Lijden is eigen schuld
De Wind waait in alle richtingen
Vervuld van liefde en liefdeloosheid
Liefde en Angst
Twijfel en Angst
Geloof en werken
Het probleem van de miljoenen onwetenden
De schizofrenie van de hoogste ethiek
Typische uitspraken van gelovigen
Volwassen Geloof                                                           Hoofdstuk 9

        






Als je de hemel in wil, vertrouw dan op mijn woorden, vel geen oordelen meer, stel geen vragen meer, je voelt je nu gebroken, maar geloof zal je helen, doe maar precies zoals ik je nu zeg.
[De evangelist van alle eeuwen]


Het geloof verzet geen bergen, maar zet wel bergen neer waar ze er niet zijn.
[Nietzsche]










Lijden is eigen schuld

Hoe meer een mens zich identificeert met zijn idealen, des te meer verdringt hij de werkelijkheid die niet met deze idealen overeenkomt. Zo wordt de mens innerlijk gespleten en ziek. Nietzsche zegt het zo: "Overtuiging is een grotere vijand van de waarheid dan leugens." In het leven van alle christenen van alle tijden kan men een soort verscheurd innerlijk bespeuren omdat de gelovige ten alle tijden te kampen heeft met het onderdrukken van gevoelens en gedachten die tegen zijn overtuiging of de leer ingaan. Hoezeer bepaalde gevoelens en gedachten zich ook voordoen als zijnde de waarheid, ze mogen nooit erkend en herkend worden indien ze in strijd zijn met de voorgeschreven leer. De mate van innerlijke beklemdheid kan natuurlijk verschillen, al naar gelang men meer of minder consequent denkt en zich overgeeft aan de godsdienst. Men kan ook opmerken dat mensen die van jongs af aan in het fundamentalistische geloof zijn opgegroeid hier het meest aan lijden.


De eerste traptrede in de gespleten denkwereld van de gelovige is de volgende: hij legt al het lijden in de wereld uit als eigen schuld, de schuld van de mens, een straf van God, het gevolg van de zonde. Aangezien hij zegt tezelfdertijd in een God van de liefde te geloven krijgen we te maken met een schizofrene situatie. Natuurlijk is er binnen het hele terrein van het godsdienstige denken geen enkel onderwerp dat zó moeilijk te behandelen is als de rol van het kwaad; rondom deze kwestie past bescheidenheid, en de enige bescheidenheid die hiervoor toereikend is, is een besef dat men op het probleem van het kwaad nooit antwoord krijgt. Omdat het christelijk geloof desondanks tóch een zo definitief mogelijke uitleg ervan wil geven, vervolgt de orthodoxe theologie met bijzonder manke benen waggelend haar weg, en is zij hopeloos in strijd met het verstand.

Zo heeft de almachtige God dus al het zondigen van de mens voorzien en is Hij toch doorgegaan met het uitvoeren van Zijn plannen. Het kwaad bestond al voordat God de mens schiep en bovendien stond God het toe dat het kwaad contact met de onschuldige mens zocht (naast het zondeval verhaal leringen die we tussen neus en lippen in de bijbel tegenkomen in de banaal-mythische vorm van ‘opstand en oorlog in de hemel en gevallen engelen die op aarde worden geworpen’). Het heeft ontzaglijk veel schade aangericht, en zal dat ook in de toekomst doen, maar tegelijkertijd kan het niet Gods plannen dwarsbomen (hoewel niets op aarde tot dit denken aanleiding geeft). [1] De uitvoering van Zijn plannen houdt ook in dat het lijden eeuwig is, en het kwaad dus voor eeuwig een smet op het karakter van God blijft (omdat voor sommigen een eeuwige verdoemenis te wachten staat). Maar tezelfdertijd is God in geen enkel opzicht verantwoordelijk voor oorsprong, bestaan, gevolgen, voortbestaan van het kwaad! De gelovige denkt het gezicht van God te kunnen redden door al het lijden in de schoenen van de mens te schuiven. Een vreemde gedachtengang, want het is veel logischer en eerlijker een God te aanvaarden die, zoals het in het Oude Testament geleerd wordt, goed en kwaad als een basisgegeven in het leven schept (hoewel dit gegeven de eerlijke mens weer zal verstommen over een 'algoede God'). [2] Maar de christelijke gedachtengang onteert en vertrapt volkomen de menselijke waardigheid. In het leven van de gelovige christen van alle eeuwen komt dit dan ook volmaakt tot uiting: hij voelt zich door en door zondig en beziet het leven negatief. In feite kan niemand christen worden voordat hij zich van deze zondigheid bewust is. Aan de basis voor de gehele morbide levenshouding van de christen staat dus dit toppunt van negativiteit, uitgevonden door Paulus, en geenszins stoelend op de lering van Jezus en de rest van de bijbel. En hij gaat met deze denktrant soms door tot het bizarre uiterste. Veelal ontkent de gelovige de geldigheid van puur nobel menselijk handelen. Volgens de bijbelgetrouwe christen bestaat zoiets niet. Een christen die aan een internetforum meedoet heeft als veelzeggend motto: "Gods hobby is het verzamelen van mislukkelingen", iets wat het denken van de christen zeer goed uitdrukt, net zoals de veelvuldig gehoorde opmerking dat christenen "vreemdelingen op aarde" zijn. De gelovige ziet nooit de godslastering van dit denken in.

Men kan hiermee zo ver gaan dat men zelfs vulkaanuitbarstingen, stormvloeden, droogte en sprinkhanenplagen als Gods straf voor de zonde ter reiniging van de ziel ziet, iets wat de bijbel op vele plaatsen leert. (Een recentelijk gehoorde aanvulling op deze eindeloos lange lijst van godsoordelen van alle eeuwen was de uitspraak van de burgemeester van New Orleans, die het wegvagen van de stad in een orkaan uitlegde als Gods straf voor Amerika's optreden in Irak). Het wordt nu natuurlijk al veel moeilijker voor onze rede om dit als ‘rechtvaardigheid’ aan te nemen.
Het allermoeilijkst wordt het echter wanneer we deze gelovigen naar een ziekenhuisafdeling voor kleine kinderen brengen. Op dit punt gekomen zwijgen ze over de zonde en rechtvaardigheid, tenzij ze in hun theologie zo volkomen duitslogisch willen zijn dat ze in hun denken sadistisch worden of als enige in de wereld gelijk willen hebben. Want indien een mens wil opperen dat een klein kind ook al kanker kan krijgen of spastisch geboren wordt vanwege morele zonde (desnoods vanwege de zonde der ouders) dan moet hij toch wel al zijn gevoelens voor genade, liefde, medelijden en aannemelijkheid overboord zetten. Ook heeft het dan geen enkel nut meer te zeggen te geloven in een God van de Liefde, het verwordt dan slechts tot een holle kreet. Meestal lost men het op door zich te beroepen op iets onpersoonlijks zoals dat ‘de gehele schepping nu zucht onder de last van de zonde’. Het ongerijmde van deze uitleg is echter meteen duidelijk wanneer je erover denkt dat je met deze redenering het magma in het binnenste der aarde, dat voor vulkaanuitbarstingen zorgt, het verschuiven van tectonische platen dat voor aardbevingen zorgt, het steken van de mug en de schorpioen enz. dus allemaal als gevolgen van de zonde moet zien, volkomen afwezig voor Adams zondeval. Behalve dat zoiets voor een modern wetenschappelijk geschoold mens een volkomen onmogelijke gedachte is, is het ook buitengewoon vreemd dat het gehele bestaan zo om de mens draait (de theologie van het christendom is nooit verder gekomen dan alles om de mens te laten draaien). Vrijwel alle moderne christenen zien het verhaal van de zondeval als mythe, maar men gelooft tweeslachtig toch in de geestelijke boodschap ervan: met behulp van een mythe –ongehoorzaamheid van een stamvader en stammoeder uit nieuwsgierigheid of lust, hetgeen ook nog overgeërfd wordt- proberen we het ernstige en diepzinnige probleem van ‘het slechte’ van de wereld uit te leggen en God hiervan vrij te pleiten. Deze grootse mythe van de ‘oerschuld’ van de mens en zijn behoefte tot ‘vergeving, verzoening en verlossing’ zijn natuurlijk diepzinnige vondsten in het collectieve brein van de mens, maar om hiermee nu de werkelijkheid te duiden, nee, dat wordt te kinderachtig.


Even ongerijmd is het dat deze zelfde mensen het kwaad op andere tijden weer verpersoonlijken door de werkelijkheid naief te interpreteren als een zich buiten de mens om plaatsvindend, altoos en eeuwig gevecht tussen God en Satan. Bekijken we het namelijk vanuit zo'n gezichtspunt dan is de mens niet meer dan een speelbal tussen hem veruit te boven gaande onbegrijpelijke en kinderachtige machten. Kinderachtig, omdat deze twee machten klaarblijkelijk slechts bestaan om over te mens te kibbelen met elkaar; alweer alsof alles in de schepping om de mens draait, en het ook nog zinloos eeuwig schijnt door te gaan. Alweer lijkt het op een naieve gedachtentruc. De Satan is uitgevonden om God maar vrij te kunnen pleiten van de werkelijkheid van het bestaan.


Iets wat als gevolg van deze klemtoon op schuld en verdorvenheid van de mens en gevecht met de duivel in het leven van vele gelovigen op zal vallen is hun eenzijdige, bijna alles verslindende zich bezig houden met het probleem van de zonde, ten koste van het in aktie komen. Zo heeft de nieuwtestamentische godsdienst vaak een voorkeur voor onberispelijke mensen die nooit iets uitvoeren (maar met de allergrootste geestdrift op de punten en komma’s van de juiste dogma’s studeren), boven de mens die in zijn leven bergen verzet, maar alle menselijke tekortkomingen laat zien. Als troost voor het christelijk falen hebben de gelovigen uit alle eeuwen het Oude Testament als tegenhanger hiervan kunnen lezen –mensen die op de meest buitensporige manieren de beest uithangen en weinig of niets van Gods wetten en regels af schijnen te weten, maar toch grote geloofshelden zijn-, om zo met een weer volgende schizofrene zijtak van het geloof te komen zitten.









De Wind waait in alle richtingen

De tweede traptrede van de innerlijke gespletenheid geeft een volgende situatie: de gelovige denkt door de werking van Gods Geest ‘een nieuwe schepping’ te zijn, maar ervaart tezelfdertijd te leven als een zondig mens in een zondige wereld op precies dezelfde manier als alle andere mensen. In geval dit laatste voor sommige gelovigen niet duidelijk is (en geloof me, er zijn er die dit niet wensen te zien, sommige Jesus People noemen zich zelfs ‘fantastisch volmaakt’), zal iedere objektieve buitenstaander dit kunnen beamen. Aangezien de conclusie "dat gepraat over Gods Geest is dus een waan" in ieder geval nooit getrokken mag worden, eindigt de gelovige in de tegengestelde richting: hij maakt de overtuiging op allerlei manieren nog bonter dan ze oorspronkelijk al was. [3]

Één gevolg is bijvoorbeeld dat hij voortdurend zijn best zal doen ‘heiliger’ te worden; eisen genoeg over wat we zouden moeten zijn, hoe we als ‘tempel van de Heilige Geest’ zouden moeten handelen. In dat geval wordt de gelovige in de regel weer geleerd dat hij daar juist mee moet ophouden, omdat het juist Gods Geest is die Zijn werk zogenaamd in het leven van de gelovige doet. Sommige predikers zullen christenen zelfs veroordelen wanneer ze keihard van vroeg tot laat werken en op allerlei manieren goed denken te doen maar dit ‘in de kracht van het vlees’ doen. Het rationeel zelfstandig ethisch denken en handelen van de mens staat dus in volledige tegenstrijdigheid met de door het christelijk geloof gepreekte onderwerping aan de geboden van God. Wanneer dan door menselijk toegeven tegen het geweten (voor het merendeel de door de godsdienst opgedrongen regels) gezondigd wordt, zal men vergeving voor de zonden aangeboden krijgen, plus de onvermijdelijke metgezel van dit denken: men is een volkomen mislukking.
Mensen die op een andere manier heel vroom bezig willen zijn, zullen echter, wanneer ze met de verleiding tot zonde oog in oog staan, liever opgeroepen worden tot weerstaan en strijden tegen het kwaad dan hun zwakheid toegeven. Zij zullen dit natuurlijk alleen met succes denken te kunnen doen indien zij hiervoor op de één of andere manier de goddelijke kracht in hun leven ontwaren als een voortdurende beloning voor hun dapper gevecht. Veel van deze mensen zullen het werk van de Geest dan niet beperken tot een basisprincipe in hun leven, zoals rationelere mensen dat doen. Voor vele bijbelgetrouwe vrome mensen is het niet genoeg een leven te leiden volgens christelijke principes. Ze zullen op elk moment van hun doen en laten de werking van de Heilige Geest concreet willen zien, op dezelfde manier als beschreven is in het Nieuwe Testament. Ze zullen zich daarom beijveren om vervuld te worden met, ‘gedoopt te worden’, ‘ondergedompeld te worden’ in de Heilige Geest. Dit zal tot uiting komen in het spreken in tongen (onverstaanbare brabbeltaal), wonderbaarlijk genezen van zieken, uitwerpen van boze geesten, wonderbaarlijke opwekkingen met achterover vallen van de mensen die zogenaamd worden geslagen door de Heilige Geest, verloren portemonnees die op wonderbaarlijke manieren terugkomen, geld dat op wonderbaarlijke manier op het juiste ogenblik als vanuit de hemel wordt geschonken, gezichten, dromen, stemmen, profetieën die direct van God afkomstig zijn en duidelijkheid verschaffen over de toekomst of oproepen tot het ‘geroepen zijn’ tot een bepaalde, speciale, door God gegeven taak. Ze zullen je opbellen en zeggen van God de volgende boodschap te hebben gekregen. Vraag ze dan niet waarom God niet direct tot jou gesproken heeft, want ze zijn te vroom om hun ware gedachten onder woorden te brengen: zij zijn geestelijker dan jij.
Nooit dringt het tot deze mensen door dat de Heilige Geest zich in het zweet schijnt te werken voor allerlei onbenullige zaken, terwijl Hij nooit in staat is de werkelijk belangrijke zaken in het menselijke bestaan op te lossen.

Zie hier als illustratie een greep uit het ‘enerverende’ leven van een gelovige, in zijn eigen woorden op een internetforum:


"God LEEFT en spreekt direct door dingen en gebeurtenissen als je wil. Het is niet alleen 'het woord', de bijbel. Ja, daar kan je het in terugvinden, maar Hij laat zich direct kennen. Door dingen en gebeurtenissen, zo mooi is dat soms. Ik bad gister over een jongen die een paar maanden geleden in de kerk was geweest. Het moment dat ik dat doe loopt een jongen me voorbij op de parkeerplaats van de Konmar, ik kijk om en denk: "verrek, dat ISSIE!". Ja hij had eerst lange haren en had ze afgeknipt dus ik herkende hem niet gelijk maar haha, dat soort dingen. Ik was met me vriendinnetje en die moest naar binnen en ik dacht dat het ook wel oke was en dat God het verder wel zou regelen. Ik leerde van God dat ik écht alert moest zijn en opletten voortaan. 'Jij bidt en Ik hoor!', zegt Ie zo'n beetje.
En diezelfde dag nog twee van die dingen beleefd. Echt niet normaal. Maar ik bad ook toen de hele dag omdat ik een paar dagen daarvoor in een hele fijne kerk geweest was waar zukke mooie mensen zaten die direct God aanbaden en zich het evangelie niet schaamden en hup, letterlijk door de knieën gingen, handen omhoog, een lied inzetten, doorgaan en Jezus danken en man, ja zo is dat, geen ge-jamaar, geen wereldse dingen, God bestaat en leeft en Jezus leeft. Ik kan er zoveel over vertellen en 't is allemaal echt gebeurd..."


Hoeveel mensen leven in een wereld waarin Gods bovennatuurlijke handelen voortdurend te zien is op een wijze die niet onbenulliger had kunnen zijn? Het is trouwens met dit soort gelovigen echt niet allemaal fantastisch en mooi om hun heen. In de omgang met deze mensen zal men meteen opmerken dat juist die gelovigen die zo het bovennatuurlijke werk van de Heilige Geest steeds om zich heen zien ook dezelfde gelovigen zijn die overal het bovennatuurlijke werk van de Satan opmerken. Of anders gezegd, hoe sterker het christelijke bijgeloof, des te sterker zal men zich afzetten tegen en beangstigd worden door alle andere vormen van bijgeloof. Voor het laatste hebben ze soms een zeer scherpe rationele aanpak om het te ontmaskeren (W. Ouweneel, in het boek 'Het domein van de slang'). Anderen komen met volkomen ongefundeerde extreme redeneringen aan, en zijn slechts het slachtoffer van de eigen angst voor het leven. In beide gevallen is men voor het eigen bijgeloof volslagen blind. Hier een typisch voorbeeld om dit duidelijk te maken, een deel van een interview met een Finse charismatische evangeliste:


"Op een morgen toen Tuula naar gewoonte in gebed was en zij de Heer prees, verscheen de Heer op een zichtbare manier aan haar.
-Ik was volkomen verbaasd en werd vervuld van een onuitsprekelijke blijdschap.
-Dus je zag Hem echt met je eigen ogen?
-Ja, maar niet geheel, slechts zijn bovenlichaam. Hij had een gouden, blinkende riem, prachtig donkerbruin lang haar dat krullend op zijn schouders viel; Hij had een kroon op zijn hoofd en Hij was zo mooi dat geen enkele kunstenaar dat zou kunnen uitbeelden.
...
Een van de zaken waar Tuula zich erg bezorgd om maakt is de tegenwoordige opmars van allerlei soorten van occultisme. Allerlei genezers, mediums, acupunctuurbehandelingen, lezers van ogen, handen, astrologie, homeopathie, reiki-genezingen, joga, hypnose, taekwondo en karate en een leger aan duistere oosterse praktijken.
-Achter al deze zaken staan de machten van de duisternis, de wereldgeesten van het kwaad. Het is gevaarlijk je in te laten met deze dingen en de hulp die je er van krijgt is slechts schijn.
-Kunt u uitleggen wat het is dat het zo gevaarlijk maakt?
-Deze occulte praktijken zijn het kanaal waardoor boze machten zich meester kunnen maken van degene die zich er mee bezighoudt. Wanneer iemand hierin gelooft levert hij zich uit aan de satan en demonen. Hij wordt dan het slachtoffer van geestelijke benauwdheid en beklemdheid, zijn ziel lijdt enorme schade. Zo iemand krijgt last van depressiviteit, angsten, zelfs zelfmoordneigingen.
-En hoe zit het precies met de zo populaire joga?
-Joga in welke vorm bedreven dan ook, is afgoderij en zeer gevaarlijk.
-Om welke afgod gaat het hier?
-Het is een onpersoonlijke afgod, een zelfgemaakte inbeelding, een afgod volgens eigen maatstaven gebouwd. En via de jogaoefeningen krijgt men verbinding met boze geesten, de geesten die mensen bezeten. Het is verschrikkelijk dat mensen zich hieraan zo overgeven. En dan verwondert men zich er ook nog over dat het leven vaak zo zinloos schijnt."


Hoe menselijker (natuurlijker) en rationeler de gelovige mens is, des te verder verwijdert hij zich van zijn eigen godsdienst. Het rationeel wetenschappelijk denken van de moderne mens staat dan ook in totale tegenstelling tot het bijbelse blinde geloof in Gods woord. Zoals men in de godsdienst een tien met een griffel krijgt wanneer men blind gelooft zonder er kritisch bij na te denken en handelt op gezag van de Geest, zo zal men in de koele wetenschap met deze zelfde eigenschappen en manier van denken een volslagen mislukking zijn.
Omgekeerd, hoe vromer de gelovige mens is, des te vreemder zal hij staan in de moderne wereld waarin hij geboren is en ook tegenover zichzelf, tegenover zijn ware ik.
De vrome gelovige zit boordevol met zelfgecreëerde angsten omtrent een onzichtbare wereld, en probeert via een zelfgecreëerde fantasie omtrent een goede goddelijke kracht, die zogenaamd vanuit dezelfde onzichtbare wereld telkens ingrijpt, van deze angsten af te komen. Het is alsof de gelovige in een akelige droom leeft en daar met allerlei goocheltoeren een mooie droom van wil maken, maar er totaal geen weet van heeft dat je ook uit een droom kan ontwaken en dan pas de werkelijkheid kan ontwaren.

Pogingen uit de benarde innerlijke situatie te komen zullen in beide gevallen veelal resulteren in schijnheiligheid, waanideeën en/of verdringing van bepaalde zaken.
Zijdelings kan op dit punt opgemerkt worden dat het exclusiviteitsgevoel ("wij zijn uitverkoren", "ons geloof is de unieke weg tot God" enz.) een automatisch gevolg is van het feit dat religieuze leiders/specialisten zich op geen enkele manier onderscheiden van alle andere kwakzalvers die men op de markt heeft rondlopen om op de goedgelovige mens macht uit te oefenen. Daar het aanbod glazenbolkijkers, handlezers, astrologen, helderzienden, ontvangers van visioenen, dromenuitleggers, bevrijdende boodschappers, handenopleggers, zwevers, schrijvers van uit de hemel ontvangen teksten en heilige rituelen oneindig groot is, en elkaar bovendien soms op de meest fundamentele zaken tegenspreken, kan men van dit probleem slechts af komen door alle andere waanideeën af te schilderen als duivels (vaak 'duivelse imitaties') en voortdurend zichzelf als enige ware (en uiteraard superieure) overtuiging te bewieroken. Zo is het antisemitisme een automatisch gevolg van de felle afwijzing door de joden -nota bene de specialisten op het gebied van het Oude Testament- van het evangelie: voor de christenen voelde het alle eeuwen door (zolang de joden onder de christenen leefden) alsof je eeuwig gestoken wordt door een wesp die niet dood te slaan is. En de strijd tussen christendom en islam is eeuwig, omdat beiden in elkaars ogen een duivelse verdraaiing zijn van het zuivere geloof: voor de christenen is een atheïst ongevaarlijker dan iemand die wel in Jezus zegt te geloven als een Grote Profeet, maar die zijn goddelijkheid ontkent. En de moslim kan nog lachen om de (voor hem overduidelijke) stomheid van iemand die zegt in geen enkele God te geloven, maar iemand die een mens (Jezus) tot de status van God verheft is de vreselijkste godslasteraar en dus vreselijkste vijand.


Iemand die reageert op de bekeringspogingen van eerstgenoemde christen op een forum analyseert deze gelovige in de volgende scherpe bewoordingen en geeft tevens een wijs advies:


"Ik heb je nooit gemogen en vond en vind je totaal ongeschikt om mee te communiceren op forums. Dat komt waarschijnlijk door je visie, je snelle conclusies die er zo vaak naast zitten dat een hele thread zomaar ineens waardeloos wordt, maar vooral door je gemankeerde sociale instelling jegens 'de ander' die over het algemeen wordt neergezet als onwetende of mindere. Je spreekt mensen vaak toe vanaf een virtuele kansel en gebruikt jouw humor om de lading af te zwakken of in te dekken. Je zult misschien een bij vlagen vermakelijk persoon zijn die beschouwend wil lijken maar ik heb de indruk dat de resultaten van je diepere overpeinzingen vaak je begripsvermogen overstijgen. De cohesie der dingen probeer je met wat bijbelkennis in een bevattelijke context te rijgen, tot een hanteerbare denkrichting, maar met weglating van woeste zijpaden waar je geen houvast dreigt te hebben. Dit biedt alleen een korte termijn winst. Bij het verdedigen van standpunten die zo wankel zijn dat ze op verschillende manieren omver worden geblazen toon jij een hardnekkigheid die je kunt vergelijken met een mossel in kokend water die het vertikt om gaar te worden. Hier verdien je wellicht af en toe respect, maar menig kapitein is zonder noemenswaardige aanleiding met zijn schuit vergaan omdat hij vond dat dit zo hoorde of omdat anderen hem hadden gezegd dat dit de gewoonte was. Het is een persoonlijk drama, deze standvastige en starre houding t.a.v. het immer vloeiende en onberekenbare leven en het kan heel lang duren voor iemand de imaginaire schouder van God durft te verlaten voor een sprong in het onbekende.
Tot slot nog een note die ik je wil meegeven op je dramatisch blinde tocht door dit leven. Goed en kwaad zijn de keerzijden van dezelfde medaille. Het een kan niet zonder het ander. Zodra je kiest voor het goede wordt het kwade je obsessie, je frustratie en niet zelden je ondergang vooral als je ermee gaat vechten. Beide fenomenen komen uit dezelfde geest die dualistisch van aard is. Onderdruk het kwade en het wordt pervers, gemeen en onvoorspelbaar krachtig. Zie beiden als inherent aan dualisme en kies niet voor noch tegen. That's all."


En zie hier de reactie van de gelovige, typerend voor de manier waarop bijna alle discussies met christenen stuklopen, en bovenstaande kritiek op de christen nog eens overduidelijk onderstrepend:


"Ik ben niet heilig, ik ben gewoon mens met m'n fouten en zal nog genoeg moeten leren, ook wat echte liefde is. Mijn oude mens, die plaagt en soms enkel vermaakt en ingaat op ruzies en scheldt, dat is niet goed. Maar ik denk wel echt dat God me laat zien dat het afgelopen is hier met mijn aanwezigheid op dit forum. Het enige wat ik kan zeggen is dat God echt bestaat en dat Jezus echt leeft en de Heilige Geest een realiteit is. De Heilige Geest overtuigt van zonde en niemand kan zeggen 'Jezus is Heer' dan door die Geest staat er geschreven, en ik merk de laatste weken vooral weer dat dat echt een realiteit is. 'Vormt geen ongelijk span met ongelovigen, want wat heeft het Licht gemeen met de duisternis' staat er geschreven. Mijn toekomst en eerste vriendschap gaat bij God liggen en zijn kinderen, de christenen. Zij komen op de eerste plaats wat geestelijke intiemiteit en alles betreft. Ik moet op een bepaalde manier breken hier. Er is geen compromis, God bestaat en Jezus leeft."


Een groot percentage van de christenen doet in gesprekken met anderen nooit wat anders dan voortdurend dezelfde aaneenschakeling van clichés op te dreunen. Deze mensen hebben niets echts in hun denken dat van hunzelf is, ongetwijfeld omdat ze er zo in getraind zijn dat alle eigen gedachten in hunzelf als zondig beschouwd moeten worden en genegeerd dienen te worden. De christen uit zich in woorden die ogenschijnlijk nederig zijn (erkennen van liefdeloosheid), maar tezelfdertijd gaat men prat op de 'inwoning van de Heilige Geest' en de direkte verbinding met God door gebed ('God liet me dit en dat, zus en zo zien'), en ziet de christen zich als het Licht afspiegelend, en de medemens als representant van de duisternis, waar hij niet mee mag omgaan. Merk trouwens op hoe vaak die frase "de Heilige Geest overtuigt van zonde" naar voren wordt gebracht, onderstrepend wat ik hierboven zei over de preoccupatie van christenen met de zonde. Zo doet de christen zijn woorden van ogenschijnlijke nederigheid ten spijt, via zijn overduidelijke negatieve en halsstarrige optreden vaak weinig anders in z'n leven dan de kracht van Gods Geest in een twijfelachtig en schemerig daglicht te stellen. Wanneer de Geest in hun leven aan het werk is illustreert het vaak de woorden van Nietzsche:


"De moraal is het beste middel om de mensheid bij de neus te nemen! De realiteit is dat hier de meest bewuste eigenwaan der uitverkorenen de rol speelt van bescheidenheid: men heeft zich zelf, de 'gemeente', de 'goeden en rechtvaardigen' eens en voor altijd een plaats gegeven aan de ene kant, die van de 'waarheid' - en de rest, de 'wereld', aan de andere... In deze meest fatale grootheidswaan eigent men zich de begrippen 'god', 'waarheid', 'licht', 'geest', 'liefde', 'wijsheid', en 'leven' toe, als synoniemen als het ware voor zichzelf."


In dit verband kan ik het niet nalaten een greep te doen uit de e-mails die ik naar aanleiding van mijn site heb ontvangen van een gelovige lezer die de woorden van Nietzsche wel zeer kostelijk illustreert:


-Hier ben ik zeer stellig in. Je bijbelkennis is zeer slecht. Je haalt zaken uit verbanden, je benoemt iets als einddoel terwijl het slechts de weg ergens heen is. Je begrijpt absoluut 0,0 van Gods woord/plan. Het is misschien een harde klap voor je, maar zo liggen de zaken. Ik vraag me eerlijk gezegd af wat je in 20 jaar tijd hebt bestudeerd. Heb je alleen schrijvers (lees filosofen) over Gods woord gelezen of heb je Gods woord daadwerkelijk bestudeerd (en ik bedoel niet de schandalige vertalingen van Gods woord)?

-Dat je niet begrijpt waarom God deze weg kiest kan ik begrijpen. Wat voor mensen logisch is, is voor God dwaas en vice versa. Als je later voor God zal staan, (die je dus redden zal, daar geloof ik in), dan mag je dat aan Hem vragen.
Maar onthoud 1 ding, jij bent het klei, God hoeft zich voor niets te verantwoorden!

-Je boek en alle andere artikelen komen alleen hieruit voort, dat men je een totaal verkeerd Godsbeeld heeft geleerd. Als men je had geleerd zoals ik het hierboven geschetst heb, was je een compleet ander mens geworden.

-Je schrijft me "Slechts een kinderlijk of niet voor rede vatbaar persoon stelt van tevoren de uitkomst vast en begint daarna een spelletje met redeneren." Ben jij daar anders in? Jouw uitkomst staat ook vast? Toch? Of ben je bereid om daadwerkelijke argumenten op basis van Gods woord uit te wisselen? Ik durf toe te geven dat Gods woord mijn persoonlijke dogma is, jij zou dat ook moeten doen voor je eigen overtuiging en zienswijze, en niet slechts anderen dat 'stikkertje' opplakken.

-Ik zou je uitgebreid willen aangeven waar je inzicht je compleet in de steek laat, maar doe dit alleen als je bereid ben om ook op basis van Gods Woord mij te antwoorden (en niet antwoordt met wat Nietzsche of Spinoza of een andere filosoof heeft gezegd), anders verdoe ik mijn kostbare tijd.

-En omdat Spinoza het geschreven heeft, is dat de waarheid? Hou nu eens op met het oplepelen van wijsheden van dit soort domme figuren.
[De gelovige moest later aan mij opbiechten dat hij Spinoza nooit gelezen heeft.]

-Ik heb je geprobeerd duidelijk te maken dat ik geen doorsnee Christen ben. 'Mijn' christelijke zienswijze is totaal anders. Je aanklachten tegen een doorsnee Christen zijn vaak terecht.







Vervuld van liefde en liefdeloosheid

De derde traptrede van de innerlijke verscheurdheid van de gelovige laat ons het volgende zien: christenen zullen zich geinspireerd voelen door de liefde, wanneer je het aan ze vraagt zullen ze met stelligheid zeggen dat hun hele leven hierop gebaseerd is en tezelfdertijd zul je diezelfde mensen zien optreden als de felste en fanatiekste mensen die je kent, als de mensen die het meest doen aan veroordelen van anderen en veelvuldig vervuld zullen zijn van Heilige Toorn en zelfs Heilige Haat. Als gevolg van het samengaan van deze tegengestelde drijfveren krijgen we dan ook de gehele geschiedenis van het jodendom en christendom door de volgende reakties. Stel je voor: als een rechtschapen iemand dus volgens de wet van Mozes zondige kinderen stenigt of heksen verbrandt, kan zo’n vroom mens zich beroepen op het liefhebben van (de geboden van) God. En denkt u dat de Russisch Orthodoxe ware gelovige uit het hoofdstuk over de Intolerante God zich liefdeloos noemt? Nee, natuurlijk niet. Hij zal zeggen dat liefde juist opkomen voor de waarheid betekent, en juist dát doet hij. Zo is de enige liefde voor homofielen van de kerkgelovige wiens ingezonden brief we lazen in hetzelfde hoofdstuk dan ook alleen dat hij ze respecteert, waarmee hij bedoelt dat hij ze laat rondlopen (onder voorwaarde dat ze zich maar heel stil houden) en ze niet meer de brandstapel op duwt, of de gevangenis voor hen eist.


In de eeuwenlange geschiedenis van het christendom tot op de dag van vandaag, zien we hoe het fanatiek opvolgen van allerlei heilige teksten niets anders doet dan tweespalt, ruzie, veroordeling, verwijdering en uitsluiting van anderen veroorzaken. Het begint al in de brieven van het Nieuwe Testament. Hier een sprekend voorbeeld van hoe het in zijn werk gaat, een commentaar van een christen op de brief van Judas:


Judas geeft een beschrijving van de mensen die zich christenen noemen, maar die in werkelijkheid goddelozen zijn. Deze zijn binnengedrongen in de gemeente. Het zijn mensen die de schuldvergeving wel aangenomen hebben, maar die niet wandelen overeenkomstig hun status als kinderen van het licht. Petrus beschrijft deze mensen in 2 Petrus 2:1-3. Het zijn mensen die in de zonde blijven en die telkens weer de schuldvergeving zoeken, zodat telkens weer genade over hun leven kan komen. Vandaar dat zij spreken over een 'dagelijkse bekering', waarvan de bijbel nergens rept. Paulus schrijft over deze 'zondaars tot de dood' in Romeinen 6:1-2. Wij zien dus dat gehele kerkgemeenschappen met deze valse leer doordrenkt zijn. Judas noemt hen geen gelovigen, maar goddelozen, die de genade van onze God in ongebondenheid aan de wetten van God veranderen...Dat er ook in de gemeente onkruid zou zijn tussen de tarwe, er mensen zouden komen met een gedaante van godvruchtigheid, maar die de kracht ervan verloochenen, was reeds in het plan van God opgenomen. Dit was tevoren opgeschreven. De profeten hadden erover gesproken. Jezus had het voorzegd en ook in al de geschriften der apostelen vinden wij de waarschuwingen tegen de valse kerk, het grote Babylon. Er zal een oordeel gaan over het huis Gods, waarbij een scheiding zal worden gemaakt tussen de tarwe en het onkruid. Let erop dat ook in onze gemeente vele profetieën over deze dingen gaan en de Heer ook een scheiding onder ons teweeg zal brengen, wanneer wij Jezus niet volkomen als Heer erkennen en dus niet oprecht Hem willen volgen...Zo gaan ook deze mensen die ingeslopen zijn in de gemeente van Jezus Christus en die zich misschien wel opwerpen als leraars en profeten, een vleselijke weg. Zij leven niet als burgers in het Koninkrijk der hemelen, maar naar het vlees en de begeerten die van deze aarde zijn...Zij geven zich dan nog dikwijls uit voor leraar of dienaar van God en verheffen zich zo, dat zij veroordelend of lasterend spreken over de heerlijke weg Gods en over degenen die daarop wandelen...Deze onvernieuwde mensen zijn nog vleselijk en een geestelijk leven kennen zij niet, zodat zij onmogelijk over geestelijke kinderen Gods of over de heerlijkheden die God schenkt en die Hij voor zijn kinderen bereid heeft, een oordeel kunnen vellen. Zij kennen alleen een natuurlijk leven, dat dan nog beïnvloed en misbruikt wordt door de machten der duisternis. Vanaf dit niveau willen ze over anderen een oordeel vellen. Ze zijn goed op de hoogte met eten, drinken en met seks en ook met de begeerte des vlezes, de begeerte der ogen en de grootheid van het leven. Omdat hun leven daarmee vervuld is, gaan ze er zelfs mee ten verderve en willen zij door hun lasterend spreken ook anderen omlaag trekken. Vanuit hun vleselijk gedachtenleven en hun laag niveau beoordelen zij dus hun medechristenen...Zo ook brachten deze mensen geen enkele zegen in de gemeente, geen hulp en geen opbouw, want de machten der duisternis joegen hen voort en zij verwekten enkel teleurstelling en verwarring...Petrus zegt ervan in 2 Petrus 2:20: 'Want, indien zij, aan de bezoedelingen der wereld ontvloden door de erkentenis van de Here en Heiland, Jezus Christus, toch weer erin verstrikt raken en erdoor overmeesterd worden, dan is hun laatse toestand erger dan de eerste'. Voor hun bekering waren ze dood en nu zijn ze weer dood. Wij zien hieruit dat de Schrift het afvallen van de heiligen, mogelijk acht... Judas vergelijkt ze tenslotte met dwaalsterren of meteorieten, die zich door het luchtruim bewegen zonder vast doel of richting. De verschrikkelijke conclusie is dan, dat zulke mensen naar het verderf snellen, daar zij zich voor eeuwig verbonden hebben met de leugen en met zondemachten die hen meevoeren naar de buitenste duisternis of absolute duisternis, het diepste punt in de afgrond. Zij hadden immers de duisternis liever dan het licht. Petrus zegt van hen dat het beter was, dat zij geen kennis hadden gekregen van de weg der gerechtigheid dan met die kennis zich af te keren van het heilig gebod dat hun overgeleverd is (2 Petr. 2:21)...Tenslotte richt Judas zich tot de 'geliefden', tot degenen die werkelijk in Christus zijn en in het Koninkrijk van God willen leven. Judas geeft nu duidelijke aanwijzingen hoe de ware kinderen van God zich op moeten stellen in de geestelijke wereld. In de eerste plaats moeten zij zichzelf bewaren in de liefde Gods. Hoe blijft een dicipel hierin? Op dezelfde wijze als Jezus, door de geboden van de Vader te bewaren, dus te leven naar zijn wetten (Joh. 15:9-10). Wij blijven in de liefde van God door Hem gehoorzaam te zijn, zoals een kind ten opzichte van zijn ouders. Worden wij ongehoorzaam, dan wenden wij ons af van de positieve instelling van God en zoeken contact met het rijk der duisternis...Nu geeft Judas een aanwijzing hoe de 'sterke' zich op moet stellen tegenover de 'zwakke' broeders. Hij zegt dat zij medelijden moeten hebben met christenen die nog op bepaalde punten twijfelen, die dus geen overwinning hebben. Dezen zullen dan weer geloven en dan zien ze het wel weer zitten. Judas wijst aan dat deze mensen in de vuurgloed zijn, en wekt de geliefden op hen te helpen en te ondersteunen, zodat ze uit het vuur gerukt worden en op vaste grond terecht komen. Wanneer dit gelukt, is er weer een broeder gewonnen voor het heil. Tegenover degenen die in zonde leven, moet de gemeente zich anders opstellen. Men moet niet hard tegenover hen zijn, maar zich wel van hen distantiëren, dus afstand van hen nemen om ook niet besmet te worden en geen deel te hebben aan hun ongerechtigheid. Misschien zullen zulken, wanneer zij bemerken dat zij alleen komen te staan en niet langer geaccepteerd worden in de gemeente, tot inkeer komen. Paulus druk het zo uit: 'leveren wij in den naam van de Here Jezus dien man aan de satan over tot verderf van zijn vlees, opdat zijn geest behouden worde in den dag des Heren' (1 Cor.5:5)
[Aantekeningen bij de brief van Judas]


Zie hier de dweperige godsdienst in zijn meest ziekelijke vorm: Let op de bedreigingen, let op het bangmaken van de gelovigen, let op het zo zwart mogelijk afschilderen van de zogenaamde valse gelovige, let op hoe men alles slechts in twee kleuren kan zien, óf uit God, óf uit de duivel, let op hoe men vervolgens het slagveld waar het stof nog metershoog ronddwarrelt, verlaat, en meteen knus onder elkaar kan zeggen hoe heerlijk het toch is geheel in het teken van liefde te leven en volkomen gehoorzaam aan God te zijn. Let op hoe men deze onverkwikkelijke taferelen mooi kan uitleggen als 'voorzien door God', 'voorspeld door de geïnspireerde profeten'. Vervolgens zien we nog hoe men medelijden moet hebben met de 'zwakke' broeders, dwz, de wijze mensen die de dweepzieke verhitte discussie maar zwijgend hebben gadegeslagen en zich liever gematigder opstellen. Ze moeten met zoete woorden worden ingepalmd, ze hebben de gaven van de Geest nog niet voldoende geproefd, maar wie weet komt dat nog, het is vooreerst genoeg dat ze zich maar 'distanciëren' van de valse gelovigen, en zullen zo, net op het nippertje, uiteindelijk toch gered worden. [4]


Het duurt niet lang of dit dweepzieke godsdienstige gemoed ziet in dat woorden niet veel helpen in de bestrijding van valse leraren:


"Het is inderdaad beter dat mensen tot het dienen van God gebracht worden via onderricht dan via angst voor straf of pijn. Maar al is de eerste methode beter, dat betekent niet dat we de laatste methode moeten verontachtzamen. Velen moeten als onwaardige dienstknechten vaak tot de Heer teruggebracht worden met behulp van de stok van tijdelijk lijden, voordat ze de hoogste traptrede van religieuze ontwikkeling laten zien... De Heer [=Jezus] zelf beveelt dat men de gasten eerst uitnodigt, maar desnoods dwingt aan zijn feestmaal deel te nemen." (Augustinus, zich baserend op Luk. 14:23)


Ergens is de schizofrenie van liefde en liefdeloosheid wel te begrijpen, omdat christenen geen keus hebben. Aan de ene kant hebben we het ‘hebt uw vijanden lief’ en ‘weersta de boze niet’ van Jezus. Dit staat in volledig contrast met het ‘haat het kwaad’, of ‘doe het kwaad uit uw midden weg’, of het ‘scheidt u af’ op andere plaatsen in de bijbel. Deze twee kunnen onmogelijk met elkaar verenigd worden. Christenen moeten eer doen aan alles wat de bijbel hen maar voorschotelt, en in de bijbel staat zowel het één als het ander, hemel en hel, liefde en straf, rechtvaardigheid en willekeur, angst en vertrouwen, bemoediging en vervloeking, in beklemmende tegenstrijd met elkaar.









Liefde en Angst

Zo zitten gelovigen door alle eeuwen heen ook met de vierde traptrede die het innerlijk van de gelovige verscheurt: de mengeling van liefde en angst. Hoe gelukkig kun je zijn wanneer je weet te staan onder het wakend en zonodig straffend oog van God, die iedere gedachte, elke stap in je leven beoordeelt? Ze zullen toch zeggen in volkomen liefde te leven, maar tezelfdertijd leven ze in de zoveel mogelijk verdrongen grootste angst voor Gods straffen. Lees 1 Johannes 4: 16-18:


‘God is liefde, en wie in de liefde blijft, blijft in God en God blijft in hem. Hierin is de liefde bij ons volmaakt geworden, dat wij vrijmoedigheid hebben op de dag des oordeels, want gelijk Hij is zijn ook wij in deze wereld. In de liefde is geen vrees, maar de volmaakte liefde drijft de vrees uit; want de vrees houdt verband met straf en wie vreest, is niet volmaakt in de liefde.’


Vergelijk deze uitspraak met de woorden van Jezus:


‘En weest niet bevreesd voor hen die wel het lichaam doden, maar de ziel niet kunnen doden; weest veeleer bevreesd voor Hem die beide, ziel en lichaam, kan verderven in hel.’ (Mt. 10:28)


Zie gij zijt gezond geworden; zondig niet meer opdat u niet iets ergers overkome’ (Joh. 5:14 , tegen een man die 38 jaar ziek was).


En met een uitspraak van de schrijver van de Hebreeënbrief:


‘Want wie Hij liefheeft tuchtigt de Here, en Hij kastijdt iedere zoon die Hij aanneemt’. (Hebr. 12: 6)


Deze uitspraak is gebaseerd op een tekst uit Job:


Welzalig de mens die God kastijdt; versmaad daarom de tucht des Almachtigen niet. Want Hij verwondt en Hij verbindt, Hij slaat en zijn handen helen.’ (Job 5:17, 18)


Zo krijgen we, er van afhangend wat deze week weer eens aan de beurt is, prachtige verhalen over Gods zegeningen en vaderlijk zorgen voor zijn kinderen, afgewisseld met mooie uitleggingen om het onbegrijpelijk handelen van God uit te leggen als het ons tegen staat:


‘Er bestaat een groot verschil tussen het doel van menselijk recht en het doel van Gods gerichten. Mensen moeten de samenleving beschermen door laakbare leden eruit te verwijderen, hetzij tijdelijk door gevangenschap, hetzij definitief door de dood. Goddelijk richten heeft een geheel ander doel. Het moet Gods rechtvaardigheid onthullen, als basis voor Zijn liefde, door het plaatsen van een juiste straf op alle onrecht. Een wezenlijk probleem hierbij is onze menselijke kijk op de betekenis van het goddelijk richten in het algemeen. We zijn geneigd om het slechts als straf te zien, die wordt opgelopen door verkeerd te doen. Maar Gods gerichten zijn corrigerend; ze zetten zaken recht. Hij behandelt zondaars gedurende een korte tijd van gericht om hen volkomen voor te bereiden op de uiteindelijke eindeloze vereniging met zowel hun medemensen als met Hemzelf. Het doel van Zijn gerichten is niet om de zondaar kwaad met kwaad te vergelden, en hem eindeloos te doen lijden voor zijn slechtheid, maar eerder om hem te corrigeren en alle belemmeringen voor het genieten van Zijn gezelschap weg te nemen. In veel gevallen kan dit zwaar lijden inhouden, maar, wanneer het vergeleken wordt met de vruchten die daaruit voortkomen, worden we herinnerd aan de lichte kwellingen van de apostel Paulus, die erg zwaar waren, en desondanks hun gewicht verloren vergeleken met de eeuwige heerlijkheid waartoe ze de inleiding waren. Inderdaad, Paulus' heerlijkheid was beperkt tot deze tijd, terwijl de verzoening van Gods vijanden bij de voleinding eindeloos zal zijn. Bijna allemaal zijn we kortzichtig. We zien de gerichten, maar we realiseren ons niet dat ze slechts een deel van Gods weg met de mensheid vormen en dat ze zeker niet het einde zijn. We verwarren de weg met het doel.’ (A.E. Knoch in het tijdschrift Unsearchable Riches.)


Hier een andere potpourrie van hopeloos verward denken om de akties van een God die niet bestaat uit te leggen, een potpourrie waarin alle elementen die in dit hoofdstuk tot nu toe opgesomd zijn te zien zijn: de kritische mens wordt zwart gemaakt, de gelovige een ziekelijke arrogantie van machtswoorden ('ik beveel') aangepraat, en het niet-werken van de geloofsdogma's wordt weer mooi op rekening gezet van de fouten en schuld van de gelovige. Let op hoe de prediker niet vergeet zichzelf vrij te spreken en tegelijkertijd punten probeert te scoren door bovenop al deze religieuze onzin nog een sausje nederig en eerlijk 'Ik weet het niet' te sprenkelen. Hoe onbeschaamd kan een mens wezen door zó over mensen in een rolstoel te praten, om het eigen aangehangen geloof ten koste van alles maar te laten triomferen:


Mensen die tijdens een genezingsdienst zijn bevrijd van een ziekte, kunnen deze genezing weer kwijtraken door ongeloof en scepsis in hun omgeving. Dat zei prof. dr. W. Ouweneel gisteren in Drachten. "Iedereen kent wel voorbeelden van mensen die genezen en blij van een genezingsdienst terugkwamen en later toch weer klachten kregen. Waren zij dan niet écht genezen? Ik betwijfel dat."

Volgens Ouweneel kunnen sceptische reacties de verdwenen ziekte weer terugbrengen. "Er zijn dan mensen die beweren dat de duivel heeft genezen en niet God. Anderen vragen telkens of de klachten alweer zijn teruggekomen. En als iemand dan weer ziek wordt is er bij de omstanders enig triomfalisme te bespeuren: zie je wel, het heeft niet gebaat."

Daarom pleit Ouweneel ervoor dat 'genezingsbedienaars' ("ik wil niet spreken van gebedsgenezers, het is namelijk God die geneest"), goed luisteren naar God en zijn wil proberen te ontdekken. "Als je de wil van God kent, kun je ook het machtswoord spreken, zoals het 'Ik beveel' van Paulus."

Als God zo graag mensen wil genezen, waarom blijven sommige gelovigen dan toch ziek? Dat is een vraag die Ouweneel de laatste tijd veel krijgt voorgelegd. "Ik weet het niet, laat ik daar mee beginnen. Als mensen het mij vragen, geef ik als redenen: a. zonde, b. ongeloof, c. ik weet het niet."

Dat ongeloof genezing in de weg kan staan, wil er soms bij zieke mensen niet in. "Zij geloven diep in hun hart niet dat God echt kan genezen. Ze denken bijvoorbeeld dat genezing alleen in de eerste eeuw voorkwam en vandaag de dag alleen nog sporadisch op het zendingsveld. Dat is ook een sterke, zeg! Het belangrijkste zendingsveld op aarde is tegenwoordig namelijk West-Europa."

Ook onkunde en onwil kunnen genezing in de weg staan, voegde Ouweneel daar aan toe. "Dan zie je mensen tijdens een genezingsdienst even uit rolstoel krabbelen, en er dan snel weer veilig in terugploffen. Er zijn mensen die zo vertrouwd zijn met hun rolstoel dat zij genezing moeilijk te accepteren vinden. Zij willen alleen vertroeteld worden." "Soms is het nog eenvoudiger waarom iemand niet wordt genezen," zegt Ouweneel. "Dan is het Gods tijd nog niet." (Nederlands Dagblad 2003)


Maar voor goedgelovigen die dit soort vuilnispreken serieus nemen is dit denken de oorzaak voor het geestelijk moedeloos en depressief worden en met angst in het leven staan. Vroeger was het trouwens al niet beter. Toen leefde men minder in de waan van het charismatische christendom (klemtoon op de zogenaamde grote wonderdaden van God), maar berustte men bij voorbaat al in het hopeloze zondengevoel dat men de gelovige iedere dag van zijn leven aanpraatte; in vroegere eeuwen lag de klemtoon altijd op de gedachte van de straffende hand van God als middel tot loutering, met als gevolg dat de angst voor God in de menselijke geest nog centraler stond, hoewel predikers de bedroevende zaak natuurlijk weer in een positief daglicht zullen zetten. Een goed voorbeeld van dit denken vindt men in het "Inleidend Woord" van dit oude geschrift!


Aan alle beproefde en bedroefde, teleurgestelde, onrustige en verontruste christenen in heel de wereld.
Geliefden, zelfs de voornaamste heiligen "worden tot moeite geboren, zoals de vonken van vurige kolen zich verheffen tot vliegen" (Job 5:7). Vele zijn de tegenspoeden van de rechtvaardigen. Als het vele dingen waren, maar geen moeite: zoveel te beter, zoals ons spreekwoord zegt. En als er moeite was, maar niet veel, dan kunnen we zeggen: hoe minder moeite hoe meer moed. Maar God, die oneindig is in wijsheid en weergaloos in goedheid, heeft moeite, ja, vele moeiten bestemd die als slagorde van alle kanten op ons aankomen. Net zoals het met onze zegeningen het geval is, komen onze kruisen zelden alleen. Dikwijls komen ze vlak achter elkaar op ons af. Ze zijn als regenbuien in april: de ene is nog niet voorbij, of de andere komt er al aan. En toch, christenen, het is barmhartigheid, rijke barmhartigheid, dat alle verdrukkingen nog geen terechtstellingen zijn, dat alle kastijding nog geen verdoemenis is. Hoe hoger de wateren stegen, des te hoger Noachs ark ten hemel werd opgeheven. Hoe meer uw verdrukkingen toenemen, des te meer uw hart naar de hemel zal neigen. [De stille ziel, of de zwijgende christen onder de slaande roede., Thomas Brooks, 1659]


Ver terug in de geschiedenis hoeven we trouwens niet te gaan om dit hoogtepunt van vroom denken tegen te komen. Onder de titel: "88 jaar klein gehouden omdat het nodig was" stond in het Nederlands dagblad van 3 juni 2006 een interview met een hoogbejaarde oud-predikant. De man legt uit dat hij op tweejarige leeftijd een longontsteking kreeg en sindsdien zijn leven met beschadigde longen moest doorgaan, hetgeen een 'verschrikkelijke jeugd, met angstige benauwdheden, huiveringwekkend, niet te harden' ten gevolg had. En het christelijk commentaar op deze ziekte is: "Het klinkt misschien vreemd dat ik het zeg, maar die longontsteking is een zegen voor mij geweest. God heeft het nodig geacht om mij m'n leven lang klein en afhankelijk te houden. Ik ben bang dat ik anders een opschepper was geworden, iemand die zich veel verbeeldde. Ik zou in mijn hoogmoed zijn gestikt."


Gelukkig is er voor christenen die het met een bepaalde visie over het christelijk geloof niet eens zijn altijd wel weer een theoloog/schriftkenner die laat zien dat de bijbel helemaal niet zo spreekt als bovenstaande christen, maar, integendeel, juist precies het tegendeel leert. Dit is zonder te overdrijven het geval met welk dogma dan ook dat men op kan noemen als zijnde ‘christelijk’.


Onnaspeurlijke Rijkdom van de heer Knoch, Rijke Barmhartigheid van de heer Brooks, Goed Luisteren naar God van Ouweneel, en Zegen van de bejaarde predikant zou iedere buitenstaander van het geloof natuurlijk vertalen met Onnaspeurlijke Denkkronkels en Rijkelijke voorraad aan Waandenken. Paulus wakkert de angst voor God flink aan met de volgende denkkronkel:


Wie dus op onwaardige wijze het Avondmaal viert, zal zich bezondigen aan het lichaam en bloed des Heren...hij eet en drinkt tot zijn eigen oordeel...Daarom zijn er onder u velen zwak en ziekelijk en menigeen sterft. Onder het oordeel des Heren worden wij getuchtigd, opdat wij niet met de wereld veroordeeld zouden worden.’ (1 Cor. 11:27-32).


Het christendom biedt ons in zijn ‘onnaspeurlijke rijkdom’ (‘tegenspoed als rijke barmhartigheid’ en ‘ziekte als zegening’) dus vrijstelling van de allerergste eeuwige straffen (die ze eerst zelf bedacht heeft), en daarvoor in de plaats komen tijdelijke straffen in dit leven om ons te louteren. Om het nog vreemder te maken zouden we de onberispelijke Job er nog bij kunnen halen. Het kwaad dat hem aangedaan werd was niet eens om te louteren, maar enkel en alleen om op de proef te stellen! En dan nog beweren al die gelovigen die zo’n verkrampt en droevig leven leiden, ja, in feite sadisme verdedigen, in een liefdevolle relatie te staan tot God en de mensen een Goede, Blijde Boodschap te brengen!

Niets is zo erg als de angst voor straf van God in het leven van een gelovige. Velen zullen niet eens in staat zijn deze angst in hun leven toe te geven (want hiermee ondergraaf je je eigen geloof en bovendien zou je God weer boos kunnen maken). Zo diep zit de angst voor God! Slechts af en toe zien we er geheel onverwachts iets van. Zo hoorde ik tot mijn ontsteltenis het verhaal van een man die ik bewonderde, omdat ik hem kende als iemand die zich nooit gespaard had en oprecht zijn leven in dienst van het werk van God gewijd had. Hij wekte de bewondering op van iedereen om hem heen. Toen hij tegen de zestig was voelde hij echter geen kracht meer te hebben zijn werk voort te zetten, en ging hij met vervroegd pensioen. Iets waar een vliegenier bijvoorbeeld van zou gaan genieten. Maar deze vrome man voelde zich moe en zondig en depressief. Zijn geweten klaagde hem voortdurend aan. Hij bezocht op een dag een bijbelstudie en daar werd een duistere passage gelezen uit Zacharia 11:


‘Toen zei de Here tot mij: Neem u nog eens de uitrusting van een dwaze herder; want zie, Ik stel een herder in het land: naar wat verdelgd dreigt te worden, zal hij niet omzien; het verstrooide zal hij niet opzoeken, het gewonde zal hij niet trachten te helen, het uitgeputte zal hij niet verzorgen; maar het vette vlees van vette beesten zal hij eten...Wee de nietswaardige herder, die de schapen verlaat...Verdorren zal zijn arm, verduisterd worden zijn rechteroog.’


En raad nu eens waarvan deze gelovige van vermoeidheid al een tijdje last had gehad! Hij zag soms iets zwarts voor zijn ogen. Zodoende sloeg de schrik om zijn hart. Deze tekst was juist voor hem bestemd! Zou hij straks blind worden, omdat hij Gods werk in de steek heeft gelaten?, zo legde hij zijn gevoelens uit. Hier zien we de uitwerking van het christelijk geloof tot op de bodem. Zo spreekt God tot de gelovige die Hem zijn leven lang gediend heeft met het verzorgen van de gewonden en kleinsten op aarde! God straft wanneer we iets verkeerd doen. En zelfs als we alles goed gedaan hebben is het nog niet genoeg. Zelfs dan vreest de gelovige nog straf.









Twijfel en Angst

Verwant aan de schizofrenie van liefde en angst is de schizofrenie van twijfel en angst. Ik las net een internet site door waar Andries Knevel, een overtuigd christen, geinterviewd wordt. Hij spreekt deze woorden uit:


"En je blijft met vragen zitten. Christenen weten ook niet op alle vragen een antwoord. Maar dat betekent niet dat je het christelijke geloof van je af moet werpen. Ik zou het liefst het geloof hebben waarbij er geen twijfel bestaat. De realiteit is dat je geloof telkens wordt besprongen door vlagen van twijfel. De satan is natuurlijk ook een realiteit in deze wereld, en die zit af en toe met een venijnig stokje met vragen in je te porren."


Merk op hoe twijfel ten eerste gezien wordt als iets wat er niet mag zijn, maar jammergenoeg altijd een realiteit is, ten tweede hoe twijfel beschouwd wordt als iets wat 'natuurlijk' verband houdt met satan, en ten derde hoe een christen in geen geval zijn geloof in twijfel mag stellen. Het komt in de gedachten van christenen nooit op dat knagende twijfel juist een produkt is van het christelijk geloof -dat aankomt met een lawine aan uitspraken die voor Gods woord moeten doorgaan en niet tegengesproken mogen worden- en dat men zeer wel een geloof zou kunnen hebben dat boven twijfel verheven is, of twijfel als een volkomen gezonde zaak beschouwt (zie bijvoorbeeld het boek Het tijdperk van de rede van Thomas Paine). In al deze uitspraken van Knevel is het verband tussen twijfel en angst evident.
Hier nog een typerende uitspraak van een christen (internetforum):


"Ik raad je aan Hebreeën 11:1 te lezen. Je kunt er omheen draaien of niet, maar geloof ís zekerheid. Dit neemt niet weg dat we inderdaad wel eens onze twijfels hebben. Dat is onze zwakheid, ons tekortkomen als mens. Gods zegen!"


Bovenstaande laat scherp zien hoe de christen eerst een absurde uitspraak van een schrijver uit de oudheid aanneemt als zijnde de waarheid; vervolgens voegt hij er in één adem aan toe dat de praktijk inderdaad leert, dat de uitspraak niet waar is, maar 'eromheen draaien' heeft geen zin: het is nu eenmaal Gods woord. Om de tegenstrijdigheid dan op te lossen moet men zichzelf de schuld geven. Dit is hét recept waarmee de gelovige van dag tot dag in talloze varianten zijn psyche geweld aandoet. Dezelfde redenering zien we bijvoorbeeld goed tot uiting komen in het gebedsleven van bijbelgetrouwe christenen. De gelovigen zullen herhaaldelijk spreken over gebedsverhoringen. Zulke meer of minder duidelijke ‘antwoorden’ van God zijn er voor hen bewijs van dat God bestaat en in hun leven goed doet. Maar onbeantwoorde gebeden zullen nooit tot de tegenovergestelde conclusie mogen leiden. In die gevallen moeten we alweer de oorzaak gaan zoeken in onze zondigheid en onvolkomenheid!
Een ander voorbeeld: de gelovige mens is o zo gelukkig met zijn behoudenis en nieuwe leven van overvloed. Tezelfdertijd leeft hij in momenten van vertwijfeling in de angst de verkeerde keus te doen of gedaan te hebben. Zo pijnigt menig jong christen zich met de gedachte dat hij een bepaalde roeping van God moet vervullen. Het geloof werkt hier voortdurend als grote uitschakelaar van iemands eigen identiteit. Hij doet krampachtig zijn best om die roeping te onderkennen (bijv. bepaalde studie, werk of een relatie) en ziet al dat wat hij eigenlijk zou willen als zonde.[5] De twijfel slaat nog grondiger toe wanneer we soms met de ‘zondige gedachte’ opkomen, dat het gehele geloof wel eens onjuist zou kunnen zijn, een gedachte die in de regel door gelovigen meteen onderdrukt wordt, maar toch met een lastige verbetenheid af en toe weer de kop op kan steken. We geloven tenslotte in de eerste plaats aan de waarheid van een verhaal dat ons verteld is (de uitspraken in de bijbel), en proberen ons gehele leven de geldigheid van dit verhaal maar te bewijzen door Gods handelen in en buiten ons telkens op te merken. Deze bewijzen zijn voor een modern mens vaak moeilijk te vinden. Lees een prachtig verhaaltje dat iedere gelovige op zijn manier wel eens ervaren heeft:


‘Bepaalde gebeurtenissen vergeet je niet. Sommige gedachten evenmin. Als dertienjarige jongen, half zittend op en half staand naast mijn fiets, wachtte ik lijdzaam voor het stoplicht. Het was een nare plek voor een rood stoplicht. Ik stond in de schaduw van een fantasieloos flatgebouw, omgeven door voortrazend verkeer op de snelweg, de oprit en de verkeersader door Amstelveen. Het zomerbriesje werd hier tot een kille wind, voort-gestuwd tussen flat en viaduct.

Temidden van de almaar groter wordende groep wachtenden drong zich opeens de gedachte aan mij op dat het misschien allemaal fictie was. Opeens doordacht ik daar de vergeefsheid van alles wat mij dierbaar was en van al mijn krampachtige ijver. Als God niet zou bestaan, was het allemaal voor niets. Voor niets twee keer per zondag naar de kerk, voor niets mijn schoolvrienden op zondag op afstand gehouden, voor niets de bioscoop gemeden, voor niets de schepping verdedigd bij godsdienst, voor niets mijn principiële bezwaren tegen toneel uitgelegd bij de klasseleraar teneinde vrijstelling te krijgen voor het verplichte programma culturele vorming, voor niets aan de kant gestaan bij het dansen op klasseavonden en al die jaren voor niets gebeden om bekering en een nieuw hart.
Het flitste door mijn hoofd heen. Even stond mijn hele wereldbeeld op zijn kop. Niet voor lang. De dynamiek van het Amstelveense verkeer biedt zelfs een eenzame fietser nauwelijks gelegenheid tot reflectie, godsvrucht of existentiële twijfel. Het licht sprong op groen, ik moest mijn tocht vervolgen. En ik moest nog opschieten ook, anders stond ik tweehonderd meter verderop weer bij een stoplicht. Als een razende mijn pedalen naar beneden trappend, onder de snelweg door mij spoedend naar het groene licht, verjoeg ik mijn ontstellende gedachten. Zelfs als God niet bestaat. Dankzij de kerk heb ik veel goede en echte vrienden. De kerk geeft juist betekenis en kleur aan mijn leven. En niet alleen aan dat van mij, maar ook aan dat van ons gezin. Mijn geloof geeft duidelijkheid over wat goed is en wat kwaad. Zonder mijn geloof in God zou ik niet weten hoe ik leven moest. Natuurlijk, mijn overtuiging vraagt zijn offers. Maar het is het waard, zelfs als het onzin is. Op het stoplicht aan de andere kant van het viaduct, ik had hem weer gered, volgde de bestijging van de helling. Haasten had hier geen zin. Het volgende stoplicht stond altijd op rood. Ik had het rijk alleen. De overige fietsers had ik achter mij gelaten. Zij hadden het niet gehaald. Als altijd. (Zij stonden achter mij, voor een rood stoplicht.)
Nu ik mijzelf zo in de ruimte gesteld had, vouwde ik mijn handen, door ze beide rond de stuurstang te vouwen. Mijn gesloten ogen deed ik steeds eventjes open. Dat mocht wel, in dit soort situaties. Ik vroeg om vergeving over mijn twijfels. En om behoud van mijn geloof. Ik dacht ook even aan Gideon met zijn vachten. Maar dat durfde ik niet te vragen. Bovendien, hoe leg ik het mijn moeder uit als ik ’s nachts mijn trui op het gras leg.’ (Drs. Wim H. Dekker, internet)


De angst is een basisgegeven in het christelijk geloof dat overal voor het oprapen ligt. Zie hier een greep uit de problemen waar christen-jongeren mee zitten op het internet:


"Ik had een vraag, ik had het laatst met een vriendin over de doop. En zij kwam met een vraag die mij aan het denken gezet heeft. Mijn vraag is: Als je bijvoorbeeld niet als volwassen gedoopt bent, word je dan behouden? Is de volwassendoop een voorwaarde om behouden te blijven?"

"Ik blijf maar fouten maken. En nu heb ik vorige week iets heel erg stoms gedaan. De dominee zegt dat als ik bewust zondig, dat ik dan niet meer welkom ben bij God..."

"Ik word me steeds vaker bewust van de duivel en waartoe hij in staat is. Dat maakt me soms behoorlijk bang. Ook als ik anderen spreek word ik er steeds mee geconfronteerd. Ik wil het er niet te veel over hebben want dat vind ik hem niet waard. Aan de andere kant wil ik mensen wel waarschuwen voor de gevaren. Maar dan maak ik hun misschien ook bang. Wat zegt de bijbel hierover?"

"Ik heb gelezen dat slechte gedachten vaak van de duivel komen. Maar hoe kan de duivel nu in mijn gedachten komen? Ik wil dat helemaal niet!"


Niets is zo erg als de vervorming van het gevoelsleven van de gelovige vanwege de angst en de twijfel. We geven ons over aan idealisme. De godsdienst geeft een vulling aan alles waar we naar gehunkerd hebben, alles wat we misten. Het goede doen, de liefde, de vergeving, troost in lijden. Dit zijn de dingen waarom we gelovig worden. Maar tegelijkertijd krijgt de gelovige een kast vol aan dingen waar hij nooit om gevraagd heeft, zelfs nooit aan gedacht heeft en die bovendien niet in twijfel getrokken mogen worden. Als gevolg hiervan wordt hij voortdurend getraind in het onderdrukken van zijn menszijn en het onderdrukken van zijn gezond verstand.
De schadelijke werking van het christelijk geloof op iemands psyche kan men zich gemakkelijk indenken na het lezen van een gedeelte van de volgende preek; iedere christen heeft de volgende redeneringen van tijd tot tijd moeten aanhoren:


"Ik zou een hele lijst met zonden kunnen opnoemen maar in de Bijbel vind ik één zonde die geboorte geeft aan allerlei andere zonden. EN DAT IS ONGELOOF! Ik heb het niet over het ongeloof van de goddelozen, de zondaren, de atheïsten enz. Neen, waar God heel boos over kan worden is het ONGELOOF VAN ZIJN EIGEN KINDEREN! Ik zie in de Bijbel dat God de zonde van ongeloof heel serieus neemt! Judas vers 5 zegt: Maar ik wil u te binnen brengen - gij hebt het immers alles eens voor goed vernomen - dat de Here een volk uit het land Egypte verlost heeft, maar een andermaal hen, die niet tot geloof gekomen waren, verdelgd heeft.
Ziet u hoe God het ongeloof van Zijn eigen volk gehaat heeft? Eerst redt en bevrijdt Hij hun met machtige wonderen en tekenen en dan vernietigt Hij dezelfde mensen die NIET WILLEN GELOVEN! God wil dat ik u eraan herinner hoe God tegenover ongeloof van Zijn kinderen staat. 1 Corinthiërs 10:11: Dit is hun overkomen tot een voorbeeld (voor ons) en het is opgetekend ter waarschuwing voor ons, over wie het einde der eeuwen gekomen is.
Natuurlijk zal God ons niet vernietigen zoals Hij bij Zijn volk Israël deed in het Oude Testament. We leven in de genadetijd. Dat verandert Gods principe echter niet. Hij haatte het toen! Hij haat het nu nog steeds! Daarom zijn vandaag vele christenen geestelijk bijna dood. De reden is ONGELOOF! Ze leven in grote twijfel, angst en vrees en hebben niet de wonderbare blijdschap, vreugde en overwinning van Jezus Christus. Dat komt omdat ze niet door vast geloof geworteld en gegrond zijn in het Woord van God! Ongeloof is een zeer gevaarlijke zonde waar vele christenen zich niet van bewust zijn. Ongeloof maakt God tot een leugenaar!"


Let op hoe in het bovenstaande gelovigen berispt worden vanwege hun 'grote twijfel, angst en vrees', terwijl men tezelfdertijd niets anders doet dan met behulp van de bijbelse prediking twijfel, angst en vrees juist uit te zaaien! Als voorbeeldig christen doet de prediker er uiteraard genadevol nog even een sausje 'gelukkig leven we in de genadetijd' bovenop, om de werkelijke boodschap van angst en twijfel maar te verdoezelen.
In dit verband is het interessant onze gedachten te laten gaan over de gevolgen van de twijfel. Omdat geloof in principe aan een autoriteit betoonde gehoorzaamheid is, moet de twijfel voortdurend geforceerd verdrongen worden. De verdrongen twijfel uit zich dan als een latent ‘slecht geweten’ en wreekt zich onophoudelijk door ongeloof of afwijkend gedrag bij anderen agressief te bestrijden. Let in het hierbovenstaande op de emfatische stijl, zo typisch voor eeuwenlang christelijk preken, tel de uitroeptekens op, hoor de dominee of evangelist de vetgedrukte woorden met opgeheven vinger, luide stem en gefronste wenkbrouwen uitspreken. Met bulderende stem van de kansel prediken, geloofsvetes, of geloofsvervolging, zijn in wezen allemaal een middel om het eigen geloof maar te bevestigen. Het is ook een daad van afgunst op de vrijheid van anderen. De sterkte waarin het tot uiting komt hangt af van de mate waarin men zich heeft ingekapseld in een benauwde vorm van geloof. De grootste charismatische predikers en zekerweters hebben natuurlijk het meeste last van twijfel, angst en vrees, en uiten zich daarom automatisch in de meest ongezonde prediking: "Met 'ik hoop dat ik ben wedergeboren' haalt u de hemel niet" aldus Orlando Bottenbley.









Geloof en Werken

We vervolgen onze klim op de trap der schizofrenie van het christendom. Op de vijfde trede staat de volslagen dubbelzinnigheid van het Nieuwe Testament wanneer het over geloof en werken gaat met betrekking tot de behoudenis. Zoals iedereen weet zijn er zelfs duizenden om het leven gekomen omdat ze of het één of het ander aanhingen en door anderen daarom vervolgd werden.

Laten we eerst Jezus zelf spreken in Johannes 3:


Vs 3: Tenzij iemand wederom geboren wordt, kan hij het Koninkrijk Gods niet zien.

Vs 5: Tenzij iemand geboren wordt uit water en Geest kan hij het Koninkrijk Gods niet binnengaan.

Vs 15: Opdat een ieder die in Hem gelooft, in Hem eeuwig leven hebbe.

Vs 16: Opdat een ieder die gelooft, niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe.

Vs 18: Wie in Hem gelooft wordt niet veroordeeld; wie niet gelooft is reeds veroordeeld.


Ook Johannes de Doper zegt dezelfde woorden (vs 36):


‘Wie in de Zoon gelooft, heeft eeuwig leven, doch wie aan de Zoon ongehoorzaam is zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem.’


Maar het evangelie van Marcus eindigt met de volgende woorden:


‘Wie gelooft en zich laat dopen, zal behouden worden, maar wie niet gelooft zal veroordeeld worden.’


Deze tekst ontbreekt in de oudste handschriften en is een duidelijk voorbeeld van latere interpolatie. In veel eerlijke bijbels staat Marcus 16: 9-20 dan ook tussen haakjes. Dit geval laat goed zien hoe vroege christenen er verbaasd over stonden dat in de synoptische evangeliën (dwz de eerste drie, die de oudsten zijn en voor een deel dezelfde inhoud bevatten) helemaal niet wordt gerept over het kardinale geloofspunt no 1 in het christendom! Merk op hoe de kerk hier ook voor de zekerheid de doop als voorwaarde stelt, rituelen dus op de voorgrond komen, plus de keerzijde, de veroordeling leert. Zo zien we al in dit vroeg stadium hoe het christendom verwordt tot een star geloofsstelsel dat je in één zin kan samenvatten. En mensen worden erin verstrikt door ze botweg voor het blok te zetten: wanneer ze het niet goedschiks aannemen, dan maar kwaadschiks: de dreiging met de hel zal ze een stuk op weg helpen.

Andere verzen die het centrale geloofspunt van geloof in Jezus leren zijn te vinden in Johannes 6: 47, Handelingen 16:30-31, (‘Stel uw vertrouwen op de Here Jezus en gij zult behouden worden’), Hebreeën 10:38-39, 2 Tim. 3:14-15 en
1 Petrus 1: 8,9.

Het is dan ook dit ‘geloof in Jezus’ dat we nooit en te nimmer mogen opgeven. In Openbaringen 2: 10 lezen we bijvoorbeeld: ‘Wees getrouw tot de dood en Ik zal u geven de kroon des levens’. En Jacobus waarschuwt: ‘Maar hij moet bidden in geloof, in geen enkel opzicht twijfelende, want wie twijfelt...moet niet menen dat hij iets van de Here zal ontvangen.’(1:7) Hier zien we één van de vele zijtakken van de verscheurdheid in het innerlijk van de gelovige: we worden ditmaal schuldig gemaakt wanneer we zelfs maar enige twijfel over dit geloof in ons op voelen komen.

Maar in 1 Cor. 13 horen we opeens dat de liefde de grootste van alles is, groter dan geloof dat bergen verzet (vs 2). ‘Geloof, hoop en liefde, deze drie, maar de meeste van deze is de liefde’ (vs 13).

Bovendien laat Jacobus nog weten dat geloof geen garantie voor behoudenis is: ‘Wat baat het, mijn broeders, of iemand al beweert geloof te hebben, als hij geen werken heeft? Kan dat geloof hem behouden?’ (Jak. 2:14, 15) Vers 22 laat weten dat ze in samenwerking met elkaar moeten zijn. Geloof zonder werken is dood. De gehele brief van Jakobus is gebaseerd op de door en door Joodse gedachte dat geloof op werken berust. Zo komt Jakobus tot de overtuiging: ‘Gij ziet, dat een mens gerechtvaardigd wordt uit werken en niet slechts uit geloof. Want zo is ook de hoer Rachab gerechtvaardigd.’ (vs 24, 25) [6]

Jakobus 2:24 staat dan ook in volledige tegenstelling tot Romeinen 3:28: ‘Want wij zijn van oordeel, dat de mens door geloof gerechtvaardigd wordt, zonder werken der wet.’ Reden waarom Luther de brief van Jacobus liever niet in het Nieuwe Testament wilde laten zitten. De tegenstijdigheid is te groot om opgeheven te worden met mooie redenaties.


De theologie van Paulus redeneert als volgt:


‘Want allen die het van de werken der wet verwachten liggen onder de vloek; want er staat geschreven: Vervloekt is een ieder die zich niet houdt aan alles, wat geschreven is in het boek der wet, om dat te doen. En dat door de wet niemand door God gerechtvaardigd wordt, is duidelijk; immers de rechtvaardige zal uit geloof leven. (Habakuk 2:4) Doch bij de wet gaat het niet om geloof, maar: wie dat doet zal daardoor leven. Christus heeft ons vrijgekocht van de vloek der wet door voor ons een vloek te worden.’ (Gal. 3: 10-14)


Paulus leert dus dat het christelijk geloof een streep zet door het Oude Testament, ja, zelfs dat het volk van Israël onder een vloek staat door de wet van Mozes te proberen te onderhouden! Waar deze theologie op uitmondde kan iedereen lezen in Handelingen 21-23. Het werd waarschijnlijk zijn eigen dood. Dit is niet iets waar we ons over moeten verbazen, want het is zelfs voor heidenen onmogelijk in te zien hoe we door te zeggen dat het voor ons een hopeloze taak is te proberen de goddelijke wet op te volgen en zo gerechtvaardigd te kunnen worden, we vervolgens die hele wet maar aan onze laars mogen lappen! En dit is waar het christendom op uitkwam door het werk van Paulus -in theorie natuurlijk, in de praktijk zijn er altijd genoeg geboden gebleven, maar deze theologie is vooral handig omdat je zo van vele lastige oudtestamentische voorschriften af kan komen. Zo mag een christen rustig varkensvlees eten en onbesneden blijven, een een katoenen broek over z'n wollen sokken aantrekken, maar moet hij zich hoeden voor het kaartspel, lipstick, voetballen op zondag, pokémonspel enz enz.

Natuurlijk hebben mensen de eeuwen door deze teksten gelezen en geprobeerd ze aan elkaar te rijgen. Je kunt voor de zekerheid het beste geloven in Jezus, kinderdopen, geboren worden uit de Geest en op een volmaakte manier werken doen. Maar het fundamentele probleem blijft ons altijd achtervolgen. Dit probleem wordt uitermate vergroot wanneer we de synoptische evangeliën doorlezen en opmerken dat Jezus daar nooit spreekt over geloof in zijn verzoenend werk, maar altijd verwijst naar de wet van Mozes, of ‘goede werken’. In Mattheüs 19: 17 wordt op de vraag hoe we eeuwig leven krijgen door Jezus geantwoord: Houd je aan de wet. Hij noemt er een paar op en eindigt met een oproep tot armoede. In Mattheüs 22 wordt Hem gevraagd wat de grootste is van alle geboden. Jezus antwoordt: ‘Gij zult de Here, uw God, liefhebben met geheel uw hart, en gij zult uw naaste liefhebben als uzelf.’ Alweer horen we niets over geloof in Hem. Maar de wet van Mozes is na veel geharrewar nu juist verworpen door de latere christelijke kerk op een paar punten na zoals onthouding van hetgeen aan afgoden geofferd is en van bloed en hoererij (Handelingen 15).

In de tweede brief van Paulus aan Timoteüs vertroebelt hij de zaken nog meer door te schrijven dat iets anders dan de behoudenis de reden was voor het geven van de door God geinspireerde heilige schrift:


‘Elk door God gegeven schriftwoord is nuttig om te onderrichten, te weerleggen, te verbeteren en op te voeden in de gerechtigheid, opdat de mens volkomen zij, tot alle goed werk volkomen toegerust.’ (2 Tim. 3: 16)


Dit schriftwoord is op wel drie manieren van belang. Ten eerste wordt met deze uitspraak vanouds de inspiratie van de bijbel verkondigd. Voor een ieder die onbevooroordeeld is zal het duidelijk zijn dat Paulus hier helemaal geen uitspraak doet over wat dan wel die schriftwoorden zijn! Het tweede punt zou men het toppunt van ironie kunnen noemen. Na 2000 jaar christendom zouden we namelijk bereid zijn in te stemmen met een helehoop redenen dan ook waarvoor ‘elk door God gegeven schriftwoord’ goed zou wezen, maar nu juist net niet die redenen die hier door Paulus gegeven worden! Ga de geschiedenis door en zie welk een geweldig ‘nut’ dit onderrichten, weerleggen en verbeteren van mensen gehad heeft! Je ziet de duizenden door psychische angst voor anders-zijn en anders-denken zelfmoord plegen, andere duizenden onthoofd of verbrand worden, en de honderdduizenden alles moeten achterlaten en vluchten naar de nieuwe wereld. En hiermee spreken we nog niet eens over de ontelbare ruzies waar mensen, veelal in eigen familie mee hebben gezeten, vanwege de interpretatie van de bijbel. [7]

Maar het derde punt is waar het in dit verband om gaat, namelijk dat Paulus hier opeens wel goede werken voorop stelt. En bovendien komen we hiermee ook weer terecht op de volgende onmogelijkheid. Jezus en ook Paulus laten vaak zien dat wij in de verste verten niet de wet kunnen vervullen, maar op andere plaatsen in de schrift, zoals deze, horen we opeens weer dat we wél volmaakt zijn toegerust voor goede werken:


‘Gij dan zult volmaakt zijn, gelijk uw hemelse Vader volmaakt is.’ (Mattheüs 5:48)


Wij concluderen dat wat de behoudenis aangaat Gods woord hopeloos onduidelijk is, een warboel van uiteenlopende ideeën. In sommige passages is geloof in Christus de enige voorwaarde tot het eeuwige leven, in andere ook de doop, het geboren worden uit de Geest, het zich houden aan de wet van Mozes, het doen van goede werken (hetgeen weer niet betekent het onderhouden van de wet van Mozes). Het spreekt vanzelf dat de gelovigen uit alle tijden de problemen op de een of andere manier hebben opgelost, want de godsdienst kun je boetseren tot welke vorm dan ook, maar het feit dat hier kerkscheuringen door ontstonden, en geloofsvervolgingen, laat zien dat de kwestie niet eenvoudig is en we niets anders kunnen doen dan ons hierover te verbazen, vooral wanneer we in gedachten houden dat het hier volgens de bijbel om kwesties van eeuwig leven en eeuwige verdoemenis gaat en het de boodschap is geïnspireerd door God almachtig. Trouwens, wanneer de bijbel het over het laatste oordeel heeft wordt altijd weer gesproken over ‘vergelding naar zijn werken’ (Rom, 2:6). En wanneer u dit alles doorgelezen hebt en nog steeds van mening bent dat voor u alles heel duidelijk is dan hier nog de volgende noot voor u om te kraken:


‘Niet een ieder die tot Mij zegt Here, Here, zal het Koninkrijk der hemelen binnengaan, maar wie doet de wil mijn Vaders die in de hemelen is. Velen zullen te dien dagen tot Mij zeggen: Here, Here, hebben wij niet in uw naam geprofeteerd en in uw naam boze geesten uitgedreven en in uw naam vele krachten gedaan? En dan zal Ik hun openlijk zeggen: Ik heb u nooit gekend; gaat weg van Mij, gij werkers der wetteloosheid.’


Hier zien we mensen de hel ingaan die blijkbaar geheel te goeder trouw christenen waren. En het waren niet bepaald zogenaamde naam-christenen. Ze waren op z’n minst lid van een energieke Pinkstergemeente. Kan het nog ingewikkelder worden? In ieder geval is zielsrust (het omgekeerde van schizofrenie) iets waar in het christendom misschien alleen de allerarmsten of allergewieksten van geest over kunnen beschikken. Dat we het probleem van tegenstrijdigheden in de leer van het christendom onmogelijk kunnen overdrijven bewijst wel het volgende: volgens de World Christian Encyclopedia, editie 2001, zijn er op het moment 33.800 verschillende kerkrichtingen op de wereld!









Het probleem van de miljoenen onwetenden

Het zesde onderdeel van innerlijk gespleten denken: Christus is gestorven voor allen die Hem (op de goede manier) belijden. Maar hoe zit het met de rest? Is eerlijk in de war zijn (een mens als ik die het christelijk geloof opgeeft) of volslagen onwetendheid (de overgrote meerderheid van de mensheid van alle tijden) of een vertekend beeld krijgen van het christendom (de kruisvaarders) een verontschuldiging om God niet te kennen? Zo ja, dan schijnt het er niet zo toe te doen of we nu wel of niet christen zijn, dan zijn er meerdere wegen tot God, dan is het christendom niet de unieke weg. Zo nee, dan gaat het merendeel van de mensheid verloren en verandert God in een monster. De bijbel is, niet verwonderlijk, ook tegenstrijdig op dit punt. In Handelingen 17 heeft Paulus in Athene een beeld opgemerkt met het opschrift: Aan de onbekende God. Hij preekt de Atheners meteen dat hij ze nu juist deze God bekend maakt.


‘Wat gij nu, zonder het te kennen, vereert, dat verkondig ik u.’
‘God dan verkondigt met voorbijzien van de tijden der onwetendheid, heden aan de mensen, dat zij allen overal tot bekering moeten komen.’


In conflict met deze passage is de passage in Romeinen 1, waar Paulus verklaart dat er helemaal geen ‘tijden der onwetendheid’ bestaan. Er is geen verontschuldiging voor onwetendheid van het kennen van God (Rom. 1:20), omdat God zich aan iedereen openbaart in de schepping wanneer mensen maar hun verstand gebruiken. Bovendien horen we hier dat iedereen dus de kans kreeg om God de eer te geven, maar in een vers als Openbaringen 13:8 komen we weer een determinisme tegen dat vrije wil tegenspreekt:


En allen die op aarde wonen, zullen het beest aanbidden, ieder wiens naam niet geschreven is in het boek des levens van het Lam, dat geslacht is, sedert de grondlegging der wereld.’


Ook in het Oude Testament horen we over voorbeschikking:


‘En als zij tot u zeggen: Waar moeten wij heengaan?, zeg dan tot hen: Zo zegt de Here: wie bestemd is ten dode, ten dode; wie bestemd is ten zwaarde, ten zwaarde; wie bestemd is ten honger, ten honger; wie bestemd is ter gevangenschap, ter gevangenschap.’ (Jer. 43:11)


We zouden de touwtjes weer aaneen kunnen binden door te interpreteren dat we hier over het ‘vooraf weten’ horen, maar eerlijker zou zijn voor de zoveelste maal te concluderen dat de bijbel ons in grote verwarring achterlaat. In ieder geval laat de bijbel ons via de laatste zinnen van het Marcusevangelie in geen enkele onzekerheid over het trieste lot van mensen die het evangelie gehoord hebben maar er geen gehoor aan geven. We kunnen onszelf ons hele leven pijnigen door elke dag de eerlijke, lieve, altijd behulpzame, intelligente, ontwikkelde en edele ongelovigen om ons heen in onze gedachten naar de hel zien gaan. Of eigenlijk niet, want indien we het slechts één dag zouden doen, zouden we al inzien hoe vreemd en onmogelijk en wreed ons evangelisch geloof is.









De schizofrenie van de hoogste ethiek

Ik ga zitten in een gemakkelijke stoel, sluit mijn ogen en probeer uit het doolhof te stappen door me te concentreren op de voor ieder te begrijpen boodschap van de liefde. Daar ging het toch allemaal om? Ach, het is onmogelijkheid, het lukt eenvoudig niet. Hoe zou het mogelijk zijn waarachtige liefde daadwerkelijk gestalte te geven terwijl al die verhalen, al die talloze uitspraken in dat zogenaamde Woord van God, waaruit de gelovige zijn inspiratie moet putten, niets anders doen dan het begrip liefde steeds maar aan te randen, steeds maar te verduisteren, steeds maar teniet doen?



Lange tijd, zelfs jarenlang, heb ik, net als miljoenen andere mensen, wel op vele manieren kritiek kunnen uiten op diverse aspecten en vertakkingen van het christelijk geloof, maar ben ik volkomen blind geweest voor de verdorvenheid van de hoogste ethiek die ons door Jezus in het Nieuwe Testament geleerd wordt. De hoogste ethiek van Jezus 'verdorven' te noemen is precies het laatste wat in een aanhanger of zelfs in een ex-aanhanger van het christelijk geloof ooit op zou komen. In de regel komt iemand die het christelijk geloof uiteindelijk vaarwel zegt op een soort denken terecht dat het christelijk geloof wel aanklaagt, maar de persoon Jezus toch blijft beschouwen als iemand met een ongeëvenaarde hoogwaardige ethiek en een voorbeeld ter navolging, zoiets als wat Nietzsche schrijft in de woorden die boven het vorige hoofdstuk vermeld staan, woorden die nota bene in De Antichrist staan, maar waarschijnlijk meer pro-Christus hebben gewerkt dan duizenden boeken van duizenden evangelisten bijelkaar genomen. Voor het opengaan van onze ogen is dan ook vereist dat we inzien dat die hoogste ethiek niet het uiterste hoogtepunt is van een levensoriëntatie op het liefdesbegrip, maar juist een dolgedraaide, een uiterst perverse interpretatie hiervan. Met 'de hoogste ethiek' bedoel ik de specifiek christelijke invulling van het begrip liefde, de invulling die uniek christelijk genoemd kan worden, en men elders dus niet vindt. Om dit specifiek christelijke te vinden hoeven we slechts drie bekende uitspraken van Jezus naast elkaar te leggen, uitspraken die gevonden kunnen worden in de beroemde bergrede (Matth. 5):


-Ik zeg jullie je niet te verzetten tegen wie kwaad doet, maar wanneer je op de rechterwang geslagen wordt, keer ook de linkerwang toe.

-Hebt uw vijanden lief, zegen hen die u vervloeken, en doe goed aan degenen die u haten.

-Gelukkig zijn jullie wanneer ze je omwille van mij uitschelden, vervolgen en van allerlei kwaad betichten.


Merk op hoe deze ethiek geen oproep tot vermijden van geweld is, of geweldloos verzet á la Gandhi voorschrijft, maar oproept tot totale passiviteit ten overstaan van het kwaad. Aan de basis van dit denken staat de gedachte dat de gelovige uiteindelijk -in het hiernamaals- ervoor beloond zal worden; de uitspraken van Jezus staan geheel in een context van "en uw loon zal groot zijn" en "gij zult niet geoordeeld worden".
Het pathologische van deze uitspraken is duidelijk wanneer men het onherroepelijk gevolg van deze denktrant maar voor ogen ziet: slachtoffer zijn is het kenmerk voor degenen die loon zullen ontvangen. Terwijl deze denktrant dus martelaarschap als hoogste deugd neerzet, schenkt ze tezelfdertijd een grenzeloze vrijheid aan geweldplegers en allerlei beestachtige mensheid om maar ongehinderd hun gang te kunnen gaan. Wanneer men de hoogste ethiek van Jezus bekijkt vanuit het gezichtspunt van de verdukker, uitbuiter, geweldpleger, machtsbeluste persoon, kan men stellen dat dit soort figuren zich geen betere ethische voorschriften voor jan en alleman zouden kunnen wensen dan juist deze ethiek van Jezus. Anders gezegd: de leer van Jezus is alsof ze door de misdadiger zelf geschreven is. Het voorbeeld dat Jezus zelf gaf, -een lam dat zijn mond niet opendoet en gewillig ter slachting gaat-, is natuurlijk de perfecte illustratie van de gevolgen van deze leer.
Het perverse van deze kijk op de liefde komt ook tot uiting op een andere manier. Jezus roept op tot het liefhebben van de naaste als onszelf, maar doet nooit iets om ons te leren onszelf lief te hebben. Integendeel, zijn leer is altijd het eisen van het nog hogere, het aanklagen van de mens, het voortdurend ontmaskeren van de innerlijke verdorvenheid van de mens die met zichzelf oftewel met het leven in zijn schik is. Het christelijk geloof van alle eeuwen staat dan ook op en groeit uit walging aan zichzelf, aan al het aardse, aan al het lichamelijke.


De 'schizofrenie van de hoogste ethiek' komt in het christelijk geloof tot uiting in de werking van wat men in de psychologie opgemerkt heeft als de band tussen geweldpleger en slachtoffer (abuse-bonding). Slachtoffers van misbruik ontpoppen zich in een later stadium veelal als misbruikers, anders gezegd: misbruik, geweldpleging en pijn dat een mens als slachtoffer ervaart, is oorzaak voor het later zelf optreden als misbruiker, geweldpleger en veroorzaker van pijn. Terugkijkend op de eeuwenlange Europese christelijke geschiedenis heeft het mij altijd verbaasd dat zij zoveel bloediger en barbaarser is dan bijvoorbeeld de Chinese of Indiase geschiedenis. Hoe in vredesnaam was men in staat anderen te verbranden vanwege andere religieuze opvattingen? Hoe is het mogelijk dat golven van religieus geweld al tot het christendom van de de vierde en vijfde eeuw behoorde, vanaf het eerste moment dat zij een machtspositie bezat? Hoe gebeurde dit alles in naam van een religie die zogenaamd de naastenliefde predikt? Hoe in vredesnaam was men in staat met een schoon geweten heidenen en vooral hun religie met wortel en al uit te roeien, slavenhandel uit te voeren, andere werelddelen uit te roven, de gehele amerikaanse bevolking te decimeren? Het wordt mij steeds duidelijker dat het antwoord op deze vragen ligt in een perverse godsdienst die onze cultuur opgedrongen is, een godsdienst die een vreemde samenknoping is van allerlei vertakkingen van verdorven denken -vaak tegengesteld aan elkaar: het autoritaire patriarchale denken dat absolute onderhorigheid eist en het vrouwelijke minacht, het narcisme tot de enige uitverkorenen te behoren dat verdeelt en opblaast, de minachting voor en afwijzing van het aardse leven dat moedeloos en ongevoelig maakt en verhardt, het ziekelijke geloof in de reddende kracht van lijden en in de noodzaak van ongenadige straf.







Typisch gelovig denken

Hier volgt een verzameling uitspraken die typerend zijn voor het gelovige denken. De eerste drie komen uit een willekeurig nummer van het blad Visie van de EO dat ik toevallig doorbladerde. Merk op hoe wij voor God moeten opkomen en hoe moeizaam Hij dat maar voor zichzelf kan doen.(1, 2) Merk ook op hoe de christen eerst angst creëert en vervolgens aankomt met de remedie om de angst kwijt te raken.(3)
Lees vervolgens hoe gemakkelijk Jezus' uitspraak dat men aan ons liefhebben kan zien of we volgelingen van Hem zijn, volkomen ontkracht kan worden.(4)
Merk op hoe het denken aan Gods straf óf via een achterdeurtje naar voren komt, óf zelfs de boventoon voert.(5, 6)
Lees hoe christendom en bijgeloof vaak op hetzelfde neerkomt.(7)
Zie ook in welk een bodemloze put van negativiteit vele christenen zich bevinden.(8)
Maak kennis met de uiteindelijke irrationele basis van het christelijke geloof (9) en met het meest geliefde wapen ter verdediging van geloofsovertuigingen. (10)




Vervolgens een komisch voorbeeld van hoe christenen worstelen om het Oude en Nieuwe Testament aaneen te rijgen. Als alternatieven worden ons aangeboden óf de bijbelse geboden óf 'het christelijke geweten', in de voorstelling van de schrijver een keus tussen 'wet' en 'vrijheid'. Een oplettende lezer zal echter inzien dat de werkelijke alternatieven voor de christen altijd deze benarde situatie is: een keus tussen 'mag niet' en 'je mag het niet eens willen'. Het is een uiterst beklemmende keus tussen 'de wet' die we uiteindelijk zelf hebben opgesteld en het nog strengere vrome geweten dat we als middeleeuwse monniken die immer aan zelfkastijding doen en voor God nooit vroom genoeg kunnen wezen, natuurlijk ook zelf scheppen.


"Ik herinner me nog dat er kermis was in de plaats waar ik als jongen woonde. Mijn buurjongetjes gingen er naar toe. Thuis zat ik te zeuren dat ik ook naar de kermis wilde. Mijn moeder zei toen: 'Ga maar naar boven, en ga het de Heer vragen'. Ik werd kwaad en schopte tegen een stoel met de woorden: 'Zegt u liever dat ik niet mag, dan weet ik het tenminste'. Moeder antwoordde daarop: 'Ja, en dan zeker zitten mopperen van: 'en waarom mag ik nou niet, ik mag ook nooit wat!' Ga jij maar naar boven, ga het maar vragen...'.
Maar ik wilde liever een gebod, desnoods om er tegenaan te schoppen, dan een gewetensoefening. Zo lopen we als christenen het gevaar liever onder het beginsel 'wet' te willen staan dan in vrijheid de Heer dienen...In plaats van een geestelijke dienst wordt het dan een dienen naar de letter, en dan naar de letter die men zelf heeft opgesteld.
Laat me nog een voorbeeld mogen geven uit de praktijk, om aan te tonen hoe afstompend het zich onder de wet stellen kan werken.
Tijdens een bijbelbespreking stelde iemand mij de vraag of je op zondag naar een voetbalwedstrijd op de TV mocht kijken. Ik informeerde waarom in de vraag de zondag genoemd werd. Dat lokte uit -wat ik natuurlijk wel wist- dat men dit in strijd vond met het sabbatsgebod.
Daarop vroeg ik met welk recht men dan het sabbatsgebod van de zevende dag op de eerste dag van de week overbracht.
Dit stichtte enige verwarring. Sommigen meenden dat de dag waarop je rustte er toch eigenlijk niet toe deed. Ik trachtte hen ervan te overtuigen, dat 'wet' - 'wet' is en zij eigenlijk bezig waren de wet een beentje te lichten.
Dit bleek nog meer toen ze gesteld werden voor de vraag of ze op zondag ook de kachel verzorgden (verg. Num. 15: 32-36). Ze gingen toen druk aan de gang om wet en genade te mixen.
Daarop ontspon zich een gesprek over het verschil tussen de sabbat en de eerste dag van de week. Ik maakte duidelijk dat wij, als het volk dat gestorven is met Christus en met Hem is opgestaan, de eerste dag van de week kennen als de dag van de Heer, die we gebruiken om aan Hem te denken (1 Kor. 16:1; Hand. 20:7).
Daarop stelde ik hun de vraag of een TV uitzending van een voetbalwedstrijd nu wel zo'n geschikte tijdpassering is voor deze dag. Deze gewetensvraag liet ik volgen door een andere: 'U heeft deze vraag nu toegespitst op de zondag, maar heeft u zich nooit afgevraagd of het voor u wel geoorloofd is om door de week naar een voetbalwedstrijd te kijken?'.
Het bleek dat de meesten daarvan nooit een probleem gemaakt hadden. Of ik dan vond dat je nooit naar een voetbalwedstrijd mag kijken. Ik antwoordde dat ik me daar niet over uitliet, en daarvoor geen wet ging stellen, maar dat zij ieder voor zich voor hun geweten moesten bepalen of ze vrij waren er naar te kijken of niet en dat als hun hartstochten daardoor werden opgewekt, ze zeker fout zaten. Op deze manier probeerde ik hun duidelijk te maken dat een leven door de Geest wel iets anders is dan zich houden aan regels van 'dit mag wel' en 'dit mag niet'." (J. G. Fijnvandraat, De Wet)



Ik zou hierop het commentaar willen geven dat zo'n leven 'door de Geest' inderdaad van het je houden aan regels verschilt als de nacht van de dag. Let op hoe geniepig deze zogenaamde vrijheid een draai krijgt met de frase ...en dat als hun hartstochten daardoor werden opgewekt, ze zeker fout zaten! Van niets raakt een mens zo op het foute spoor als van de hartstocht tot vroom denken.


Tot slot een briljante analyse van de christelijke ervaring, gegeven door een christen zelf op het internet. Merk op: deze site wordt aangeboden door een Hulpverleningscentrum. Hulp zult u in het artikel niet aantreffen, maar omdat men hier gewend is om opnieuw en opnieuw hetzelfde verhaal te horen, wél een foutloze diagnose van de ziekte waar gelovigen onder lijden! De vinger wordt precies op de wond van iedere christen gelegd:



Stelt u uw geloof ook wel eens in vraag? Misschien dat u (met de tendensen van deze tijd mee) uw prioriteiten ook wilt verleggen? Misschien dat het u ook allemaal te zwaar gevallen is en u zich diep ontgoocheld voelt? Ontgoocheld, ja, op de eerste plaats ontgoocheld in de christelijke gemeenschap. Want christenen kunnen elkaar diep kwetsen. U had gedacht in een fijne warme familie te komen die u zou begrijpen, ondersteunen en aanvoelen wat u nodig had. Maar integendeel, ze hebben u wel voor alles nodig, maar dankbaarheid en erkenning, ho maar, en wanneer het u moeilijk gaat ziet u geen mens. Dat is echter nog niet alles. Het meest kwetsende is alles wat er achter uw rug wordt gezegd.
Op de tweede plaats bent u misschien ook teleurgesteld in u zelf. U had gehoopt dat u een ander mens zou worden door uw geloof. Dat u vriendelijker, gedisciplineerder en attenter zou worden. Dat u een beter voorbeeld voor uw kinderen en omgeving zou zijn. Maar u merkt weinig van een positieve uitstraling.
En op de derde plaats bent u misschien nog het meest in God teleurgesteld. Want wat hebt u niet gebeden voor uw kinderen en familie en waar zag u resultaat? Wat met allerlei onderstreepte beloften in de bijbel waar u voor gebeden hebt en die toch niet vervuld zijn?

Kunt u zich maar niet beter net als de massa afkeren van God en de christelijke gemeenschap? Uw geluk elders trachten te ontdekken? Het antwoord van de discipelen is erg verrassend. Ze zeggen niet "Natuurlijk niet" of "Hoe komt u er bij". Nee, ze laten zien dat ze de vraag ernstig in overweging hebben genomen. Dat ze er diep over nagedacht hebben, maar uiteindelijk tot een uitgebalanceerde conclusie zijn gekomen. Ze ontkennen niet dat het volgen van Jezus moeilijk is, ook niet dat zij geen teleurstellingen hebben. Maar, en dat is dan hun antwoord: "Wat is ons alternatief?", "Waar zouden we heen gaan?". Ze beseffen eerlijk dat ze geen keus hebben. Want ergens anders naartoe gaan lost niets op. Elders zullen hun vragen ook niet beantwoord worden. Er is echter ook een positieve reden. Ze zeggen: "Gij hebt woorden van eeuwig leven". Anders gezegd: "Boven alle teleurstellingen uit hebben we iets ontdekt, wat nergens anders te verkrijgen is en het prijskaartje van de teleurstellingen pakken we er dan maar bij". We zouden het ook zo kunnen zeggen: door U is er een verlangen in ons wakker gemaakt en we zullen niet opgeven voordat dit verlangen vervuld is.


De waarheid over het christelijke geloof zou niet droeviger uit de doeken gedaan kunnen worden. Voor iemand die het niet ziet de hint dat hetzelfde verhaal geschreven zou kunnen worden indien men druggebruikers wil beschrijven.









"Wanneer je opgegroeid bent met godsdienst en het later de rug toekeert kan dit soms een buitengewoon moeilijke ervaring zijn die het gehele leven op losse schroeven zet. Vaak blijven vertrouwde fundamentalistische gedachtengangen nog jarenlang nawerken. Er zijn geen afkick-groepen of psychologische behandelingen die speciaal gericht zijn op bevrijding van religie; we hebben dus niets anders om mee te werken dan onszelf. Vandaar dat we de verhalen van mensen die hun godsdienst opgaven verzamelen en te lezen aanbieden.
Sommigen hebben de verandering vrijwel zonder kleerscheuren doorgemaakt, maar dit zijn slechts de gelukkige uitzonderingen. De meeste ervaringen zijn bijzonder pijnlijk, en sommigen van ons zullen nooit de laatste restjes angst kwijtraken."
Cliff Walker, Positive Atheism Magazine, De-conversion Stories








            









[1]Gedeelte uit een evangelisatiepraatje:
"Waar komt deze kwaadaardige persoonlijkheid vandaan? De Bijbel leert dat de satan, die oorspronkelijk Lucifer heette, een van de mooiste en machtigste engelen van God was. Engelen zijn geslachtsloze geestelijke wezens, waarvan God er miljoenen heeft gemaakt. Hij heeft hen met een zekere macht bekleed en begiftigd met een eigen wil. Lucifer diende en aanbad degene die hem gemaakt had. Maar hij werd hoogmoedig. Hij ontketende een opstand in de hemel om de macht over te nemen van God. De opstand werd neergeslagen en met de engelen die aan zijn couppoging meededen, werd Lucifer uit de hemel verbannen. Toen God een andere soort schepselen had gemaakt, stervelingen van vlees en bloed, ondernam de verleider onmiddellijk pogingen hen aan zijn kant te krijgen. Helaas besloten Adam en Eva naar zijn raad te luisteren in plaats van naar God. Daardoor maakte het menselijk ras kennis met het kwaad, en door hun daad bepaalden de eerste mensen tevens hun bestemming - dezelfde bestemming als die van de verleider: eeuwige dood en verdoeming. De wet van gerechtigheid eiste deze straf. Maar vervolgens bedacht God in zijn liefde een plan om de mensheid te redden van haar vreselijke lot. Met zijn dood en opstanding nam Christus de schuld op zich die op de mensheid drukte, en hij opende voor mensen een weg naar bevrijding uit de greep van de duivel."

Hier een nóg mooier evangelisatiepraatje voor kinderen van vijf: "Alles was zo goed, dat God zelf zegt: 'Zie het was zeer goed' (Genesis, hoofdstuk 1, vers 31). Ongeveer in deze tijd, maar dat kan ook eerder geweest zijn, dat doet er niet zoveel toe, gebeurde er nog iets anders. Iets waar de aarde en de mens in eerste instantie niet zoveel van merken. Later echter des te meer. In de hemel, de woonplaats van God, is er namelijk een engel die in opstand komt. Deze engel is een van de belangrijkste engelen die er geschapen zijn, hij is continue in de tegenwoordigheid van God. Het is hem echter naar de bol gestegen en hij wil nog hoger klimmen dan God hem gesteld heeft. Aangezien hij al een van de hoogste, zo niet de hoogste engel is, betekent nog hoger, de troon van God zelf. Hij wil gelijk worden aan God. God kan dit als vanzelfsprekend niet toestaan en moet hem hiervoor straffen. Hij (God) werpt hem in de uiterste hoek van Zijn rijk (voor zover er een 'uiterste hoek' aan het rijk van God te vinden is). De engel zweert echter wraak en weet een leger van engelen over te halen om in de opstand tegen God te helpen. Deze strijd is onderwerp van heel wat geschiedenissen in de tijd van de Bijbel, en ik geloof ook van de tijd waarin jij en ik hier en nu leven. Deze engel noemen we wel 'Satan', of 'Duivel'. Andere namen zijn 'Lucifer', of 'gevallen engel'. Ik zal in dit stuk 'Satan' gebruiken."
Op de site Mijn Geloof zijn voor de nieuwsgierigen uitgebreid de verdere details te lezen.



[2]Amos 3: 6: ‘Geschiedt er een ramp in een stad zonder dat Jahweh die bewerkt?’ Alles komt uit de hand van God en is niet noodzakelijkerwijs verbonden aan de zonde. Er zijn zelfs teksten te vinden in het Oude Testament die God regelrecht afschilderen als de persoon die men in het Nieuwe Testament de Duivel of Satan noemt:
Job 12: 23-25: "Volken maakt hij groot, dan richt hij ze te gronde, volken maakt hij machtig, dan voert hij ze weg. Hun aanvoerders beneemt hij het verstand, hij laat hen dolen in een woestenij zonder uitweg. Ze tasten in een lichtloos duister rond, hij laat hen zwalken als beschonkenen."
1 Kon. 22: 19-23: "Micha [de profeet Gods] zei [tegen de koning]: ‘Luister naar wat Jahweh te zeggen heeft. Ik zag Jahweh op zijn troon zitten, en aan weerszijden van hem stonden alle hemelse machten opgesteld. Jahweh vroeg: “Wie gaat Achab overhalen om tegen Ramot in Gilead ten strijde te trekken, zijn ondergang tegemoet?” De een zei dit en de ander dat, en ten slotte trad een van de geesten op Jahweh toe en zei: “Ik zal hem overhalen.” “Hoe wil je dat doen?” vroeg Jahweh. “Ik zal naar hem toe gaan en leugens spreken door de mond van al zijn profeten,” zei de geest. “Doe dat,” zei Jahweh. “Het zal je beslist lukken.” Welnu, zo heeft Jahweh in de mond van al deze profeten van u leugens gelegd. Hij heeft het juist slecht met u voor.’"



[3]Op de meest sarcastische wijze wordt dit door Schopenhauer naar voren gebracht:

“Gesprek uit het jaar 33

A: Heb je het laatste nieuws al gehoord
B: Nee, wat is er gebeurd?
A: De wereld is verlost!
B: Wat zegt u me nou?
A: Ja, de lieve God heeft een menselijke gestalte aangenomen en zich in Jeruzalem laten terechtstellen: daardoor is de hele wereld verlost en de duivel gewipt.
B: Wel, wel, dat is nog eens aardig!”





[4]Het is in dit specifieke geval trouwens gemakkelijk de rollen om te draaien: zowel Judas als Petrus beroepen zich in hun argumenten tegen valse leraren op het Boek van Henoch, een vals geschrift, hetgeen hen bijgevolg ook maakt tot valse leraren! Zie hoe de schrijver van de Aantekeningen zich uit deze ongerijmdheid moet loswringen: "De vraag rijst hoe Judas aan deze profetie van Henoch kwam. Ze staat niet in de bijbel. Er bestaat wel een apocrief boek van Henoch, waar deze woorden voorkomen. Men kan echter niet met zekerheid beweren dat Judas zijn kennis aan dit boek ontleende." De laatste zin is een goed voorbeeld dat laat zien hoe iemand die als dogma de onfeilbaarheid van de schrift aanhangt liever tegen intellectuele oneerlijkheid aanleunt dan de bijbel tegenspreekt.



[5]Zo vertelde een tot geloof gekomen jongeman (die later het christelijk geloof vanwege de ‘oneerlijkheid’ van de gevoelens van gelovigen teleurgesteld weer de rug toekeerde) dat hij verliefd werd op een gelovig meisje. Na een tijdje uitte hij zijn gevoelens en vroeg hij of zij deze gevoelens kon beantwoorden. De reaktie van het meisje was: ‘Ik zal het in gebed brengen en vragen hoe God erover denkt’. Het meisje maakt zo een soort scheiding tussen zichzelf en een ingebeelde vorm van zichzelf. Het lijkt er dan vaak op dat voor het merendeel alles wat we graag willen zonde is, en alles wat we beslist niet willen Gods wil is. Met bepaalde goocheltoeren kun je uiteindelijk toch mooie compromissen sluiten. Hier een verhaal dat uitstekend laat zien hoe het in zijn werk gaat en veel van de zaken die ik in dit hoofdstuk probeer aan te snijden levendig illustreert.



[6]De tegenstrijdige theologie over ‘goede werken doen’ roept aan de ene kant op tot het onderwerpen van de aarde, hard werken, woekeren met talenten, en aan de andere kant tot het niet mogen genieten van weelde en genot, omdat totale overgave aan God wordt gezien als iets wat in volledige strijd staat met genot en weelde. Niet voor niets heeft men oa Nederland, de bakermat van dit soort theologie, als de geboortegrond van het kapitalisme beschouwd. De gelovige zal er dus alles aan doen om rijk en zakelijk succesvol te worden en ondergaat tezelfdertijd een eeuwige wroeging vanwege zijn rijk zijn. Zo zullen bedelmonniken altijd het geweten van de zakenman aanklagen, maar de eerlijke ondernemer en zwoeger zal het geweten van de bedelmonnik en (in katholieke landen) de rijke kerk aanklagen.



[7] Het gebod zich af te scheiden van het kwaad zal mensen in grote mate kunnen doen vereenzamen en een verkrampt leven leiden. Indien men hierin strikt is zal men als individu geen partner kunnen vinden, in het gezin geen liefde, als gelovige geen goede kerkgemeenschap, op school geen vrienden, in dienst geen kameraden, op het werk geen goede collega’s. Men moet kiezen tussen het met een slecht geweten gedogen van het kwaad in de gemeenschap of een steeds groter wordende vereenzaming. Zelfs broeders zullen telkens uit elkaar gaan wanneer ze de ander op bepaalde geloofspunten niet kunnen volgen. Het haten van kwaad is dan ook vaak de grootste oorzaak voor het ontstaan van vijanden. Ieder liefdevol gebaar van toenadering zal door een andere gelovige als heulen met het kwaad bestempeld worden. Hoe vromer, des te meer haat. Dit komt het meest tot uiting in de haat - of zouden we het angst moeten noemen?- voor 'de wereld':

"Maar ik wens u nog op een bijzondere omstandigheid te wijzen met betrekking tot de tijd van de beloning. Het zal wezen, wanneer Hij de schapen van de bokken zal hebben gescheiden. Indien ik een kind van God ben, dan kan ik mijn loon niet ontvangen, zolang ik nog in vereniging ben met de goddelozen. Zelfs op aarde zult gij het meeste genot hebben van Christus, wanneer gij het meest afgescheiden zijt van de wereld. Wees er van verzekerd, dat, ofschoon dat afgezonderde, eenzame pad niet gemakkelijk schijnt, en het u gewis vervolging en het verlies van vele vrienden zal bezorgen, zo is het toch dáár het gelukkigste wandelen. Gij christenen, die aan de wereld gelijkvormig zijt; gij, die tot op zekere hoogte in de vreugde en vrolijkheid van de wereld kunt delen; zoals gij nu zijt, kunt gij nooit de innerlijke blijdschap kennen van hen, die in eenzame, doch liefelijke gemeenschap leven met Jezus. Hoe dichter gij nadert tot de wereld, hoe verder gij van Christus af zijt; en ik geloof, dat, hoe beslister gij een scheidbrief geeft aan elk aards voorwerp, waarop uw hart zich zou kunnen zetten, hoe inniger uw gemeenschap zal wezen met de Heere." [uit de preek 'De schapen en de bokken' van Charles Spurgeon]













[V1]Ik verzeker u: wie gelooft, heeft eeuwig leven.

[V2]38 Mijn rechtvaardige zal leven door het geloof. Maar als hij het opgeeft kan hij mij niet langer behagen. 39 Maar wij behoren niet tot hen die het opgeven en verloren gaan, maar tot hen die geloven en daardoor hun leven behouden.

[V3] 14 Blijf jij bij wat je geleerd hebt en met overtuiging hebt aangenomen. Je weet wie je leraren waren. 15 Van jongs af ben je vertrouwd met de heilige geschriften, waaruit je wijsheid kunt putten die leidt tot redding door het geloof in Christus Jezus.

[V4] U gelooft in Hem zonder Hem nu te aanschouwen. Maar u juicht van onuitsprekelijke, hemelse vreugde, omdat u wordt gered. Dat is immers het doel van uw geloof.