De roeping van Abraham
Jakob en zijn nakomelingen
Mozes
De exodus
God de oorlogsheld
De goddelijke wetgeving
De tien geboden
Volwassen Geloof                                                                                          Hoofdstuk 2b

        





Gelukkig leven we in een tijd waarin we oog hebben gekregen voor nuances, voor tijdgebonden voorschriften, niet alles van toen geldt ook nu nog. Vergeet niet dat de eerste 5 boeken van het OT geschreven werden met het oog op de opbouw van een nieuw bestaan in een vreemde en vijandige omgeving. Ze moesten hun eigen identiteit bewaren en bewaken. Vandaar allerlei voorschriften.

P.J Hofland












De roeping van Abraham

We keren terug tot de eerste bladzijden van die dikke bijbel. We hebben de oertijd in de bijbel achter de rug. Het waren maar 11 luttele hoofdstukken. Als je ziet hoe dik de bijbel is vraag je je af: Waar, Wat en Wie was God voor al die mensen die geleefd hebben in de oertijd? Bent u, lezer, het woordje liefde zelfs ook maar één keer tegengekomen in die eerste verhalen van de bijbel?  Denkt u echt dat God daarin geinteresseerd is? U zult er nog heel lang op moeten wachten.


Opeens neemt de bijbel en God een reuzesprong. We zijn beland op ongeveer 2000 jaar voor onze jaartelling. In Egypte, India, China zijn vergevorderde civilisaties met machtige steden, monumenten, prachtige paleizen en tempels, een overvloed aan ambachten en vaardigheden. Maar in al die tijd sinds Noach heeft God niets maar dan ook niets van zich laten horen. Het laatste wat Hij tegen een mens gezegd had was de vermaning de doodstraf in te voeren voor moordenaars, zodat van nu af elke moord twee levens zou kosten, en een belofte dat de regenboog voor al wat leeft een teken zal zijn van het verbond tussen God en de aarde, ‘zodat de wateren niet weer tot een vloed zullen worden om al wat leeft te verderven’.

De lezer vraagt zich af waarom God toch niet meer van zich laat zien, vooral ook, omdat Hij altijd ontevreden is over het doen en laten van de mens. Vooral omdat de laatste door God uitgesproken woorden -om al wat leeft te verderven- als een angstaanjagende echo maar na blijven klinken in onze oren en ook met het oog op de later op de voorgrond tredende jaloezie van God zou het toch redelijk geweest zijn mensen van tijd tot tijd te laten zien dat het bestaan uit één Almachtige God voortkomt, een Wezen ver verheven boven alles wat zichtbaar is, de Schepper van alles wat is, en op welke manier Hij aanbeden zou moeten worden. Is het een wonder dat de mensheid waar ze zich ook maar bevindt zich probeert te behelpen met zonverering, voorouderverering of geloof in allerlei onzichtbare geesten als Hij zich in het geheel niet bemoeit met de mensheid? Aan de andere kant, als we God zien als onze Vader, waarvan alle aardbewoners kinderen zijn, als het toch waar is dat Hij ons liefheeft met vaderlijke liefde en begaan is met ons -hoewel dat na de ramp van de zondvloed natuurlijk moeilijk te geloven is- wordt de situatie nog onbegrijpelijker: wat doen wij als onze kinderen elkaar in de haren vliegen, hongersnoden ons bedreigen, ziekten ons verteren? Zouden we alles vanuit het raam van ons huis maar stil bekijken en denken ‘Ze hebben vrije wil om te doen wat ze willen’, ‘Eigen schuld, verdiende loon’? En zelfs al zou Hij zich niet verder meer willen bemoeien met de mensheid, dan zou Hij toch heel eenvoudig alles wat voor een mens belangrijk was om gelukkig te worden, om God te dienen, aan Noach en zijn familieleden gemakkelijk voor eens en voor altijd hebben kunnen uitleggen, zodat het vanaf dat nieuwe begin voor iedereen op aarde duidelijk zou zijn. Of, een andere mogelijkheid, indien Hij zich wel wil bemoeien met de mensheid, zou Hij met iedereen zo kunnen praten zoals Hij dat deed met Adam en Eva en Noach en de mystieke Henoch. Maar nee, zo handelt God niet. Hij laat volkeren en culturen op hun eigen manier maar wat aanrommelen, schenkt niet de geringste aandacht aan al die miljoenen nakomelingen van Noach.


Na vele duizenden jaren spreekt God opeens tot een enkele rondtrekkende nomade uit een cultuur van kuddes schapen, slaven en polygamie. Deze man Abraham wordt zo bevriend met God dat hij van tijd tot tijd gesprekken met Hem voert, ja, zelfs God een keer te gast krijgt voor een maaltijd en een eindje met Hem op loopt en met Hem onderhandelt over de ethiek van weer een volgend plan van God om zondige mensen te straffen met uitroeiing. Gods vriendschap komt heel duidelijk naar voren wanneer Abraham op een keer in Egypte is. Uit bangheid dat hij gedood zal worden omdat de Farao zijn mooie vrouw wel zal willen liegt hij half en zegt dat hij slechts de broer van deze mooie vrouw is. Zodoende wordt zijn mooie vrouw zonder bloedvergieten meegenomen om voor de Farao als vrouw te dienen en krijgt hij er als bonus zelfs een hoop goederen voor: Schapen, runderen, ezels, slaven, slavinnen, ezelinnen en kamelen (in deze volgorde!). Maar hij was wel zijn vrouw kwijt, en het is maar goed dat God een vriend van hem was. Gen. 12:17 zegt: ‘Maar de Here sloeg Farao met zware plagen, evenals zijn huis, vanwege Saraï, de vrouw van Abram’. We kunnen ons alleen maar indenken wat Gods straf wel niet geweest is, want het wordt niet in details vermeld. Maar wel krijgen we de rillingen over onze rug: zware plagen die zich niet alleen tot de boosdoener Farao uitstrekten, maar ook tot zijn familieleden, en dat alles terwijl de Farao zich van geen kwaad bewust was. (Het ligt voor de hand de 'straffen van God' te zien als het uitbreken van geslachtsziekten. De rite van besnijdenis kan gezien worden als een poging tot het voorkomen hiervan.)

Vreemd dat wanneer ditzelfde weer een keer gebeurt (Genesis 20) God de koning van Gerar ervan weerhoudt om tot Abrahams vrouw te naderen en zo te zondigen, maar hem in een droom alles uitlegt, zodat hij het op tijd goed kan maken. Ditmaal volgen er dus geen straffen. Nog vreemder is dat Abraham hier geheel onschuldig met zijn zuster getrouwd is, en dit later in de bijbel als een verschrikkelijke zonde (‘een gruwel’) beschouwd wordt waar de vervloeking op volgt (Deut. 27:22).


Zo zien we vanaf dit tijdstip dat God niet meer geinteresseerd is in het reilen en zeilen van de mensheid als geheel, maar zijn almacht alleen af en toe gebruikt voor de enkeling of soms voor een bepaalde groep. Dit gegeven is één van de grootste raadsels van het bijbels geloof. Het christendom heeft Gods volk uitgebreid tot in principe de gehele mensheid, maar na tweeduizend jaar zijn er nog velen in de wereld die nooit een woord over de bijbelse God gehoord hebben. Alweer, het klinkt heel vreemd natuurlijk, hele volkeren kunnen van tijd tot tijd verhongeren, maar af en toe grijpt God alleen in in het leven van een enkeling zoals Ismaël en Hagar, Simson, of Elia, en geeft hij hun wat te eten en drinken, wanneer ze in de allerhoogste nood zijn. Anderen, die zondigen, zelfs kinderen (2 Koningen 2:23-24), worden soms door Hem gestraft of zelfs gedood. Andere zondaren, zoals Stalin, kunnen miljoen maal ernstiger zondigen en leven een leven in overvloed tot in hoge ouderdom.


Na een tijdje verschijnt God weer eens aan hem in een gezicht. God belooft Abraham van alles: een nageslacht talrijk als de sterren des hemels, land van Egypte tot aan de Eufraat, en om te beginnen een zoon in hoge ouderdom. Abraham gelooft dit alles, en Hij rekende het hem toe als gerechtigheid. Nota bene twee verzen hierna vraagt deze geloofsheld voor de zekerheid toch nog een teken.


‘Waaraan zal ik weten dat ik dit land bezitten zal? En Hij zei tot hem: Haal Mij een driejarige koe, een driejarige geit, een driejarige ram, een tortelduif en een jonge duif. Hij haalde die alle voor Hem, deelde ze middendoor en legde de stukken tegenover elkaar, maar het gevogelte deelde hij niet. Toen de zon ondergegaan was en het helemaal donker was geworden, was daar plotseling een oven waar rook uit kwam, en een brandende fakkel die tussen de dierhelften door ging.’ (Gen. 15).


Het slachten van deze dieren was een voorbereiding om in contact te komen met God. We kunnen ons afvragen wat een moderne zendeling in Nieuw-Guinea zou zeggen als hij een stamhoofd met een bloederig mes zou aantreffen, gezeten tussen een in tweeën gereten koe, ram, geit en twee geslachte duiven, om een gezicht van zijn god te ontvangen. Als het stamhoofd na afloop ook nog zou zeggen dat hij een rokende oven en een fakkel tussen de stukken zag bewegen, zou de zendeling er heel zeker van wezen dat we hier met zwaar occulte krachten te doen hebben.









Jakob en zijn nakomelingen

Wanneer we in de verhalen over de aartsvaders verder lezen, stuiten we opnieuw op een verhaal dat een merkwaardig antropomorfisch beeld van God geeft. In Genesis 32 worstelt Abrahams kleinzoon Jakob een hele nacht met God. Let wel, het gaat hier om een letterlijke worstelpartij, welke eindigt met de uitspraak van de vreemde worstelaar, die onverwachts Jakob aanviel: ‘Gij hebt gestreden met God en mensen, en overmocht. En Jakob noemde de plaats Pniël, want (zei hij), ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht en mijn leven is behouden gebleven’ (Gen. 32: 30). Maar hij loopt vanaf die tijd wel mank, want God heeft hem op de heupspier geslagen. Ook in Gen. 35 zien we God verschijnen als een persoon aan Jakob. Het verhaal eindigt: ‘En God voer op van hem ter plaatse, waar Hij met hem gesproken had’ (Gen 35:13).


Een goed voorbeeld van het grillige optreden van God kunnen we vinden in Genesis 34, een verhaal over een verboden liefdesaffaire die gruwelijk gewroken wordt. Over de bloederige gang van zaken maakt God zich met geen enkel woord druk. In de denkwereld van de bijbelschrijver hoeft dit blijkbaar ook niet. In het hoofdstuk gaat het namelijk totaal niet om de vraag waar wij mee zitten: is deze ethiek geoorloofd, na te volgen, goed?, maar gaat het slechts hierom:


‘Toen zei Jakob tot Simeon en Levi [zijn zonen]: jullie hebben mij [vanwege jullie wraakneming] in het ongeluk gestort door mij in een kwade reuk te brengen bij de inwoners van dit land, bij de Kanaänieten en de Perizzieten, terwijl ik slechts met weinige lieden ben; als zij tegen mij samenspannen, zullen zij mij verslaan en zal ik verdelgd worden, ik en mijn huis. Maar zij zeiden: Mocht hij soms onze zuster als een hoer behandelen?’ (Gen. 34: 30, 31)


God interesseert zich helemaal niet voor deze schermutselingen, en ook schijnt niemand er gevoel voor te hebben dat de man die de zogenaamde schanddaad verrichtte totaal verliefd was op het meisje en er mee wilde trouwen. Van hoererij was dus helemaal geen sprake.


Maar in het hoofdstuk daarop is God opeens weer terug van weggeweest. Het begint met de opmerking -alsof het de gewoonste zaak van de wereld is dat God zo even een conversatie houdt: ‘En God zei tot Jakob: Maak u reisvaardig...en richt een altaar op voor de God die u verschenen is.’ Vervolgens blijkt Jakob het opeens belangrijk te vinden dat de andere goden en amuletten in zijn huishouden weggedaan moeten worden (terwijl God zich hierover nog niet heeft uitgesproken), en tenslotte -blijkbaar als uitleg op het spannende slot van het vorige hoofdstuk- wordt nog even zonder enige uitleg opgemerkt: ‘En de schrik voor God viel op de steden rondom hen, zodat zij de zonen van Jakob niet achtervolgden.’ (Gen. 35: 5). We zien dus dat God te hooi en te gras in de verhalen erbij wordt gesleept of weggelaten wordt, zonder dat we er een logisch touw aan vast kunnen knopen, hetgeen we toch van goddelijke geschriften zouden mogen verwachten. Wanneer we echter deze teksten voor maaksels van mensen houden zien we dat het wel degelijk logisch is, namelijk vanuit het gezichtspunt van de bijbelschrijvers die bezig zijn met het schrijven van een tendensgeschrift en God laten optreden daar waar zij het nodig achten.


Even verderop komen we God voor het eerst tegen als de uitdeler en uitvoerder van doodvonnissen bestemd voor individuele zondenaren. Dit soort oordelen vinden we vanaf nu de gehele bijbel door, tot in het Nieuwe Testament toe (Handelingen 5, doodstraf voor Ananias en Saffira). [1] ‘En een grote vrees kwam over de gehele gemeente, en over allen, die dit hoorden’ schijnt de reden van dit soort oordelen te zijn. Niet leuk te constateren natuurlijk, want iedere menselijke dictator heeft een voorkeur voor dezelfde manier van optreden. De eerste oordelen worden uitgesproken over de zonen van Juda (een zoon van Jakob):


‘En Er, de eerstgeborene van Juda, wekte het misnoegen des Heren op, en de Here doodde hem’.


Het schrikbeeld van deze strenge God wordt nog vergroot omdat er geen enkele uitleg van de reden gegeven wordt. Het vervolg is al even dramatisch:


‘Toen zei Juda tot Onan: Ga tot uw broeders vrouw, sluit met haar het zwagerhuwelijk en verwek voor uw broeder nakroost. Maar Onan wist, dat het nakroost hem niet zou toebehoren, daarom, zo vaak hij tot de vrouw van zijn broer kwam, verspilde hij het zaad op de grond, om aan zijn broeder geen nakroost te geven. En hetgeen hij gedaan had, was kwaad in de ogen des Heren en Hij doodde ook hem’. Gen. 38: 7-11)


Zoals we weten is deze tekst ook in verband gebracht met masturbatie. Een grotere misleidende interpretatie van de bijbel is bijna niet mogelijk. Hoewel het overduidelijk is voor een ieder die de tekst leest, dat deze totaal niets met masturbatie te maken heeft, hebben miljoenen mannen zich de eeuwen door schuldig gevoeld, vanwege de prediking van religieuze orthodoxie in zijn meest hysterische (antiseksuele) uitingsvorm. [2] Ze hadden inderdaad niets beters kunnen vinden om nog meer de angst bij de mens voor de straf van God te laten overheersen. Het wedijvert wat dat betreft met de leer van de predestinatie! Voor moderne lezers die hier nog steeds mee zitten een verwijzing naar een andere tekst (waarnaar u heel zeker nooit verwezen zult worden), waar wél over masturbatie gesproken wordt, Leviticus 15:16-18:


‘Wanneer bij een man een zaaduitstorting plaats heeft, dan zal hij zijn gehele lichaam in water baden en hij zal onrein zijn tot de avond. Elk kleed en alle leder, waarop zaad is uitgestort, zal in water gewassen worden en onrein zijn tot de avond.

Wanneer een man bij een vrouw gelegen heeft en zaaduitstorting heeft plaats gehad, dan zullen zij zich in water baden en tot de avond onrein zijn’.


Deze tekst maakt duidelijk onderscheid tussen masturbatie en gemeenschap. Beiden worden als normale handelingen beschouwd, waaruit slechts rituele (ceremoniële) onreinheid volgt (dwz men mocht dan niet in de tempel van God verschijnen). Waarom overigens een heleboel natuurlijke dingen, zoals menstruatie, geslachtsgemeenschap, geboortegeven, lichamelijke handicappen, hazevlees enz. als ceremoniëel onrein wordt beschouwd zal voor eeuwig een raadsel blijven. Of eigenlijk ook weer niet. Al deze dingen zijn ‘onbehoorlijk’ en kunnen tot gevolg hebben dat God zich afwendt van het heilige volk:


‘Gij zult buiten de legerplaats een plek hebben om u daarheen naar buiten te begeven; gij zult bij uw uitrusting een schopje hebben en, wanneer gij buiten gaat zitten, daarmee een gat graven en uw uitwerpselen weer bedekken. Want Jahweh, uw God, wandelt in uw legerplaats, om u te redden en uw vijanden aan u over te geven; daarom zal uw legerplaats heilig zijn, zodat Hij niets onbehoorlijks bij u ziet en Zich niet van u afwendt.’ (Deut. 23:12-14)









Mozes

We staan inmiddels te popelen om met het grote verhaal van de Exodus te beginnen. Het hart van het Oude Testament, de belangrijkste gebeurtenis uit de geschiedenis van Israël. Het verhaal vertelt dat Egypte voor de Israelieten een land van slavernij is geworden. Het boek Exodus en de daaropvolgende drie boeken vertellen hoe God voor de Verlossing zorgt, en hoe het Verbond tussen God en het volk Israël gesloten wordt en Gods wetten eindelijk in alle details gegeven worden.

Op deze grote daden van God grijpen de latere profeten en het Nieuwe Testament steeds weer terug. Wie weet krijgen we nu eindelijk een duidelijk beeld van God.


Allereerst moet hier worden opgemerkt wat u in geen enkele christelijke preek zult horen: God is in staat tot van alles en interesseert zich voor deze wereld, wil zelfs een relatie met bepaalde mensen hebben, maar de bijbel vermeldt er wel expliciet bij dat Hij zich af en toe ook eeuwenlang stil houdt, en 'zijn volk' volkomen kan vergeten; in dit geval duurde het 430 jaar voordat Hij aan het verbond dat Hij met de aartsvaders had gemaakt dacht, de jammerklachten van zijn volk hoorde, en afdaalde om ze te bevrijden, (Ex. 2:24, 3:7,8). We staan hier voor een onbegrijpelijk raadsel. De theologische denkers hebben de volgende alternatieven om het raadsel op te lossen:
1. De Vrome Gelovige: God grijpt niet altijd meteen in, noch laat ook maar iets van zich horen, om het geloof van de mens te beproeven. De ware gelovige komt tot uiting door het blijven hopen op en geloven in ooit gedane beloften van God in weerwil van de realiteit van het leven.
2. De Gelovige Denker (die omdat hij denkt nooit thuis is bij lastige vraagstellingen): Gods wegen zijn ondoorgrondelijk.
3. De gelovige met gevoel voor humor: God is een verstrooide professor, of God heeft zoveel dingen aan zijn hoofd.
4. De Pientere (en daarom ongelovige) Denker: Er bestond ooit een overlevering van de uittocht uit Egypte, en ook verhalen over aartsvaders. Om de verhalen aan elkaar te lijmen moest men de aartsvaders tot een volk laten uitgroeien, waarvoor men een onbepaalde tijdsperiode nodig had. Over die tijd kon men echter niets zeggen, omdat er geen enkele overlevering over bestond. De bijbelschrijvers waren echter pienter genoeg om in de verhalen over de aartsvaders een goddelijke profetie van een periode van slavernij aan te kondigen, en die in het verhaal van de uittocht op het juiste moment te laten beëindigen. Op die manier kon iedereen zien dat Jahweh altijd alle touwtjes van de geschiedenis in soevereine handen heeft. Om aan de profetie goddelijk gewicht te geven en de latere lezers verbaasd te doen laten staan over de accuratie van "het ware geloof" kwam men aan met een periode van 430 jaar, nee, nóg accurater: "na precies vierhonderddertig jaar –geen dag eerder of later" (Ex. 12:41). De bijbelschrijvers waren echter niet slim genoeg om op te merken dat deze periode (ook aangegeven als "vier generaties", Gen. 15: 16) bij lange na niet lang genoeg was om een volk op te bouwen van wel 600.000 mannen van boven de 20 ten tijde van de uittocht (Ex. 12:37, 38; bijgevolg moet het een volk van zo'n 2½ tot drie miljoen zijn geweest). Aangezien het uitverkoren volk maar 70 zielen bevatte toen ze naar Egypte gingen (Gen 46:26), waarvan 51 kleinzonen van Jacob, zouden deze blijkbaar uiterst viriele mannen gedurende vier generaties lang elk een stuk of 35 tot 40 nazaten moeten hebben, en elk van hen dus een stuk of vijf tot tien heidense vrouwen moeten bezitten om zoiets tot stand te brengen, iets wat moeilijk samengaat met het idee dat de Israëlieten tot een arm slavenvolk uitgroeiden (Ex. 1:19 sluit ook de verbastering met heidense vrouwen uit, waarna ons slechts de conclusie rest dat de Hebreeuwse vrouwen blijkbaar alle vruchtbaarheidsgodinnen beschaamd maakten). Een even zo groot probleem is dat het volk na vier generaties al volledig de God en godsdienst van hun stamvaders hebben vergeten, en God in een verschijning helemaal van voren af aan moet beginnen. Wat een problemen kunnen zich al niet aan ons voordoen, indien we zitten met een kleine periode van historische leegte! Telkens weer verraden de bijbelschrijvers dat ze alles uit hun duim zuigen. Al in Exodus 1:9 wordt door een farao "die Jozef niet gekend had" opgemerkt dat "de Israëlieten te sterk voor ons zijn en te talrijk". Let wel, dit zegt de farao van het land Egypte dat 1500 voor Christus één van de grootste wereldmachten was, en uiterst zorgvuldig zijn eeuwenlange koningsgeschiedenis bewaarde en koesterde, en slechts een paar generaties later leefde dan het minuscule groepje Hebreeërs dat Egypte binnentrad!
Denk nog eens aan de 600.000 dappere strijders ten tijde van de uittocht, en probeer dan eens Gods gebod om het Paasmaal te gaan vieren (Ex. 12:3) uit te voeren. We hebben dus zo'n half miljoen mannen die het hoofd van hun familie zijn, en hebben dus een half miljoen lammetjes of bokjes van het mannelijk geslacht nodig en van één jaar oud! De rijkdom van de Israëlieten, de omvang van de gehele kudde en de hoeveelheid grasland dat dit vereist, is -hoe bijbelvriendelijk men ook zou willen rekenen- astronomisch.


Maar laten we alle problemen van "de historische leegte" terzijde schuiven, en het de bijbelschrijvers vergeven dat ze altijd duizend-en-één details over de meest onbenullige zaken en namen weten, maar nooit met ook maar één naam van een Farao aankomen, die ten tijde van Abraham niet, die ten tijde van Jozef niet, die ten tijde van Mozes niet en die ten tijde van Salomo niet. Eindelijk wordt nu Mozes geroepen door God, en dat is waar het hun tenslotte om gaat. Wanneer God aan hem verschijnt in een brandende braamstruik die niet verteert, verbergt hij zijn gelaat, omdat hij bang is God anders te zien. Bovendien zegt God hem zijn schoenen uit te doen, omdat hij op heilige grond staat. Vanaf nu is God heilig. Zijn heiligheid is als de uitstraling van al zijn karaktertrekken, en dat kan een mens verteren. Daarvoor moet een mens eerbiedig zijn schoeisel afnemen, iets wat men in de Islam nog erkent, maar waar men zich in het christendom nooit zo druk om heeft gemaakt. Het christendom leeft met de duimregel: hoe meer kleren, des te beter.
God maakt zich nu bekend met zijn naam. Gods naam is Jahweh in het hebreeuws, iets dat onmogelijk te vertalen is, maar zoiets betekent als ‘Ik ben die ik ben’. Wellicht wil het woord uitdrukken ‘de eeuwige’, misschien meer nog: ‘Ik kan het de mens niet uitleggen, een mens zou het niet begrijpen’. Wat de mens hieruit wél kan opmaken is dat de naam Jahweh in ieder geval een eigennaam is, dus de aanduiding van een Persoon ter onderscheiding van andere godheden. Aan de godsnaam Jahweh kleven daarom nogal wat ongerijmdheden. De naam komt in het Oude Testament wel 6000 keer voor, maar de latere joden beschouwden de naam als te heilig om uitgesproken te worden (een gebruik dat geenszins gebaseerd is op een lering uit de bijbel, maar simpelweg de overal op te merken natuurwet laat zien dat men op het gebied van vroomheid nooit vroom genoeg kan zijn). Zo werd in de Septuaginta (de eerste vertaling van het Oude Testament, derde eeuw voor Christus, in het Grieks) de naam van de God van Israël 6000 maal valselijk vertaald met "DE HEER", een gebruik dat is overgenomen door alle (christelijke) bijbelvertalers sindsdien. Hoewel dit gebruik in de regel op rekening van extreme vroomheid wordt gezet, is het aannemelijker aan heimelijke theologische oogmerken te denken voor deze grove vervalsing van de heilige schrift. Exodus 3:15 laat zelfs uitdrukkelijk het volgende weten:


Ook zei Hij tegen Mozes: 'Zeg tegen hen: "Jahweh heeft mij gestuurd, de God van uw voorouders, de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob. En Hij heeft gezegd: 'Zo wil Ik voor altijd heten, met die naam wil ik worden aangeroepen door alle komende generaties.'"


We hebben hier dus met een vervalsing te maken die notabene door God nadrukkelijk verboden wordt! De reden om desondanks zó openlijk het zogenaamde woord van God met voeten te treden moet hierin worden gezocht, dat op deze manier heel handig verduisterd wordt dat Israël eenzelfde 'eigen' stamgod had als alle andere volkeren in de omgeving, zoals Ba'al (= Bel), Ea, Anu, Enlil, Dagon, Moloch, Kemosh, Ashur, Astarte, Isis, Ra, Sin, en men de implicatie kan ontwijken toe te moeten geven dat Jahweh dus één god uit velen was (waar monotheïsme later de enige echte God van gemaakt heeft). Het Oude Testament laat keer op keer zien dat oorspronkelijk ook de andere goden worden erkend als echt bestaand en macht hebbend. Jahweh is zelfs voor Mozes en Jozua slechts de 'God der goden' (Deut. 4:7; Joz. 22:22). "Jahweh is een machtige God (El), een machtige koning, boven alle goden (Elohim) verheven." (Ps. 95:3). "Onder de goden is er geen die U, Heer (Adonai), gelijk is." (Ps. 86:8)(Zie ook: Ps. 50:1, 136:2, 96:4). Vanaf de aartsvaders tot aan de ballingschap bestaat er in feite geen monotheïsme in Israël, maar doet iedereen aan meergodendom. Iedere god regeerde over een bepaald gebied/stam/volk. (Zie bijvoorbeeld 2 Kon. 1 en 2 Kon. 17)
Er is nog een andere reden waarom het de christenen goed uitkomt om Gods naam maar te verdonkeremanen in het Oude Testament. Jezus wordt in het Nieuwe Testament in de regel als 'de Heer' betiteld, en hem wordt de status van God verleend. Wat handiger dan om dezelfde term al in het Oude Testament te hebben voor God! Het verdoezelt bovendien nog mooi dat het Nieuwe Testament de naam Jahweh helemaal niet kent (de schrijvers van het Nieuwe Testament lazen de Septuaginta)!
Een andere ongerijmdheid aangaande de naam Jahweh is dat de naam pas in Exodus 3 geopenbaard wordt, en er in Exodus 6: 2,3 nog uitdrukkelijk bij wordt vermeldt dat God wel aan de aartsvaders verschenen was, maar zij zijn naam niet kenden, terwijl men de naam notabene 156 maal tegenkomt in het boek Genesis, ook daar waar over de aartsvaders gesproken wordt. Zij spreken over hun stamgod als El (El is als eigennaam teruggevonden op de kleitabletten uit Ras Shamra; het was oorspronkelijk de stamgod van de Kanaanieten, de vader van Ba'al), Elohim, Elohe (in de bijbel de soortnamen voor alles wat men 'God' noemt), of Adonai (mijn Heer), maar ook met gebruik van de eigennaam Jahweh:


Enige tijd later richtte Jahweh zich tot Abram in een visioen: 'Wees niet bang, Abram: ikzelf zal jou als een schild beschermen. Je loon zal vorstelijk zijn.'
'Jahweh, mijn God', antwoordde Abram, 'wat voor zin heeft het mij te belonen, want ik zal kinderloos sterven...
(Gen. 15:1,2).
Ook zei Jahweh tegen hem: Ik ben Jahweh, die jou heeft weggeleid uit Ur...'
'Jahweh, mijn God, antwoordde Abram,...
(Gen. 15:7,8).

Daarna trok Isaak verder, en weer groef hij een waterput. Hierover ontstond geen onenigheid. Hij noemde hem Rechobot, 'want', zei hij, 'nu heeft Jahweh ons ruimte gegeven in dit land en kunnen wij ons uitbreiden.' (Gen. 26:22).
Toen bouwde hij in Berseba een altaar, riep er de naam van Jahweh aan en sloeg er zijn tenten op; zijn knechten begonnen daar een put te graven. (Gen 26:25).

Ook zag Jakob Jahweh bij zich staan, die zei: 'Ik ben Jahweh, de God van je voorvader Abraham en de God van Isaak.' (Gen. 28:13).
Toen werd Jakob wakker. 'Dit is zeker', zei hij, 'op deze plaats is Jahweh aanwezig. Dat besefte ik niet.' (Gen. 28:16).
Daarna legde hij een gelofte af: 'Als God mij ter zijde staat en mij op deze reis beschermt, als hij mij brood te eten geeft en kleren aan mijn lichaam, en als ik veilig terugkom bij mijn verwanten, dan zal Jahweh mijn God zijn.' (Gen 28:20, 21).


Men ziet hoe de pientere ongelovige denker van zoëven weer koren op zijn molen krijgt; nog even en hij zal beweren dat de verhalen over de relatie van de aartsvaders met Jahweh verzonnen zijn.
Maar terug naar Mozes: vervolgens legt deze nieuwe, oude God Jahweh uit dat hij Israël zal uitleiden uit Egypte en naar een goed en wijd land zal brengen waar nu 6 of 7 volkeren wonen. Mozes ziet het niet zo zitten met de opdracht om als leider op te treden, zelfs niet wanneer Jahweh zegt met hem te zijn en wondertekens te doen. Hij stribbelt vijf maal tegen en vraagt ten laatste: ‘Och Here zend toch iemand anders’. Daarop ontbrandt de toorn van Jahweh -verwachten we wat anders?- maar Hij geeft gedeeltelijk toe en deze grilligheid hebben we ook al leren te verwachten. Jahweh stelt de broer van Mozes, Aäron, aan als woordvoerder van Mozes. Mozes gaat uiteindelijk op weg naar de Farao van Egypte. Onderweg wordt nog even verteld hoe Jahweh Mozes ‘s nachts probeert te doden. Zijn heidense vrouw Sippora begrijpt meteen waarom, neemt een stenen mes en besnijdt de voorhuid van haar zoon en raakt daarmee zijn voeten aan (terwijl 5 verzen daarvoor verteld wordt dat Mozes twee zonen heeft). Daarna laat Jahweh Mozes weer met rust. Gelukkig heeft Jahweh ons sindsdien ‘s nacht niet meer aangevallen, bovendien heeft Hij de besnijdenis afgeschaft [3], en kunnen we onze kinderen tegenwoordig het avondgebedje leren opzeggen: "Here houdt ook deze nacht, getrouw over mij de wacht".









De Exodus

Uit mijn kinderjaren herinner ik me goed hoe geboeid wij schoolkinderen allemaal stil zaten te luisteren naar de prachtige verhalen over hoe God korte metten maakt met de vijanden van Israël, hoe stom dat volk Israël altijd maar zit te morren en nooit in God gelooft, hoewel God dan eindelijk zijn wetten geeft, zodat iedereen voor eens en altijd kan weten wat God van ons verlangt.

Nu ik als eindelijk volwassen geworden mens de verhalen weer een doorlees, slaan de teksten me om de oren, zodat ik er rode oortjes van krijg. Ik voel me opeens bedrogen, als kind misbruikt, gehersenspoeld.

Geen woord spreekt Mozes over de onmenselijkheid van slavenarbeid. Geen woord over het recht van de mens op loon voor zijn arbeid, geen woord over humaan met elkaar omgaan, geen woord over leven in vrijheid. Hij vraagt alleen of hij met zijn volk weg mag om offers te brengen aan hun God.

‘En wat voor God is dat dan wel?, vraagt de Farao. Nooit geweten dat jullie er een voor jezelf hebben!’ Niet eens zo’n gekke opmerking als je het goed beschouwt. Wel, spoedig krijgt de Farao en krijgen wij allemaal een overduidelijk beeld van de God die Jahweh heet.


Het is een God die met de tovenaars van Egypte om te beginnen een wedstrijdje tovenarij houdt. Stokken veranderen in slangen, met de toverstok worden hele rivieren in bloed omgezet. En op het laatst geven de Egyptische tovenaars toe dat de God van Israël toch wel de sterkste is. Nu begrijp ik waarom de jonge generatie zo geboeid is door de boeken over Harry Potter. Hun wordt tegenwoordig de bijbel niet meer onderwezen. Maar wat ik niet begrijp is dat er evangelische christenen zijn die hele openluchtmeetings hebben gehouden en de Harry Potter boeken openlijk verbrand hebben om te protesteren tegen deze de jeugd zo verpestende boeken vol duivelse tovenarij. Arme christenen, ze hebben er blijkbaar geen idee van dat de jeugd tegenwoordig volwassen is in hun denken: iedereen weet dat het maar fantasie is, een verhaaltje. Zoiets neemt zelfs een kind dat in de afgelegen bossen van Finland woont niet serieus. Maar dat wat mij als kind is aangedaan is verfoeilijk: de tovenarijverhalen werden ons op school aangediend als woord van God, de absolute waarheid, geschiedenis! Niemand stelde vragen over hoe het mogelijk was dat zelfs al geloof je in wonderen, kuddes vee die op het veld graasden met een hagelbui gedood werden (Ex. 9:21), terwijl even tevoren in Exodus 9:6 ‘al het vee van de Egyptenaren stierf’ (paarden, ezels, kamelen, runderen en kleinvee), vanwege de straf van de veepest. En wanneer de laatste plaag komt worden de eerstgeborene dieren voor de zekerheid nog een keer gedood terwijl ze allemaal al dood waren. En na al deze plagen heeft de Farao nog het lef om met een leger van zeshonderd paarden en wagens voor de dag te komen! Je zou bijna gaan geloven in de god van de Egyptische tovenaars (blijkbaar gespecialiseerd in het wonderbaarlijk opwekken van dieren)!

Het verhaal vervolgt. De Farao wil maar niet toegeven. Hij wil de Israelieten niet laten gaan, hoewel Mozes van God het advies gekregen had te liegen en alleen te vragen om voor drie dagen de woestijn in te mogen gaan om een offerfeest voor God te houden (Ex. 3:18). De bijbel vertelt ons dat het dan ook God zelf is die de Farao verhardt. Zodoende kan God telkens met recht weer een straf uitdelen. De straffen krijgen hun hoogtepunt wanneer God alle eerstgeborenen van zowel de Egyptenaren als de dieren doodt. Dan eindelijk geeft de Farao toe, en laat hij de Israëlieten gaan. Het volk gaat niet voordat ze eerst goud en zilver van de Egyptenaren verlangt, hetgeen de Egyptenaren grif geven, ‘omdat de Here bewerkte dat de Egyptenaren het volk gunstig gezind waren’. Kan het mooier gezegd worden nadat de Egyptenaren al die plagen over zich hadden zien komen, en ten laatste al hun eerstgeborenen door God gedood werden? Af en toe is de bijbel ook eerlijk: ‘Zo beroofden zij de Egyptenaren’, wordt erachteraan vermeld. Maar de Farao krijgt er alweer spijt van en gaat het volk achterna. Welnu, dan moet hij het maar goed voelen: niemand van zijn leger ontkomt. God doet ze allemaal verdrinken in de Rode Zee.


En nu het belangrijkste: Waarom gebeurde dit alles? Vele malen wordt het herhaald: Zodat Jahweh met het doden van al zijn tegenstanders verheerlijkt wordt (Ex. 14:17) en naam maakt over de gehele aarde. Het lukt goed want later wordt verteld hoe menig ander volk staat te sidderen en beven. Om te beginnen staat er dat het z’n uitwerking had op de Israëlieten. ‘Toen Israël zag, welk een machtige daad Jahweh tegen Egypte gedaan had; en het volk vreesde de Here en zij geloofden in Jahweh en in Mozes, zijn knecht’.

‘De vreze des Heren is het begin der wijsheid’, staat er elders in een wijze spreuk. En gelovigen zullen je dan uitleggen dat ‘vreze des Heren’ betekent Hem te eerbiedigen, respect voor Hem hebben. Maar hoezeer worden we weer misleid. De vreze des Heren betekent niets en dan ook niets anders dan wat de woorden zeggen: bang zijn voor God; de bijbel zou het niet duidelijker kunnen laten zien, je hoeft niets anders te doen dan op bladzijde 1 beginnen te lezen.

Dit is de God van hemel en aarde (Ex. 15):


Jahweh is een oorlogsheld (vs 3), vreselijk in roemrijke daden [van geweld] (4-11), volkeren hoorden het, zij sidderden; beving greep de bewoners van Filistea aan, toen verschrikten Edoms stamhoofden, huivering greep Moabs machtigen aan; alle bewoners van Kanaän sidderden. Ontzetting en schrik overviel hen, door Gods geweldige arm verstarden zij als een steen (14-16).


Jammergenoeg moet het hele Egyptische volk daaronder lijden, maar eigen schuld was het.









God de oorlogsheld

We moeten er van nu af aan maar aan beginnen te wennen dat de God van de bijbel ook een oorlogsheld is en de oorlog geenszins versmaadt of verbiedt. Nee, dit is verkeerd uitgedrukt, alsof deze dingen slechts enkele problematische bijkomstigheden zijn. In werkelijkheid staan de zaken in een veel schriller licht: in de boeken Jozua en Richteren is God enkel en alleen een oorlogsheld en op verschillende plaatsen gebiedt Hij niet alleen oorlog te voeren tegen andere volken, maar deze oorlog ook zo grondig mogelijk uit te voeren, zodat Israël ook opdracht krijgt de vrouwen, de kinderen en al het vee van de vijand uit te moorden. "Ze moesten hun eigen identiteit bewaren en bewaken. Vandaar allerlei voorschriften." is zoals we hierboven hebben kunnen lezen, een gebruikelijke uitleg van dominees om de meer duistere kanten van het Oude Testament acceptabel te maken. (de gehele preek) Hoe het met zo'n opmerking lukt de argeloze gelovige gerust te stellen is al een raadsel, maar hoe een geschoold theoloog alle duistere bladzijden van de bijbel kan doorlezen en tóch zijn gehele leven maar aan die bijbel blijft toewijden alsof het iets over God te vertellen heeft is volslagen onbegrijpelijk. In bovengenoemde preek waar de dominee worstelt met het barbaarse van de bijbel komt de volgende redenering voor:


"De bijbelverhalen worden verteld niet om een nauwkeurig historisch verslag te doen, maar om te vertellen hoe de mensen de dingen die gebeurden beleefden, met name voor wat betreft hun relatie tot God. De bijbel is een verzameling boeken waarin verteld wordt over de ervaringen die mensen met God hebben gehad. Ervaringen niet in de zin van gebeurtenissen, maar van gevoelens. Mensen voelden Gods aanwezigheid in en om zich heen. Ze geloofden dat Hij betrokken was bij hun leven, bij de hoogtepunten en de dieptepunten van hun bestaan. Daarover werd geschreven. Dus geen leerboek, geen studieboek, maar een levensboek".


Het vreemde is dat gelovigen tegenwoordig allemaal weten dat bovenstaande de waarheid is, maar desalniettemin niet in staat zijn de enige logische conclusies uit deze opmerkingen te trekken, namelijk 1) dat de bijbel dus overduidelijk laat zien dat religieuze ervaringen catastrofale waandenkbeelden zijn en de mens kunnen aanzetten tot het begaan van welke misdaad dan ook met een goed geweten, of het onderhouden van welke onbenullige en absurde voorschriften dan ook met de grootste geloofsijver; 2) dat de bijbel bijgevolg niets te maken heeft met Gods woord; 3) dat moderne mensen door de bijbel uit te roepen tot Gods woord dus aan de grootst mogelijke godslastering meedoen; en 4) dat moderne gelovigen die hun geloof blijven ophangen aan een bijbel waarvan ze weten dat die dan wel ogenschijnlijk feitelijk historische verslagen weergeeft maar dat ze die toch niet serieus behoeven te nemen wanneer het hen niet zint, uitstekende voorbeelden zijn van slachtoffers die verzeild zijn geraakt in de meest bizarre denkkronkels en op wiens geestelijke gezondheid een immense aanslag is gepleegd.


Indien de lezer wil weten waar we het nu over hebben zou ik om te beginnen kunnen verwijzen naar teksten als Exodus 17:14-16, Numeri 31, 1 Samuël 15:2-9 en natuurlijk het hele boek Jozua. Dit nu zijn bijbelgedeelten die zo weerzinwekkend zijn dat zulk een oorlogsvoering niet alleen tegenwoordig als onmenselijk wordt beschouwd, maar ontwikkelde mensen die ze lezen er al duizenden jaren moeite mee hebben. Meestal worden ze voor ketter verklaard (bijvoorbeeld Ptolemeus en Marcion in de tweede eeuw na Christus), en lukt het de gelovigen alles te zien als handelingen en geboden van een Rechtvaardig God, op dezelfde manier als u dat daarnet deed, door de zojuist genoemde bijbelgedeeltes niet erbij op te slaan en door te lezen, maar ze eenvoudigweg over te slaan...


Vanaf alle latere tijden hebben de meest vernuftigen en vromen onder ons gelovigen een gigantische goocheltoer ondernomen: ze hebben ontdekt dat je alle oorlogen, wetten, voorschriften en gebeurtenissen symbolisch kan opvatten, als allegorieën, als typen, voorschaduwingen van Jezus Christus, of de christelijke kerk, en voorbeelden van de heiligheid van God en het geestelijke leven van de gelovige. Val je in die kuil, dan zullen je ogen nooit voor de werkelijkheid opengaan, maar toch zal ik u aanraden een dergelijk boek met zulke uitleggingen te zoeken als de waarheid van de boeken van Mozes u te weerzinwekkend is en u uw gemoedsrust als christen op de een of andere manier wil behouden. Het is natuurlijk maar de vraag of u dan niet van de wal in de sloot geraakt, want de dingen veranderen dan vaak in het lachwekkende. Zo is de rode lap die door de hoer Rachab als teken wordt gebruikt voor de spionnen, traditioneel uitgelegd als symbool voor het vergoten bloed van Christus!


Meestal worden al de weerzinwekkende dingen eenvoudigweg verzwegen, maar zo af en toe krijgt de christelijke wereld tegenwoordig nog een koekje van eigen deeg, wanneer de Islam hun de heilige oorlog verklaart, omdat de moslims van mening zijn dat de christelijke wereld goddeloos is. Zo heeft God het namelijk vroeger de mensheid geleerd! Goddeloosheid moet uitgeroeid worden. Zo leert Hij ons een paar hoofdstukken verder ook te stenigen en mensen te verbranden. Zo heeft de Islam ook gelijk wanneer ze de Sharia in willen voeren: het zijn de wetten Gods, inclusief het afkappen van handen. Zelfs bidden in de richting van Gods tempel heeft de Islam van het Oude Testament geleerd (1 Kon 8:35 ‘en tot U bidden met hun aangezicht tot Uw huis gewend’). Zo heeft de Islam ook gelijk wanneer ze altijd maar uitroept dat God één is. Zo heeft God het ons in het Oude Testament ook geleerd. Deze kreet van de Islam is een reaktie op het vreemde geloof in de drieëenheid van de christenen, en op ketterij staat de doodstraf. Dat heeft God nadrukkelijk voorgeschreven. Later is de straf zelfs nog verzwaard: Je komt er tegenwoordig bovendien nog voor in de hel; de moslims in de christelijke en de christenen in de islamitische hel. De Joden komen in allebei de hellen terecht. We kunnen ons afvragen of de Joden, die de uitvinders zijn van een God van het universum met een voorliefde voor één minuscuul volk, dwz juist voor hen, op die manier niet in alle eeuwen gemaaid hebben wat zij ooit eens zelf gezaaid hebben.









De goddelijke wetgeving

We komen eindelijk aan op de goddelijke wetgeving. We betreden wat de Joden het heilige der heilige van de bijbel noemen. God openbaart zich in zijn gehele volheid aan het volk Israël, en laat zien hoe Hij van dit volk een heilig volk maakt.

We lezen de tien geboden, Exodus 20, de eerste woorden van Gods wetgeving. We zijn ervan onder de indruk, we herhalen de geboden tot in het oneindige.

Maar vreemd, om de één of andere reden hebben we nooit de kracht, zin en moed verder te lezen. Probeert u het eens:


Exodus 21, 22, 23, ...28, 29..30 (we zijn al bij heilige zalfolie)...36, 37 (het maken van de kandelaar), 38 (het wasvat), 39, 40. Oef, het is uit.


Leviticus begint. 1, 2, 3, schuldoffers, spijsoffers, vredeoffers, priesterlijke aandelen, reine en onreine dieren, 10, er tussen door doodt Jahweh de zonen van Aäron omdat ze geofferd hadden zonder de gegeven regels in acht te nemen. Mozes trekt z'n schouders op en legt de situatie uit aan Aäron: ‘Dit is het wat Jahweh gesproken heeft: aan degenen die Mij het naast staan, zal Ik mij de Heilige betonen en ten aanschouwen van het gehele volk zal Ik Mij verheerlijken. En Aäron zweeg.’ Begrijpelijk, want wat kan een man die onder zo’n schrikbewind leeft anders doen zonder zijn eigen leven te verliezen. Maar ik zwijg niet! Als dit doden van de zonen van één van de grootste dienaars van God ‘verheerlijking van God’ genoemd wordt, en de ‘heiligheid’ van God laat zien, klaag ik Hem aan, omdat deze God ons in angst en barbaarsheid laat leven, en Hij heiligheid een synoniem maakt van wreedheid. 11, hazen die herkauwen, vleermuizen die vogels zijn, gevleugelde dieren die op vier poten lopen (en sindsdien nooit meer gezien zijn), sprinkhanen die je juist weer wel mag eten, randen van het hoofdhaar die niet rondafgeschoren mogen worden, randen van baarden die niet afgeschoren mogen worden, 21, ontucht plegende dochters van priesters die met vuur verbrand moeten worden.


Numeri...5, wetten op jaloersheid, vervloekingen van de baarmoeder die op een blad geschreven worden, 10, trompetten die van gedreven zilver vervaardigd moeten worden, 11, vuur des Heren, omdat het volk weer eens klaagde, 15, de sabbatsschender die gestenigd moet worden en gedenkkwasten die aan de hoeken van kleren gemaakt moeten worden, 22, een ezelin die zijn mond opendoet en zegt: ‘Wat heb ik u gedaan dat gij mij driemaal slaat?’, en een man Bileam, die daar helemaal niet van opkijkt maar de ezelin antwoord geeft: ’Omdat gij de spot met mij drijft’ (‘en met de toekomstige bijbellezers’, had hij erachteraan kunnen zeggen), waarop de ezelin heel spitsvondig antwoordt ‘Ben ik ooit gewoon geweest u zo te behandelen?’, 31, alweer de bloedige wraak op de Midjanieten, 34, de grenzen van Kanaän (nog even doorzetten, we komen al in de buurt), 36 het huwelijk van erfdochters.


Deuteronomium 1, terugblik van Mozes, o, nee, toch niet weer al die wetsparagrafen!, jawel, de wetgeving van voren af aan, waarschuwingen tegen eigengerechtigheid, vermaningen tot dankbare gehoorzaamheid, 11, de vloek der ongehoorzaamheid, 14, verboden rouwgebruiken, 17, doodstraf op afgoderij, en denk erom: als jullie later een koning willen mag hij zich niet vele paarden aanschaffen, ook niet zoveel vrouwen nemen en rijkdommen vergaren, 21, de krijgsgevangen vrouw mag je voor een tijdje gebruiken om er seksuele omgang mee te hebben en de weerspannige zoon moet gestenigd worden, 28, ongelofelijk klinkende zegen en schrikwekkende vloek, vernieuwing van het verbond met God, 32, Mozes’ einde nadert, 34, Mozes’ dood.


Dat was het. Welke lezer die deze site leest kan zeggen dat hij dit alles in de bijbel indachtig nu of zelfs ooit doorlas? Wees eerlijk! Heeft u echt de bijbel ernaast gelegd en u zich er werkelijk in verdiept? Hoofdstuk na hoofdstuk? Ook de voorschriften over de priesterkleding met om en om gouden belletjes en granaatappels op de zomen en twee gouden ringen die aan beide einden van het borstschild gezet moeten worden, op de binnenrand, die naar de efod is toegekeerd en nog twee andere gouden ringen die op de beide schouderstukken van de efod gezet moeten worden, onderaan, aan de voorkant, dicht bij de plaats waar hij verbonden is, boven de gordel van de efod? (Ex. 28) En zo niet, heeft u er wel enig idee van dat hier de volheid van Gods wijsheid en karakter geopenbaard wordt? Het gaat hier om goddelijke wetgeving!

Als het u niet gelukt is, bent u soms een christen die alleen maar in het Nieuwe Testament gelooft? Gelooft u niet dat in de gehele bijbel maar over één en dezelfde God gesproken wordt en weet u niet dat het Oude Testament op bijna elke bladzijde van het Nieuwe Testament aangehaald wordt? Bent u zelfs eigengereid en denkt u uw eigen wetten te kunnen opstellen? En zo dat al geoorloofd is, neemt u niet eens kennis van de oorspronkelijke wet van God, om te zien in welke richting u moet denken, om op het juiste spoor te blijven? We moeten ons wel bedenken dat in al die duizenden jaren van de geschiedenis van de mens God maar een paar maal zijn mond opendoet. Elk woord dat God gesproken heeft is goud waard. Luister wat de bijbel over de wet van God zegt:


‘Hoor Israël: Jahweh is onze God; Jahweh is één! Gij zult Jahweh, uw God liefhebben met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw kracht. Wat ik u heden gebied zal in uw hart zijn, gij zult het uw kinderen inprenten en daarover spreken, wanneer gij in uw huis zit, wanneer gij onderweg zijt, wanneer gij nederligt en wanneer gij opstaat. Gij zult het ook tot een teken op uw hand binden en het zal u een voorhoofdsband tussen uw ogen zijn, en gij zult ze schrijven op de deurposten van uw huis en aan uw poorten.’ (Deut. 6:5-9).


Begrijpelijk is deze tegenzin wel. Het is namelijk voor de moderne mens onbegrijpelijk dat de volheid van Gods openbaring in het Oude Testament voor het merendeel bestaat uit allerlei voorschriften betreffende dingen die in onze eigen tijd volkomen onnozel en nutteloos toeschijnen. In feite zijn de eeuwen door sommige voorschriften en passages zo weinig gelezen, dat men niet eens meer zeker weet wat nu eigenlijk een efod is waar we net over lazen! Ook zegt de bijbel dat God zelfs het model van de tabernakel en alles wat erin zat liet zien aan Mozes, opdat alles tot in het kleinste detail uitgevoerd zou worden naar Gods ontwerp, terwijl het maar voor een kleine tijd dienst deed.

Laten we bijvoorbeeld de priesterwijding eens onder de loep nemen. Lees het aandachtig en spreek daarover wanneer ge in uw huis zit of op de snelwegen rijdt:

Exodus 29:


‘Dit nu is wat gij moet doen, om hen te heiligen om voor Mij het priesterambt te bekleden: Neem één jonge stier, en twee gave rammen, ongezuurd brood en ongezuurde koeken, met olie aangemaakt, en ongezuurde dunne koeken, met olie bestreken; van fijn tarwemeel zult gij ze maken. Leg ze in een korf en draag ze in de korf naderbij, met de stier en de beide rammen.
Ook zult gij Aäron en zijn zonen doen naderen tot de ingang van de tent der samenkomst en gij zult hen met water wassen. Dan zult gij de klederen nemen en Aäron bekleden met het onderkleed, het opperkleed van de efod, de efod en het borstschild; gij zult hem de gordel van de efod ombinden, gij zult de tulband op zijn hoofd zetten en de heilige diadeem van de tulband vastmaken. Dan zult gij de heilige zalfolie nemen en over zijn hoofd uitgieten, en hem zalven. Gij zult zijn zonen doen naderen en hen met onderkledenen bekleden. Gij zult hen omgorden met een gordel, Aäron en zijn zonen, en hun de hoofddoeken ombinden, en zij zullen het priesterambt hebben tot een altoosdurende inzetting, zo zult gij Aäron en zijn zonen wijden.
Voorts zult gij de stier doen naderen vóór de tent der samenkomst, en Aäron en zijn zonen zullen hun handen op de kop van de stier leggen. Gij zult de stier slachten voor het aangezicht des Heren bij de ingang van de tent der samenkomst. Gij zult van het bloed van de stier nemen en dat met uw vinger aan de hoornen van het altaar strijken, en al het bloed zult gij aan de voet van het altaar uitgieten. Dan zult gij nemen al het vet dat de ingewanden bedekt, het aanhangsel aan de lever, de beide nieren en het vet dat daaraan zit, en gij zult het op het altaar in rook doen opgaan. Maar het vlees van de stier, zijn huid en zijn mest zult gij met vuur buiten de legerplaats verbranden; het is een zondoffer. Dan zult gij de ene ram nemen en Aäron en zijn zonen zullen hun handen op de kop van de ram leggen. Gij zult de ram slachten en zijn bloed nemen en sprengen rondom op het altaar. De ram zult gij in zijn delen verdelen, zijn ingewanden en onderschenkels wassen en op zijn delen en zijn kop leggen. Dan zult gij de hele ram op het altaar in rook doen opgaan; het is een brandoffer voor de Here, met een lieflijke reuk; het is een vuuroffer voor de Here.
Dan zult gij de andere ram nemen en Aäron en zijn zonen zullen hun handen op de kop van de ram leggen. Gij zult de ram slachten, van zijn bloed nemen en het strijken aan de rechter oorlel van Aäron en aan die van zijn zonen, aan hun rechterduim en aan hun rechter grote teen, en gij zult de rest van het bloed, dat op het altaar is, en van de zalfolie nemen en het sprenkelen op Aäron en op zijn klederen, en ook op zijn zonen en op de klederen van zijn zonen; en hij zal heilig zijn, hij en zijn klederen, en ook zijn zonen en de klederen van zijn zonen.
Gij zult van de ram nemen het vet, de vetstaart, het vet dat de ingewanden bedekt, het aanhangsel aan de lever, de beide nieren, het vet dat daaraan zit, de rechterschenkel -het is een ram ter inwijding-, één brood, één geoliede broodkoek en één dunne koek uit de korf met ongezuurde broden, die voor het aangezicht des Heren is. Gij zult alles op de handen van Aäron en op die van zijn zonen leggen en gij zult dat bewegen als een beweegoffer voor het aangezicht des Heren. Daarna zult gij het van hen aannemen en op het altaar op het brandoffer in rook doen opgaan tot een lieflijke reuk voor het aangezicht des Heren; het is een vuuroffer voor de Here.’


We zijn tot iets over de helft van de priesterwijding gekomen. Hoe het afloopt kunt u in de bijbel zelf verder lezen. Het lukt me namelijk niet verder te kopiëren, al doe ik al zo’n half uur mijn uiterste best. En juist dit is het allergrootste probleem: hoe kan een dergelijke tekst toch Gods woord zijn, woorden van de schepper van het onmetelijke heelal? Stel je voor weer een zendeling in Nieuw-Guinea te zijn. Een Wycliffe bijbelvertaler, zoals ik er ook een had kunnen zijn. Je loopt met je bijbeltje op zoek naar mensen om Gods woord aan te bieden. Je hebt er jaren lang over gedaan om de plaatselijke taal te leren, en hoort opeens een inboorling, een godsdienstig leider, een mystiek gesprek hebben met bovenstaande woorden. Achteraf zou je hem vragen met wie hij nu eigenlijk sprak en hij zou plechtig antwoorden dat dit de woorden van de hoogste God zijn, laat niemand dit tegenspreken op straffe des doods!

Je zou verwachten dat de openbaring van de hoogste God met heel verheven teksten aan komt. De werkelijkheid geeft juist het omgekeerde. De bijbel laat bijvoorbeeld een God zien die heel precies uitlegt hoe men heilige zalfolie kan bereiden uit mirre, kaneel, kalmoes, kassie en olijfolie (Ex. 30:22-23), en ten slotte laat God weten dat iemand die iets soortgelijks zal bereiden voor zichzelf of andere onbevoegden, hij daarvoor de doodstraf moet krijgen. Wij staan volkomen woordeloos omdat het zo moeilijk is voor iemand die met de God van de bijbel is opgegroeid die God de les te leren. [4]


Nee, ik zal me er nu toch eens goed mee moeten bezighouden, want alle mooie bijbelse verhalen zijn mij als Gods woord onderricht. Ik heb altijd met volle teugen genoten van de verhalen over Jozef -daarom laat ik ze nu ook mooi met rust- maar nu heb ik er recht op om ook de ontbrekende hoofdstukken, waar nooit over gesproken werd, te vernemen. Ook ben ik er bang voor dat er een hoop gelovigen zullen zijn die mij als dwaalleraar zullen bestempelen, zonder dat ze ooit zelf eens de moeite hebben genomen om kennis te nemen van deze geweldige openbaring van God op de berg Sinaï. En wanneer ze mij als dwaalleraar verwensen, wil ik eerst weten of zij zelf op ede in hun hart al deze dingen kunnen zien als perfect, goed en rechtvaardig, zoals Paulus het zegt in het Nieuwe Testament: ‘Zo is dan de wet heilig, en ook het gebod is heilig en rechtvaardig en goed’ (Rom. 7:12). Lees eerst de wet in zijn geheel (dwz 613 geboden, ik heb ze niet geteld, maar de Joden natuurlijk wel) en zeg dan of u het eens bent met Paulus. Wist u trouwens dat het laatste gebod de goddelijke opdracht is het "zaad van Amalek" uit te roeien?









De tien geboden

Laten we beginnen met de tien geboden. Vorige week kwam de dominee op de school waar ik lesgeef. Hij legde de kinderen de 10 geboden uit als ‘perfekte wet van God, de basis van een goede samenleving’, en besloot met de woorden ‘Het laatste gebod leert ons dat je niets wat van een ander is mag begeren, niets van zijn eigendommen of degene waar hij of zij mee getrouwd is.’

Op deze manier wordt de moderne mens vaak misleid. De bijbelse woorden zijn namelijk: ‘Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn slaaf, noch zijn slavin, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is’ (Ex. 20:17). Een goed verstaander begrijpt dat de tien geboden gegeven worden aan de vrije man. De slaven staan net iets hoger dan de runderen en ezels. Over de vrouw als begerend en onafhankelijk handelend mens gaat het hier helemaal niet, ook zij is het eigendom van de man, net zoals een man in het bezit kan zijn van slaven of bijvoorbeeld zijn dochter als slavin kan verkopen, omdat zij zijn bezit is. Ook legde de dominee niet uit dat de sabbat nu niet zo strikt onderhouden behoeft te worden zoals vroeger. Bovendien hebben we de sabbat verplaatst naar zondag en vieren christenen dus helemaal geen sabbat, tenminste indien ze niet tot de Adventistengemeente behoren. En op zondag mag een christen in Finland wel de krant ontvangen, maar in Nederland is het zonde. Op maandag mag je in Nederland wél de krant ontvangen, maar je mag er niet bij stilstaan dat de journalisten er de hele zondag werk aan hadden om die te maken. Ook mag je op zondag niet naar het voetbalstadion, maar je mag wel ‘s avonds studio sport op de televisie kijken, behalve als je bij een kerk hoort waar de hele televisie als afgod wordt gezien. Ook liet de dominee niets horen over het feit dat God heel streng het maken van welk beeld dan ook verbiedt. Als je het hem zou vragen of je zondig geweest bent toen je op school een dinosaurus van klei boetseerde, zou hij uitleggen dat de contekst laat zien dat de Here hier alleen afgodsbeelden mee bedoelt; (joden en moslims hebben blijkbaar geen idee van conteksten.) En als je hem dan zou vragen welk nut zo’n verbod in deze tijd nu heeft, want iemand van tegenwoordig heeft er al moeite mee in het bestaan van zelfs maar één God te geloven (we zouden eerder een verbod op atheïsme nodig hebben), zou de dominee met kracht de contekst van de gehele rest van de dikke bijbel op je hoofd doen neerkomen en je onmiddellijk vragen of je een afgod hebt gemaakt van sport of lekker eten of feestvieren; zeg dan niet nee, want dan zou hij doorgaan: of van seks, of geld, of van motorcross, of van postzegels, of van je baan, of van je status, tuin of je mooie auto of van wat dan ook dat je het leukste vindt om te doen in je leven of waar je het meest van geniet. Zo zul je uiteindelijk belanden op je dinosaurushobby en inzien dat je die mooie dinosaurus die je gemaakt had toch maar beter in de afvalbak kan gooien, want je bent in de ban van de dinosaurusrage! Merk trouwens op dat het eerste gebod ‘Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben’ niet het bestaan van andere goden ontkent.

Ook legde de dominee niet uit dat ‘Gij zult niet echtbreken’ in ’t geheel niet betekent dat een man maar één vrouw behoort te hebben. Ook liet de dominee achterwege te zeggen dat je dat ‘gij zult niet doodslaan’ nu weer niet al te letterlijk moet nemen, soms moet je nu eenmaal de oorlog in, en bovendien draagt de overheid het zwaard niet tevergeefs. Maar het stelen moet je weer wel heel letterlijk interpreteren. Zelfs het maken van een piratenkopie van Windows is al zondig, al gaat het geld dan ook naar de rijkste man ter wereld, zelfs het nemen van één snoepje zonder erom te vragen of het mocht maakt je al schuldig.

Ook zou welke dominee dan ook volkomen achterwege laten dat de tien geboden wel drie keer gegeven worden, telkens in een andere vorm. En wanneer hij het over de tien geboden heeft zijn het er eigenlijk negen. En de enige keer dat er staat ‘de Tien Woorden’ (Ex. 34:28), zijn het voor een deel hele andere voorschriften:


1)Gij zult u niet nederbuigen voor een andere god, immers Jahweh, wiens naam de Jaloerse is, is een Jaloers God.
2)Gij zult u geen goden van metaal maken.
3)Het feest der ongezuurde broden zult gij onderhouden.
4)Zes dagen zult gij arbeiden, maar op de zevende dag zult gij rusten.
5)Het feest der weken, der eerstelingen van de tarweoogst, zult gij vieren.
6)Driemaal in het jaar zal ieder van u, die van het mannelijk geslacht is, voor het aangezicht van de Here Jahweh, de God van Israël, verschijnen.
7)Gij zult het bloed van mijn slachtoffer niet op iets gezuurds slachten.
8)Het slachtoffer van het Paasfeest mag de nacht niet overblijven tot de morgen.
9)Het beste van de eerstelingen van uw bodem zult gij in het huis van Jahweh, uw God brengen.
10)Gij zult een bokje niet koken in de melk van zijn moeder.


Ik zie in gedachten een hippe dominee op school komen om de perfekte wetten van God voor de maatschappij aan schoolkindertjes te vertellen en ze déze lijst geven. Hij zou nog kunnen uitleggen dat de beschrijving van God als Jaloers in de engelse bijbel staat, in de nederlandse staat Naijverig en in de finse bijbel staat: Opvliegend. In de nieuwste nederlandse bijbelvertaling heeft men weer een nieuwe vondst gedaan: "de Afgunstige"! Het lijkt wel alsof men zijn best erop doet Hem zoveel mogelijk scheldnamen te geven. Je zou het ook kunnen vertalen met woorden als: Heethoofdig, gewelddadig, ontbrandbaar, ontplofbaar, driest, donderend, fel, fanatiek, boos, vurig, gepassioneerd; wie weet beschrijft ‘arabisch’ Hem het best, maar pik eruit wat je het liefst ziet. Ik denk dat de kinderen er voor éénmaal eens heel stil naar staan te luisteren. Wanneer een ongeruste ouder later de dominee om opheldering vraagt en opbelt, zal de dominee kunnen zeggen: Lees het maar na, aan het eind wordt nog gezegd tegen Mozes: ‘Schrijf u deze woorden op, want op grond van deze woorden heb Ik met u en met Israël een verbond gesloten’.




De meest bizarre bijbeltekst





            


















[1] Zie ook Handelingen 13, waar Paulus boos wordt en blindheid uitspreekt over Elymas.



[2] Opiniepeilingen op internet sites laten weten dat 90% van de ondervraagde jongeren aan masturbatie doet; 5% durft zijn mening niet te geven en slechts 4% zegt hier niet aan te doen. De christelijke religie móet zich wel vaak richten op het prediken van zondigheid om het vruchtbare klimaat te scheppen waarin mensen de boodschap van verlossing aannemelijk kunnen vinden. Met het vinden van de sexualiteit als bron van zondigheid heeft ze dit wel heel geniaal gedaan: het is een natuurlijke behoefte als eten en drinken, maar hiervan kan men onthouding eisen.
Hoe het benauwende christelijk denken in zijn werk gaat en gemakkelijk de oorzaak wordt voor depressiviteit en zelfhaat kan men opmaken uit redenaties van jonge christenen op christelijke internetforums:
-"Hallo, ik ben een jongen van 22 jaar en moet ten eerste zeggen dat ik dit een goede site vind! Ik zit dus ook erg met dat probleem over het combineren van masturbatie en het geweten. Dus eigenlijk de combinatie van sex en het geloof in God."
-"Elke zonde begint klein. Als ik mezelf masturbeer komen er veel fantasieën boven, maar ook verlangens naar meiden en geslachtsgemeenschap! Ik ben er dus helemaal mee eens dat je het moet laten! Ik heb er heel veel moeite mee omdat het een verslaving veroorzaakt, maar het is niet goed. Elke keer als ik klaar ben voel ik me weer leeg en zondig. Ik wist niet dat het zoveel schade kon aanrichten! Maar het is goed dat er al zo OPEN over gepraat wordt, bij mij in de familie is het taboe."
-"Je ziet het niet als verslaving in eerste instantie, maar als je een week of 2 niks meer gedaan hebt sta je op springen en grijp je die sleurf weer vast (ik ben een jongen idd). Ik ben mischien iets te open maar wel eerlijk. Dus mijn volgende quest is om van die verslaving van masturberen af te komen, omdat ik zojuist heb gelezen dat dat ook onder sexualiteit valt (logisch eingelijk), en wel sex vóór het huwlijk, en het gaat om liefde (dus masturberen kan ik voor de rest van mij leven vergeten, dit valt onder lust, en past ook niet binnen een huwlijk). En dan denk je mischien van, nou maar één keertje af en toe kan toch wel? Niet dus want je raakt er geheid aan verslaafd. En als ik heel eerlijk ben wil ik eigenlijk nog niet stoppen met masturberen maar het moet wel... dus 't heeft even wat tijd nodig en ik moet maar vaak deze website doorlezen en dan bidden en een streep zetten door deze doelloze aardse kick. Voordat ik 12 werd had ik toch ook een goed leven."
-"Het is ook een probleem voor mij geweest en ik denk dat God het niet goedkeurt, maar vergeven doet Hij het wel als je er om vraagt."
-"Zelfbevrediging. In Deuteronomium 23 vers 9 t/m 11 staat: Als U in oorlog bent, moeten de mannen in het kamp het kwaad uit de weg gaan. Iedere man die 's nachts onrein wordt door een zaadlozing, moet het kamp verlaten en buiten blijven tot de avond: daarna moet hij zich baden en bij zonsondergang weer terugkeren in het kamp. Het is niet rechtstreeks een verbod op zelfbevrediging maar je wordt wel gestraft voor hetgene wat er gebeurd is."
-"Hoi, ik ben 17, goeie site dit! Ik heb de afgelopen 2 jaar best wel eens & later zelfs best wel veel gemasturbeerd, op een gegeven moment kon ik niet meer slapen als ik het niet deed. Dat gebeurt er dus... Sinds een paar weken heb ik met mijzelf & God afgesproken dat ik het niet meer wil doen, het is verkeerd. Maar dat is heel moeilijk, je lichaam moet daar ook aan wennen, wat bij mij resulteerde in een hoop slapeloze nachten, maar het is gelukt, ik kan weer slapen zonder eerst foute dingen te doen. Ik wil iedereen die met het probleem zit dat ze masturberen en er niet vanaf kunnen komen naar God sturen, bid ervoor & stop ermee!! Good luck."
-"Het kan echt verslavend zijn, als je je rot voelt of je voelt je niks waard doe je het omdat je dan even van de wereld bent en dat kan dus nooit van God zijn hij wil dat je alles voor Hem neerlegt. Ook zegt God dat je geen verslavingen mag hebben. Ik heb echt een strijd gehad om er van af te komen en dat zegt nog al wat vind ik. Iedereen ziet dat je een peuk rookt, maar dit is een onzichtbare verslaving. Je kan je ook afvragen: wie ben ik als niemand kijkt?? Het hoort niet thuis in God's karakter."



[3] Dit wordt in het Nieuwe Testament door Paulus op wel bijzonder felle wijze onderwezen. In de door Paulus opgerichte christelijke kerk in de landstreek Galatië waren zogenaamde ‘judaïsten’ gekomen die de gelovigen volgens de joodse wet wilden doen laten leven om goed gelovige te zijn. Paulus gaat bijzonder fel tegen hen te keer, vaart zelfs uit tegen Petrus en noemt zijn gedrag ‘huichelachtig’,  en heeft over deze zaak oa het volgende te zeggen: ‘Christus heeft ons vrijgemaakt. Houdt dus stand en laat u niet weer een slavenjuk opleggen. Ik Paulus, zeg u: indien u zich laat besnijden, zal Christus voor u van geen nut zijn...Zij die u [met deze lering] verontrusten zouden zich maar helemaal moeten laten castreren!’(Gal. 5: 12)



[4] Nadere analyse van de ingrediënten van de zalfolie werpt hier een interessant nieuw licht op. Het woord dat in de Septuaginta (de oudste, griekse, vertaling van de Hebreeuwse bijbel) onjuist vertaald werd met ‘calamus’ (kalmoesplant) is in de oorspronkelijke hebreeuwse tekst het meervoud van het woord ‘qaneh-bos’ (וּקְנֵה-בֹשֶׂם hetgeen zelfs voor iemand die geen woord hebreeuws kent een sterk vermoeden doet geven dat het hier gaat om de hennep-plant, waar ook het moderne woord Cannabis vandaan komt. De heilige zalfolie heeft dan ook waarschijnlijk een hallucinogerende werking gehad.