De hoogste godsdienst
Aanleiding tot verwarring
Doordringen tot de essentie?
In tegenstrijd met het Oude Testament
Extreem
De sublieme vertolking van Nietzsche
Volwassen Geloof                                                                                    Hoofdstuk 8

        





Het 'rijk Gods' is niet iets waar we op moeten wachten; Het heeft geen gisteren en geen overmorgen, het komt niet over 'duizend jaren' - het is een ervaring van een hart; het is overal en nergens aanwezig... Deze 'blijde boodschapper' stierf zoals hij geleefd, zoals hij onderwezen had - niet om 'de mensen te verlossen', maar om te laten zien hoe je moet leven. Wat hij de mensheid naliet, is de praktijk: zijn gedrag voor de rechters, voor de gerechtsdienaars, voor de aanklagers en allerlei laster en hoon - zijn gedrag aan het kruis. Hij verzet zich niet, hij komt niet op voor zijn recht, hij verzet geen stap om het uiterste van zich af te houden, sterker nog, hij lokt het uit... En hij bidt, hij lijdt, hij heeft lief met degenen, in degenen die hem kwaad doen. De woorden tot de moordenaar aan het kruis bevatten het hele evangelie. 'Dit was waarlijk een goddelijk mens, een kind van god!', zegt de moordenaar. 'Als jij dat aanvoelt,' antwoordt de verlosser, 'dan ben je in het paradijs, dan ben jij een kind Gods.' Je niet verzetten, niet fulmineren, niemand verantwoordelijk stellen. Nee, zelfs tegen het kwaad geen verzet bieden - het liefhebben...

Nietzsche







De hoogste godsdienst

Wanneer aan Jezus gevraagd wordt wat het grote gebod is antwoordt Hij:


‘Gij zult de Here uw God, liefhebben met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw verstand. Dit is het grote gebod. Het tweede daaraan gelijk is: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf. Aan deze twee geboden hangt de ganse wet en de profeten.’


Hij haalt twee schriftplaatsen aan uit de wet van Mozes. Deut. 6:5 en Lev. 19:18, de enige plaatsen in de gehele wet waar over liefhebben wordt gesproken! Een meesterlijke vondst, waarmee Hij niet tegengesproken kan worden. We lezen verder:


‘Hebt uw vijanden lief, doet wel aan degenen die u haten, zegent wie u vervloeken. Leent zonder op vergelding te hopen en uw loon zal groot zijn en gij zult kinderen van de Allerhoogste zijn, want Hij is goed jegens de ondankbaren en bozen. Weest barmhartig gelijk uw Vader barmhartig is. En oordeelt niet en gij zult niet geoordeeld worden. Want met de maat waarmee gij meet zult gij gemeten worden.’


We kunnen ons geen grotere ommekeer in de godsdienst voorstellen! Ik heb tenminste niets van dit alles in het Oude Testament gelezen, en ik heb nog wel net de vrome psalmen doorgelezen! Het allerminst lees je in het Oude Testament dat God een liefdevolle en barmhartige Vader is die wel doet aan degenen die Hem haten! Met deze woorden blijft voor mij niets, maar dan ook niets over van het Oude Testament.


En toch: Jezus beroept zich altijd op de wet van Mozes. Zijn woorden ‘Aan deze twee geboden hangt de ganse wet en de profeten’ laat duidelijk zien dat Hij het Oude Testament als heilige schrift beschouwt en daarop bouwt. Zo zegt Hij overduidelijk in Mattheüs 5:17: ‘Meent niet dat Ik gekomen ben om de wet of de profeten te ontbinden; Ik ben niet gekomen om te ontbinden, maar om te vervullen’ Hij heeft er blijkbaar geen enkele moeite mee dat zijn eigen boodschap in vele opzichten zo afwijkt van en soms zelfs tegengesteld is aan de oude boodschap.


Wanneer Jezus zijn optreden begint doet Hij dat door in Zijn geboortestad de synagoge in te gaan en daar een preek te houden. Hij leest voor uit Jesaja:


‘De Geest des Heren is op mij, daarom, dat Hij mij gezalfd heeft, om aan armen de goede boodschap te brengen; en Hij heeft mij gezonden om aan gevangenen loslating te verkondigen en aan blinden het gezicht, om verbrokenen heen te zenden in vrijheid, om te verkondigen het aangename jaar de Heren.’ (Lukas 4:18,19).


En dan legt Hij de schriftrol aan de kant en vervolgt door te zeggen dat ‘dit schriftwoord heden voor uw ogen is vervuld’ (dwz in Zijn optreden). Een ieder die de tekst in het Oude Testament leest zal opmerken dat de tekst echter geheel anders is; Jesaja 61: 1-2 zegt:


‘De Geest des Heren is op mij, daarom, dat Hij mij gezalfd heeft, om een blijde boodschap te brengen aan ootmoedigen, om te verbinden de gebrokenen van hart, om voor gevangenen vrijlating uit te roepen en voor gebondenen opening der gevangenis; om uit te roepen een jaar van het welbehagen des Heren en een dag der wrake van onze God.’


Over armen en blinden wordt hier bijvoorbeeld niet gesproken; maar opmerkelijker is dat Jezus midden in de zin ophoudt en als het ware een punt zet. Hij laat de wraak des Heren gewoon weg! Vergelijking van de teksten geeft ons de sleutel tot het optreden van Jezus: hij gebruikt het Oude Testament om zijn medemensen te kunnen aanspreken, maar staat er zelf volledig boven. Sommigen hebben hieruit de conclusie getrokken dat Jezus de vloer aanveegde met het Oude Testament. Hij preekt het evangelie van liefde, vergeving en genade en grijpt telkens uit het Oude Testament datgene wat bij Zijn boodschap past. Hij laat de rest letterlijk weg, zelfs als het het weglaten van de laatste helft van een zin vereist! Jezus maakt het op vele plaatsten geheel duidelijk dat Hij boven de wet stond. Hij plukte koren op de sabbat en noemde zich ‘heer over de sabbat’ (Mt. 12:8), dit zou al genoeg zijn om hem ter dood te kunnen veroordelen. Hij toonde zich voortdurend ook zonder respect voor zijn ouders.
Hij trok bovendien volledig onverwachte en eigengerechtigde conclusies uit de schriftelijke overlevering en opende de mensen hun ogen voor nooit eerder gehoorde opvattingen. Waar in het Oude Testament ‘rechtvaardigen’ die belaagd worden het liefst bidden om het ombrengen van de kinderen van hun belagers (zie hoofdstuk 7), leert Jezus onze vijanden (lees: de goddelozen) lief te hebben en de boze niet te weerstaan:


‘Jullie hebben gehoord dat er gezegd is: Oog om oog en tand om tand. Maar Ik zeg jullie een zaak niet uit te vechten met iemand die je kwaad heeft gedaan. Maar als iemand jou een klap op je rechterwang geeft, houd hem dan ook de andere voor. Als iemand een geding tegen je aanspant om je hemd te krijgen, geef hem dan ook je jas. Als iemand je dwingt hem een mijl te begeleiden, ga er dan twee met hem mee. Geef aan wie jou iets vraagt, en wend je niet af als iemand van je wil lenen.
Jullie hebben gehoord dat er gezegd is: U zult uw naaste liefhebben en uw vijand haten. Maar Ik zeg jullie: heb je vijanden lief en bid voor wie je vervolgen, dan zullen jullie kinderen worden van je Vader in de hemel, want die laat zijn zon opgaan over slechten en goeden, en Hij laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen. Want als je liefhebt wie jou liefheeft, welk loon verdien je dan? Doen de tollenaars dat ook niet? Als je alleen je broeders groet, wat voor bijzonders doe je dan? Doen de heidenen dat ook niet? Jullie zullen dus onverdeeld goed zijn, zoals jullie hemelse Vader onverdeeld goed is.’
(Matth. 5:38-48)


Een grotere tegenstelling met de wet van Mozes kan men zich niet voorstellen. Hij zet ook gewoon een streep door de door Mozes opgestelde regel over echtscheiding en komt uit op precies het tegenovergestelde. Dit doet Hij door zich te beroepen op een nog vroegere situatie waarmee Hij de oorspronkelijke intentie van God laat zien. Zo zet Jezus dus heel gemakkelijk de wet van Mozes aan de kant wanneer hij opmerkt dat het God niet de hoogste eer geeft. Op precies dezelfde manier zien we dat Jezus ook geen formules en rites meer nodig heeft voor zijn omgang met God. Alleen de praktijk van het leven kan je een kind Gods doen voelen. Deze dingen in te zien zou de gouden leidraad kunnen zijn voor iedere gelovige. Op dezelfde mondige manier zouden wij moderne mensen al onze godsdienstige opvattingen moeten vormen en op dezelfde manier wil ik de rest van mijn leven op aarde vervolgen. Ik heb hiervoor echter het christelijk geloof zoals het de eeuwen door gepredikt is de rug moeten toekeren, omdat niets in het christelijk geloof zo verworpen en veroordeeld wordt dan jezelf eenzelfde houding als Christus aan te meten of jezelf af en toe zelfs boven Hem te stellen. Zulke gedachten worden altijd als het toppunt van arrogantie en verwaandheid gezien. De gelovige moet zich altijd als een slaaf in zijn denken opstellen en dit wordt gezien als hoogste vorm van vroomheid en aangeduid met mooie woorden als nederigheid en deemoed. Christus is in het christendom dankzij het werk van Paulus en de schrijver van het Johannes-evangelie tot mythische afgod geworden. En de godsdienstige mens is in het christendom gedoemd tot eeuwige geestesstilstand. Het eeuwige gepraat van christenen over geestelijke groei is in de kern dan ook niet anders dan het pathologisch worstelen met het aanvaarden van de dwangbuis waarin de gelovige is verstrikt geraakt. Men snakt naar lucht, naar mondig worden, naar zélf te bepalen waar men eerlijk in wil geloven, maar moet uiteindelijk altijd berusten in de aanname van twijfelachtige dogma's. De gelovige durft zich niet vrij te maken omdat dan zijn gehele wereld in zou storten, maar in werkelijkheid zou deze vrijmaking het begin zijn van iemands volwassen worden in zijn leven. (Zie Een nieuwe brief aan de Romeinen, en ook Een Interpretatie van Aldus sprak Zarathoestra)









Aanleiding tot verwarring

Maar laten we teruggaan naar de evangeliën. Het centrale probleem van de evangeliën is dit: de godsdienst van het Oude Testament kan op geen enkele manier verbonden worden aan het christelijk geloof, zoals het door de nieuwtestamentische predikers de wereld ingebazuind wordt, een geloof dat een godmens presenteert die de bloedwraak van God plaatsvervangend ondergaat voor iedereen die daar in gelooft en Gods wraak in alle hevigheid verwacht in de nabije toekomst voor een ieder die het evangelie niet aanneemt. En toch proberen deze eerste gelovigen voortdurend te laten zien dat alles natuurlijk voortvloeit uit de oude overgeleverde godsdienst, want het christendom kan nu eenmaal niet los worden gezien van de joodse traditie. De uiteindelijke christelijke bijbel moet een prachtig geheel zijn dat we perfecte openbaring van God mogen noemen, een boodschap voor de gehele wereld. Het resultaat is een enorme lading verwarrende en kromme redeneringen, onoplosbare probleemstellingen en tegenstrijdigheden, en soms een vreemd aaneenlijmen van hebreeuwse en heidense ideeën, iets wat zelfs gezien als menselijke constructie een onbevredigende indruk achterlaat.
Om in het optreden van Jezus een klein voorbeeld te noemen, Jezus verbiedt heel duidelijk te zweren (=naar de rechtbank gaan), terwijl hiervoor door Mozes duidelijk een regel was opgesteld (Mt. 5:34-37). Hiermee komt de christengelovige dus in de knoop: hoe kan Jezus zich (volgens zijn eigen uitspraken) aan de wet van Mozes houden en die tegelijkertijd zo overduidelijk tegenspreken? Hoe kan hij zeggen dat


‘Wie één van de kleinste geboden [van de wet van Mozes] ontbindt en de mensen zo leert, zal zeer klein heten in het Koninkrijk der hemelen; doch wie ze doet en leert zal groot heten in het Koninkrijk der hemelen’ (Matth. 5:19),


en in hetzelfde hoofdstuk met zijn eigen leringen aan komen die telkens de wet van Mozes tegenspreken! Het christelijk geloof heeft uiteindelijk zelfs de gehele mozaïsche wet opgeheven! Zelfs de tien geboden, die de meeste christenen om onduidelijke redenen toch altijd een ereplaats geven, worden slechts op een aangepaste manier onderhouden.

Aan de hand van een voorbeeld zal duidelijker worden hoe onduidelijk Jezus’ omgang met de joodse wet was. In Mt 15:1-20 (zie ook Mk 7:1-23) lezen we dat Jezus geconfronteerd wordt met het gebruik van het reinigen van de handen.


‘Toen kwamen uit Jeruzalem Farizeeën en schriftgeleerden tot Jezus en vroegen: Waarom overtreden uw discipelen de overlevering van de ouden? Immers, zij wassen hun handen niet, wanneer zij brood eten. Maar Hij antwoordde hun: waarom overtreedt ook gij ter wille van uw overlevering (zelfs) het gebod van God? Want God heeft gezegd: Eer uw vader en uw moeder, en: Wie zijn vader of moeder vervloekt zal de dood sterven. Maar gij zegt: Wie tot zijn vader of moeder zegt: Het is offergave, al wat gij van mij hadt kunnen trekken, behoeft zijn vader of zijn moeder niet te eren. Zo hebt gij het woord van God van kracht beroofd ter wille van uw overlevering...’ (vanaf vers 10) ‘En toen Hij de schare tot Zich geroepen had, zei Hij tot hen: Hoort en verstaat! Niet wat de mond binnengaat, maakt de mens onrein, maar wat de mond uitgaat, dat maakt de mens onrein.’ Als vervolgens de discipelen om uitleg vragen zegt Jezus (vanaf vers 16): ‘Begrijpt gij niet, dat al wat de mond binnengaat, in de buik komt en te zijner plaatse verdwijnt? Maar wat de mond uitgaat, komt uit het hart, en dat maakt de mens onrein. Want uit het hart komen boze overleggingen, moord, echtbreuk, hoererij, diefstal, leugenachtige getuigenissen, godslasteringen. Dat zijn de dingen, die een mens onrein maken, maar het eten met ongewassen handen maakt een mens niet onrein.’


Iedere niet-Jood die dit leest zal de indruk krijgen dat Jezus de wet van Mozes aan de kant zet, en al het voedsel voor rein verklaart. Maar iemand die de bijbel en het Jodendom beter kent, zal weten dat de zaak niet zo eenvoudig ligt. Het beste bewijs hiervoor is dat Jezus’ discipel Petrus er later in Handelingen nog heel duidelijk problemen mee had. Dit verhaal wordt des te moeilijker wanneer we alle achtergronden erbij halen van de joodse godsdienst:

De wet van Mozes staat vol met reinheidswetten. Naast deze schriftelijke overlevering is er in Jezus’ tijd ook een mondelinge, waarin allerlei concrete zaken over reinheid worden genoemd. De reinheidswetten hebben vooral te maken met het opgaan naar de tempel in Jeruzalem en het aldaar brengen van offers. En offers hebben te maken met leven en dood. Wie aan een offerhandeling deelneemt moet er geschikt voor zijn, dat wil zeggen: die moet zich reinigen. Pelgrims die opgingen naar Jeruzalem reinigden zich. Men moest er zelfs zeven dagen de tijd voor nemen. Een onderdeel van deze reiniging betrof de ‘reinheid van de handen’. Voor je als pelgrim voedsel tot je nam waste je eerst je handen. Dat is nodig vanwege de zondigheid van de mens. Over dit gebruik van de ‘reinheid van de handen’ is er in het jodendom van Jezus’ dagen geen eenstemmigheid. Zoals men kan raden: hoe vromer, des te meer handen wassen. Voor de zekerheid kun je het beste voor iedere maaltijd je handen wassen. Dus ook als je niet op pelgrimsreis bent. Deze Farizeeërs verdedigden hun opvatting door te stellen dat het hele leven een pelgrimsreis is. Uit joodse bronnen blijkt dat deze ‘reinheid van de handen’ voor elke maaltijd in Jezus’ dagen een betrekkelijk nieuw fenomeen is.

Van het centrale gebod de ouders te eren is een ander gebod afgeleid, namelijk de verplichting van kinderen om voor hun ouders te zorgen, ook in materieel opzicht. Kinderen hadden een blijvende zorgplicht voor hun ouders. Maar nu is het in de praktijk denkbaar dat ouders met een beroep op dat gebod eisen stellen aan hun kinderen over hun onderhoud. Om nu het bezit van de kinderen veilig te stellen tegenover teveel eisende ouders konden kinderen verklaren dat zij hun bezit afstonden aan de tempel. Een dergelijke gelofte kon later (bijv. na de dood van de ouders!) weer ongedaan worden gemaakt. Het was dan dus een fictieve gelofte, waarvan men van tevoren al min of meer wist dat men die niet op die wijze na zou komen. Het ging er immers niet om iets aan de tempel te geven, maar iets aan de ouders te onthouden. Jezus geeft hier felle kritiek op. Het is schijnheilig Gods wetten onderhouden.

Jezus komt dus op voor de originele bijbelse bedoeling en stelt die tegenover de overlevering van mensen. Jezus blijkt in het geval van de gelofte (zoals in veel andere gevallen) in feite veel strikter te zijn dan een deel van de Farizeeërs. De liefde voor God en de naaste, dwz iemands innerlijke staat, staat bij hem centraal. Het gaat in de eerste plaats om de innerlijke beleving, niet om het uiterlijk voldoen aan de wetsbepalingen. Wanneer iemand geen liefde in zich draagt, maar desondanks de mening is toegedaan dat hij een zeer vroom man is, omdat hij bijvoorbeeld een aantal malen per dag bidt, handen wast en zich getrouw aan de spijsregels houdt, dan zou Hij opmerken, dat in Gods koninkrijk gekeken wordt naar de hoeveelheid liefde die een mens in zijn hart meedraagt en niet naar de getrouwheid waarmee een reeks traditioneel overgeleverde mensengebruiken worden nageleefd. Daarmee bindt hij de strijd aan met allerlei religieuze gebruiken en gewoonten die door priesters in de loop der tijden heilig werden verklaard.

Maar hoe het nu eigenlijk zit met rein en onrein eten (hield Jezus zich aan Mozes’ spijswetten?) en alle details van de mozaïsche wet blijft een mysterie. In Marcus staat heel duidelijk: ‘En zo verklaarde hij al het voedsel rein.’ Deze boude uitspraak durft Mattheüs niet te schrijven! Jezus heeft in zijn evangelie tenslotte net uitspraken gedaan dat Hij zelfs niet de kleinste letter van de wet ongedaan maakt, een lering die in Marcus niet voorkomt. We kunnen dus niet concluderen dat Jezus zoiets predikte als het volgende: ‘De onreinheid gaat in de eerste plaats in jezelf schuil. Het gaat om je innerlijke gesteldheid, alle wetsbepalingen die met uiterlijke handelingen te maken hebben zijn onbelangrijk. Eet dus gewoon alles wat je wordt aangeboden’. Deze conclusie heeft Marcus gemaakt, en was bedoeld voor de heidenen voor wie hij schreef die tot geloof gekomen waren en weinig of geen weet hadden van de joodse wetten; Mattheüs is echter zeer geïnteresseerd in het Oude Testament en kan daarom de spijsregels en al het andere van het Oude Testament van de joden niet opheffen. We hebben hier (en op talloze andere plaatsen in de evangeliën) dus te maken met de tegenstrijdige prediking van diverse christelijke zienswijzen waardoor het gehele optreden van Jezus voor ons moderne mensen die slechts een paar verhalen erover in handen hebben hebben zo enigmatisch wordt.


Maar de conclusie die we wél kunnen trekken op grond van dit voorbeeld over de ‘reinheid van de handen’ is dat het nieuwe van Jezus niet zonder moeite omschreven kan worden met de woorden die we vaak horen: Hij kwam om de wet af te schaffen en de liefde uit te dragen. Wat Jezus (of misschien juister: de evangelieschrijver) in feite doet is ons in volslagen verwarring brengen. Zo hebben alle christenen de spijswetten van het Oude Testament opgegeven omdat Paulus later de conclusie heeft getrokken dat de oudtestamentische wet niet meer voor ons geldig is, terwijl het Oude Testament in niet mis te verstane woorden spreekt over de ‘gruwel’ van het eten van bepaald voedsel (bijv. Lev. 11: 11) en het volslagen onbegrijpelijk is waarom dat dan nu opeens niet meer zo zou zijn omdat de voedselwetten altijd in verband worden gebracht door te wijzen op Gods heiligheid (‘Weest heilig, want Ik ben heilig’, Lev. 11:45). Maar goed, zelfs als we als christenen de gehele joodse wet zouden hebben blijven onderhouden, omdat ze per slot van rekening van God afkomstig zegt te zijn en het daarom perfect zou moeten zijn, we zouden het in onze tijd niet meer begrijpen waarom wel of niet kamelen- en varkensvlees of kreeften eten iets met heiligheid of gruwel te maken zou hebben...









Doordringen tot de essentie?

Jezus’ opstelling ten aanzien van de wet blijkt ook uit wat Hij zegt tegen de rijke jongeling over het ene dat hem ontbreekt (Mk 10:17-22). Jezus heft ook daar de wet niet op, maar borduurt erop verder. In eerste instantie zouden we kunnen denken dat de verwarring opgelost kan worden door te zien dat Jezus tot de essentie van de wet wil doordringen: namelijk de totale toewijding aan de zaak van God. Hetzelfde zien we in het noemen van de hoofdsom van de wet (Mt 22:34-40), van de gulden regel (Mt 7:12) en van het zwaarste van de wet (Mt 23:23). Het gaat Jezus om de onvoorwaardelijke toewijding aan God, maar aan de andere kant staat in het laatstgenoemde vers overduidelijk: "Het ene (dus de mozaïsche wetsbepalingen) moet u doen, maar het andere niet laten.". Wat "het andere" betreft gaat hij tot het absurde uiterste. Matth.8: 21, 22:


Een ander, een van Zijn discipelen zei tegen Hem: Here, sta mij toe heen te gaan en mijn vader te begraven. Maar Jezus zei tot hem: Volg Mij en laat de doden hun doden begraven.’


Sommigen hebben Jezus' omgang met de wet het ‘doorzichtig maken’ van de geboden genoemd. Maar hoewel hier voorbeelden van gevonden kunnen worden zal een ieder die deze zaak onderzoekt eerlijk moeten toegeven dat dit niet bepaald altijd het geval is en het vaak eerder op het omgekeerde lijkt. Neem bovenstaande tekst: Is het "Volg Mij" synoniem voor "onvoorwaardelijke overgave aan God"? Hoe zou een religieuze Jood zo'n uitspraak anders kunnen zien dan als in de allergrofste tegenspraak staande met zijn overgeleverde godsdienst? Hoe zou een uitspraak als "Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven" door een Jood anders opgevat kunnen worden dan als de de allergrootste godslastering, het toppunt van arrogantie? Andere voorbeelden: Wanneer we bijvoorbeeld in het Oude Testament keer op keer lezen dat Gods zegen tot uiting komt in materiële welstand, en dan opeens te horen krijgen dat we alles weg moeten geven om goed gelovige te zijn, kunnen we toch niet spreken over ‘doorzichtig maken’ van de wet van Mozes of de oorspronkelijke godsdienst. Ook niet wanneer we in het Oude Testament moeten jubelen en onze voeten wassen in het bloed van onze vijanden wanneer God ons de overwinning geeft op de goddelozen, en ze nu ineens lief moeten hebben. Ook niet wanneer God ons keer op keer heeft opgeroepen het kwaad uit te roeien, maar we nu opeens de boze niet moeten weerstaan. Ook niet wanneer Jezus Jesaja aanhaalt, waar gesproken wordt over vrijlating van gevangenen, en Hij zelfs Johannes de Doper niet behoedt voor zijn onthoofding in de gevangenis. (Hier hebben we een voorbeeld van het geliefde ‘niet-letterlijk-nemen’, waar de gelovigen graag mee schermen wanneer het hun wél van pas komt). Ook niet wanneer het Oude Testament het eren van de ouders op straffe des doods voorschrijft (Lev. 20:9) en Jezus ons verbiedt op aarde iemand onze vader te noemen (Matth. 23:9) en zelfs spreekt over haten van iemands familie (Lukas 14: 26) en in het openbaar zijn eigen familie minacht (Lukas 8: 19-21)! Ook niet wanneer Jezus ons leert zijn bloed te drinken terwijl het nuttigen van enig bloed in Leviticus 17: 10,11 door God met uitroeiing bestraft wordt. We kunnen gemakkelijker tot de conclusie komen dat Jezus met zijn leer de wet opheft, en de schrift op een andere, nieuwe manier benadert. Deze conclusie is in ieder geval wel getrokken zowel door zijn joodse tegenstanders als ook in de theologie van Paulus en in de uitspraken van de bijeenkomst van kerkleiders in Jeruzalem, vermeld in Handelingen. Hoe we theoretisch ook het Oude Testament aan het Nieuwe lijmen (en ach, het is de eeuwen door op talloze ingenieuze manieren gedaan), in de praktijk van het christendom is er voor bijna iedereen een grote verwarring over het ons wel of niet houden aan de geboden van God, ‘voor altoos’ gegeven aan Mozes.


Een bevredigende uitleg zou misschien de volgende kunnen zijn: Jezus brengt een volkomen nieuwe godsdienst, een godsdienst gebaseerd op liefde, vergeving en genade. De kern van zijn nieuwe godsdienst is te vinden in de woorden gegeven als conclusie nadat Hij zijn nieuwe regels uitgesproken heeft (Mattheüs 6:48): Gij dan zult volmaakt zijn, gelijk uw hemelse Vader volmaakt is. Jezus’ eigen denken, zijn eigen omgang met God was voortdurend leidraad voor zijn godsdienst. Hij was echter als Jood de wereld in gekomen. Hij leefde in de Joodse traditie en gebruikte als basis voor zijn nieuwe godsdienst, en om mensen aan te spreken, wat Hij kon gebruiken uit het Oude Testament. Hij doet dit veelal zeer grootlijnig, omdat er slechts weinig van te gebruiken is. Zo geeft Hij ons de regel ‘Behandel andere mensen zoals uzelf behandeld wenst te worden, want dit is het gehele Oude Testament’ (Matth. 7:12). Het zal voor een ieder die net met mij het Oude Testament heeft doorgelezen duidelijk zijn dat deze uitspraak volkomen onwaar is. De uitspraak streept wetsparagrafen door, maakt ze overbodig, spreekt ze vaak tegen, laat een hoop dingen, de gehele levensstijl van de joodse godsdienst, volkomen weg. Wat Jezus eigenlijk doet is in principe het hele Oude Testament in één regel samen te vatten om er van af te komen, om het voor de rest zo goed als te vergeten! Wanneer de Joden met een op overspel betrapte vrouw aankomen, en Hem vragen of Hij het er nu mee eens is dat de wet van Mozes moet worden toegepast is zijn antwoord duidelijk Nee, hoewel Hij dit bijzonder wijs zegt: ‘Laat wie zonder zonde is de eerste steen gooien’. Zodoende hoefde Hij niet de wet van Mozes tegen te spreken.


Indien we echter met deze redenering verdergaan stuiten we op een volgende onoverkomelijke tegenstrijdigheid in Jezus’ optreden. Het vreemde is namelijk dat Jezus aan de ene kant de liefde predikt, en Hij van God een barmhartige Vader maakt, zonden vergeeft van mensen, mensen beter maakt, mensen oproept niet te vergelden, niet anderen te veroordelen, ja, zelfs niemand met woorden uit te maken voor dwaas maar tezelfdertijd voortdurend oordeelt, dreigt met een straffende God (bijv. Joh. 5:14), met eschatologische oordelen, ja, zelfs met de hel, iets waar we nog niet eerder over gehoord hebben, en ons bovendien ook nog een wereld voorspiegelt die in de ban van Satan en demonen lijkt te zijn. Het aaneenknopen van die twee kanten is voor de moderne mens een totale onmogelijkheid.
Daarenboven eist Hij van ons zulk een toewijding aan God (Hij gebruikte letterlijk de uitdrukking ‘weest volmaakt als God’) [1] dat het ons allemaal onmogelijk toeschijnt in aanmerking te komen voor zijn ‘Koninkrijk der hemelen’ en er dus een goede kans is dat we als gevolg daarvan juist naar deze sinistere kanten van de godsdienst gedreven worden, iets wat als een rode draad door de christelijke geschiedenis loopt. In het kort werkt het christelijk geloof voor velen zo:



De tegenstrijdigheden in de schildering van Jezus’ optreden hopen zich op: Jezus zelf houdt zich niet altijd aan zijn eigen principes. Ook Hij veroordeelt, soms zelfs met buitengewone felheid, en noemt mensen ‘dwaas’ (Mt. 23:17), buitenlanders ‘honden’ en strikte farizeërs die het niet met Hem eens zijn handlangers van de duivel. Wanneer Hij een keer honger heeft zoekt Hij een vijgeboom op en bemerkt Hij dat er geen vruchten aan zitten. Dan wordt Hij als een kinderachtige tiener boos en vervloekt de vijgeboom! (Marc. 11:13,14 Ja, natuurlijk zult u in de vrome commentaren mooie verhalen aantreffen waarin de verheven symbolische betekenis van de gebeurtenis uit de doeken wordt gedaan). Even later komt Hij wellicht nog steeds boos in Jeruzalem, gooit Hij de tafels van de kooplieden om en drijft Hij de kooplieden met een zweep (dus met geweld) uit de tempel.

Hoewel Hij, door de wet van Mozes met volkomen nieuwe maatstaven te interpreteren, van ieder mens een overtreder van de wet maakt, omdat de mens altijd in liefde te kort komt, is Hij wel zo consequent dat Hij ook zichzelf niet ‘goed’ noemt, omdat alleen God goed genoemd kan worden (Marc. 10: 17,18). Ook geeft Hij soms toe dat Hij ook niet alles weet (Matth. 24:36). Over ‘doorzichtig maken’ gesproken: Wanneer mensen aan Hem twijfelen, wijst Hij op zijn wonderen om ze daarmee te overreden (Matth. 11:4-5); maar wanneer anderen óók indrukwekkende wonderen en tekenen verrichten moeten we ze weer verwerpen als valse christussen (Matth. 24:24)!
En wat ‘doordringen tot de essentie’ betreft, wat zullen we van het niveau gerechtigheid zeggen dat uitspreekt: "Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld wordt?" en wat van uitspraken als: "Want als gij bemint die u beminnen, wat voor recht op loon hebt gij dan? en elders "Wanneer die dag komt, groot zal uw loon zijn in de hemel". Dus liefde om uiteindelijk betaald te worden? Hoe hoogstaand is zoiets? Maar het vreemde van het christelijke geloof is, dat vanwege de geloofsstelling van de goddelijkheid van Jezus (in het Johannes-evangelie), al deze menselijke tekortkomingen van Jezus en zijn leringen geheel geen troost voor ons worden, maar deze teksten voor de gelovige alleen maar een nieuw raadsel zijn, die hij moet zien op te lossen met ingenieuze theologische goocheltoeren.









In tegenstrijd met het Oude Testament

Het Nieuwe Testament stelt ons voor onoverkomelijke problemen. Het in strijd zijn met de joodse (goddelijke) wetgeving is slechts één aspect hiervan. Er zijn nog vele andere zaken die hoofdbrekens geven en onmogelijk met het Oude Testament in overeenstemming te brengen zijn. Dit is natuurlijk alle eeuwen door -en vanaf het moment dat de christelijke godsdienst ontstond- al door de Joden naar voren gebracht. Maar onze nieuwe tijd met zijn overvloed aan informatie werpt op vele zaken een veel beter licht dan men ooit tevoren over deze zaken had. Laten we de belangrijkste problemen naar voren halen:


1. Het oudtestamentische geloof laat op geen enkele manier toe dat men goddelijkheid toeschrijft aan iemand anders dan aan één ongedeelde God. De vergoddelijking van Jezus is daarom de hoogste godslastering die men kan bedenken. Gegoochel met 'drie-eenheid' heft het probleem natuurlijk niet op, maar, integendeel, de onmogelijkheid van dit denkbeeld is het sterkste bewijs dat men bezig is met oneerlijk redeneren, een uiterst geforceerd oplossen van iets wat niet klopt.
Verwant aan deze godslastering is de christelijke uitvinding van overal zegenvierende tegenstanders van God, met als aanvoerder een alomtegenwoordige duivelse god. In Joh. 12:31 noemt Jezus Satan zelfs "de heerser van deze wereld". Ook dit wordt natuurlijk mooi afgezwakt, door de Satan 'gevallen engel' te noemen, maar gegoochel met woorden heffen ook deze godslastering niet op, net zoals Jehova-getuigen de monotheïstische godsdienst niet kunnen redden door Jezus slechts als 'meest verheven engel' te aanbidden. Wanneer men met Jezusverering en geloof in Satan bezig is in de godsdienst (dus zich christen noemt), heeft men de meest kardinale lering van monotheïsme opgeheven.


2. De evangeliën spreken elkaar op talloze punten tegen en bevatten onjuistheden met betrekking tot het Oude Testament. Enkele opmerkelijke fouten. (Zie ook hoofdstuk 13).


3. De beloofde Messias in het Oude Testament zou iemand moeten wezen die koning en bevrijder van het Joodse volk zou moeten zijn. Dit is nooit het geval geweest met Jezus. De christenen hebben dit geprobeerd op te lossen door Christus nog een keer, en wel spoedig, op aarde terug te laten komen. Na 2000 jaar mogen we echter zonder meer concluderen dat deze lering vals was. Bovendien spreekt het Oude Testament nergens over twee verschillende komsten van de Messias. Zo gebruiken de evangeliën een profetie uit Micha 5 (de Messias zal uit Betlehem komen), om ermee te laten zien dat Jezus de Messias is, maar een ieder die de tekst vandaag de dag leest zal opmerken dat Micha 5 juist één van de sterkste schriftgedeelten zijn die het messiasschap van Jezus tegenspreken, want er wordt meteen achteraan gezegd wat er zal gebeuren wanneer de Messias geboren wordt, zaken die in het geheel niet zijn uitgekomen:


Uit jou, Betlehem in Efrata, te klein om tot Juda's geslachten te behoren, uit jou komt iemand voort die voor Mij over Israël zal heersen. Zijn oorsprong ligt in lang vervlogen tijden, in de dagen van weleer. Totdat de vrouw die zwanger is haar kind heeft gebaard, worden zijn broeders aan hun lot overgelaten. Daarna zullen wie er nog over zijn terugkeren naar de andere Israëlieten. Hij zal aantreden en hen als een herder weiden, bekleed met de macht van Jahweh, zijn God, met de majesteit van diens verheven naam. Zij zullen veilig wonen, want hij zal heersen tot aan de einden der aarde, en hij brengt vrede."


Iemand die denkt dat dit schriftgedeelte in Jezus zijn vervulling vond heeft wel een heel bijzonder gekleurde bril op! En het schriftgedeelte uit te leggen alsof het 'daarna' een onbepaalde tijd van duizenden jaren later kan zijn is nog ongerijmder.

4. De evangelieschrijvers doen niets liever dan voortdurend schriftplaatsen uit het Oude Testament aanhalen om die te gebruiken als profetieën die zogenaamd in Christus vervuld werden. Zoals we hierboven al zagen in de profetie aangaande de komende Messias, is deze behandeling van oudtestamentische teksten zeer vreemd, vergezocht of zelfs foutief. We zullen ze één voor één langs gaan en ons verwonderen over dit hoogtepunt van bijbelse domheid en oneerlijkheid:


Één van de meestgehoorde beweringen van christenen, we zouden het zelfs de hoeksteen van het hele gebouw waarop het christelijk geloof staat kunnen noemen, is dat de maagdelijke geboorte van Jezus in het Oude Testament voorspeld wordt. Het was Mattheüs die dit bedacht:


Dit alles is gebeurd opdat in vervulling zou gaan wat bij monde van de profeet door de Heer is gezegd: 'De maagd zal zwanger zijn en een zoon baren, en men zal hem de naam Immanuël geven', wat in onze taal betekent 'God met ons'.


Voorwaar een indrukwekkende voorspelling, indien het waar zou zijn! De passage waar Mattheüs naar verwijst kan men vinden in Jesaja 7:14. Om te zien hoe valselijk deze tekst vertaald wordt, volgt hier de letterlijke originele tekst:


laken (daarom) jittan (zal-geven) adonai (mijn heer) hu (hijzelf) lakem (aan u) oth (een teken) hinneh (zie!) ha-almah (de-jongevrouw, meisje) harah (werd zwanger, eng: conceived, imperfekt) ve-jeldeth (en-baart) ben (een zoon) ve-karath (en noemt) shem-o (naam-zijn) immanuel.


De geboorte van een godheid uit de gemeenschap van een maagd met een god, is een veelvuldig voorkomend heidens denkbeeld, maar is volkomen vreemd aan de wereld van de oudtestamentische godsdienst. Om aan dit heidense idee steun te geven gebruikt Mattheüs het woord almah, dus 'meisje', in de zin van maagd, een persoon die baart zonder ooit geslachtsgemeenschap met een man te hebben gehad. Een jonge vrouw was in de regel natuurlijk maagd, "meisje" betekent zelfs letterlijk "kleine maagd", maar een meisje was dit natuurlijk niet meer wanneer ze zwanger was! Er is totaal geen enkele aanwijzing dat deze uitspraak in Jesaja duidt op een miraculeuze zwangerschap, dwz zonder geslachtsgemeenschap. Het woord 'harah' staat bovendien in de verleden tijd (imperfectum), dwz 'werd zwanger' (hetgeen beter tot uiting komt in bijvoorbeeld het engels: 'conceived'), en kan dus met geen mogelijkheid vertaald worden met een futurum 'zal zwanger worden', hetgeen we nog in de nederlandse vertaling van 1951 tegenkomen. De Nieuwe Vertaling heeft dit doorzien, en er nu 'zal zwanger zijn' van gemaakt, maar blijft nog steeds in het oneerlijke futurum steken. In de engelse Revised Version van de King James Version staat in een voetnoot: ha-almah harah: "letterlijk: de maagd is met kind". Het gaat hier dus noch om een maagdelijke geboorte, noch om een toekomstige maagd. Het vers slaat eenvoudig op een bepaalde jonge vrouw in Jesaja's tijd, die al zwanger was. Jesaja's tekst zegt eenvoudig: "Kijk, de jonge vrouw is zwanger!"
Het is duidelijk dat men de contekst van de tekst in Jesaja nu moet bestuderen om te weten te komen waar het hier om gaat:


1 In de tijd dat Achaz, de zoon van Jotam, de zoon van Uzzia, regeerde over Juda, trok koning Resin van Aram samen met koning Pekach van Israël, de zoon van Remaljahu, op naar Jeruzalem. Hij belegerde de stad, maar slaagde er niet in haar in te nemen. 2 Toen het koningshuis van David het bericht kreeg dat Aram en Efraïm de krachten gebundeld hadden, sloeg de koning en zijn volk de schrik om het hart, en zij beefden als bomen in de storm. 3 Toen zei Jahweh tegen Jesaja: ‘Ga samen met je zoon Sear-Jasub op weg om Achaz te ontmoeten, op de straat van het bleekveld, waar de watertoevoer in het bovenste waterbekken uitkomt. 4 Zeg tegen hem: “Houd het hoofd koel, laat u geen schrik aanjagen door die twee smeulende stukken hout, Resin van Aram en de zoon van Remaljahu, hoe hoog hun woede ook oplaait. 5 Aram mag dan kwaad tegen u in de zin hebben, net als Efraïm met die zoon van Remaljahu, en zeggen: 6 ‘Laten we tegen Juda ten strijde trekken, het verscheuren en overmeesteren, en dan stellen we de zoon van Tabeal aan als koning’ – 7 maar dit zegt God, Jahweh: Het zal niet gebeuren, het zal niet zo gaan. 8 Immers, het hoofd van Aram is Damascus, en het hoofd van Damascus is die Resin. – Nog vijfenzestig jaar en het volk van Efraïm bestaat niet meer. – 9 Het hoofd van Efraïm is Samaria, en het hoofd van Samaria is die zoon van Remaljahu. Alleen als jullie vertrouwen hebben, houden jullie stand.”’ 10 Jahweh liet verder tegen Achaz zeggen: 11 ‘Vraag om een teken van Jahweh, uw God, of uit de diepte van het dodenrijk’ 12 Maar Achaz antwoordde: ‘Nee, ik zal geen teken vragen, ik zal Jahweh niet op de proef stellen.’ 13 Toen antwoordde Jesaja: ‘Luister, huis van David. Is het niet genoeg de mensen te tergen? Moet u nu ook mijn God tergen? 14 Daarom zal de Heer zelf u een teken geven: de jonge vrouw is zwanger, zij zal spoedig een zoon baren en hem Immanuël noemen. 15 Boter en honing zal hij eten, totdat hij in staat is om het kwade te verwerpen en het goede te kiezen. 16 Want voordat de jongen in staat is om het kwade te verwerpen en het goede te kiezen, zal het land van de beide koningen die u zoveel angst inboezemen, ontvolkt zijn. 17 En voor u, uw volk en uw koningshuis zal Jahweh een tijd laten aanbreken zoals men niet meer heeft meegemaakt sinds Efraïm zich van Juda afscheidde: de heerschappij van Assyrië.’ 18 Op die dag zal Jahweh de vliegen van de verste waterstromen van Egypte bijeenfluiten, en uit Assyrië een zwerm bijen. 19 Ze zullen allemaal komen en neerstrijken in steile rivierdalen en in rotsspleten, bij iedere drinkplaats en op elke doornstruik. 20 Op die dag zal Jahweh met een aan de overkant van de Eufraat gehuurd scheermes – de koning van Assyrië – alle haren van hoofd en baard en zelfs het schaamhaar afscheren. 21 Op die dag zal men een jonge koe houden, een geit en een schaap. 22 Door de overvloed aan melk die ze geven, heeft iedereen ruimschoots boter te eten. Boter en honing is er voor wie in het land zijn achtergebleven. 23 Op die dag zal elk stuk grond waar duizend wijnstokken staan ter waarde van duizend zilverstukken, door dorens en distels overwoekerd worden. 24 Alleen met pijl en boog dringt men er door; dorens en distels versperren de weg. 25 Hellingen die met de hak zijn bewerkt, zullen onbereikbaar worden door vervaarlijke dorens en distels. Men kan er slechts de runderen heen drijven, het door de schapen laten vertrappen.


Het zal een ieder nu duidelijk zijn dat dit 'teken van God' in het geheel niet op Jezus kan slaan. Het teken wordt namelijk gegeven aan de koning ten tijde van Jesaja (Achaz, ca. 750 jaar vóór Christus); het is een teken voor hem. In moderne taal zegt Jesaja: "Kijk eens, daar zie je een zwangere jonge vrouw voorbij lopen. Wanneer haar kind geboren wordt zal zij haar zoon Immanuel noemen, God-met-ons." Hiermee wilde hij eenvoudig zeggen dat er dus binnen negen maanden pais en vree zal zijn in het land. En Jesaja voegt er aan toe dat de jongen 'boter en honing' zal eten, dwz dat er voorspoed zal zijn in het land. En nog voordat de jongen opgegroeid is 'om kwaad van goed te onderscheiden' zullen de tegenwoordige vijanden van Achaz al verdwenen zijn van de landkaarten. Er wordt nog bij vermeld dat er later een 'tijd van de Assyriërs' zal aanbreken, een machtig volk van gene zijde van de Eufraat zal naar het westen oprukken en alle kleine volkeren opslokken. We zien dus dat er totaal niets overblijft van een profetie aangaande Jezus.
Wel is het begrijpelijk dat het de meeste christenen aan de meest elementaire kennis van de profetische boeken ontbreekt, want het moet toegegeven worden: de profetenboeken zijn het toppunt van saaiheid en lastigheid om door te worstelen. Het zijn voor het merendeel depressieve teksten, vol aankondigingen van rampspoed en aanklagingen, en er is vaak geen touw aan vast te knopen wat de profeten bedoelen. En de flarden die wel begrijpelijk zijn zouden ook in een paar zinnen gezegd kunnen worden, en hebben altijd betrekking op voor ons totaal onbekende en oninteressante politieke en religieuze situaties, personen en volkeren van twee-en-een-half duizend jaar terug. Ik durf te wedden dat nog niet één op de duizend christenen ooit zonder hulp van sensationele eindtijdlectuur of eindtijdpredikers de profetische boeken voor zichzelf aandachtig heeft doorgelezen.


Maar christenen staan hier in een prachtige traditie die al door de nieuwtestamentische schrijvers werd begonnen: men doe zijn ogen dicht, sla de bijbel open en late de vinger op een willekeurig vers neerstrijken, en waarachtig!: juist een vers dat God vandaag heel persoonlijk tot ons wil spreken! Alle schriftplaatsen die in het Nieuwe Testament aangehaald worden als zijnde profetieën die in Jezus vervuld werden, zijn in de oorspronkelijke tekst in het geheel geen profetieën in de zin van duidelijke voorspellingen. Ze hebben zelfs geen betrekking op de messias.
Laten we naar een volgend voorbeeld gaan: Psalm 16 geeft de volgende tekst van David:


7 Ik prijs Jahweh die mij inzicht geeft,
zelfs in de nacht spreekt mijn geweten.
8 Steeds houd ik Jahweh voor ogen,
met hem aan mijn zijde wankel ik niet.
9 Daarom verheugt zich mijn hart en juicht mijn ziel,
mijn lichaam voelt zich veilig en beschut.
10 U levert mij niet over aan het dodenrijk
en laat uw trouwe dienaar het graf niet zien.
11 U wijst mij de weg naar het leven:
overvloedige vreugde in uw nabijheid,
voor altijd een lieflijke plek aan uw zijde.


Petrus haalt deze tekst aan in Handelingen 2:


Mannen, broeders [de Nieuwe Vertaling heeft het lef hier te vertalen: Broeders en zusters!], u zult mij wel toestaan dat ik over de aartsvader David zeg dat hij gestorven en begraven is; zijn graf bevindt zich immers nog steeds hier... Maar omdat hij een profeet was ...heeft hij de opstanding van de Messias voorzien en gezegd dat deze niet aan het dodenrijk zou worden overgeleverd en dat zijn lichaam niet tot ontbinding zou overgaan.


Een naievere bijbeluitleg zou niet gegeven kunnen worden! Natuurlijk betekent deze tekst waar David over zichzelf spreekt niet dat hij over iemand anders spreekt. Natuurlijk betekent deze tekst niet dat hij geloofde nooit de dood te zien, of iemand anders nooit de dood zou zien. Bovendien stierf Jezus wel degelijk, dat spreekt zelfs het Nieuwe Testament niet tegen. Maar nog duidelijker wordt de absurditeit van de nieuwtestamentische interpretatie wanneer we het begin van de psalm erbij lezen:


1 Behoed mij, God, ik schuil bij u.
2 Ik zeg tot Jahweh: 'U bent mijn Heer,
mijn geluk, niemand gaat u te boven.'
3 Maar tot de goden van dit land,
de machten die ik vereerd heb, zeg ik:
4 'Wie u volgt, wacht veel verdriet.'
Ik pleng voor hen geen bloed meer,
niet langer ligt hun naam op mijn lippen.


Wie kan na het lezen van de verzen drie en vier het nog in zijn hoofd halen dat David hier over de Messias spreekt?
Een ander voorbeeld: In Psalm 41 klaagt David erover dat hij last heeft van vijanden:


Wie mij bezoekt heeft mooie woorden, maar zijn hart is vol kwade gedachten; staat hij buiten dan spreekt hij ze uit...Zelfs mijn beste vriend, op wie ik vertrouwde, die at van mijn brood, heeft zich tegen mij gekeerd.


We hebben hier dus een tekst die miljoenen mensen wel eens hebben kunnen uitspreken. De tekst heeft totaal niets met profetie te maken, en met niemand anders dan met de schrijver van de tekst zelf. Maar wat zien we de christenen doen? We kennen natuurlijk het verhaal, en de toevoeging: profetie vervuld in Judas die Jezus verried na met hem een broodmaaltijd te hebben gegeten.
Nog een voorbeeld: David maakt weer een Psalm. In Psalm 34 lezen we:


Vromen, heb ontzag voor de Heer...Kinderen, luister naar mij, heb ontzag voor de Heer...Het oog van de Heer hoort de kreten van de rechtvaardigen, Hij bevrijdt hen uit de nood, gebroken mensen is de Heer nabij, Hij redt wie zwaar wordt getroffen. Al blijft de rechtvaardige niets bespaard, de Heer zal hem steeds weer bevrijden. Hij waakt zelfs over zijn beenderen, niet één ervan wordt verbrijzeld.


En ja hoor, in het Johannes- evangelie (19:36) lezen we dat geen been van Jezus verbrijzeld werd, omdat de schrift in vervulling moest gaan. Bovenstaande voorbeelden zijn gevallen die niets met profetieën te maken hebben. Integendeel, zij kunnen als een sterk bewijs worden beschouwd van het vermoeden dat het Jezus-verhaal aan de hand van bepaalde teksten uit het Oude Testament (de favoriete teksten zijn Jesaja 53 en Psalm 22) bewust gecreëerd is.
Dit vermoeden wordt des te sterker naarmate we steeds meer voorbeelden onder ogen krijgen. Neem het volgende geval, in de oorspronkelijke tekst wél duidelijk een 'teken'. De engel die de komst van Jezus aankondigt citeert hetzelfde vers uit Jesaja als waar Mattheüs daarnet zo mee in zijn schik was: "en men zal hem Immanuël noemen". Deze engel had echter zijn bijbel slordig gelezen. In Jesaja 7:14 staat namelijk: dat zij, de moeder, hem Immanuël zal noemen. Deze profetie kwam dus niet in Jezus uit, want hij kreeg de naam Jezus.
Bovenstaand geval is typerend voor het slordig en foutief gebruik van het Oude Testament door de evangelisten. Precies eenzelfde slordigheid zien we in Mattheüs 2: 17, 18, waar naar aanleiding van de kindermoord in Bethlehem staat:


Zo ging in vervulling wat gezegd is door de profeet Jeremia: 'Er klonk een stem in Rama, luid wenend en klagend. Rachel beweende haar kinderen en wilde niet worden getroost, want ze zijn er niet meer.'


Lees Jeremia 30 en 31, waar de woorden staan. Het hele hoofdstuk 30 en 31 tot aan vers 15 vertelt over slechts één ding: dat in de toekomst het volk Israël terug zal keren naar het land Israël. Deze openbaring werd aan Jeremia gegeven in een droom (vers 26). En temidden van dit onderwerp, direct op de woorden "Ik overstelp mijn volk met al het goede, zo spreekt Jahweh", staan de woorden:


Dit zegt Jahweh: In Rama hoort men klagen, bitter treuren, Rachel beweent haar zonen, zij wil niet meer worden getroost. Haar kinderen zijn er niet meer. Maar dit zegt Jahweh: huil niet langer, droog je tranen, je zorg voor hen wordt nu beloond -dit spreekt Jahweh. Ze keren terug uit het land van de vijand.


Men heeft geen enkele argumentatie nodig om in te zien dat deze tekst volstrekt niets met de kindermoord in Bethlehem te maken heeft en het gebruik ervan in het Nieuwe Testament ronduit onbegrijpelijk en absurd is. Het is een schriftgebruik van mensen die totaal geen weet hebben van waar de teksten over gaan. Anders gezegd, de voorstellingen en beelden van dromers en dwepers die niet de beschikking hebben over de bijbel (zoals wij moderne mensen), maar slechts moeten putten uit eens uit het hoofd geleerde en nu vrijelijk rondzwevende flarden van onsamenhangende teksten in hun brein.
Een goed voorbeeld hiervan is de volgende profetie die in vervulling gaat. Zoals we zullen zien is Mattheüs nu wel helemaal in de war:


Toen Judas, die hem had uitgeleverd, zag dat Jezus ter dood veroordeeld was, kreeg hij berouw. Hij bracht de dertig zilverstukken naar de hogepriesters en oudsten terug en zei: ‘Ik heb een zonde begaan door een onschuldige uit te leveren.’ Maar zij zeiden: ‘Wat gaat ons dat aan? Zie dat zelf maar op te lossen!’ Toen smeet hij de zilverstukken de tempel in, vluchtte weg en verhing zich. De hogepriesters verzamelden de zilverstukken en zeiden tegen elkaar: ‘We mogen ze niet bij de tempelschat voegen, aangezien het bloedgeld is.’ Na ampel beraad kochten ze er de akker van de pottenbakker mee, die dan als begraafplaats voor vreemdelingen kon dienen. Daarom heet die akker tot op de dag van vandaag de Bloedakker. Zo ging in vervulling wat gezegd is door de profeet Jeremia: ‘En ze verzamelden de dertig zilverstukken, het bedrag waarop hij geschat was en dat ze hadden bepaald met de zonen van Israël, en ze betaalden er de akker van de pottenbakker mee, zoals de Heer mij had opgedragen.’ [Matth. 27:3-10]


We slaan Jeremia 32 op en lezen een saai verhaal met de geweldige lering "Eens zullen in dit land opnieuw akkers, huizen en wijngaarden worden gekocht".


Jeremia zei: ‘Jahweh richtte zich tot mij met de woorden: “Chanamel, de zoon van je oom Sallum, is naar je onderweg om je te vragen zijn akker in Anatot van hem te kopen, omdat jij als losser de plicht hebt die in de familie te houden.” Het gebeurde zoals Jahweh had gezegd. Mijn neef Chanamel kwam naar het kwartier van de paleiswacht en vroeg mij: “Koop alsjeblieft mijn akker in Anatot, in het gebied van Benjamin. Jij hebt als losser het recht van eerste koop, jij kunt hem in de familie houden.” Ik begreep dat dit een opdracht van Jahweh was en kocht de akker van mijn neef Chanamel uit Anatot. Ik stelde een koopcontract op, verzegelde dat in aanwezigheid van getuigen en betaalde Chanamel zeventien sjekel zilver, die ik afwoog in een weegschaal. Ik gaf zowel het verzegelde contract, waarin de bepalingen en voorwaarden waren vastgelegd, als het open contract aan Baruch, de zoon van Neria, de zoon van Machseja. Dat deed ik ten overstaan van mijn neef. Chanamel en de getuigen, die het contract mede hadden ondertekend, en in aanwezigheid van alle Judeeërs die zich in het kwartier van de paleiswacht bevonden. In hun bijzijn gaf ik Baruch de volgende opdracht: “Dit zegt Jahweh van de hemelse machten, de God van Israël: Stop deze contracten, zowel het gesloten als het open contract, in een kruik; dan blijven ze lange tijd in goede staat. Want dit zegt Jahweh van de hemelse machten, de God van Israël: Eens zullen in dit land opnieuw akkers, huizen en wijngaarden worden gekocht.” [vers 6-15]


Maar zoals we kunnen lezen is er hier geen eens sprake van 30 zilverstukken, noch over een akker van een pottenbakker, en in de verste verten niets dat in de toekomst moet gebeuren of met een messias te maken heeft. Hoe zit het? De bijbelkenners hebben echter opgemerkt dat er ook een tekst in Zacharia staat, waar wél over dertig zilverstukken gesproken wordt. We krijgen weer een onsamenhangende tekst voorgeschoteld:


Dit heeft Jahweh, mijn God, gezegd: ‘Weid de schapen die voor de slacht bestemd zijn. Hun kopers kunnen ze zonder wroeging slachten, de verkopers danken Jahweh dat ze er rijk van worden, en de herders sparen het vee niet. Ik zal immers de bevolking van dit land niet langer sparen – spreekt Jahweh. Ik lever de mensen aan elkaar en aan hun koningen uit; ze zullen het land vernielen zonder dat ik ingrijp.’ Dus weidde ik het slachtvee dat aan de veehandelaars toebehoorde. Ik nam twee stokken – de ene noemde ik Vriendelijkheid en de andere Eenheid – en daarmee weidde ik het vee. In één maand ontdeed ik me van drie herders. Ik verloor mijn geduld met het vee, dat een afkeer van mij kreeg, en zei: ‘Ik weid jullie niet langer. Laat maar sterven wie sterven moet, laat maar verdwijnen wie verdwaalt, en laat de rest elkaar maar verslinden.’ Toen nam ik mijn staf Vriendelijkheid en sloeg hem aan stukken om het verbond te verbreken dat ik gesloten had met alle volken, en daarmee was het verbroken. De veehandelaars, die goed op mij letten, begrepen dat ik dit deed in opdracht van Jahweh. Ik zei tegen hen: ‘Als u tevreden bent, keer me dan mijn loon uit; zo niet, laat het dan maar.’ En ze betaalden mij mijn loon uit, dertig sjekel zilver. Toen zei Jahweh tegen mij: ‘Breng het maar naar de smelter, dat vorstelijke loon dat zij me waard vinden.’ Dus smeet ik dat zilver bij de smelter in de tempel neer, en ik sloeg ook mijn andere staf, Eenheid, in stukken, om de broederschap tussen Juda en Israël te verbreken.


Mattheüs had dus blijkbaar geen toegang tot de 'heilige schriften', en verwarde een tekst in Jeremia met de tekst in Zacharia die hij eigenlijk bedoelde. Deze laatste tekst spreekt over 30 zilverstukken die bovendien nog in de tempel worden gesmeten. En raadt eens hoe 'de smelter' in oude vertalingen vertaald werd? Met Pottenbakker natuurlijk, zo leek het nog indrukwekkender. Maar in werkelijkheid was deze smelter een koffer, een bus, een pot, waarin aalmoezen gegeven worden die de geestelijken later weer uitdeelden aan het armste volk, eenzelfde bus voor 'offergaven' die men tegenwoordig tegenkomt in oude kerken om het onderhoud van de kerk te steunen! In de tekst van Zacharia staat totaal niets over een akker die gekocht wordt met dat geld. En alweer niets dat duidt op een profetie die in de toekomst in vervulling moet gaan. We hebben hier overigens het doorslaggevende bewijs dat de schrijver van het evangelie naar Mattheüs met zekerheid geen Jood was en bepaald niet voor de joden schreef (zoals vrome bijbeluitleggers altijd benadrukken).
Om de verwarring tot een hoogtepunt op te voeren hoeft men slechts Handelingen 1 op te slaan, waar Lukas Petrus weer een ander verhaal over Judas laat uitspreken:


In die dagen stond Petrus op te midden van de leerlingen – er was een groep van ongeveer honderdtwintig mensen bijeen – en zei: ‘Broeders en zusters, het schriftwoord waarin de heilige Geest bij monde van David heeft gesproken over Judas, de gids van hen die Jezus gevangen hebben genomen, moest in vervulling gaan. Judas was een van ons en had deel aan onze dienende taak. Van de beloning voor zijn schanddaad kocht hij een stuk grond, maar bij een val werd zijn buik opengereten, zodat zijn ingewanden naar buiten kwamen. Alle inwoners van Jeruzalem hebben van deze gebeurtenis gehoord, en daarom noemen ze dat stuk grond in hun eigen taal Akeldama, wat ‘bloedgrond’ betekent. In het boek van de Psalmen staat namelijk geschreven: “Laat zijn woonplaats een woestenij worden en laat niemand daar meer verblijven.” En ook: “Laat een ander zijn taak overnemen.”


Hier hangt Judas zich niet op, maar koopt hij zelf een akker, en komt hij via een ongeluk om het leven. Dus geen enkel zilverstuk wordt hier de tempel ingesmeten, geen wroeging en in geen velden of wegen een pottenbakker! Maar Lukas trakteert ons in deze passage wel op weer een nieuwe profetie uit de grabbelton. Zelfs twee aanhalingen uit twee Psalmen, waar David weer eens als profeet over de toekomst spreekt! Ditmaal heeft David geprofeteerd over Judas. We slaan benieuwd Psalm 69 op en vinden een klaagzang van David. Hij beurt zichzelf op door God te smeken om vernietiging van al zijn vijanden, de meest karakteristieke lering die het bijbelse geloof leert:

Stort over hen uw toorn uit,
laat hen aan uw woede niet ontkomen.
Maak hun woonplaats tot een woestenij,
verdrijf uit hun tenten de laatste bewoner.
[25,26]

De tweede 'profetie' vinden we in Psalm 109, waarin we opnieuw getrakteerd worden op het door de Heilige Geest geïnspireerde zielige denken van de vrome mens:

Vijandig en bedrieglijk is de mond van hen die mij beschuldigen,
hun tong spreekt niets dan leugens,
ze bestoken mij met woorden van haat,
zonder reden bestrijden ze mij.

Ik bid voor hen,
maar mijn liefde roept vijandschap op,
ze vergelden goed met kwaad,
woorden van haat zijn de dank voor mijn liefde:

‘Wijs een gewetenloos man aan
die hem aanklaagt bij de rechter.
Dat hij schuldig wordt bevonden
en dat zijn gebed God niet bereikt.

Moge zijn dagen geteld zijn,
een ander zijn ambt overnemen,
moge hij zijn kinderen vaderloos,
zijn vrouw als weduwe achterlaten.

Moeten we huilen of lachen bij de gedachte dat men hier in alle ernst meent met het Woord van God en goddelijke profetieën te maken te hebben?
Nog een bizar voorbeeld van dergelijke nieuwtestamentische 'grote creativiteit', maar in werkelijkheid grove schriftverkrachting: Mattheüs 2: 15 laat weten dat de vader en moeder van Jezus naar Egypte vluchtten. "En zo ging in vervulling wat bij monde van de profeet door de Heer is gezegd: 'Uit Egypte heb Ik mijn zoon geroepen'." In Hosea 11 lezen we echter: "Toen Israël nog een kind was, had Ik het lief; uit Egypte heb Ik mijn zoon weggeroepen. Hoe harder ze geroepen werden, hoe meer ze hun eigen weg gingen. Ze brachten zelfs offers aan Baäls en brandden wierook voor afgodsbeelden...zij beseften niet dat Ik het was die hen verzorgde." We zien dus dat 'de zoon' het volk Israël is, en in de verste verten niets met de messias te maken heeft. Integendeel, de zoon wordt er juist van beschuldigd niets van God te willen weten!
Indien dit al mogelijk is, hier een nog vreemder voorbeeld. Jezus geeft zijn tijdgenoten een teken: "Zoals Jona drie dagen en drie nachten in de buik van een grote vis zat, zo zal de Mensenzoon drie dagen en drie nachten in het binnenste van de aarde verblijven." (Matth. 12:40). En notabene in het zelfde boek laat de evangelist weten dat Jezus maar twee nachten dood was! De meestergoochelaars zijn er natuurlijk weer in geslaagd om met behulp van een paar duizend woorden de zaken weer theologisch recht te breien, en, let op, als eindconclusie te schrijven "Gods woord is helder en duidelijk"! Echt een genot om te lezen. Eerlijker zou zijn op te merken dat deze lievelingsbezigheid van de schrijvers van het Nieuwe Testament -het blind teksten opvissen uit het Oude Testament, alsof het eenzelfde donker meer is als waarin ze gewoon waren te vissen, alsof ze er eenvoudig maar een netje in hoefden te werpen om dat telkens weer met rijke buit op te halen, en alsof alles wat maar naar boven drijft met hun Christus te maken had- niet slechts slordig, foutief en onbegrijpelijk is, maar ronduit beschamend, misleidend en dom.
Lukas in Handelingen en Johannes in zijn evangelie laten Jezus zeggen dat ook Mozes over Hem geprofeteerd heeft:


U moet niet denken dat ik u bij de Vader zal aanklagen; Mozes, op wie u uw hoop hebt gevestigd, klaagt u aan. Als u Mozes zou geloven, zou u ook mij geloven, hij heeft immers over mij geschreven. (Joh. 5: 45,46)

Volksgenoten, ik weet dat u uit onwetendheid hebt gehandeld, evenals uw leiders. 18 Zo heeft God echter in vervulling doen gaan wat hij bij monde van alle profeten had aangekondigd: dat zijn messias zou lijden en sterven. 19 Wend u af van uw huidige leven en keer terug tot God om vergeving te krijgen voor uw zonden. 20 Dan zal de Heer een tijd van rust doen aanbreken en zal hij de messias zenden die hij voor u bestemd heeft. Dat is Jezus, 21 die in de hemel moest worden opgenomen tot de tijd aanbreekt waarover God van oudsher bij monde van zijn heilige profeten heeft gesproken en waarin alles zal worden hersteld. 22 Mozes heeft al gezegd: “De Heer, uw God, zal in uw midden een profeet zoals ik laten opstaan; luister naar hem en naar alles wat hij u zal zeggen. 23 Wie niet naar deze profeet luistert, zal uit het volk gestoten worden.” (Hand. 3:17-23)


We slaan nu het schriftgedeelte op waar Jezus en Petrus naar verwijzen, waar Mozes spreekt over 'God zal een profeet doen opstaan', Deuteronomium 18, waar staat:


18 Ik (=Jahweh) zal in hun midden profeten laten opstaan zoals jij. Ik zal hun mijn woorden ingeven, en zij zullen het volk alles overbrengen wat ik hun opdraag. 19 Wie niet wil luisteren naar de woorden die zij in mijn naam spreken, zal ik ter verantwoording roepen. 20 Maar als een profeet de euvele moed heeft om in mijn naam iets te zeggen dat ik hem niet heb opgedragen, of om in de naam van andere goden te spreken, dan moet hij ter dood gebracht worden.’ 21 Misschien vraagt u zich af: Is er een manier om te bepalen of een profetie al dan niet van Jahweh komt? 22 Die is er inderdaad: als een profeet zegt te spreken in de naam van Jahweh, maar zijn woorden komen niet uit en er gebeurt niets, dan is dat geen profetie van Jahweh geweest. Heb geen ontzag voor een profeet die zich dat aanmatigt.


Ten eerste is dit in het geheel geen profetie over een Messias, maar wordt er in het algemeen over toekomstige profeten gesproken. Ten tweede staat hier nog een vermelding bij waaraan we een door God gezonden profeet kunnen herkennen: zijn eigen profetieën moeten uitkomen. Jezus valt dus zelfs als 'gewone profeet' af omdat zijn voorspelling van zijn spoedige wederkomst niet uitkwam.

Ik concludeer dat de profetieën in de bijbel van precies hetzelfde gehalte zijn als de orakels van Delphi, de Sybilles van Rome en de Nostradamus voorzeggingen voor de domme moderne mens. De schrijvers van het Nieuwe Testament behoorden naar alle waarschijnlijkheid tot de heidenen van Palestina of Klein-Azië, mensen die er volkomen aan gewend waren dat rond een 'ware religie' een mysterieuze mist van geheimzinnige godentekens moest liggen. Zij kenden het Oude Testament slechts oppervlakkig, en waren op z'n minst even vertrouwd met de heidense mysteriereligies. Welaan, hier heb ik nog een profetie voor de evangelieschrijvers, door hen helemaal over het hoofd gezien: wanneer Jezus gevangen genomen wordt vlucht er een jongeman naakt de tuin van Gethsemane uit; velen hebben aangenomen dat het Marcus was, de schrijver van het te korte evangelie. En waarempel, dit was al eeuwenlang tevoren voorspeld door de profeet Amos: Zelfs de dapperste held zal naakt moeten vluchten die dag, zo zegt Jahweh. (Amos 2:16). En Amos profeteert gelijk ook het droevige einde van Lord Nelson: De krijgsheld redt zijn leven niet (Amos 2:14). (De Nederlandse gelovigen mogen natuurlijk geloven dat de grote profeet het hier over Karel Doorman heeft).

Op een internet site kan men uitgebreid lezen wat de joodse bezwaren zijn tegen het Nieuwe Testament. De bezwaren zijn onoverkomelijk. (Eliyahu Silver)

5. Het vermoeden dat de evangeliën een bewust opgemaakt verhaal weergeven dat als voertuig diende voor bepaalde geloofsovertuigingen, komt ook tot uiting in grove historische onjuistheden. Eén ervan is te vinden in het tijdstip dat de synoptische evangeliën geven voor de dood van Christus: 's middags om drie uur op de paasdag, dwz op het moment dat men op het tempelplein de massale slachting van paaslammeren begon. Dit tijdstip is in tegenspraak met het evangelie van Johannes, dat Jezus op de dag vóór Pasen laat sterven, en doet sterk vermoeden dat de evangelieschrijvers 'Jezus is het paaslam van het Nieuwe Verbond' als achterliggende gedachte hadden en de gang van zaken aan de hand van die gedachte hebben gefabriceerd. Historische onjuistheden vinden we ook in het verhaal over de geboorte van Jezus (de volkstelling, 6 na Christus, geschiedde in werkelijkheid 10 jaar ná de dood van Herodes, 4 voor Christus), en het sterfjaar van Johannes de Doper (zijn dood hing samen met het verafschuwde huwelijk van Herodes Antipas met Herodias, de vrouw van zijn broer. Dit huwelijk vond plaats tussen 35 en 37 ná Christus, dus vele jaren ná de kruisiging). Sommige theologen proberen zich uit deze niet op te lossen problemen te worstelen door theorieën te lanceren dat deze vorm van geschiedschrijving ("een modelmatig-mythische manier van geschiedschrijving om theologische waarheden te onderwijzen") een bepaald genre was, een geheel geaccepteerde manier van schrijven. Het zwakke van zulke opvattingen is dat het ervan uitgaat dat de lezers dit uiteraard begrepen, terwijl de christelijke geschiedenis juist altijd de letterlijke waarheid van de verhalen beklemtoond heeft, en gelovigen die de zaken niet letterlijk opvatten (gnostici) altijd als 'antichristen' (1 Joh. 2: 18, 22) vervolgd heeft. Maar zelfs indien het waar zou zijn kan men zich afvragen wat een modern mens nu met zulke 'theologische waarheden' zou kunnen doen. Een modern mens zal eerder tot de conclusie komen dat de evangelieschrijvers zich van bijzonder sluwe manieren van bedriegen hebben bediend.









Extreem

Wat de leringen van Jezus betreft, weinigen hebben kunnen leven op de wijze die Jezus zijn volgelingen leerde. Er zijn bijvoorbeeld de eeuwen door maar enkelen geweest die wanneer ze geslagen werden de andere wang toekeerden. We horen zo weinig over ze omdat dat soort mensen gewoon onder de voet zijn gelopen. We kunnen ons zelfs afvragen of Jezus’ leringen niet geheel onredelijk zijn, ja, zelfs soms wreed aandoen, iets waarop ik in het volgende hoofdstuk nog uitgebreid op zal terugkomen.[2]

We zouden een hele vreemde lijst kunnen maken van ‘kenmerken van de ware christen’ als we op zouden sommen wat Jezus zijn volgelingen allemaal belooft:


Laten we dan nog eens wat ingaan op wat Jezus van ons eist. In feite heeft het hele Oude Testament ons geleerd dat hoewel er maar weinig zijn, er toch altijd wel een paar rechtvaardigen zijn en je je beter maar bij die groep kunt aansluiten. Het geeft ons nog een redelijke kans! Maar Jezus maakt keer op keer van een ieder van ons een hopeloos geval, een mislukking. We voelen een nog grotere gestrengheid van God op ons afkomen dan in het Oude Testament, ons steeds ongelukkiger, minderwaardiger voelen.

Mozes geeft ons bijvoorbeeld allerlei regels over seksueel gedrag. Best om mee te leven, want er waren genoeg toegestane manieren om je mannelijke seksualiteit uit te leven; het was slechts een kwestie van geld hebben om meerdere vrouwen te kunnen onderhouden. Maar dan moet je Jezus horen! Mt. 5: 28:


Maar ik zeg u: Een ieder, die een vrouw aanziet om haar te begeren, heeft in zijn hart reeds echtbreuk met haar gepleegd. Indien dan uw rechteroog u tot zonde zou verleiden, ruk het uit en werp het van u.’


Een grotere aanslag op je menszijn kan niet gegeven worden! In Mattheüs 19 spreekt Hij zich uit tegen echtscheiding en zowel hertrouwen als trouwen met een gescheiden persoon is een zonde. Als kroon op zijn denktrant stelt Hij voor in overweging te nemen om je als een eunuch te laten castreren terwille van het Koninkrijk der Hemelen! We beginnen nu langzamerhand te rillen. Maar ook dit is nog niet het toppunt. Over familiewaarden heeft Jezus het volgende te zeggen: Lukas 14: 26:


‘Indien iemand tot mij komt en niet haat zijn vader en zijn moeder en vrouw en kinderen en broers en zusters, ja, zelfs zijn eigen leven, die kan mijn discipel niet zijn.’


Even later voegt hij er als pikante bijzaak nog aan toe:


‘Zo zal dus niemand van u, die niet afstand doet van al wat hij heeft, mijn discipel kunnen zijn.’(vers 33)


In Marcus 10: 29 zegt Hij:


‘Ik zeg u, er is niemand die huis of broeders of zusters of moeder of vader of kinderen of akkers heeft prijsgegeven om Mij en om het evangelie, of hij ontvangt honderdvoudig terug.’


In Mattheüs 23: 9:


‘Gij zult op aarde niemand uw vader noemen, want u hebt maar één vader, Hij, die in de hemelen is.’ [3]


Dit alles moet het voor iedereen toch wel duidelijk maken! Dit heeft niets meer met de originele godsdienst van Jahweh te maken. Bovendien, u zult nooit in uw gehele leven gerustgesteld worden in het volgen van deze nieuwe leringen, al leest u alle theologische boeken door die er hun uiterste best voor doen alles aan elkaar te passen en het ene woord van de liefde en ‘vervulling van de wet’ met grote letters eroverheen schrijven.

Nu zult u meteen Paulus tegenkomen en een horde evangelisten die u allemaal zullen zeggen dat dit alles juist de bedoeling is en de kern van het Christendom blootlegt: u bent door en door zondig en kunt u niet uit uzelf redden. Dat is dé boodschap van het evangelie. Vanwege de zonde kan God niemand accepteren. Iedereen zou verloren gaan. Zijn maatstaven zijn voor ons onbereikbaar. Alleen door het geloof in Jezus’ verzoenend werk kunt u behouden worden. Deze redenering wordt door christenen zo te pas en te onpas te berde gebracht, dat ik nooit in mijn leven iemand zich heb horen afvragen of dit wel in overeenstemming is met wat het Oude Testament en ook Jezus zelf ons leert. Lees bijvoorbeeld Jesaja 55:7:


‘De goddeloze verlate zijn weg en de onrechtvaardige man zijn gedachten en hij bekere zich tot Jahweh en tot onze God, dan zal Hij zich over hem ontfermen, want Hij vergeeft veelvuldig.’


En lees Ezechiël 18:23:


‘Zou Ik een welgevallen hebben aan de dood van een goddeloze? luidt het woord van de Here Jahweh. Niet veeleer daaraan dat hij zich bekere van zijn wegen en leve?’


Zo simpel stelt het Oude Testament deze dingen: Bekeer je van je zondigheid en leef! God vergeeft je wel degelijk. Bovendien laat het Oude Testament weten dat er wel degelijk rechtvaardigen, ‘onberispelijken’ en vrienden van God zijn. Sommigen waren zelfs zo rechtvaardig dat ze niet eens hoefden te sterven. En om het allemaal nog ingewikkelder te maken zouden we ons af kunnen vragen hoe Jezus over de lichtvoetige zondenares uit Lukas 7 zo kan spreken: ‘Daarom zeg Ik u: Haar zonden zijn haar vergeven, al waren zij vele, want zij betoonde veel liefde.’ Jezus leert geenszins dat wij allemaal zo zondig zijn dat niemand redding zou kunnen krijgen. Integendeel, Hij roept ons op om volmaakt te zijn als God!


We zouden een dik boek kunnen schrijven over de interpretatie van Paulus over het optreden van Christus. De kern van ons betoog zou zijn dat Paulus nooit een ooggetuige van het optreden van Jezus was (en dan ook praktisch nooit de leer van Jezus onderwijst), en dat het toch Paulus is geweest die het christendom geformeerd heeft in de vorm zoals wij het kennen! Paulus deed totaal niets met het leven van Jezus; indien hij Jezus tegen zou komen zou hij hem blijkbaar berispen voor voor zijn "schandelijk" lang haar (1 Cor. 11:14)! Voor hem is er alleen de mythische gekruisigde Jezus. [4] En het kan onomstotelijk aangetoond worden dat we als mensen met zijn interpretatie tot over onze oren in de tegenstrijdigheden en onmogelijkheden zijn komen zitten. Ten eerste in de onmogelijke interpretatie van het Oude Testament en de leringen van Jezus en ten tweede in de onmogelijke praktijk van het leven. (Zie: Waarom ik geen christen meer ben.)









De sublieme vertolking van Nietzsche

Niemand heeft de psychologische schadelijke werking van de christelijke religie zo tot zich door laten dringen en zo scherp onder woorden gebracht en aan de kaak gesteld als Nietzsche. Wanneer ik als ex-bijbelgetrouw christen op middelbare leeftijd voor het eerst zijn analyses lees heb ik vaak het gevoel dat hij tot op de bodem de gedachten en gevoelens van de moderne vrome mens vertolkt, de mens zoals ik die zijn leven aan God wil geven, maar langzaamaan opmerkt dat de christelijke godsdienst hem juist het zicht op God totaal ontneemt. Uit deze crisis ontstaat dan een merkwaardige situatie: voor de achtergebleven gelovigen is zo'n afvallige die 'het ware geloof' agressief aanvalt de meest goddeloze mens, terwijl deze mens zelf de grootst mogelijke psychische ontreddering ervaart en voortdurend in zijn gehele leven een eenzame tocht maakt naar God, zin en betekenis. Het is velen opgevallen dat Nietzsche altijd probeert Jezus zoveel mogelijk te redden, en dat hij ten diepste een gelovige blijft, en een nieuw soort religiositeit aanbiedt (lees bijvoorbeeld dit artikel). Voor deze ontredderde en alleenstaande mens lijkt de gehele wereld beklemmend op zijn kop te staan, omdat hij naar God zoekt, en religie overal om hem heen te vinden is, maar het in zijn geopende ogen slechts een karikatuur is van wat het beoogt te zijn. Hier volgt zo'n sublieme tekst van Nietzsche, een gedeelte uit het vierde boek van 'Aldus sprak Zarathoestra'. Dit boek bevatte zoveel schokkende gedachten voor de 80-er jaren van de 19e eeuw dat Nietzsche het eerst niet openlijk durfde te publiceren, maar slechts 40 exemplaren van het boek liet drukken om het aan een paar uitgelezen vrienden en kennissen uit te delen. Zijn woorden bevatten alles van waar ik in mijn leven, en miljoenen met mij, meer dan honderd jaar later op zijn uitgekomen:


-Mijn liefde diende hem jarenlang, mijn wil volgde heel zijn wil. En een goede dienaar weet alles, en ook vele dingen die zijn meester voor zichzelf verborgen houdt.
Het was een verborgen god, vol heimelijkheid. Voorwaar, zelfs aan een zoon kwam hij slechts langs sluipwegen. Aan de poort van zijn geloof staat een echtbreuk.

Wie hem als een god van liefde looft, denkt niet hoog genoeg over de liefde zelf. Wilde deze god niet tevens rechter zijn? Doch wie liefheeft, heeft lief aan gene zijde van loon en vergelding.

Toen hij jong was, deze god uit het morgenland, was hij hard en wraakzuchtig en bouwde zich een hel tot voldoening van zijn gunstelingen. Tenslotte echter werd hij oud en week en murw en meedogend, meer een grootvader dan een vader, maar nog het meest een beverige oude grootmoeder. Daar zat hij, verschrompeld in een hoekje bij de haard, tobbend over zijn slappe benen, de wereld moe, het willen moe, en stikte op een dag in zijn al te grote mededogen.

-O oude paus [=de laatste vrome gelovige], viel Zarathoestra hem hier in de rede, heb je dat met eigen ogen aanschouwd? Zo kan het best gegaan zijn: zo, en ook anders. Als goden sterven, sterven ze altijd velerlei doden. Maar vooruit! Zus of zo, zus en zo - hij is er geweest! Hij was niet naar de smaak van mijn ogen en oren, erger dingen wil ik hem niet nadragen.
Ik heb alles lief wat stralend kijkt en oprecht spreekt. Maar hij -dat weet je toch, o oude priester, hij had iets van jouw aard, iets van priesterlijke aard -hij was dubbelzinnig.
Hij was ook onhelder. Hoe vertoornd is hij op ons geweest, deze toornige brieser, omdat we hem slecht verstonden! Maar waarom sprak hij niet in duidelijker taal? En als het aan onze oren lag, waarom gaf hij ons dan oren die slecht horen? Zat er slijk in onze oren, welaan! wie stopte het er dan in?
Te veel mislukte hem, deze pottenbakker, die niet volleerd was! Maar dat hij zich op zijn potten en schepselen wrook omdat ze in zijn handen mislukten -dat was een zonde tegen de goede smaak. Ook in vroomheid is er namelijk goede smaak: die sprak tenslotte: "weg met zulk een god! Liever geen god, liever op eigen houtje het lot bestemmen, liever nar te zijn, liever zelf god zijn!"


-Wat hoor ik!, sprak hier de oude paus met gespitste oren. O Zarathoestra, je bent vromer dan jij denkt, met zulk een ongeloof! Een of andere god in jou heeft je tot jouw goddeloosheid bekeerd. Is het niet je vroomheid zelf die jou niet meer aan een god doet geloven? en je overgrote oprechtheid zal jou zelfs nog voeren naar gene zijde van goed en kwaad!
Kijk toch, wat bleef voor jou over? Je hebt ogen en hand en mond, die tot zegenen zijn voorbeschikt sinds eeuwigheid. In jouw nabijheid ruik ik, ook al wil je de meest goddeloze zijn, een heimelijke wij- en wierookgeur van lange zegeningen: ik krijg hiervan een brok in de keel.
Laat mij jouw gast zijn, o Zarathoestra, voor één enkele nacht! Nergens op aarde word ik zo aangesproken dan door jou!

-Amen! Zo zal geschieden!, sprak Zarathoestra hooglijk verbaasd, ginds voert het pad omhoog, daar ligt de grot van Zarathoestra. Waarachtig, gaarne zou ik zelf jou daarheen vergezellen, o eerwaarde, want alle vrome mensen heb ik lief. Doch thans roept een noodkreet mij ijlings weg van jou. In mijn domein mag niemand iets overkomen; mijn grot is een veilige haven. En het liefst zou ik eenieder die treurt weer op de vaste wal en op vaste benen willen zetten.
Maar wie zou jouw zwaarmoedigheid van je schouders kunnen nemen? Daar ben ik te zwak voor. Lange tijd, voorwaar, zouden we moeten wachten aleer iemand jouw god weer opwekt. Deze oude god leeft immers niet meer: hij is morsdood.





            



















[1]Zoals gewoonlijk in het christendom hebben we weer te maken met een ‘pik eruit wat je aanstaat’ situatie. De originele woorden die Jezus misschien uitgesproken heeft zijn te vinden in Leviticus 19: 2: ‘Heilig zult gij zijn, want Ik, Jahweh, uw God, ben heilig’. De uitspraak ‘weest volmaakt’ is een specialiteit van Mattheüs. In de versie van Lucas luidt de uitspraak: ‘Weest barmhartig, gelijk uw Vader barmhartig is’, een uitspraak die al in het Aramees voorkomt lang voordat Lucas hem opschreef.


[2]Zo maakt het verbod om te scheiden het leven voor vrouwen in een huwelijk waar geweld voorkomt tot een lijdensweg.


[3]Minachting van seksualiteit en gezinsleven zal voor iedere lezer van het Nieuwe Testament duidelijk zijn, hoewel de moderne theologie ook op dit punt zijn best zal doen alles om te draaien. Bertrand Russel zag de christelijke houding tegenover de seksualiteit als het verwerpelijkste kenmerk van dit geloof. Het hoogtepunt van negatieve theologie wordt ons aangeboden door Paulus, die tot de conclusie komt dat seks uiteindelijk toch maar beschouwd moet worden als ‘te gedogen’, omdat het beter is te trouwen dan te branden van lust. Hoe het verder uitgewerkt is de eeuwen door, is ons allen bekend. De seksualiteit is bijna gelijkgesteld aan zonde. Soms is zij bijna vereenzelvigd met het gehele optreden van de vrouw, zodat ook het onderdrukken van de vrouw hier mee samenhangt. Dit komt het duidelijkst tot uiting in de behandeling van de vrouw in de Islam. Veelal wordt de vrouw niet anders gezien dan de opwekster van seksuele lust en verleidster van mannen. Daarom moet ze ingepakt en monddood gemaakt worden. Ook komt het tot uiting in de christelijke traditie van celibatie, dat gezien wordt als een middel om God beter te kunnen dienen. Zo is de christelijke tegenstelling ‘vleselijk « geestelijk’ in de praktijk van het christelijke leven alle eeuwen door nooit iets anders geweest dan ‘seksueel « godsdienstig’.  Aangezien seksualiteit tot de grootste alledaagse basisbehoeften van de mens behoort, en van de honderd seksuele uitingen in de christelijke theologie slechts ongeveer één (sex als noodzakelijk middel ter voortplanting) als niet-zondig wordt bestempeld, is dit de allergrootste oorzaak van depressiviteit of zelfs psychische ontreddering van gelovigen. Niets laat de christelijke denkwereld en werkwijze zo goed zien als de Clinton-seksaffaire uit 1995/1996. Ten aanschouwen van de gehele wereld moest de president uiteindelijk deze zonde voor de camera’s opbiechten. Hoe hij deze affaire psychisch overleefde was voor mij een raadsel, totdat ik in het tijdschrift Time (28 Juni 2004) een interview met hem las, waarin hij uitlegde dat hij vanaf zijn vroegste jeugd al geleerd heeft een psychische knop om te draaien om zodoende al naar gelang de situatie vereist in twee werelden, volkomen gescheiden van elkaar, te kunnen leven, iets waar menige gelovige ruime ervaring mee heeft.



[4]Het is één van de onbegrijpelijkste raadsels in het Nieuwe Testament dat de apostels in de brieven van het Nieuwe Testament zelden of nooit ethische leringen van Jezus onderwijzen door zijn woorden aan te halen en ook vrijwel nooit gebeurtenissen uit het leven van Jezus beschrijven, terwijl het optreden van Jezus aanleiding zou hebben kunnen geven voor ontelbaar meer gegevens over hem en zijn leer dan we in de beknopte evangeliën kunnen lezen (wat ook gezegd wordt op het eind van het evangelie van Johannes). De raadsels omtrent het Nieuwe Testament worden naar mijn mening voorgoed opgehelderd in het boek The Jesus Puzzle van Earl Doherty. De stof uit dit boek wordt ook uitgebreid behandeld op het internet.






















[V1]U zult Jahweh uw God liefhebben met heel uw hart, met heel uw ziel en met al uw krachten.

[V2]Neem geen wraak op een volksgenoot en koester geen wrok tegen hem. U zult uw naaste liefhebben als uzelf. Ik ben Jahweh.

[V3]Toen Hij zich op weg begaf, kwam er iemand aanlopen. Hij knielde voor Hem neer en vroeg Hem: `Goede Meester, wat moet ik doen om deel te krijgen aan het eeuwig leven?' Maar Jezus zei tegen hem: `Waarom noemt u Mij goed? Niemand is goed, alleen God. De geboden kent u: Niet doden, geen echtbreuk plegen, niet stelen, niet vals getuigen, niemand oplichten, uw vader en uw moeder eren.' Hij zei Hem: `Meester, aan dat alles heb ik mij van jongs af gehouden.' Jezus keek hem aan en ging van hem houden. Hij zei Hem: `Aan één ding ontbreekt het u nog: ga verkopen wat u hebt en geef het aan de armen, en u zult een schat hebben in de hemel. Kom dan terug om Mij te volgen.' Maar hij verstrakte bij dat woord en ging verdrietig weg, want het was iemand met veel bezit.

 

[V4]Toen de farizeeën hoorden dat Hij de sadduceeën tot zwijgen had gebracht, kwamen ze bij elkaar en een van hen, een wetgeleerde, vroeg om Hem op de proef te stellen: `Meester, wat is het grootste gebod in de wet?' Jezus zei hem: `U zult de Heer uw God liefhebben met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand. Dat is het grootste en eerste gebod. Het tweede is daaraan gelijk: U zult uw naaste liefhebben als uzelf. Aan deze twee geboden hangen heel de Wet en de Profeten.'


[V5]Behandel de mensen in alles zoals je wilt dat ze jullie behandelen. Want dat is de Wet en de Profeten.


[V6]Wee u, schriftgeleerden en farizeeën, schijnheiligen; u draagt een tiende af van munt, anijs en komijn, maar wat het zwaarst weegt in de wet verwaarloost u: recht, barmhartigheid en trouw! Het ene moet u doen, maar het andere niet laten. Blinde leiders, die de mug uitzeven en de kameel doorslikken!


[V7]Ieder die zijn vader en zijn moeder vervloekt, moet ter dood worden gebracht. Hij heeft zijn vader en zijn moeder vervloekt; hij heeft zijn dood aan zichzelf te wijten.

[V8]Noem ook niemand van u op aarde vader, want één is uw Vader, die in de hemel.


[V9]`Wie naar Mij toe komt, moet zijn vader en moeder, zijn vrouw en kinderen, zijn broers en zusters, ja, zelfs zijn eigen leven haten; anders kan hij geen leerling van Mij zijn.


[V10]Zijn moeder en zijn broers kwamen naar Hem toe, maar wegens de drukte konden ze Hem niet bereiken. Men liet Hem weten: `Uw moeder en uw broers staan daarginds en willen U zien.' Hij antwoordde hun: `Mijn moeder en mijn broers zijn zij die het woord van God horen en doen.'


[V11]Later vond Jezus hem [man die 38 jaar lang verlamd was en door Jezus genezen] in de tempel terug. `U bent nu gezond', zei Hij. `Zorg dat u niet meer zondigt, anders zou u nog iets ergers kunnen overkomen!'

[V12]Maar wanneer die dag of dat uur aanbreekt, weet niemand: de engelen in de hemel niet, de Zoon niet, maar alleen de Vader.