenkelen voor het aangezicht van Jahweh. Van de rest van de olie zal de priester iets strijken aan de rechteroorlel van hem die gereinigd moet worden, en aan zijn rechterduim en zijn rechter grote teen, boven op het bloed van het schuldoffer. En wat van de olie overblijft zal hij doen op het hoofd van hem die gereinigd moet worden; zo zal de priester over hem verzoening doen voor het aangezicht van Jahweh.’


Indien de herstelde zieke arm is zijn er


f)alternatieve rituelen.


Maar nu de gedachte die in ieder modern mens onmiddellijk zal opkomen: paragrafen van a tot f, maar nooit is God op het idee gekomen de mensheid of zijn volk een middel tegen melaatsheid te geven, de enige paragraaf die voor alle tijden waardevol zou zijn geweest! Op dezelfde manier heeft Hij ons ook nooit verteld welke planten en paddestoelen eetbaar zijn en welke giftig. Adam en Eva moesten dat paradijs uit en het allemaal zelf maar uitzoeken. Alle levensbelangrijke wetenswaardigheden aangaande voedsel en omtrent gezondheid en ziekten heeft de mens zelf moeten uitvinden, veelal door levensgevaarlijke proeven op zichzelf te doen. De godsdienst komt dus met een God die soms straft met ziekte en wanneer men er op onverklaarbare wijze van geneest, moet deze God met schuldoffers verzoend worden. Zolang de mens praktisch niets wist, over bijvoorbeeld ziektebestrijding, was het voor de godsdienst vanwege de angst gemakkelijk zich boven de mens te stellen en gehoorzaamheid aan en vertrouwen op God te eisen, maar met de opkomst van de wetenschap, die daadwerkelijk oplossingen voor problemen aanbiedt, heeft zij langzamerhand een rivaal gekregen die uiteindelijk machtiger werd dan zijzelf. De godsdienst weet zich uiteindelijk -nadat ze de strijd tegen het rationalisme voorgoed verliest- aan te passen en de tegenstrijdigheden aan elkaar te lijmen door te zeggen dat je doktoren kan gebruiken om beter te worden wanneer je tegelijkertijd ziet dat zij instrumenten in Gods hand zijn, en uiteindelijk de ziekte door toedoen van God overwonnen wordt. Een slap aftreksel natuurlijk van het oorspronkelijke pure geloof, maar je kunt er weer mee verder. Voor de vroomgelovigen heeft de aanpassing eeuwenlang geduurd, en wordt ze zelfs nu nog slechts schoorvoets, mondjesmaats en met grote tegenzin gedaan. Zo heeft de Katholieke kerk pas in het midden van de vorige eeuw toegegeven dat chirurgische amputatie niet zondig was, en een leven kan redden. Voorheen werd alles wat de mens tegenzat uitgelegd als een straf van God. In 1829 veroordeelde Paus Leo XII inentingen: "De persoon die zich laat inenten houdt daarmee op een kind van God te zijn: de pokken is een door God gewilde straf en inenting is het tergen van de hemel." Het kan in nóg vromere tijden nóg idioter. In 1200 trouwde de Doge van Venetië met een Byzantijnse prinses. De prinses bracht enkele gewoonten van beschaving mee uit haar vaderland, waarvoor de kerkelijke autoriteiten haar goddelijke straf in het vooruitzicht stelden. De prinses volhardde echter in haar schandaleuze gedrag. Na haar dood schreef een Franciskaner dokter Sint Bonaventura in een kerkelijk document: "De prinses onderging de straf van God die ze verdiend had, omdat ze het voedsel tot haar mond bracht niet met haar handen, zoals het oorbaar is te doen, maar met een tweepuntige gouden vork."


Een van de dingen die een ouder wordend mens cynisch kunnen maken is steeds scherper te zien hoe we in elke tijd van de geschiedenis, door onze godsdienst als een windvaan een andere kant op te laten draaien, altijd maar weer uitkomen op een punt dat we door kunnen gaan met ons geloof.


Al werd Voltaire door iedereen beschimpt –zelfs Mozart schrijft volkomen onbekend met de ware Voltaire, aan z’n vader dat Voltaire, ‘de goddeloze aartsvijand’ gelukkig eindelijk ‘als een hond’ gestorven is! - toch waren de nieuwe verlichtingsideeën niet te stuiten, eenvoudig omdat ze voor de mens zo heilzaam waren: met het vermeerderen van de kennis nam de angst af en de liefde toe. Dit kan op honderd en één manieren bevestigd worden, maar ik noem maar een paar dingen: men schaft de doodstraf af, de absolute koning, de geloofsvervolging, men heeft het over Rechten van de Mens, over gelijkheid en broederschap, menswaardigheid, democratie, tolerantie enz. Men leert ziekten te bestrijden, honger uit te bannen, vrouwen als gelijkwaardig te beschouwen, duizenden voorwerpen van gemak en genot uit te vinden. Voor het eerst begint men liefde en aandacht te schenken aan kinderen. Zelfs dieren krijgen hun dag. En heksen worden niet meer verbrand, zoals God ons in het Oude Testament aanraadt, eenvoudig omdat men ze niet meer ziet vliegen. Met de kracht van de rede houden ze op te bestaan of kan men om hen lachen. Tezelfdertijd leert men dat dood, pijn en ziekte niet door God op een grillige manier uitgedeeld worden, maar door de natuur. En de natuur is niet grillig, maar werkt volgens wetten, dwz. voorspelbare werkingen. Juist dit gegeven kalmeert een mens, want nu kan hij eropuit om de natuur langzamerhand te leren kennen en aan hem te onderwerpen. Aan het lijden vanwege natuurlijke oorzaken is ook geen psychische angst (straf Gods) meer verbonden, zodat het lijden een stuk draaglijker wordt. Zo wordt de hele maatschappij waarin we nu leven geleidelijk aan van top tot teen gereformeerd in een seculariserende betekenis.

Vanaf de 19e eeuw seculariseert de maatschappij zich steeds meer. Het proces versnelt zozeer dat Nietzsche zelfs de dood van God uitroept. Voor hem is hij al dood, maar hij denkt dat dat tot de wereld als geheel pas veel later doordringt. Het christendom lijkt in elkaar te storten en overal springen evangelische noodgroepen op zoals antirevolutionairen, eindtijdchristenen, piëtisten, opwekkingsbewegingen, pinkstergemeentes en gereformeerden die het tij proberen te keren. Maar tot nu toe schijnt Nietzsche gelijk te hebben. De 20ste eeuw heeft flink zijn best gedaan ook de laatste restjes van de godsdienst van tafel te vegen. Even lijkt het er nog op dat een neo-orthodoxie in het christendom de overhand krijgt, maar achteraf bezien blijkt het alleen maar een tijdelijke reaktie van mensen te zijn, een antwoord op beklemmende tijden zoals de dertiger en veertiger jaren. In een wereld vol nazi's en goddeloze communisten kun je vergeving krijgen een aanhanger van Karl Barth te zijn, maar wanneer ze de wereld uit zijn lopen ook de kerken leeg. De godsdienst zoals die eeuwenlang beleefd werd, is op sterven na dood in de moderne wereld.









Aanpassen van de Godsdienst

Maar de godsdienst op zich weet zich altijd ingenieus aan te passen. Het is als klei waar je alles maar dan ook alles mee kan maken. Tegenwoordig schrappen we gewoon het een en ander uit de bijbel en uit onze geschiedenis, of laten alles eerbiedig staan maar praten er gewoon niet meer over, we passen alles mooi aan op nieuwe denkbeelden met fraai geschilderde digitale kleuren, doen alles aansluiten op een leven van voetballen, televisiekijken, op vakantie gaan en de kinderen naar de crêche brengen. Ook al zijn de kerken leeg, God blijft in de gedachten van miljoenen voortleven. Er wordt Hem gewoon een ander pak aangetrokken. En iedereen overhandigt Hem heel persoonlijk een stropdas met de kleuren die Hij dan moet dragen. Iedereen doet tegenwoordig aan godsdienst op zichzelf, op duizend en een manieren. Met of zonder persoonlijk God, met of zonder opstanding, met of zonder bijbel, met of zonder gebed, met of zonder vleeseten, met of zonder wat dan ook wat onder de zon te zien is of bedacht kan worden. De definitie van ‘christen’ is tegenwoordig zoiets als ‘iemand die er zo zijn opinies op nahoudt en die door bepaalde bijbelteksten onderstreept wil zien’. O ja, je moet ook gedoopt zijn om een christen te zijn (maar vraag ze vooral niet waarom als het je te doen is om eenstemmigheid).

Ook zijn hele boeken geschreven over hoe een mens het vermogen heeft in denkcompartimenten te leven. Hij gelooft tezelfdertijd in lijnrecht tegenovergestelde dingen, zoals rechtvaardigheid en eeuwige helstraffen, liefde en heilige oorlog; ook kan hij bijvoorbeeld geloven in waanzin als een geestesziekte, een fysiologische storing in de hersencircuiten, teveel of te weinig aanvoer van bepaalde chemische stoffen naar het brein, maar ook als gevolg van duivelse bezeting. Bliksem kan per ongeluk iemand doodslaan, maar het kan ook een godsoordeel zijn. Soms geneest een dokter of een tabletje, soms is het God, of allebei. Door de gedachte van ziekte als straf van God hebben we in het dagelijkse leven gewoonlijk een streep gezet, maar ze kan opeens weer terugkomen wanneer de ziekte in ons eigen leven toeslaat. Soms is een droom een geheel onschuldig produkt van iemands chaotische geest, soms komt het van God. Soms ziet men de wereld als maar een aantal duizenden jaren oud, soms spreken we over miljoenen jaren. Het hangt er maar van af hoe laat het is, welke droom het was, welke dag er geleefd wordt, of in welk gezelschap men zich bevindt, of welk boek men maar leest. Noemt u het alstublieft niet stom, want ik heb het soms ook in mezelf ontdekt.


Wie weet zou Nietzsche toch nu al gelijk gehad hebben, ware het niet dat de 20ste eeuw ook de mens zelf van tafel dreigde te vegen. En dat is een geheel nieuwe ontwikkeling. In de 18e eeuw kon men nog geloven dat je voor iedere opgerichte school een gevangenis kon sluiten, maar in de 20ste eeuw viel het hele humanistische kaartenhuis ineen. Nooit in de geschiedenis van de mensheid is zoveel onschuldig bloed vergoten als juist in de afgelopen eeuw. Zo heeft de mens van de halve aarde een halve hemel opgebouwd en voor de rest van de wereld een halve hel of op z’n minst een vuilnishoop. We hebben toch nog een God nodig die ons uit de grootste janboel sleept, die ons troost wanneer er alleen kilte en troosteloosheid in het vooruitzicht schijnt te zijn, of die ons als minimale bijdrage na dit leven iets beters kan aanbieden. Zo blijft er voor velen ook tegenwoordig nog wel een God van liefde en goedheid over. Als het even kan wel een God die niet straft en ons ‘uit dit tranendal thuisbrengt’. Je kan ook in de bijbel over Hem lezen als je een roze bril opdoet.









Een persoonlijke worsteling

Zo leven we in de 21ste eeuw. We kijken achterom en zien hoe de mensheid een mengeling is waarin naast prestaties en goede wil ook onnoemlijk veel onmenselijkheid voorkomt. En we zien dat de godsdienst hier niet van te onderscheiden is. Meer dan ooit in de geschiedenis laat de godsdienst zien dat ze door mensen opgebouwd is, in alle tijden het menselijk denken en handelen reflecteert.

In die wereld ben ik en bent u geboren. De God van de bijbel en de mens allebei door de mand gevallen. Ze lijden aan dezelfde kwaal: ze zeggen allebei het goed te bedoelen, maar gebruiken draconische middelen. Een van de uitspraken die mij in mijn leven het meest bezighouden is die van Elie Wiesel, de moderne aanklager van ons geweten: ‘De crisis in het Christendom van tegenwoordig is dieper dan die in welke andere maatschappij dan ook; het Christendom faalde, het Christendom ging failliet in Auschwitz. Auschwitz geschiedde niet in een luchtledig. Het gebeurde in een bepaalde omgeving...2000 jaar Christendom. Het Jodendom heeft Auschwitz overleefd, het Christendom niet.’[4]
(Auschwitz en de aantasting van het christelijk godsbeeld)


Het wordt een mens niet eenvoudig gemaakt, omdat tezelfdertijd de globalisatie met reuzensprongen toeneemt. De uitvinding van het Internet is waarschijnlijk net zo revolutionair als indertijd de boekdrukkunst. We leven in een bonte wereld met overstelpend veel informatie, overtuigingen, godsdiensten, zienswijzen, en we worden ons hiervan bewust met een tot dusver ongekende hevigheid. Dit pluralisme geeft nieuwe mogelijkheden maar ook grotere kans op verwarring, apathie, onzekerheid en verlamming.


Deze nieuwe wereld kan heel benauwend op iemand afkomen. Terugkijkend begrijp ik dan ook best waarom het in mijn leven zo ging. Sommige jongeren raken verstrikt in doemdenken en ze worden verschalkt door charismatische leiders die hun met grote geestdrift en autoriteit ‘de waarheid over de toekomst’ vertellen. Een reaktie van gevoelige mensen op existentiële onzekerheid is liever terug te gaan naar aloude waarheden en waarden. Het zijn kant en klare pakketten, die al antwoorden geven voor je een vraag hebt kunnen stellen, omdat ze al eeuwenlang op de vragen en antwoorden geoefend hebben. Je staat er verbluft van als je 16 bent, en je neemt het aan omdat alles met de stelligheid van 1+1=2 op je bord wordt geschoteld. Met wijze mensen, die in hun denken veel vraagtekens laten staan, omdat de werkelijkheid te gecompliceerd is, kunnen jongeren weinig mee aan. Stel jongeren aan vraagtekens, twijfelachtigheden, tegenstrijdigheden, onmogelijkheden, niet te beantwoorden vragen bloot en je ziet ze altijd meteen benauwd worden, vaak de zaak zo snel mogelijk afdoen of soms fel en agressief reageren. Niets is zo beangstigend als de moderne cognitieve verwarring en onzekerheid.

Zo ontstaan in een voortdurend in vernieuwende beweging zijnde maatschappij overal bepaalde enclaves van fundamentalisten, evangelischen, orthodoxen of conservatieven, die al het nieuwe als verderfelijk voorstellen. Op het moment van schrijven springen ze ook als paddestoelen uit de grond in de Islamitische wereld, zelfs in de wereld van de Hindoes. In deze groep van tegen de stroom in werkende gelovigen (in mijn geval van gelukkig geweldloze christenen) heb ik mijn halve leven geleefd, en uit deze groep ben ik bezig te stappen.


Ik heb er lang over nagedacht of ik dit alles op moet schrijven. Er is al zoveel geschreven in de wereld, ook over deze zaken. En sommigen zullen het veel eminenter kunnen doen. Als je op het internet de zoekwoorden ‘Character of God’ intypt, krijg je 2 miljoen adressen waar je over dit onderwerp kunt lezen. En bovendien: waarom zou ik andere mensen hun geloof ontnemen of ze tegenstaan, mensen die hun houvast, steun, troost en geborgenheid krijgen uit hun overtuiging?

Ook zal ik het zelf hard te verduren krijgen. Zelfs één woordje ‘hutspot’ wanneer ik het over de Islam heb kan me al een fatwa opleveren. Voor een gelovige is namelijk niets zo erg als iemand die zijn geloof opgeeft of die het geloof belastert. De ware gelovige zal zeggen dat je geloof opgeven helemaal niet mogelijk is, maar er alleen bewijs van is dat je nooit een ware gelovige geweest bent. Er wordt je dus verteld dat je je hele leven vals gespeeld hebt. Iemand die me nabij staat had als reactie dat ik ‘beklagenswaardig’ was en mijn tijd ‘volkomen verspil’ door me bezig te houden met een boek als dit. Nog veel erger is wat Petrus over mij schrijft in het woord Gods:


Toch zijn er ook valse profeten onder het volk geweest, zoals ook onder u valse leraars zullen komen, die verderfelijke ketterijen zullen doen binnensluipen, zelfs de Heerser, die hen gekocht heeft, verloochenende en een schielijk verderf over zichzelf brengend. En velen zullen hun losbandigheid navolgen, zodat door hun schuld de weg der waarheid gelasterd zal worden; en zij zullen uit hebzucht met verzonnen redeneringen u als koopwaar behandelen. Maar het oordeel houdt zich reeds lang met hen bezig en hun verderf sluimert niet. Want indien God engelen die gezondigd hadden, niet gespaard heeft, maar hen, door hen in de afgrond te werpen, aan krachten der duisternis heeft overgegeven om hen tot het oordeel te bewaren; en de wereld van de voortijd niet gespaard heeft, maar Noach, de prediker der gerechtigheid, met zeven anderen bewaard heeft, toen Hij de zondvloed over de wereld der goddelozen bracht; en de steden Sodom en Gomorra tot as verbrand, tot omkering gedoemd en ten voorbeeld gesteld heeft voor hen, die goddeloos zouden leven, maar de rechtvaardige Lot, die zwaar te lijden had onder de losbandige wandel der zedenlozen, heeft behouden -want deze rechtvaardige heeft, onder hen wonende, dag aan dag zijn rechtvaardige ziel gekweld door het zien en horen van hun tegen alle wet ingaande werken- dan weet de Here de godvruchtigen uit de verzoeking te verlossen en de onrechtvaardigen te bewaren om hen op de dag des oordeels te straffen, vooral hen, die, begerig naar onreinheid, het vlees volgen en hemelse heerschappij verachten. Zulke vermetelen, vol van zelfbehagen, schromen niet de heerlijkheden te lasteren, terwijl engelen, hun meerderen in sterkte en macht, bij de Here geen smadelijk oordeel tegen deze inbrengen. Zij daarentegen, als redeloze wezens, van nature voortgebracht om gevangen en verdelgd te worden, lasteren datgene, waarvan zij geen verstand hebben, en zullen in hun verdelging ook verdelgd worden, onrecht ontmoetende tot loon voor hun onrecht. Zij achten het een genot op klaarlichte dag te zwelgen; schandvlekken en smetten zijn zij, die in hun bedriegerijen zwelgen, als zij met u feesten; zij hebben ogen, die altijd uitzien naar een overspeelster en nooit ophouden met zondigen; zij verlokken onstandvastige zielen, hun hart is volleerd in hebzucht; kinderen der vervloeking zijn zij...Want met holle, hoogdravende klanken verlokken zij door vleselijke begeerten en door ongebondenheid hen, die zich ternauwernood aan degenen, die in dwaling verkeren, onttrekken. Vrijheid spiegelen zij hun voor, hoewel zij zelf slaven des verderfs zijn; immers, door wie men overmeesterd is, diens slaaf is men. Want indien zij, aan de bezoedelingen der wereld ontvloden door erkentenis van de Here en Heiland Jezus Christus, toch weer erin verstrikt raken en erdoor overmeesterd worden, dan is hun laatste toestand erger dan de eerste. Het zou immers beter voor hen geweest zijn, geen kennis verkregen hebben van de weg der gerechtigheid, dan met die kennis zich af te keren van het heilige gebod dat hun overleverd is. Hun is overkomen, wat een waar spreekwoord zegt: Een hond, die teruggekeerd is naar zijn overgeefsel, of: een gewassen zeug naar de modderpoel.’ (2 Petrus 2)


De evangelische gelovige zal zich na lezing van het bovenstaande afvragen of hij deze site wel durft verder te lezen. Hij speelt zo te zeggen met het vuur van de hel, dat ook voor hem open kan gaan, en doet daarom op dit punt mijn e-boek dicht, en vraagt God vergeving de eerste godslasterende bladzijden doorgelezen te hebben (op de aanhalingen uit het ‘verkwikkende Woord van God’ na natuurlijk). Zulk een lezer moet ik hier ook waarschuwen: u loopt grote kans van deze site slapeloze nachten te krijgen als u toch verder leest, het zal met uw zielsrust gedaan zijn, dit alles zal u niet meer loslaten, uw oude vertrouwde wereldje zal op zijn kop gaan staan, de bijbel zal met een klap op de grond vallen.


Misschien ook zal een andere lezer zich afvragen hoe iemand, die doordrenkt is van fundamentalistische geloofsovertuigingen, zoals de schrijver dezes, na het lezen van zo’n gepeperde bijbeltekst het psychisch allemaal op kan vangen. Hoe kan ik psychisch overeind blijven? Hoe kan ik nog een menswaardig leven lijden als deze verschrikkelijke oordelen en vervloekingen mij te wachten staan? Hoe kan ik staande blijven zonder in haat te vervallen ten opzichte van mezelf of ten opzichte van God en de godsdienst? Hoe kan ik de angst uitdrijven die zo’n buitengewone tirade tegen goddeloosheid en afvalligheid opwekt?


Het antwoord is dat ik het niet weet. Ik voel me ontredderd, alleenstaand in een wereld waar Jezus het zwaard brengt tussen man en vrouw, tussen vader en zoon. Ik dacht altijd dat het evangelie de bevrijdende boodschap was, ik wist me veilig in de liefdevolle armen van God. Maar nu ik wat ouder ben en mijn leven en gedachten mij dwingen vele dingen anders te zien, voel ik een genadeloze pijn door me heen stromen: de bijbel spreekt volkomen genadeloos en liefdeloos, wreed en agressief over iedereen die buiten het heil staat, iedereen die het anders ziet. Lees hoe voorbeeldige christenen deze denktrant opgezogen hebben:


"Maar zodra Paulus vertrokken was, waren valse broeders binnengeslopen, die alles wat hij geplant en onderwezen had, verdraaiden. Want de duivel kan niet anders, hij moet deze leer met veel list en geweld bestrijden en hij rust niet, zolang hij ziet, dat er van deze leer nog een enkel vonkje over is. En dit, dat wij het Evangelie zuiver verkondigen, is ook de enige reden waarom wij van de wereld, van de duivel en van zijn apostelen links en rechts alle mogelijke kwaad te verduren krijgen." [Maarten Luther, commentaar op de Galatenbrief]


Ik onderbrak dit schrijven en ging ertussendoor naar de winkel. Bij de kassa aangekomen was ik vol van deze gedachten en kreeg ik tranen in mijn ogen. Het kassameisje staarde me met grote ogen aan. Ik kon mijn tranen niet bedwingen.


Waarom heeft Jezus een hel geïntroduceerd voor de mensheid?


Waarom ga ik mijn verderf tegemoet omdat ik mijn eigen verstand wil gebruiken?


Waarom heeft God mij in zo’n wrede wereld gezet, ja, doet Hij daar in de bijbel aan mee en probeert Hij ons daar veelal voor te spiegelen dat wreedheid een synoniem van rechtvaardigheid is?


Waarom word ik een hond genoemd, die terugkeert naar zijn eigen uitbraaksel?


Waarom word ik een handlanger van de duivel genoemd?


Ik denk dat er slechts één antwoord voor mij is: boven dit kleinmenselijke christelijke denken uit te stijgen, door liefde te ontdekken in zijn diepste betekenis, niet in de bijbelse vorm van ‘Gij zult liefhebben (en anders komt de vervloeking)’ en ‘Gij zult het kwaad haten’, maar als een hogere vorm van leven: liefde als een onuitputtelijke bron die voortdurend opwelt uit het hart van een mens en geen enkele plaats overlaat aan welke vorm van haat dan ook. Die liefde zal de enige kracht zijn om verder te kunnen leven, om me nog enig gevoel van zelfrespect te geven. Ik moet gewapend met de kracht van de liefde geestelijk boven die angstaanjagende woorden van Petrus staan. Ik moet gewoon durven zeggen dat hij niet veel van liefde begrijpt en hij zich voor zijn schandelijke woorden zou moeten schamen. Hoewel ook hij natuurlijk, net zoals Noach vóór hem, geen idee had van de vreselijke gevolgen van zijn tekst in alle eeuwen hierna, en het hem daarom vergeven zij. Het is bovendien ook niet hun schuld dat hun woorden later tot Gods woord werden uitgeroepen; ze zouden er zelf misschien om geglimlacht hebben! Om te beginnen zou ik Petrus kunnen zeggen dat hij de waarheid volkomen verdraait: Driemaal maakt hij Lot rechtvaardig (waarschijnlijk had ‘driemaal’ nogal indruk op hem gemaakt: de haan had hem eens driemaal voor lafaard uitgemaakt, en Jezus had hem eens driemaal gevraagd of hij Hem waarlijk liefheeft, en God moest in Handelingen 10 wel drie maal tegen hem zeggen: ‘Slacht en eet’, voordat hij het eindelijk geloofde), terwijl de verhalen in het Oude Testament (we zijn er juist aan toe), aan Lot zelfs niet het kleinste detail van rechtvaardigheid in zijn karakter laat zien. Integendeel, Lot was een man van de wereld (Gen.13:10-14), hij was zwak en bang (19:6, 19), moreel op een absoluut dieptepunt (19:8), iemand die zich bedrinkt (19:33-35). Hij moest zo ongeveer meegesleurd worden voordat hij eindelijk Sodom verliet (19:16). In feite zou Lot een vijfmalig voorbeeld zijn om te illustreren over wat voor lieden Petrus het eigenlijk heeft in zijn dreigpreek! Ten tweede zou ik erop kunnen wijzen dat ketters nooit ‘redeloze wezens’ zijn, die geen verstand hebben van de dingen waarover ze spreken, maar, integendeel, vaak juist die mensen zijn, die er het meest van allen over gedacht hebben. Hun ketterij wordt altijd verwoord door de beroemde woorden van Luther: ‘Hier sta ik, ik kan niet anders’. En aangezien Luther deze mooie woorden uitsprak, zal ik hem zijn minder mooie woorden maar vergeven. In zijn tijd waren de duivel en demonen nu eenmaal net zo springlevend in de wereld als ze nu morsdood zijn.


Maar de hele dreigrede van Petrus schijnt niet eens de originele gedachten van hem te zijn. In de brief van Judas vinden we 15 verzen die ongeveer dezelfde tekst hebben als in 2 Petrus. Vele schriftkenners denken dat beide brieven gebaseerd zijn op een pamflet dat rondging. Er komen zulke vreemde woorden en jambische ritmes in voor dat die elders alleen in de (in Petrus’ tijd al antieke) geschriften van Homerus te vinden zijn! Het zou hetzelfde zijn als wanneer een boer uit Tjietjerkstradeel of het Finse Ala-Härmälä met de woordenschat en stijl van Shakespeare schrijft aan zijn buitenlandse vrienden. Zelfs Calvijn zag het niet zitten met het auteurschap van deze brief. Wat de ‘redeloze’ onwetendheid van ketters betreft, zouden deze ketters er ook nog eens op kunnen wijzen dat juist Petrus (door te wijzen op het oordeel over de afvallige engelen) zich baseert op de verhalen van een pseudepigrafie, het Boek van Henoch, een geschrift vol banale fantasie, dat het dan ook nooit gehaald heeft tot het woord van God gerekend te worden. [5]


Mag ik zo maar stellen dat Petrus niet veel van liefde begrijpt? Verhef ik mij boven een apostel? Welk recht heb ik daartoe?

Mijn antwoord is dat dit helemaal niet met ‘recht’ te maken heeft. Liefde heeft niets te maken met wie er gelijk heeft, wie de zuivere leer aanhangt. Liefde staat geheel boven al het andere in de wereld, ook boven het bijbelwoord. De bijbel laat het op verschillende plaatsen duidelijk zien. Net duidelijk genoeg voor mij om te blijven geloven in een liefdevolle God, die al het fanatisme en de kleinmenselijke rechtzinnigheid van miljoenen in de wereld zo maar van de tafel veegt, er volkomen doorheen kijkt; God kijkt recht in het hart van de mens. En hoe denkt God dan over de mensen? Precies, volkomen zoals we het niet zouden verwachten. De gehele bijbel door worden de vromen ontmaskerd, worden ze als huichelaars bestempeld. Voor iemand die de hele wet heeft nagevolgd bedenkt Jezus nog iets waar hij op vast loopt: laat hem al zijn bezit weggeven. Maar de hoer Rachab wordt gered. Zo kunt u er ook even over nadenken wanneer ik u vertel dat er in het hele dikke Oude Testament maar twee mensen (lees: mannen) zijn, waarvan gezegd wordt dat God ze liefhad. Wie zouden dat zijn? Ga ze in uw hoofd eens voorbij.

Abel? De vrome Henoch die niet hoefde te sterven, de onberispelijke Noach? David, de man naar Gods hart? Een profeet misschien? Abraham en Mozes natuurlijk! Nee, nee, u zult het niet raden.

God verklaart dat Hij Salomo liefheeft (2 Sam. 12:24), ja, u herinnert u zich goed, de koning met de duizend, voor het merendeel heidense, vrouwen. Als deze koning, geroemd om zijn buitengewone wijsheid en rijkdom, een maand van zijn kostbare tijd uittrok voor iedere vrouw waar hij in z’n leven mee omging, zou hij er 83 jaar over doen om al zijn vrouwen aan de beurt te laten komen, langer dan hij leefde! Begrijpt u al wat voor man het was?

En dan gaan we op zoek naar de andere man. De geloofsheld Daniël misschien? (hij wordt als ‘geliefd’ beschreven, maar niet door God zelf). Elia, die niet eens de dood smaakte?

Alweer, we raden het niet. Het is de heidense vorst Kores (II, ook wel Kores de Grote genoemd)(Jes. 48:14), één van ‘s werelds allergrootste megalomanen, een Perzisch vorst van ongekende wereldse macht, die de ene oorlog na de andere voerde, Perzië inlijfde, de Assieriërs overwon, de beroemde Lydische koning Kroisos versloeg, en uiteindelijk ook het geweldige Babylon. Deze antieke Napoleon wist totaal niets af van de godsdienst van de Joden, maar gaf ze goedmoedig toestemming terug te gaan naar hun oude vaderland en gaf ze bovendien nog de opdracht hun tempel te herbouwen, nog geen jaar nadat hij Babylon veroverd had. Voor de duidelijkheid: deze opdracht gaf hij aan al de volkeren in zijn rijk, die in ballingschap leefden, hij was dus voorwaar een uitstekend representant van de New Age beweging!


In de eerste plaats schrijf ik dit boek voor mezelf. Omdat ik altijd ethisch met mijn leven bezig ben en besloten heb de waarheid voor zover ik die zelf zie altijd eerlijk onder ogen te willen zien. Ik wil voor zover het mogelijk is duidelijkheid in mijn leven krijgen. Met het opschrijven van dit boek heb ik gemerkt dat ik met deze dingen tien, twintig jaren in gedachten bezig ben geweest. En als iemand te weten wil komen welke mening hij over bepaalde dingen heeft, wat hij nu eigenlijk van de dingen denkt, dan moet hij deze her en der rondslingerende gedachten opschrijven en zo vastleggen. Anders krijgt hij er nooit antwoord op. Het blijft anders alleen maar ronddraaien in een onrustige stroom van onzekerheid en tegenstrijdigheden. Ik wil niet gelijk hebben, ik weet dat zoiets in de wereld niet bestaat. Ik weet wel dat ik me gelukkig wil voelen. Ik weet ook dat ik me beklemd heb gevoeld door de angst. Ook weet ik dat ik als mens moet groeien en dat mijn denkbeelden als kind niet meer kunnen voldoen aan mij als oude mens. Ook voel ik sterk dat ik niet alleen oude dingen en denkbeelden wil weggooien, maar ook dat ik op elk moment in het leven mooie dingen wil zien, vasthouden en zoeken. Ik wil liefde op aarde laten groeien. En ook heb ik Bevrijding ondervonden net zoals de ketters uit de dagen van Petrus. Ik laat me niet bang maken door de liefdeloze woorden van Petrus, en de al even liefdeloze autoriteiten die me willen doen laten geloven dat het hier gaat om door God geinspireerde heilige schrift, voor eeuwig geldig en niet aan kritiek onderhevig. Ik ervaar wat mijn diepste innerlijk, mijn hoogste menselijkheid, wil ervaren: de liefde. En ik zie dat wanneer de liefde toeneemt ‘heilig’ iets geheel anders gaat betekenen. ‘Heilig’ is niet dat al wat erbuiten staat ‘verteerd wordt’ (zoals de bijbel ons keer op keer leert), maar wat Albert Schweitzer ontdekte: ‘Eerbied voor al het leven’. Al het leven is heilig. Zo ervaar ik bevrijding van de toorn van God, bevrijding van het komende Armageddon, van het indelen van mensen als zwarte en witte schapen, bevrijding van een hoop dingen die ‘men’ als zondig bestempelt enz. Al deze voorstellingen verdwijnen als sneeuw voor de zon van dit inzicht.

Ik heb me als gelovige vaak monddood gevoeld, vastgebonden geweten. Ik ben een slaaf geweest, ik heb mijn adem moeten inhouden. En met het wegvallen van de ketenen heb ik ontdekt hoe fantastisch een mens is en de wereld waarin hij als vrije vogel leeft en de heerlijke zeelucht of bosgeur kan opsnuiven, het overstelpende wonderbaarlijke van de wereld kan onderzoeken. Laat Paulus een slaaf van God zijn, laat hem maar verkondigen dat het beter is om ongetrouwd te zijn en in celibatie aan God toegewijd te leven, dan getrouwd te zijn, omdat Jezus elk moment kan wederkomen, maar niemand kan mij wijsmaken dat hij met deze denkbeelden de wil van de ware God openbaart. Hoogstens kan hij het over zijn eigen leven hebben, daarin zal ik hem respecteren.


Opeens voel ik dat waar ik mee bezig ben van geweldig belang is voor miljoenen mensen die geketend zijn in de fanatieke haat- en angstgodsdiensten van het Christendom en de Islam. De religies hebben de schijn liefde en rechtvaardigheid aan te bieden, maar voor velen doen ze juist het tegenovergestelde. Ze leggen mensen vast in boeien, banden en ketenen. En de rest die niet bij hun groep met het ware geloof hoort wordt veroordeeld tot de hel.


Ik weet heel goed dat na de tweede brief van Petrus de brieven van Johannes staan. En wanneer je die leest, word je ondergedompeld in de liefde, de vergeving voor de gehele wereld, de verzoening, zelfs de volmaaktheid. De volmaakte liefde in Johannes drijft de vrees uit voor oordeel en straf. Wat een verfrissende woorden. Zoals Johannes het deed kun je je geloof dus ook opbouwen! Het geloof staat dan ook vreemd op twee benen: de liefde en de angst. Welke van de twee zal het winnen? Iedereen strijdt zijn eigen strijd, en de uitkomst zal verschillend zijn. Ik geef grif toe dat er een hoop liefdevolle gelovigen zijn, in de letterlijke betekenis van het woord, maar het blijft voor ieder een schizofrene situatie, vooral voor bijbelgetrouwe christenen, omdat de bijbel zelf innerlijk gespleten is. Een situatie het best verwoord door de huidige gelovige president Bush, die voor de kamera zegt: ‘I’m a loving guy’ (ik ben een liefdevolle vent), en vervolgens ten oorlog gaat. Alleen al in de oorlog in Afganistan zijn vervolgens (volgens de schattingen 2004) zo'n 20.000 afganen om het leven gekomen...


In ieder geval zal de strijd tegen haat en vervloeking met liefde gestreden moeten worden en ik zie een vaag gezicht voor me dat over een paar honderd jaar mensen teksten zoals deze zullen doorlezen en zich niet meer kunnen indenken dat religie zo angstwekkend was, dat mensen terecht kwamen in tehuizen voor psychisch gestoorden, ja zelfs tot zelfmoord gedreven werden. De mensheid zal het vaandel van vrijheid van gedachten en verdraagzaamheid en liefde hoog houden. En ik in mijn kleine leven wil iemand zijn die meehelpt deze vlag hoger te hijsen.


Ik ben me ervan bewust dat een boek zoals dit dat bezig wil zijn met de meest fundamentele basiswaarden in het leven van een mens, niet zonder (voor bijbelgetrouwe christenen) schokkerende uitspraken en schrijfwijze geschreven kan worden door iemand zoals ik, een emotioneel persoon wiens gehele leven om de godsdienst heeft gedraaid. Maar ik adviseer de lezer deze stijl op te vatten als een boeiende illustratie van waar we mee bezig zijn in de evangelische/fundamentalistische/orthodoxe godsdienst. Godsdienst laat mensen die er ‘serieus’ mee bezig willen zijn niet bepaald koud. Godsdienst is de neerslag van de totale onderdompeling in de fantasie- en niet-feitelijke wereld om het leven te overleven. Het zich bevrijden uit deze onderwaterwereld heeft veel weg van een vis op het droge halen en in leven proberen te houden, vooral wanneer het gaat om beklemmende godsdienstige opvattingen en levensstrijd.

Indien felheid al een goed doel heeft dan toch zeker dat het de mensen die erdoor aangesproken worden flink wakker schudt, tot denken aanzet en tot bezinning dwingt. En zou het schrijven dit niet doen, dat zou het tenslotte nutteloos zijn. Christenen die aan een boek als dit aanstoot nemen zouden er aan kunnen denken dat het gehele christendom bestaat vanwege het optreden van evenzulke felle mannen: Jezus en Paulus. Wellicht helpt het wanneer we in het oog houden dat wat voor gelovigen met een mooi woord ‘bezieling’ wordt genoemd, door anderen evengoed als ‘fanatiek’ aangevoeld kan worden en de gelovigen zelf juist overeenkomstig die laatste betiteling op anderen overkomen. De vrome dogmatische godsdienst brengt nu eenmaal automatisch het fanatieke met zich mee. Zij komt namelijk altijd met de claim de enige waarheid te verkondigen en duldt geen tegenspraak. Ook legt de godsdienst volledig beslag op de mens die zich eraan overgeeft. Je aan dogmatische vrome godsdienst onttrekken is dan ook niet mogelijk zonder even rigoreuze aktie en bezieling (de illustratie bij uitstek is het leven van Paulus, die de ene dogmatische vrome godsdienst opgaf om slechts in de volgende terecht te komen). Bovendien moeten we bedenken dat de ‘boekgodsdiensten’ begonnen zijn met het opsplitsen van de mensheid in tweeën, door te stellen dat zij de ‘enige en unieke waarheid’ in pacht heeft. Deze godsdiensten hebben de solidariteit van de mensheid dan ook verbroken en het zwaard gebracht dat mensen van elkaar verwijdert. Bovendien zijn de dreigingen die deze godsdiensten uitspreken over hen die er niet bij willen horen het toppunt van geestelijk geweld. Dit tegen te gaan is juist zoeken naar harmonie, en niet het zoeken van nog meer ruzie.




Leeuwarder Saturdagse Courant 1778






Mark Twain: Brieven verzonden vanaf de aarde





            













[1] J. De Liefde bond hier in 1864 al de strijd tegen: ‘Zoo wordt het zuiver menschelijke niet eens zoo hoog geschat als het rein dierlijke. Het gekras van een raaf wordt nog als een geluid ter eere Gods erkend, maar eene symphonie van Beethoven heeft met Gods eer niets uit te staan. Deze miskenning van het menschelijke, alsof het het tegenovergestelde van het goddelijke ware, kan niet anders dan eenen onzedelijken toestand te voorschijn roepen. Want het rein menschelijke laat zich niet uitroeijen. Het is van God geschapen en heeft mitsdien heilige en eeuwige regten en behoeften. Wil men het nu evenwel in naam van de “heilige en geestelijke dienst des Heeren” verpletteren, dan tracht het zich of door vijandig verzet te wreken of langs geheime wegen schadeloos te stellen. Het eerste geval heeft helaas zoo dikwijls plaats, als een kunstenaar of wetenschappelijk man het christendom wegens deszelfs vermeende dorheid, smakeloosheid, stijfheid en bekrompenheid gaat haten of bespotten. Het laatste ziet men zoo dikwijls gebeuren als jongelieden van regtzinnigen huize in stilte plaatsen bezoeken, welke hun genoegens en uitspanningen aanbieden, die hun te huis ontzegd worden. Het is eene droevige waarheid dat de meeste menschen onchristelijk zijn. Maar hoeveel hebben de christenen zelven hiertoe niet bijgedragen, door hun christendom onmenschelijk te maken! De scherpe beschuldiging der Moderne Theologie, dat het christendom der regtzinnigen onbruikbaar is voor de maatschappij, behoort ons helaas meer te beschamen dan te verontwaardigen. De ontwikkeling van het rein menschelijke is overgelaten geworden aan de wereld. Hierdoor heeft zich de vrome christenheid menige schrikbarende ergernis berokkend. Hoe menigeen harer leden zou welligt nooit een wereldling geworden zijn, zoo 't hem in de vrome kringen vergund geweest ware mensch te zijn’ (Waarheid of Zekerheid?)



[2] Tientallen voorbeelden van soortgelijke bijbeluitleg om de dingen om te draaien kunnen gegeven worden. We volstaan met nog een voorbeeld uit het zondvloedverhaal. Waar ik uitkom op onbegrijpelijk wreed handelen van God in het zondvloedverhaal, vinden gelovigen een reden om juist de barmhartigheid van God in het verhaal te zien: De aartsvader Metusalach kreeg van zijn vader Henoch een naam met de betekenis: ‘Hij sterft en het komt’. Metusalach stierf in het jaar van de zondvloed. Zijn naam was dus 969 jaar lang een profetie, ‘waaruit we kunnen leren hoe lang God ons genade schenkt en oproept tot bekering voordat Hij het oordeel velt’. (De vrome man die dit verhaal oplepelt heeft er alleen niet aan gedacht dat de gehele wereld op de paar vierkante kilometer na waar Metusalach leefde, natuurlijk onwetend was over deze man en over wat dan wel komen zou.)



[3]In werkelijkheid is het een uitgemaakte zaak dat de Pentateuch (vijf boeken van Mozes) pas eeuwen na Mozes opgesteld is en allerlei inzettingen en gebruiken aan Mozes zijn toegeschreven om de nodige autoriteit eraan te verlenen. Andere voorbeelden die dit overduidelijk laten zien zijn Gods gebod aan de Israelieten om bomen te planten (in de Sinaï woestijn) en gordijnen van fijn linnen te maken (waar zou men de vlas vandaan moeten halen?). Onmogelijkheden vindt men op elke bladzijde wanneer men erover nadenkt. De moeder werd bijvoorbeeld opgedragen bij iedere geboorte twee duiven als zondoffer aan de priester te brengen, die de priesters vervolgens opaten. Indien we een rekensom gaan maken staan we al gauw voor absurditeiten: 600.000 vrouwen zouden per dag al enkele honderden geboorten geven die een dubbel aantal duiven opleverden om opgegeten te worden door drie priesters die er in de woestijn aangesteld waren!



[4] ‘The crisis which takes place now within Christianity is more profound than the crisis which takes place in any other society; Christianity failed, Christianity knew its bankruptcy at Auschwitz. Auschwitz did not take place in a vacuum; it took place within a given setting ... 2,000 years of Christianity. Judaism withstood Auschwitz, not Christianity.’ (Night)

Dat deze uitspraak niet slechts de morele bodem onder het christendom weghaalt, laat de uitspraak van Ouweneel zien, een christen die getypeerd wordt als "een groot denker met fenomenale belezenheid", en toch met deze woorden aankomt: „Ik zou niet durven of willen zeggen dat God de Shoah gewild heeft. Maar ik zou ook niet durven of willen zeggen dat God de Shoah niét gewild heeft. Het eerste wil ik niet zeggen omdat ik Gods liefde niet wil beledigen. Het tweede wil ik niet zeggen omdat ik Gods almacht niet wil beledigen. En dus zwijg ik maar liever - of kies met Richard Rubinstein nog eerder voor de absurditeit dan voor welk logisch schema dan ook.” Christelijk geloof staat na dit gebeuren geheel gelijk aan het omhelsen van het absurde.



[5] De tweede brief van Petrus wordt, evenals de brief van Judas, zelfs volgens de opvattingen van theologen die kerkelijke verplichtingen hebben, gedateerd op omstreeks het jaar 150, of nog later, en is dus een ander voorbeeld van pseudepigrafie (=geschrift dat geschreven is door een onbekend persoon en gepubliceerd onder naam van een klinkende beroemdheid om er zo meer autoriteit aan te verschaffen). Het gaat hier in andere woorden om vervalsing, hoewel men hier doorgaans vergeving voor vraagt door te stellen dat dit toendertijd gebruikelijk was en men het met de historische waarheid toen niet zo nauw nam. Volgens de hedendaagse wetenschap is van de 27 geschriften van het Nieuwe Testament ongeveer de helft óf een kennelijke vervalsing óf een vermoedelijke. Ook zijn er geschriften waarvan men vermoedt dat er fragmenten door latere hand aan toegevoegd zijn. We zullen deze kwesties hier verder onbesproken laten, maar zullen Petrus gewoon Petrus blijven noemen.

Het boek van Henoch voorziet in de dringende behoefte om de summiere gegevens in Genesis 6:1-14 begrijpelijker te maken en geeft de missing link met de daarop volgende zondvloed. We horen dat 200 engelen de hemel verlieten, aangetrokken door de betoverende schoonheid van jonge mensenvrouwen. Daardoor bezoedelden zij zich en verwekten bij de vrouwen reuzen, die wel 3000 ellen lang waren. Zij leerden de mensen ook allerlei geheimen die de mens niet mocht weten, oa het opmaken van de ogen, waardoor er veel goddeloosheid en zonde in de wereld kwam. Om een eind te maken aan deze gruwelen die zijn ontstaan door de afvallige engelen stuurt God volgens het boek van Henoch de vloed. Henoch krijgt als ‘schrijver van de gerechtigheid’ de opdracht het oordeel Gods aan deze engelen te verkondigen, nl dat zij in eeuwigheid geen vrede zullen kennen, hetgeen Petrus hier beaamt. Het boek van Henoch werpt ook licht op andere duistere passages van het Nieuwe Testament, zoals 1 Petrus 3: 19, waar van Christus wordt gezegd dat Hij zijn overwinning bekend maakte aan de zielen die in de onderwereld gevangen zaten. Blijkbaar was Petrus erg onder de indruk van het boek van Henoch.

[V1]16 Tegen de vrouw zei hij: ‘Je zwangerschap maak ik tot een zware last, zwoegen zul je als je baart. Je zult je man begeren, en hij zal over je heersen.’
17 Tegen de mens zei hij: ‘Je hebt geluisterd naar je vrouw, gegeten van de boom die ik je had verboden. Vervloekt is de akker om wat jij hebt gedaan, zwoegen zul je om ervan te eten, je hele leven lang.’

[V2]29 Toen kwam de geest van Jahweh over Jefta; hij trok door Gilead en Manasse, langs Mispa in Gilead, en vandaar naar de Ammonieten. 30 Toen deed Jefta Jahweh deze gelofte: `Als U de Ammonieten aan mij uitlevert en ik behouden van de Ammonieten terugkeer, zal de eerste die uit de deur van mijn huis naar mij toekomt Jahweh toebehoren; ik zal hem als brandoffer opdragen.' 32 Toen trok Jefta ten strijde tegen de Ammonieten. En Jahweh leverde hen aan hem uit. 33 Hij sloeg op hen in van Aroër tot aan de weg van Minnit - twintig steden - en tot Abel-Keramim; hij bracht hun een heel zware nederlaag toe. Zo werden de Ammonieten door de Israëlieten vernederd.
34 Toen Jefta naar zijn huis in Mispa terugkeerde, kwam zijn dochter de deur uit om hem met tamboerijnen en reidansen tegemoet te gaan. Zij was zijn enig kind; buiten haar had hij geen zonen of dochters. 35 Zodra hij haar zag, scheurde hij zijn kleren en riep uit: `Ach mijn dochter, wat tref je me zwaar: je maakt me diep ongelukkig! Ik heb Jahweh mijn woord gegeven, ik kan niet meer terug.' 36 Zij antwoordde: `Vader, u hebt Jahweh uw woord gegeven. Doe dus met mij wat u beloofd hebt, want Jahweh heeft u wraak laten nemen op de Ammonieten, uw vijanden.' En zij zei tegen haar vader: `Ik vraag u alleen nog deze gunst: geef mij twee maanden om met mijn vriendinnen de bergen in te gaan en daar te rouwen omdat ik als maagd moet sterven.' 38 Hij antwoordde: `Ga maar', en hij liet haar voor twee maanden met haar vriendinnen de bergen in gaan. Daar rouwde zij, omdat zij als maagd moest sterven. 39 Toen zij na twee maanden weer bij haar vader kwam, deed hij met haar wat hij beloofd had te doen. Zij had nooit gemeenschap gehad met een man. Zo ontstond in Israël de gewoonte 40 dat de meisjes ieder jaar, vier dagen lang, de dochter van Jefta, de Gileadiet, herdenken.

[V3] De gedachte dat offeren oorspronkelijk een door mensen aangeboden maaltijd bestemd  voor God was, wordt versterkt door offerrites in Leviticus die naast vlees ook koeken, olie en wijn aanbieden. In Dt. 32: 28 wordt in het Lied van Mozes gevraagd waar de goden zijn die ‘het vet van hun slachtoffers aten en de wijn van hun plengoffers dronken’.

[V4]1 De mens, Adam, had gemeenschap met Eva, zijn vrouw, en zij werd zwanger en bracht Kaïn ter wereld. ‘Met de hulp van de HEER,’ zei ze, ‘heb ik het leven geschonken aan een man!’ 2 Later bracht ze zijn broer ter wereld, Abel. Abel werd herder, Kaïn werd landbouwer. 3 Op een keer bracht Kaïn de HEER een offer van wat hij had geoogst. 4 Ook Abel bracht een offer; van de eerstgeboren dieren van zijn kudde koos hij de mooiste uit. De HEER merkte Abel en zijn offer op, 5 maar voor Kaïn en zijn offer had hij geen oog. Dat maakte Kaïn woedend, zijn blik werd donker. 6 HEER vroeg hem: ‘Waarom ben je zo kwaad, waarom kijk je zo donker? 7 Handel je goed, dan kun je toch iedereen recht in de ogen kijken? Handel je slecht, dan ligt de zonde op de loer, begerig om jou in haar greep te krijgen; maar jij moet sterker zijn dan zij.’ 8 Kaïn zei tegen zijn broer Abel: ‘Laten we het veld in gaan.’ Toen ze daar waren, viel hij zijn broer aan en sloeg hem dood. 9 Toen vroeg de HEER ‘Waar is Abel, je broer?’ ‘Dat weet ik niet,’ antwoordde Kaïn. ‘Moet ik soms waken over mijn broer?’ 10 ‘Wat heb je gedaan?’ zei de HEER. ‘Hoor toch hoe het bloed van je broer uit de aarde naar mij schreeuwt. 11 Daarom: vervloekt ben jij! Ga weg van deze plek, waar de aarde haar mond heeft opengesperd om het bloed van je broer te ontvangen, het bloed dat jij vergoten hebt. 12 Ook al bewerk je het land, het zal je niets meer opbrengen. Dolend en dwalend zul je over de aarde gaan.’ 13 Kaïn zei tegen de HEER: ‘Die straf is te zwaar. 14 U verjaagt mij nu van deze plek en ik mag u niet meer onder ogen komen, en als ik dan dolend en dwalend over de aarde moet gaan, kan iedereen die mij tegenkomt mij doden.’ 15 Maar de HEER beloofde hem: ‘Als iemand jou doodt, zal dat zevenmaal aan hem worden gewroken.’ En hij merkte Kaïn met een teken, opdat niemand die hem tegenkwam hem zou doodslaan. 16 Toen ging Kaïn bij de HEER vandaan en hij vestigde zich in Nod, een land ten oosten van Eden.

[V5] In het zesendertigste regeringsjaar van Asa trok Basa, de koning van Israël, op tegen Juda en begon Rama te versterken om alle verkeer van en naar Asa, de koning van Juda, te verhinderen. Toen nam Asa zilver en goud uit de schatkamers van het huis van Jahweh en van het huis van de koning, en zond dat naar Benhadad, de koning van Aram, die in Damascus zetelde, met de volgende boodschap: `Er bestaat een verdrag tussen u en mij, tussen uw en mijn vader; hierbij stuur ik u zilver en goud; wees zo goed uw verdrag met Basa, de koning van Israël, te verbreken, zodat hij van mij wegtrekt.'
4 Benhadad voldeed aan het verzoek van koning Asa en beval zijn legeroverste op te trekken tegen de steden van Israël. Zij plunderden Ijjon, Dan, Abel-Maïm en alle voorraadsteden in Naftali. 5 Toen Basa hiervan hoorde staakte hij de versterking van Rama en liet hij het werk stilleggen. 6 Koning Asa liet nu alle Judeeërs oproepen. Zij namen de stenen en het hout dat Basa voor de versterking van Rama had gebruikt mee, en versterkten daarmee Geba en Mispa.
Toen diende zich de ziener Chanani aan bij Asa, de koning van Juda. Hij zei hem: `Omdat u steun gezocht hebt bij de koning van Aram en niet bij Jahweh uw God, daarom is de legermacht van de koning van Aram u ontglipt. 8 Hadden de Kusieten en de Libiërs soms geen groot leger met eindeloos veel wagens en ruiters? Toch heeft Jahweh ze aan u uitgeleverd, omdat u op Jahweh steunde! 9 Want de ogen van Jahweh gaan vorsend rond over heel de aarde om allen te helpen, die Hem onverdeeld toebehoren. In deze zaak hebt u echter dwaas gehandeld: vanaf nu zal oorlog uw deel zijn. Asa ontstak in woede jegens de ziener en zette hem gevangen, zó kwaad was hij op hem. Bij die gelegenheid mishandelde Asa ook andere mensen uit het volk. Verdere bijzonderheden over Asa uit vroegere en latere tijd zijn te vinden in het boek van de koningen van Juda en Israël. In het negenendertigste jaar van zijn regering kreeg Asa een ernstige voetkwaal; maar zelfs in deze ziekte zocht hij zijn hulp niet bij Jahweh, maar bij de geneesheren. Hij ging bij zijn vaderen rusten en stierf in het eenenveertigste jaar van zijn regering. 14 Hij werd bijgezet in het graf dat hij zich in de Davidsstad had laten uithouwen; men legde hem op een rustbed, dat geheel met welriekende kruiden en specerijen, vakkundig toebereid, bestrooid was, en men ontstak een buitengewoon groot dodenvuur voor hem.

[V6] Daarna troostte David zijn vrouw Batseba; hij ging naar haar toe en sliep met haar. Zij baarde een zoon en hij noemde hem Salomo. Jahweh had het kind lief .

[V7] Jahweh heeft hem lief, Hij zal Zijn welbehagen tegen Babel doen, en Zijn arm zal tegen de Chaldeen zijn.