
De
uitroeiingsoorlogen hebben vele mensen problemen gegeven, tenzij ze weten wat
er zich afspeelde. De mensen in het land Palestina waren slecht. Ze hadden zich
overgegeven aan afgoderij; ze offerden hun kinderen; ze deden aan allerlei lage
vormen van seks; ze hadden zelfs seks met dieren; mannen deden aan seks met
mannen en vrouwen met vrouwen; ze deden aan echtbreuk en hoererij; ze vereerden
afgoden, offerden hun kinderen aan hun op. En ze hadden God opgegeven. God gaf
de Israelieten het bevel ze allemaal te doden –mannen, vrouwen en kinderen. En
dat schijnt ons toe als iets verschrikkelijks. Is dat zo of niet? Wel, als we
aannemen dat het er tienduizend waren –ik weet het precieze aantal niet- dan
zouden het er tienduizend zijn die waarschijnlijk in de hel terecht zouden
komen. Maar als ze niet uitgeroeid zouden zijn, zouden ze na 30, 40, 50 of 100
jaar uitgegroeid zijn tot honderdduizend of zelfs een miljoen. En dan zouden we
al een miljoen hebben die de hel in zouden gaan. Het is dus veel genadevoller
een paar weg te nemen dan na een langere tijd met een miljoen te zitten die
voor eeuwig van God gescheiden zouden zijn, want de verziekte cultuur zou
voortgewoekerd hebben. God wist dat ze niet te verbeteren was. Hun harten
zouden zich niet bekeren en ze zouden alleen voor de Israelieten een
struikelblok worden, en zo het werk van God op aarde saboteren. Zo nam God in
liefdevol handelen een klein aantal weg zodat Hij niet later een groot aantal
zou weg moeten nemen.
[Evangelist Pat Robertson, rationalisering van bijbelse volkerenmoord op een televisieprogramma 'The 700 Club', mei 6,
1985] ([1])
In de boeken van Mozes ontpopt God zich
als een oorlogsgod, maar de bijbelboeken die hierop volgen laten pas de
implicaties hiervan duidelijk zien. Wanneer we het boek Jozua doorlezen dringt
het eindelijk tot ons door dat niet de Islam, maar de bijbel het begrip de
Heilige Oorlog heeft uitgevonden.
De bijbel stelt ons een God voor, de enig
Ware en Almachtige God, die bevel geeft tot oorlog, tot de volledige
vernietiging en uitroeiing van goddeloze volkeren. Wanneer we tegenwoordig onze westerse
afkeer van dit soort denken in de moslimwereld uiten, moeten we eraan denken
dat de militante vorm van Islam een minder barbaarse vorm van deze oudtestamentische heilige
oorlog representeert; zij roept namelijk op tot de heilige oorlog in geval een
heidens volk zich niet vreedzaam wenst te bekeren tot het zuivere geloof of een heidens volk
de Islam met voeten treedt. In
het Oude Testament wordt tot bekering zelfs de kans niet gegeven.
Richteren,
Samuel, Koningen, Kronieken geven vervolgens op het oog de geschiedenis weer van het volk
Israël, totdat het voorlopig ophoudt te bestaan. Maar wanneer we ze achter
elkaar in hun geheel lezen, merken we op dat het hele bijbelse geloof in deze
delen van de bijbel kan weergegeven worden in enkele luttele zinnen. Één simpel priesterlijk
gedachtenpatroon cirkelt voortdurend rond in de geesten van de bijbelschrijvers:
Deze naieve gedachtengang gaat –ietwat gevariëerd- zelfs op voor buitenlanders die zich in het gebied van Israël vestigen nadat Israël in ballingschap gegaan is vanwege hun zonden:
‘De koning van Assur bracht mensen uit Babel, Kuta, Awwa, Hamat en Sefarwaïm en deed hen wonen in de steden van Samaria in plaats van de Israëlieten. Zij namen Samaria in bezit en vestigden zich in de steden daarvan. In de eerste tijd nu , dat zij daar woonden, vereerden zij de Here niet; daarom zond de Here leeuwen onder hen, die sommigen van hen doodden’(2 Kon. 17:24-25).
Zo lezen we in boek na boek vrijwel niets anders dan opsommingen van strijdtonelen en allerlei vormen van barbaarsheid. Het probleem is nu dat in onze tijd ontwikkelde mensen allergisch voor oorlog zijn geworden. Eeuwenlang hebben christenen er geen moeite mee gehad God in het Oude Testament beschreven te zien worden als de militaire opperheld. Wanneer ‘de Geest Gods’ op een Richter of Koning van Israël komt, vallen er altijd duizenden van de vijanden. Die twee dingen horen in het oudtestamentisch denken eenvoudig bij elkaar. Zo zag men vroeger hierin de ‘roemrijke’ daden van God (de bijbel noemt het de verheerlijking van zijn naam), maar nu ziet een modern mens zoals ik hier niets anders in dan de trieste uitingen van de primitieve mens.[2] Lees het volgende (Richt. 14:19):
‘En de Geest des Heren greep Simson aan: hij ging naar Askelon, sloeg daar dertig mannen dood, nam hun bovenklederen en gaf die aan hen, die het raadsel hadden opgelost’.
Om over ‘onschuldig’ te spreken wanneer hij even later de staarten van 300 vossen met een fakkel ertussen aan elkaar bindt en zo de velden van de vijand afbrandt, is verfoeilijk, drijft de spot met een heilig God. En toch, zelfs voor een belachelijke reden als dorst nadat hij weer eens duizend man gedood heeft, doet God even een wonder voor Simson. Zo zit een gelovige uit onze tijd de ene avond met een glimlach te lezen in een boek met de verhalen over de weergaloze daden van Zeus en Apollo, Hercules en Odysseus, maar de volgende zondag in alle ernst dit verhaal door te nemen.
Lees weer hoe Gods Geest te werk gaat, wanneer de Israelieten voor de zoveelste maal belaagd worden (1 Sam. 11:6):
‘Toen Saul het onheilsbericht hoorde, greep de Geest Gods hem aan, en hij ontstak in hevige toorn, nam een span runderen, hieuw ze in stukken en zond ze met de boden door het gehele gebied van Israël, zeggende: Wie niet uittrekt achter Saul en achter Samuël -met diens runderen zal evenzo gehandeld worden. Toen viel de schrik des Heren op het volk, en zij trokken uit als één man.’
Lees het goed, dit dwingen tot geweld wordt ‘de schrik des Heren’ genoemd. Tegenwoordig spreken we van een terreur- of schrikbewind.
Tussen de oorlogsverhalen door wordt ook melding gemaakt van een handvol profeten van God. In de vroege tijd (Samuël) worden ze ‘zieners’ genoemd, die bijvoorbeeld nuttig kunnen zijn wanneer je naar weggelopen ezels op zoek bent (1 Sam. 9:6). Je ziet ze soms ook buiten lopen in groepen, het zijn wellicht profetenscholen. Ze zingen en dansen uitbundig, en schijnen als in trance te zijn, lopen soms zelfs naakt rond (1 Sam. 19:23,24). De grote profeten heten Samuël, Elia en Elisa. Deze mannen Gods doen nooit anders dan oproepen om de afgodsbeelden (Baäl en de vruchtbaarheidsgodin Astarte=Asjera) weg te doen en herinneren het volk eraan hoe de God van Mozes en Aäron hun voorvaderen met sterke hand (een mooie uitdrukking voor ‘met geweld’) uit Egypte heeft gevoerd. Zo helpen zij koningen aan nieuwe overwinningen, of delen ze straffen van God uit wanneer het volk of de koning of zelfs een profeet Gods zondigt.
Het vreemde is dat we zo goed als nooit meer over Gods wet horen, nooit
wordt in honderden jaren na Jozua gewezen op de morele wetgeving van God, zoals
die op de Sinaï gegeven was. De hele wetgeving is vergeten, alsof het helemaal
niet eens op schrift bestaat, alsof er totaal geen priesterschap of moreel
leiderschap en geestes-leven bestaat, die de traditie in ere houdt.
Zelfs de kleinzoon van een zoon van Mozes
richt al afgodsbeeldjes op (Richt.
18:30).
Pas ongeveer 500 jaar later horen we voor het eerst dat een koning (Josafat),
na een zogenaamd door de priesters gedane wonderbaarlijke ontdekking van een
wetsboek van Mozes,
een paar oversten erop uit stuurt in het land om onderricht te geven in
het wetboek des Heren. Aan de andere
kant is dit niet verwonderlijk, we zien namelijk dat God zich in het beloofde
land totaal niet meer mengt in het reilen en zeilen van het volk zoals Hij dat
deed in de woestijn. Ook is zijn aanwezigheid niet meer op een concrete manier
te zien zoals in de woestijn, toen God volgens de verhalen in de vorm van Donder, Bliksemstralen,
een Zwarte Wolk, Rook, Vuur, Beving van
Aarde (bijv. Ex. 19: 16, 18,
Ex. 24: 15-17.)
zijn almacht en actieve werking onbetwistbaar liet zien. Ex. 40: 34- 38 laat ons weten:
‘En de wolk bedekte de tent der samenkomst, en de heerlijkheid van Jahweh vervulde de tabernakel, zodat Mozes de tent der samenkomst niet kon binnengaan, want de wolk rustte daarop en de heerlijkheid van Jahweh vervulde de tabernakel. Wanneer de wolk zich verhief van boven de tabernakel, braken de Israëlieten op, op al hun tochten...des nachts was er een vuur in voor de ogen van het gehele huis Israël, op al zijn tochten.’
Zo liet God steeds zijn aanwezigheid op niet mis te verstane wijze zien. Deze concrete tekens van Gods aanwezigheid werden Shechina genoemd, ook wel ‘de heerlijkheid van Jahweh’. God verschijnt vanaf nu echter alleen nog in de woorden van iemand die in Gods naam spreekt. En alleen met betrekking tot de grote strategische lijnen, oorlog of straf voor het gehele volk. En in de verhalen van de grote mannen Gods Elia en Elisa, waar God persoonlijk mee omgaat, zien we God nooit zoals in het optreden van Jezus als de uitlegger van diepzinnige waarheden en gedachten, maar enkel en alleen als uitdeler van straffen en verrichter van wonderen, voor het merendeel wonderen die niet irrelevanter hadden kunnen zijn. Een beetje meel in een pot raakt nooit op, olie vermenigvuldigt zich wonderbaarlijk, een in het water gevallen bijl komt weer boven drijven, een giftige gekookte plant wordt met het toevoegen van een beetje meel onschadelijk gemaakt, honderd man worden met 20 (blijkbaar piepkleine) broden wonderbaarlijk gevoed, een uitgestrekte hand van een kwade koning verstijft. Met zijn allerlaatste woorden schenkt de grote profeet Elisa nog een paar militaire overwinningen aan de koning!
En tenslotte staat het zonnestelsel weer eens een keer stil, nee, het
draait zelfs tien graden achteruit, ditmaal om een twijfelende koning een teken
te geven (2 Kon. 20: 1-11).
Het allervreemdste verhaal over Gods profeten, dat de allervroomste man zijn handen van frustratie ineen zal doen slaan, lezen we in 1 Koningen 13. We horen eerst hoe een moedige man Gods een koning de waarheid durft te zeggen. Daarna vertrekt hij weer. Een andere profeet Gods hoort van deze man en gaat hem achterna om hem bij zich thuis uit te nodigen. De eerste profeet slaat het aanbod af, omdat God hem de opdracht heeft gegeven niet te eten en te drinken tijdens zijn missie. Dan liegt de tweede profeet, en zegt tegen de eerste, dat een engel hem de boodschap heeft gebracht deze profeet te voeden. Zo gaat de oprechte profeet te goeder trouw mee –een boodschap van een engel kun je tenslotte toch beter niet tegenspreken- en eet en drinkt hij. En hij heeft z’n maaltijd nog maar net genoten of de leugenaarprofeet –denk je in!- krijgt een woord des Heren:
‘Zo zegt de Here: omdat gij weerspannig geweest bent tegen het bevel des Heren, en het gebod des Heren, uw God, niet hebt onderhouden, maar teruggekeerd bent en brood hebt gegeten en water gedronken: daarom zal uw lijk niet komen in het graf uwer vaderen.’
De volgende dag wordt de arme man gedood door een leeuw. Zo wordt hier nog eens overduidelijk onderstreept hoe heilig het Befehl ist Befehl is. Zelfs de valse profeet gaat vrijuit.
En net wanneer we ons afvragen of we de bijbel nu misschien wat te eenzijdig lezen, komen we een paar hoofdstukken verder weer een verhaal tegen met precies dezelfde lering:
‘Maar een man uit de profeten zei tot zijn metgezel door het woord van Jahweh: Sla mij toch. Maar de man weigerde hem te slaan. Toen zei hij tot hem: Omdat je niet geluisterd hebt naar de stem des Heren, zie, wanneer je van mij vandaan gaat, zal een leeuw je doden. En toen hij van hem heenging, trof een leeuw hem aan en doodde hem. Daarna trof hij een andere man aan en zei: Sla mij toch. En de man sloeg hem zó, dat hij hem verwondde. Toen ging de profeet aan de weg de koning staan opwachten, en maakte zich onkenbaar met een verband over zijn ogen.’(1Kon. 20:35-38)
De profeet had dus een plannetje, maar deed geen moeite er enige uitleg over te geven aan zijn metgezel, een man die welzeker godvrezend geweest zal zijn, omdat hij de metgezel van een profeet was. Weer leren we de grootste lering van de godsdienst: volledig blind geloof, zelfs indien het in strijd is met hoog ethisch denken! Dit wordt nog eens onderstreept door het vervolg: De koning, Achab, had de vijand overwonnen, maar genade geschonken aan de koning die hem had aangevallen. Zo op het eerste gezicht iets waar hij onze complimenten voor kan krijgen: in die barbaarse tijd liet deze koning eindelijk eens iets zien van wijs omgaan met buurvolkeren. Zie wat een effect het had: De overwonnen koning gaf als dank alle door Israël al lang tevoren verloren steden terug, beloofde dat Israël een handelswijk in Damascus mocht aanleggen, en vertrok nadat hij een vredesverbond met Israël gemaakt had. Maar zo dacht God er niet over. De profeet verwondde zich met de bedoeling om het volgende verhaaltje en godsoordeel over Achab uit te spreken:
‘Terwijl de koning voorbijging, riep hij de koning aan en zei: Toen uw knecht in de strijd uitgetrokken was, zie, daar kwam iemand terzijde, die mij een man bracht en zei: Bewaak deze man; als hij vermist wordt, hoe dan ook, dan zal uw leven in de plaats van het zijne wezen, of u moet een talent zilver betalen. Toen uw knecht hier en daar doende was, ging de man er vandoor. Daarop zei de koning: Dan is dat uw vonnis; u hebt het zelf geveld. Nu verwijderde hij snel het verband van zijn ogen, en de koning van Israël herkende hem als een van de profeten. En de profeet zei tot hem: Zo zegt Jahweh: omdat u de man die onder mijn ban staat, uit uw hand hebt laten gaan, zal uw leven in de plaats van het zijne wezen, en uw volk in de plaats van zijn volk.’
Nu ik deze bijbelboeken weer eens doorlees vraag ik me in verwondering af hoe ik mijn hele leven dit boek Heilig, als van God ingegeven, heb beschouwd. Wanneer ik er nu avond aan avond in zit te lezen zie ik totaal niets wat mij inspireert, waar ik geestelijk door opgebouwd word, totaal niets waar een mens in het jaar 2002 wat aan heeft. Integendeel, de godsdienst levert altijd vreemd fanatisme op wanneer zij serieus beoefend wordt. Ik zie dat de wereld van 2002 nog steeds in godsdienstoorlogen verwikkeld is, sterker nog, dat vrijwel alle wereld-conflicten in de godsdienst hun oorsprong hebben. De Amerikanen vliegen rond in hun bijbelse Hoornaars ; op die vliegtuigen schrijven ze ook nog een tekst uit Jesaja (Jes. 13:19), om te laten zien dat God korte metten maakt met Babylon. En wanneer ik het Oude Testament lees tesamen met de weekbladen Time en Newsweek, begin ik te walgen van zo’n wereld van oorlog op oorlog. En aan beide kanten van de oorlogsvoerenden strijdt altijd de enige ware God. Nooit heeft God de oorlog verboden. Integendeel, Hij doet altijd mee, heeft het af en toe zelfs voorgeschreven. Hij geeft ons zoals we lazen voorschriften om uitwerpselen netjes buiten de legerplaats te begraven, letterlijk zodat Jahweh er met zijn legerscharen kan kamperen en onze vijanden aan ons overgeven. Kan het platvloerser worden uitgedrukt waar we God voor nodig hebben? Er heeft zelfs een ‘boek van de oorlogen van Jahweh’ bestaan (genoemd in Numeri 21: 14), dat later verloren is gegaan! Dit is het wereldbeeld dat het Oude Testament ons leert:
‘Toen keerden de Judeeërs zich om; en zie, zij hadden een strijd van voren en van achteren, maar zij riepen tot de Here, de priesters bliezen op hun trompetten en de mannen van Juda hieven de strijdkreet aan. Toen de mannen van Juda de strijdkreet aanhieven deed God Jerobeam en geheel Israël tegen Abia en Juda de nederlaag lijden. De Israelieten vluchtten voor Juda en God gaf hen in hun macht. Abia en zijn volk richtten onder hen een grote slachting aan en er sneuvelden van Israël vijfhonderdduizend krijgers. Aldus werden de Israelieten te dien tijde vernederd. De Judeeërs hadden de overhand, omdat zij steunden op de Here, de God hunner vaderen.’(2 Kron. 13: 14-18)
En het gaat hier nota bene om een oorlog tussen het noordelijke en zuidelijke deel van hetzelfde volk van God. Wat een wereld! Maar ook: Ik heb er zelf aan meegedaan, jaar in jaar uit heb ik deze primitieve oorlogsgod van de bijbel geëerd. Omdat ik geen ketter durfde te zijn moest ik onderschrijven wat door de eeuwen de gelovigen als fundamentele leerstelling is opgelegd: in het Oude Testament laat God zich zien als de Rechtvaardige! Hoe vaak heb ik dit niet horen zeggen!
Rechtvaardig? Wel, als het Oude Testament Rechtvaardig is, dan zijn tijgers vredelievende knuffeldiertjes, dan is de IJszee een tropisch paradijs, dan zijn de kolenmijnen ideale werkplaatsen, dan zijn de presidenten van Amerika heiligen van de allergrootste orde! Nooit eerder heb ik kunnen inzien dat de godsdienst zoals die opgeschreven is in zogenaamde heilige geschriften maar miezerige gedachten en daden van barbaarse mensen weergeeft, mensen die altijd dachten dat ze God aan hun zijde hadden, zelfs wanneer ze honderdduizenden gedood hadden. En zo verbeeldt de mens zich dit alle tijden door, tot op de dag van vandaag. En ook heb ik geloofd in Gods goedertierenheid terwijl alle oudtestamentische verhalen elke dag van mijn leven het tegendeel uitschreeuwden. Maar laat een half leven voor mij genoeg zijn! Mijn voorgeprogrammeerde en gehersenspoelde gedachten breken zich met kracht los, ze eisen van nu af vrijheid van gedachten, het hoogste goed wat een mens maar kan hebben.
Laten we eens het laatste verhaal van het boek 2 Samuël doorlezen.
Allereerst wordt ons verteld dat God weer eens boos was op Israël. We horen de reden niet, ongetwijfeld omdat de schrijver van het verhaal er niet op één kan komen. Het enige feit waar de schrijver mee zat was de geschiedenis van het uitbreken van de pest tijdens het bewind van de geweldige koning David. Hoe kan zoiets nou? Er zou toch één en al zegen moeten zijn? Zo geeft de schrijver ons de ‘geïnspireerde’ achtergrond van deze gebeurtenis: Ons wordt eerst verteld dat God een zonde in David doet opkomen. David wil het volk gaan tellen. Dit feit wordt als zonde bestempeld, waarschijnlijk omdat het te maken had met de trots van de koning. David heeft er meteen spijt van, hij is tenslotte een eerlijke, oprechte, diepzinnige en edele koning; zo moet het verhaal toch wel geschreven worden, anders pikt niemand het. Maar zo gemakkelijk kun je niet van de gevolgen van zonde af komen! Laten we vooral de Heiligheid van God niet vergeten! God laat hem in het verhaal dan kiezen tussen drie straffen. David weegt de straffen tegen elkaar af en zegt heel vroom liever in de hand te vallen van de genadige God dan in de handen van ongenadige menselijke vijanden. Zo zien we deze ‘genadige’ (en niet te vergeten Rechtvaardige) God 70.000 mensen uit het volk doden vanwege de zonde die Hij zelf in David deed opkomen. Dit klinkt allemaal nogal vreemd natuurlijk. Zelfs een paar honderd jaar later is deze gepeperde gedachtengang al onaanvaardbaar. Wanneer de Kroniekenschrijver hetzelfde verhaal dan nóg eenmaal vertelt, is de progressieve openbaring van het woord Gods al zover gevorderd dat er ook een Satan is uitgevonden. Zodoende worden de eerste woorden van het verhaal vervangen door: ‘Satan keerde zich tegen Israël en zette David aan, Israël te tellen’ (1 Kron. 21:1); een geweldige vondst!
Zo schilderen de schrijvers van Koningen en Kronieken op een naieve manier een verdraaid beeld van de werkelijkheid. Zelfs grove vervalsing van de werkelijkheid, wanneer ze bijvoorbeeld telkens maar over de vroomheid en gerechtigheid van David spreken en de wijsheid en vrede van Salomo bejubelen. Raadt eens wat de laatste woorden van David zijn, de grote man Gods? Wie weet raadt u in welke richting we moeten denken, want we hebben al een heel stuk van de bijbel doorgelezen! David vraagt zijn zoon Salomo om zijn legeroverste Joab te doden.
‘Handel naar uw wijsheid en laat zijn grijze haar niet in vrede in het dodenrijk neerdalen.’
Dan herinnert hij zich nog een man aan wie zijn zoon wel moet doen, en tot slot schiet hem nog net voor zijn laatste adem te binnen dat hij nog een appeltje te schillen heeft met ene Simi.
‘Hij was het die mij met een vreselijke vloek vervloekte, toen ik naar Machanaïm ging; toen heb ik hem bij de Here gezworen: Ik zal u niet met het zwaard doden. Maar nu moet u hem niet ongestraft laten, want gij zijt een wijs man, en weet wel, wat gij hem doen moet om zijn grijze haar met bloed in het dodenrijk te doen nederdalen. Toen ging David te ruste bij zijn vaderen en werd begraven in de stad Davids.’(1 Kon. 2).
Zo lezen we hier wat David onder ‘wijsheid’ verstond. De enige reden voor de boeken Kronieken schijnt te zijn dat deze door en door religieuze Kroniekenschrijver het allemaal nóg vromer uit kan leggen. In het boek Kronieken zijn de laatste woorden van David een vroom loflied! Maar de schrijver van Koningen kan toch ook met hem wedijveren als het om vroomheid gaat. Hij schrijft als slotsom over David:
‘Abiam wandelde in al de zonden die zijn vader voor hem gedaan had. Zijn hart was de Here zijn God niet volkomen toegewijd, zoals dat van zijn vader David. Doch terwille van David gaf de Here zijn God hem een lamp in Jeruzalem, door zijn zoon na hem te doen optreden...omdat David gedaan had wat recht is in de ogen des Heren, en zolang hij leefde niet was afgeweken van iets, dat Hij hem geboden had, behalve in de zaak van de Hethiet Uria.’ (1 Kon. 15: 5)
Een ongelofelijke onwaarheid al zouden we alleen al wijzen op de zojuist vermelde zonde van trots. Dan was David zelf toch veel eerlijker: ‘O God, gij kent mijn verdwaasdheid, mijn schuldige daden zijn voor U niet verborgen.’ (Psalm 69:6). De schrijver van Koningen schenkt ook geen enkele afkeurende gedachte aan de stromen van bloed die aan de handen van David zitten. Dit kan ook niet, want het doden van al zijn vijanden was in zijn gedachtenwereld overeenkomstig de geboden van God. Dus volkomen zonder zonde was –om even een greep te doen uit de talloze roemrijke oorlogsdaden van David- de oorlog tegen de Ammonieten, die als volgt afliep:
‘Ook voerde David zeer veel buit uit de stad weg. De bevolking die erin was, liet hij naar buiten brengen en hij legde ze onder zagen, ijzeren pinnen en ijzeren bijlen; ook liet hij hen overbrengen naar de tichelwerken.’ (2 Sam.12:31),
Sta er voor een moment bij stil, laat de beelden even voor je ogen voorbijflitsen. Eerst zal gekeken zijn wie er jong en gezond uitzag om in de tichelwerken te kunnen werken. En de rest... Ze worden in drie rijen gezet...Dappere soldaten van het Uitverkoren Volk zagen mensen in tweeën, hameren ijzeren pinnen door de slapen van man, vrouw en kind, hakken hoofden af. ‘Evenzo deed David met alle steden der Ammonieten.’
En raadt eens wat de wijze, nee, allerwijste koning allertijden, Salomo, het eerste doet wanneer hij koning wordt? Zijn broer Adonia om het leven brengen (nog vóór hij de laatste wil van zijn vader uitvoert), niet omdat die zich daadwerkelijk tegen hem verzette, maar voor de zekerheid, omdat hij niet kon geloven dat Adonia zich werkelijk onderwierp aan hem. Zo leert de bijbel ons nogmaals wat wijsheid is. En zo lezen we later hoe Salomo het huis des Heren mag bouwen, omdat hij niet zoals zijn vader bloed aan zijn handen had, maar een vredesvorst was.
Over weinig bloed gesproken: wanneer de tempel afgebouwd is houdt Salomo een groot feest, lees: offerfeest, om de tempel in te wijden. Gedurende de zeven dagen van het feest worden er 22.000 runderen en 120.000 schapen geofferd aan Jahweh. Dwz meer dan 845 dieren worden per uur geslacht, 14 of 15 per minuut! Zonder pauze, dag en nacht, gedurende zeven dagen achter elkaar! Afgezien van de onmogelijkheid hiervan, moeten we nu aannemen dat God hier erg mee in zijn schik was? Zou er als het mogelijk geweest was een prachtige televisiedocumentaire van Riefenstahl over gemaakt zijn en we die eerbiedig van jaar tot jaar moeten bekijken? Wanneer Salomo voor Jahweh eindelijk een huis gebouwd heeft, omdat Hij ooit gezegd zou hebben in een donkere wolk te willen wonen (hetgeen nergens in de bijbel gezegd wordt), komt de wolk trouwens meteen gehoorzaam op zijn wenken weer terug van eeuwenlang weggeweest (1 Kon. 8:12). In dezelfde toespraak spreekt Salomo vijftien verzen later opeens uit "Zou God werkelijk op aarde kunnen wonen? Zelfs de hoogste hemel kan u niet bevatten, laat staan dit huis dat ik voor u heb gebouwd." (1 Kon. 8:27). Het is duidelijk dat men later, toen de tempel verwoest was deze correctie in het verhaal aanbracht, want het kan onmogelijk gerijmd worden met vers 12 en met de gehele onderneming van de tempelbouw. Als dank voor de tempelbouw lopen de bijbelschrijvers het vuur uit hun sandalen om een zo'n groot mogelijke stroom van lofprijzingen over Salomo uit te gieten: alle volken ten westen van de Eufraat zijn onderhorig aan hem, Salomo's hofhouding is onovertroffen in weelderigheid, zijn leger in sterkte, hij is vanwege door Jahweh geschonken wijsheid de wijste man ter wereld, hij is bioloog, expert op het gebied van vogels, vissen en kruipende dieren, dichter van duizenden spreuken, en al zijn onderdanen zitten tevreden onder hun vijgenboom en genieten van het leven (dit allemaal in 1 Kon. 5). In 1 Kon. 10 worden de ovaties voor de tweede maal nog eens breed uitgesponnen:
‘Koning Salomo overtrof alle andere koningen op aarde in rijkdom en wijsheid. Uit alle delen van de wereld kwamen mensen naar Salomo toe om te luisteren naar de wijsheid waarmee God hem vervuld had. En allemaal brachten ze geschenken mee: zilveren en gouden voorwerpen, gewaden, wapens, reukwerk, paarden en muildieren. Dat ging zo jaar in jaar uit. Salomo schafte ook wagens en paarden aan. Hij bezat veertienhonderd wagens en twaalfduizend paarden, die hij deels in Jeruzalem bij zich hield en deels onderbracht in garnizoenssteden verspreid over het land. Dankzij koning Salomo was zilver in Jeruzalem even gewoon als steen, en was er aan cederhout net zo’n overvloed als aan wilde vijgenbomen in het heuvelland.’
Blijkbaar was dit geschreven door een andere schrijver dan die van de ode aan Salomo in 1 Kon. 5, want
daar wordt gezegd: "Voor zijn wagens beschikte Salomo over veertigduizend
paarden in zijn stallen en twaalfduizend wagenmenners."
Maar even later lezen we in volledige tegenspraak met al deze wijsheid, voorspoed en macht, dat hij wel
duizend vrouwen heeft (iets waar Mozes nog wel zo tegen waarschuwde), dat hij
met overgave aan de verering van Milkom, Kemosh, Moloch en Astarte, de vruchtbaarheidsgodin, deed
(terwijl Jahweh in een speciale verschijning aan Salomo
daartegen notabene nog zo streng gewaarschuwd had, 1 Kon. 9), zijn volk zware lasten oplegde
(in 1 Kon. 12 zegt het volk tegen Salomo's zoon: ‘Uw vader heeft ons een zwaar
juk opgelegd. Maakt u onze taak nu minder zwaar’),
en dat Israël niet in staat was de vreemde volken die Jahweh al eeuwenlang geleden beval
uit te roeien (de eeuwige Amorieten, Hethieten, Perizzieten, Chiwwieten, Jebusieten
en Kanaänieten) te vernietigen (1 Kon. 9:21). Blijkbaar wist Salomo totaal niets over de Mozaïsche wetgeving. Ook de archeologie laat totaal niets
zien van een luisterrijke tijd onder Salomo. Niets van de beroemde gebouwen en
monumenten overal in zijn
rijk opgericht, niets
van de wereldwijde roem, zelfs enige restanten van de tempel zijn nooit
gevonden. Overigens, de archeologie
is na meer dan een
eeuw speuren tot de conclusie
gekomen dat alle bijbelse verhalen verzonnen zijn:
Dit is wat archeologen geleerd hebben uit hun opgravingen in het bijbelse land: de Israëlieten waren nooit in Egypte, hebben nooit in de woestijn rondgezworven, hebben hun land niet veroverd in een militaire campagne en hebben het daarna nooit doorgegeven aan de 12 stammen van Israël. Misschien nog moeilijker te verteren is het feit dat de verenigde monarchie van David en Solomon, beschreven in de bijbel als een grote gewestelijke macht, zelfs op het hoogtepunt van die macht niets meer was dan een klein, stamgebonden koninkrijk. Ook komt het voor velen als een onzalige verrassing dat Jahwe een vrouwelijke metgezel had en dat het monotheïsme in Israël haar intrede deed tijdens de zwakke periodes van de monarchie en niet op de berg Sinaï. (De bijbel op de helling)
De vervalsing van de geschiedenis komt het duidelijkst tot uiting wanneer we zien dat het gedachtenpatroon van de geschiedschrijvers (op dienen van valse goden volgt straf, op godvruchtig leven zegen), de basis van hun boodschap helemaal niet opgaat, en ze dit zelfs moeten toegeven. In 2 Koningen 23 lezen we over de godvruchtigste koning uit de gehele geschiedenis van (het zuidelijke) Israël, Josia genaamd.
‘Voor hem is er geen koning geweest die zich zo tot Jahweh keerde met zijn ganse hart, zijn ganse ziel en zijn ganse kracht, naar de gehele wet van Mozes; en na hem stond zijns gelijke niet op.’
Nu zou volgens het gelovige denken er een tijd
moeten aanbreken waarin alle door Mozes beloofde zegeningen moeten volgen, maar
nee, direct na deze woorden staat:
‘Doch de Here keerde Zich niet af van zijn hevig brandende toorn, die ontvlamd was tegen Juda om al de krenkingen waarmee Manasse Hem gekrenkt had. En de Here zei: Ook Juda zal ik van mijn aangezicht wegdoen, zoals Ik Israël verwijderd heb.’
Josia en het gehele volk wordt dus in de
toekomst gestraft voor de zonden van Josia’s grootvader Manasse, hoewel Josia
onberispelijk leefde, er alles aan deed om Jahweh te eren. We zullen nu een
keus moeten doen: óf de geschiedschrijver vertekent de geschiedenis; voorspoed
en tegenspoed, opkomst en verval van een cultuur heeft niets te maken met het
wel of niet aanhangen van de goddelijke wetten van Mozes, zegen en straf van
God, óf God handelt volkomen grillig en doet zijn eigen woord niet gestand.
Ik schreef daarnet dat het erop leek dat Gods wet na de tijd van Mozes
helemaal niet bekend was. Dit kunnen we herhaaldelijk opmaken uit diverse verhalen die
we voorgeschoteld krijgen. In Deuteronomium (Dt. 24:16) bijvoorbeeld lezen we dat
de veroordeling voor de zonde van de vader niet aan de zoon opgelegd mag
worden, zoals pas de Kroniekenschrijver zich later ook opeens weer herinnert (2 Kron. 25: 4). Maar
al meteen in het boek Jozua horen we over een oneerlijke man Achan, die stiekem
wat buit voor zichzelf heeft ingepikt. Hij wordt met al zijn zonen en dochters
en vee ter dood veroordeeld. Ook lezen we dat God het kindje dat aan David en
Batseba geboren wordt, doodt, vanwege de zonde van de ouders. Dit verhaal van
Davids zonde van echtbreuk en moord heeft trouwens nog meerdere weerzinwekkende
gevolgen. Hij krijgt van God de
volgende barbaarse straf opgelegd:
‘Zie, Ik zal over u een kwaad doen komen, uit uw eigen huis; ik zal uw vrouwen voor uw ogen weghalen en aan uw naaste geven; die zal bij uw vrouwen liggen op klaarlichte dag’ (2 Sam. 12:11).
Dit wordt vervuld in 2 Samuël 16:22, wanneer zijn zoon Absalom zijn tien
bijvrouwen verkracht. De reaktie van
David op zijn bijvrouwen is al even wreed als de straf van God: hij sluit ze
allemaal op en laat ze onder bewaking tot hun dood leven als weduwen!
Tot zover de handelingen van de geweldig gevoelige en sympatieke dichter van Psalm 23.
Maar om weer terug te komen op de veroordeling van de kinderen vanwege de
zonde hunner vader: de geweldige oorlogsheld Jozua spreekt een vloek uit over
de man die Jericho herbouwt. Later horen we dat het een woord des Heren was en
God deze vloek dan ook uit deed komen (Jozua 6:26, 1 Kon. 16:34):
‘Te dien tijde deed Jozua deze eed: Vervloekt voor het aangezicht van Jahweh is de man, die zich opmaakt en deze stad Jericho herbouwt; ten koste van zijn eerstgeborene zal hij haar grondvesten, ten koste van zijn jongste haar poortdeuren inzetten’
‘In de dagen van Achab herbouwde de Beteliet Chiël Jericho. Ten koste van Abiram zijn eerstgeborene, grondvestte hij het; en ten koste van Segub, zijn jongste, plaatste hij haar poortdeuren -naar het woord van Jahweh, dat Hij gesproken had door de dienst van Jozua’.
In Richteren 19 lazen we het verschrikkelijke verhaal van de verkrachting van een vrouw. Het verhaal vervolgt in hoofdstuk 20 met de wraak op de hele stam Benjamin. Ongeveer honderdduizend mannen laten het leven in deze rampzalige binnenlandse oorlog. God deelt de orders tot de aanval uit, laat om onbekende reden de ‘goede’ partij twee keer verliezen, maar belooft hun de derde maal eindelijk de overwinning te geven, hetgeen ook zo grondig gebeurt dat er ditmaal bijna geen vijand (de broederstam Benjamin) meer overblijft.
In 2 Samuël 21:1 lezen we het volgende:
‘Er was in de dagen van David een hongersnood gedurende drie jaar achtereen; en David zocht het aangezicht van Jahweh. Jahweh zei: ‘Op Saul en op zijn huis rust een bloedschuld, omdat hij de Gibeonieten gedood heeft.’
Hier zien we dus een situatie waarin God het gehele land straft voor iets wat niemand weet, maar uiteindelijk aan het licht komt: een zonde van een vorige koning! Het vervolg laat weten dat David om het goed te maken 7 nakomelingen van Saul aan de Gibeonieten overlevert. De Gibeonieten hangen deze onschuldige nakomelingen op ‘voor het aangezicht van Jahweh’. Daarna geeft David aan de beenderen van Saul en aan de opgehangen nakomelingen een mooie begravenis in het graf van hun voorvader en let op hoe het verhaal eindigt: ‘En hierna ontfermde God Zich over het land.’
De God van Israël is een God die een modern mens totaal niet kan begrijpen.
Sterker nog, het is een weerzinwekkende God die niet vereerd kan worden.
Indien dit nog overtuigender gezegd moet worden dan kan dat wellicht door de woorden van Deuteronomium 20 aan te halen, waar Jahweh regels voor de oorlog voorschrijft op deze manier:
‘Maar uit de steden van déze volken die Jahweh, uw God, u ten erfdeel zal geven, zult gij niets wat adem heeft, in leven laten, maar gij zult ze volledig met de ban slaan (=uitroeien), de Hethieten, de Amorieten, de Kanaänieten, de Perizzieten, de Chiwwieten, en de Jebusieten, zoals Jahweh, uw God, u geboden heeft, opdat zij u niet leren te doen naar al de gruwelen, die zij voor hun goden doen, zodat gij tegen Jahweh, uw God, zoudt zondigen.
Wanneer gij lange tijd een stad belegert, daartegen strijdende om haar in te nemen, dan moogt gij het geboomte daaromheen niet vernietigen door de bijl erin te slaan, maar gij moogt daarvan wel eten, doch het niet vellen; want zijn de bomen in het veld mensen, dat zij door u bij het beleg betrokken zouden worden? Alleen het geboomte, waarvan gij weet, dat het geen geboomte met eetbare vruchten is, dat moogt gij vernietigen en vellen om een belegeringswal te bouwen tegen de stad die met u strijd voert, totdat zij valt.’(16-20)
Let op de angst die Jahweh hier heeft en die als basis dient voor het uitroeien van zes volken. Wat de laatste verzen betreft laat Jahweh zich van zijn beste kant zien door ons erop te wijzen dat de prachtige vruchtbomen onschuldig zijn en daarom geëerbiedigd moeten worden.
(...Eh, O ja, natuurlijk...Bovendien zijn ze nuttig om als voedsel te dienen voor
de soldaten van Jahweh, zodat ze beter slagen in hun uitroeiingsopdracht...
De andere bomen zijn weliswaar ook onschuldig, ja...maar leveren geen vrucht
op! ...dat laat natuurlijk duidelijk zien dat je het met die bomen niet zo nauw
hoeft te nemen. Ze bestaan als het ware alleen maar om voor de mens als hout te
dienen...en zijn, by the way, ook nuttig voor de oorlog, dus kap die maar wel!)
We kunnen hier dus een hoop van leren over wat goed en slecht is en hoe de bijbelschrijver redeneert! Vooral het naast elkaar staan van teksten die het hebben over uitroeien van gehele volken, maar sparen van vruchtbomen spreekt boekdelen.
Zo zouden we op de puinhopen van gehele steden een monument kunnen
oprichten met de bijvolgende teksten die miljoenen ‘Heilige Schrift’
noemen:
Jozua 6:16,18, 21:
‘Toen de priesters bij de zevende maal op de horens bliezen, zei Jozua tot het volk: Juicht, want Jahweh heeft u de stad gegeven! Doch de stad en al wat daarin is zal door de ban Jahweh gewijd zijn; alleen de hoer Rachab zal in leven blijven, zij en allen die met haar in het huis zijn, omdat zij de boden die wij uitgezonden hadden, heeft verborgen (...) Al het zilver en goud en de koperen en ijzeren voorwerpen zullen de Here heilig zijn: het zal bij de schat van Jahweh komen. (...) Toen sloegen zij alles wat in de stad was met de ban, zowel man als vrouw, zowel jong als oud, tot runderen, schapen en ezels toe, met de scherpte des zwaards.’
Jozua 7: 5: Zesendertig man komen om het leven vanwege de zonde van één
man.
Jozua 8:1,2:
‘Hierop sprak Jahweh tot Jozua: Vrees niet en wees niet verschrikt; neem al het krijgsvolk met u en maakt u gereed, trek op naar Ai. Zie, Ik geef de koning van Ai, zijn volk, zijn stad en zijn land in uw macht, en gij zult met Ai en zijn koning handelen zoals gij met Jericho en zijn koning gehandeld hebt. Alleen moogt gij u meester maken van zijn buit en zijn vee’
Vers 28 vertelt ons dat 12.000 om het leven werden gebracht.
Jozua 10:7:
‘Toen trok Jozua uit Gilgal op, hij en al het krijgsvolk met hem, allen dappere helden’.
Lees het hoofdstuk door om te zien hoe grondig de helden te werk gaan en God hier aan meedoet: de Amorieten worden afgeslacht met behulp van wat ik noem de Johannes 3:16 van het Oude Testament: Alzo lief heeft God zijn uitverkoren volk dat Hij zelfs het zonnestelsel een poos stil laat staan om de dappere mannen van het uitverkoren volk de gelegenheid te geven het heilige werk af te maken, opdat een ieder die niet in Hem gelooft verloren ga en niet één van de vijand behouden worde.
Jozua 10:24, 25, 26:
‘Zodra men de koningen tot Jozua gebracht had, riep Jozua alle mannen van Israël tot zich en zei tot de aanvoerders der krijgslieden, die met hem getrokken waren: Treedt nader, zet uw voet op de nek van deze koningen. Zij kwamen naderbij en zetten hun voet op de nek. Toen zei Jozua tot hen: Vreest niet en weest niet verslagen, weest sterk en moedig, want aldus zal Jahweh doen aan al uw vijanden, tegen wie gij strijdt. Vervolgens sloeg Jozua hen, doodde hen en spietste hen op vijf palen, en zij bleven hangen op palen tot de avond’.
Jozua 10:28-43:
‘Op die dag nam Jozua Makkeda in en hij sloeg het met de scherpte des zwaards, ook zijn koning; hij trof het en alle levende wezens, die daarin waren, met de ban, hij liet niemand ontkomen, en deed met de koning van Makkeda, zoals hij met de koning van Jericho gedaan had. Daarna trok Jozua verder, en geheel Israël met hem, van Makkeda naar Libna en hij streed tegen Libna. En Jahweh gaf ook dat in de macht van Israël, met zijn koning. En hij sloeg het en alle levende wezens, die daarin waren, met de scherpte des zwaards; hij liet niemand daarin ontkomen en deed met zijn koning, zoals hij met de koning van Jericho gedaan had. Daarna trok Jozua verder, en geheel Israël met hem, van Libna naar Lakis; hij belegerde het en streed ertegen en Jahweh gaf Lakis in de macht van Israël; men nam het in op de tweede dag en sloeg het met de scherpte des zwaards, alle levende wezens, die daarin waren, geheel zoals hij met Libna gedaan had. Toen trok Horam, de koning van Gezer op, om Lakis te helpen, maar Jozua sloeg hem en zijn volk, totdat hij hem niemand had overgelaten. Daarna trok Jozua verder, en geheel Israël met hem, van Lakis naar Eglon; zij belegerden de stad en streden ertegen, en namen het in op dezelfde dag en sloegen het met de scherpte des zwaards; alle levende wezens, die daarin waren, troffen zij op die dag met de ban, geheel zoals men met Lakis gedaan had. Daarna trok Jozua op, en geheel Israël met hem, van Eglon naar Hebron, en zij streden ertegen. Zij namen het in en sloegen het met de scherpte des zwaards, ook zijn koning en al zijn steden en alle levende wezens, die daarin waren; men liet niemand ontkomen, geheel zoals men met Eglon gedaan had: men sloeg het en alle levende wezens, die daarin waren met de ban. Daarna wendde Jozua zich, en geheel Israël met hem naar Debir en hij streed ertegen, en hij nam het, met zijn koning, en al zijn steden en men sloeg hen met de scherpte des zwaards; alle levende wezens die daarin waren, sloegen zij met de ban, men liet niemand ontkomen; evenals men met Hebron gedaan had, zo deed men met Debir en zijn koning, zoals men ook met Libna en zijn koning gedaan had. Aldus sloeg Jozua het ganse land, het Gebergte, het Zuiderland, de Laagte en de hellingen, met al hun koningen; hij liet niemand ontkomen, maar hij sloeg al wat adem had met de ban, zoals Jahweh, de God van Israël geboden had. Jozua (...)want Jahweh, de God van Israël, streed voor Israël.’
Jozua 11:6-15:
‘Toen zei Jahweh tot Jozua: Wees niet bevreesd voor hen, want morgen om deze tijd zal Ik hen allen als verslagenen aan Israël overleveren; hun paarden zult gij de pezen doorsnijden en hun strijdwagens met vuur verbranden.(...)Zoals Jahweh zijn knecht Mozes geboden had, zo had Mozes Jozua geboden en daarnaar heeft Jozua gehandeld: hij heeft niets nagelaten van al wat Jahweh aan Mozes geboden had.’
En volgens de bijbel was dit de verheerlijking van Zijn Naam.
De heilige oorlog was een algemeen verschijnsel in het Midden Oosten. Zij eindigt altijd met een ban, in het hebreeuws cherem genoemd. ‘Met de ban slaan’ wil zeggen een ‘wijding’ aan God. Wanneer mensen met de ban geslagen worden betekent het in duidelijk nederlands dat ze afgemaakt worden als presentje voor God, iets waar de moderne mens totaal overheen leest, omdat hij de plechtige uitdrukking niet kent. Indien dit niet gedaan werd, werd God vreselijk boos, zoals we net lazen in het verhaal over Achab; Sauls koningschap wordt hem afgenomen omdat hij zich niet strikt aan dit gebod gehouden had. (1 Sam. 15). Een buitenbijbels voorbeeld daarvan zien we bij Mesa, de koning van Moab. Volgens 2 Kon. 3:4 en 5 maakte hij zich onafhankelijk na de dood van Achab. Dat lezen we ook op de beroemde steen uit de 9e eeuw v. Chr., die hij heeft laten oprichten aan de overkant van de Jordaan, het gebied van Moab, ter ere van zijn onafhankelijkheid. Hij schrijft daar oa:
‘En Kemosh (de god van Moab) zei tot mij: Ga, neem Nebo op Israël; en ik ging in de nacht, en ik streed ertegen van het aanbreken van de dageraad tot de middag, en ik nam het, en ik doodde alles [ervan], zevenduizend m[annen] en… en vrouwen en … en dienstmaagden; immers, voor Ashtar Kemosh had ik het met de ban (cherem) geslagen. En vandaar nam ik… van Jahweh [Jahaz], en ik sleepte deze voor het aangezicht van Kemosh’.
Moeten we huilen of lachen wanneer we de bijbelgetrouwe overdenkingen lezen over de Heilige Oorlog? Als ik die teksten doorneem krijg ik het gevoel het toppunt van slaafs denken te hebben bereikt. Alleen het denken over de hel overtreft deze menselijke onmenselijkheid. Wat schaam ik me dat ze, opgesloten in zulke stramme denksystemen, ter ere van de ware godsdienst deze onzin verkondigen:
‘Deze heilige oorlogen uit het boek Jozua komen niet uit willekeur bij God voort. Het gaat om het vestigen van een volk, dat de heilige God dient. Midden in een wereld, die puur heidens is ‘sticht’ God het volk Israël als een heilig volk. Daar mag geen enkele invloed van afgodendienst bij komen. Van buiten niet en (!) ook van binnen niet.’(stichtelijke overdenking met als doel ‘te groeien in het geloof’ op een internet site van de Chr. Ger. kerk te Groningen)
Stel je voor, hier wordt ons in
alle ernst voorgespiegeld dat God een heilig volk sticht midden in een
wereld die puur heidens is. Ziet u de verschillen? De god van Mesa sprak
ook! De koning diende die god ook heel oprecht en sloeg alles gehoorzaam met de
ban, en sleepte met grote ijver de gruwelijke god Jahweh voor het aangezicht
van de ware God Kemosh. De oude godsdiensten verschilden alleen van elkaar in
het gebruik van verschillende namen van de goden. Als Mesa Jahweh had geëerd en
Israël Kemosh was hij nu een bijbelse held en hadden de hedendaagse bijbelgetrouwe gelovigen
de archeologische vondst van zijn steen triomfantelijk aangehaald met de woorden:
‘zie je wel, de bijbel is betrouwbaar’! (Maar omdat hij geen bijbelse held is moeten
ze de Moabitische versie over de gang van zaken die in strijd is met het bijbelse verhaal
uitleggen met woorden als ‘typisch voorbeeld van grootheidswaanzin
van een heerser die de werkelijke toedracht vertekend weergeeft’).
Dat waar de bijbelse God Jahweh
zich onderscheidt van al de andere goden uit het Midden-oosten is voor het
merendeel niet de ethiek, maar slechts het fanatisme. Daar waar andere
culturen ruimte voor andere goden toelieten, komt het bijbels geloof met
geloofsfanatisme, het denkbeeld de enige echte God te aanbidden en Zijn
uitverkorenen te zijn. Aan dit fanatisme hebben we de grootste godsdienst van de
wereld te danken, niet aan het persoonlijk optreden op deze aarde van de
Schepper van ons universum. Dit fanatisme ontwikkelde zich in latere tijden,
toen het volk Juda door de Babyloniërs in ballingschap werd genomen, en diende
als enige redmiddel om hun volk als volk en cultuur in leven te behouden.
In die latere tijd zijn de oudste
delen van het Oude Testament opgeschreven als tendensgeschriften om achteraf
te laten zien waarom het allemaal zo gegaan is en hoe het eigenlijk had moeten zijn.
Wel zie ik nu heel scherp in wat
de oorzaak is van de vrome kanttekeningen en uitleggingen die christenen altijd
weer moeten trachten te vinden.
De gelovige christen zit namelijk in een
onmogelijke situatie. Hij wordt keer op keer geconfronteerd met de
meest weerzinwekkende teksten in zijn godsdienst, maar die bevinden zich als
onderdeel van wat voor de gelovige het allerheiligste gedachtengoed in zijn
leven is. De erudiete schrijfster van
bovengenoemde overdenking laat het zelf zo horen:
“In dit gesprekspapier pretendeer ik geen antwoord te hebben op deze vragen, maar ik hoop wel enige aanzetten te geven, om hierover na te denken. Per slot van rekening is het toch zo, dat de Kerk altijd heeft vast gehouden aan het Oude Testament als richtsnoer van het geloof. De vraag is dus: Als het dezelfde God is, de Vader van onze Here Jezus Christus, die in het boek Jozua opdracht geeft tot deze oorlogen, hoe moeten wij dit dan zien? Is God wreed?”
Het antwoord moet nee zijn omdat het enige alternatief is een totale verwerping van het bijbelse geloof en deze stap voor gelovigen te groot is en teveel moed vereist. Daarom mondt de vrome godsdienst automatisch uit in oneerlijkheid in ons denken en onnatuurlijke verwringing van ons menszijn.
Tot slot kunnen we opmerken dat God op het einde van het Oude Testament wel zijn hardleerse volk verlaten heeft, maar niet de oorlog! Hij sluit zich gewoon bij de tegenpartij aan:
[Jeremia tegen de koning:]‘Zo zegt Jahweh, de God van Israël: ...Ik zal tegen u strijd voeren met uitgestrekte hand en sterke arm, in toorn, gramschap en grote verbolgenheid, en Ik zal de inwoners van deze stad slaan, zowel mens als dier: aan een hevige pest zullen zij sterven. En daarna, luidt het woord van Jahweh, zal Ik Zedekia, de koning van Juda, zijn dienaren en het volk, ja, wie in deze stad van de pest, het zwaard en de honger zullen zijn overgebleven, overgeven in de macht van Nebukadressar, de koning van Babel...die zal hen slaan met de scherpte des zwaards zonder hen te sparen’ (Jer. 21: 5).
Tot de Chaldeeën zegt God dat zij ‘Jeruzalem moeten aanvallen, innemen en in brand steken’ (Jer. 34: 22).
Op een site
op het internet zijn interessante zaken te lezen die ons de bedroevende waarheid
over de mens en de wereld waarin we leven vertellen. De israëlische psycholoog George Tamarin
deed in 1966 en
1973 onderzoek naar het effect van "niet-kritisch bijbelonderwijs op het vormen van vooroordelen".
Het onderzoek strekte zich uit over 1066 israëlische kinderen van 8 tot 14 jaar.
De kinderen werd het verhaal van de val van Jericho en het uitmoorden van alles wat daar leefde
voorgelezen (Jozua 6). Daarna werden de kinderen de vraag gesteld "Denk je dat Jozua en de Israëlieten
juist handelden of niet?" De antwoorden verdeelden zich als volgt: Volledig juist 66%, Volledig
onjuist 26%, Noch geheel juist, noch geheel onjuist 8%. Als redenen voor goedkeuring werden
genoemd Gods belofte het land te schenken, Gods opdracht dit te doen, het gevaar van vermenging
met slechte andere culturen en godsdiensten. Van de 8% kinderen die bedenkingen hadden werden er
oa redenen gegeven als: "Jozua was dom om ook de dieren uit te roeien, hij had ze beter zelf
kunnen gebruiken", "De stad en al de goederen hadden niet vernietigd hoeven worden".
Er was
geen verschil in percentages tussen meisjes en jongens.
Als controlegroep kregen 168 kinderen hetzelfde verhaal voorgelezen met 'Generaal Lin' in plaats van
Jozua als held en
'Het Chinese Koninkrijk van 3000 jaar geleden' in plaats van het volk Israël als hoofdrolspelers.
Generaal Lin kreeg maar 7% goedkeuring, 18% gedeeltelijke goedkeuring, en een overweldigdend
percentage van 75% keurde de zaak volledig af.
Has the pope ever read the bible?
![]()
[1] De bijbel maakt melding van zeshonderdduizend strijders in het leger van de Israelieten. Het volk Israel bestond dus uit 2 tot 3 miljoen mensen. De volkeren van Kanaän moeten bij elkaar veel meer geteld hebben, wat ook gezegd wordt in de bijbel.
[2] Voor een overzicht van weerzinwekkende religieuze moord en haat: Holy Horrors: An Illustrated History of Religious Murder and Madness, James A. Haught, 1990
[A1]6 Maar de knecht zei tegen Saul: `Daar in die stad is een man van God: hij staat hoog in aanzien; alles wat hij zegt komt precies uit. Laten we er meteen naartoe gaan; misschien kan hij ons inlichtingen geven over de weg die wij moeten volgen.'
[A2]23 Saul ging dus naar Najot bij Rama. Maar daar kwam ook over hem de geest van God; in vervoering vervolgde hij zijn weg tot hij in Najot bij Rama aankwam. 24 Hij rukte zelfs de kleren van zijn lichaam en bleef in vervoering, in het bijzijn van Samuël. Ten slotte zakte hij in elkaar en bleef heel die dag en heel die nacht naakt liggen. Daarom zegt men: 'Is Saul ook al bij de profeten?'
[A3]30 De Danieten stelden daar het godenbeeld op. Jonatan, de zoon van Gersom, de zoon van Mozes, was de priester van de stam Dan, en zijn zonen bleven priesters van de stam Dan tot het volk in ballingschap ging. 31Het godenbeeld dat Micha had laten maken bleef bij hen opgesteld zolang het heiligdom in Silo bestond.
[A4]Op de derde dag, vroeg in de ochtend, begon het te donderen en te bliksemen. Boven de berg hing een dichte wolk, machtig bazuingeschal weerklonk, en alle mensen in het kamp beefden van angst.
[A5]De Sinai was geheel in rook gehuld, omdat Jahweh in vuur was neergedaald. De rook steeg omhoog als de rook van een smeltoven. Heel het volk was met ontzetting geslagen.
[A6] 15 Mozes besteeg de berg en de wolk overdekte de berg. 16 De heerlijkheid van Jahweh rustte op de Sinai en de wolk bedekte de berg, zes dagen lang. Op de zevende dag riep Hij Mozes, vanuit de wolk.17 De heerlijkheid van Jahweh leek voor de Israëlieten op een verterend vuur, boven op de berg.
[A7] 1 In die dagen werd Hizkia
dodelijk ziek. De profeet Jesaja, de zoon van Amos, ging naar hem toe en zei
tegen hem: `Zo spreekt Jahweh: Zorg dat uw huis op orde komt want u gaat sterven en zult niet
langer in leven blijven.' 2 Toen keerde Hizkia zijn gezicht naar de muur en bad
tot Jahweh: 3 `Ach HEER, bedenk toch hoe ik onder uw ogen geleefd heb met een trouw en
toegewijd hart en hoe ik gedaan heb wat U behaagt.' En Hizkia weende luid.
4 Jesaja had de binnenhof nog niet verlaten
of het woord van Jahweh kwam tot hem: 5 `Ga terug
en zeg tegen Hizkia, de vorst van mijn volk: 'Zo spreekt Jahweh, de God van uw
vader David: Ik heb uw gebed gehoord, Ik heb uw tranen gezien. Welnu, Ik ga u
genezen: op de derde dag zult u opgaan naar het huis van Jahweh. 6 Ik zal aan uw leven vijftien jaren
toevoegen; Ik zal u en deze stad uit de greep van de koning van Assur redden en
Ik neem deze stad onder mijn hoede, omwille van Mijzelf en omwille van David,
mijn dienaar.'
7 Jesaja gaf opdracht
een vijgenkoek te halen. Zij haalden er een en legden die op het gezwel en
Hizkia leefde weer op.
8 Hij vroeg aan
Jesaja: `Aan welk teken zal ik kunnen zien dat Jahweh mij zal genezen en dat ik
op de derde dag zal opgaan naar het huis van Jahweh 9 Jesaja antwoordde: `Dit is het teken dat
Jahweh
u zal geven om u te laten weten dat Jahweh inderdaad het woord zal
nakomen dat Hij gesproken heeft. Moet deze schaduw tien treden vooruit of tien
treden achteruitgaan?'10 Hizkia
antwoordde: `Tien treden vooruit is voor de schaduw niet moeilijk. Laat de
schaduw liever teruggaan, tien treden achteruit.'11 Toen riep de profeet Jesaja Jahweh aan en Jahweh
liet de schaduw
teruggaan op de treden die zij al afgedaald was, tien treden achteruit op de
trap van Achaz.
[A8]Jozua 24: 12 En Ik zond horzelen (hoornaars) voor u heen; die dreven hen weg van ulieder aangezicht.
[A9]Babel, de parel van alle koninkrijken, het sieraad en de trots van de Chaldeeën, ondergaat het lot van Sodom en Gomorra, die door God zijn verwoest.
[A10]Daarom wordt in het boek van de oorlogen van Jahweh gezegd: ` ... Waheb in Sufa, het dal van de Arnon,...
[A11]Maar de zonen van de moordenaars doodde hij niet: hij hield zich aan hetgeen geschreven staat in het boek van de Wet van Mozes, waar Jahweh geboden heeft: `Vaders mogen niet ter dood gebracht worden vanwege hun kinderen, en kinderen niet vanwege hun vader; alleen vanwege zijn eigen schuld mag iemand ter dood worden gebracht.'