Volwassen Geloof                                                                      Appendix 4

        











(Gepubliceerd in de New York Times Magazine, 9 November, 1930)


Alles wat de mensheid heeft uitgevoerd en uitgedacht heeft te maken met de bevrediging van diepgevoelde behoeften en het verlichten van pijn. Wanneer men geestelijke stromingen en religieuze ontwikkelingen wil begrijpen, moet men dit altijd voor ogen houden. Achter al het menselijk scheppen en streven staan gevoelens en behoeften, zelfs wanneer ze zich in de meest verheven vorm aan ons voordoen. Wat zijn nu de drijfveren die de mens hebben aangespoord tot religieus denken, in de meest algemene zin opgevat? Slechts een zich weinig verdiepen in deze vraag zal al genoeg zijn om ons ervan te overtuigen dat de meest uiteenlopende gevoelens aan de wieg van religieus denken en religieuze ervaring staan. Bij de primitieve mens staat vooral angst centraal –angst voor honger, wilde beesten, ziekten, dood. Aangezien in deze fase van het bestaan een begrip van oorzaak en gevolg in de regel slecht ontwikkeld is, schept de menselijke geest illusoire wezens, meer of minder analoog aan zichzelf, waaraan alle angstwekkende gebeurtenissen gewijt worden. Bijgevolg zal men de gunst van deze wezens voor zich willen winnen met behulp van het uitvoeren van bepaalde handelingen en het offeren van slachtoffers. De traditie –overgeleverd van generatie op generatie- verzekert de mens ervan dat verzoening en gunstig stemmen van deze machten ten aanzien van stervelingen op desbetreffende manieren uitgevoerd moet worden. De religie van angst wordt -hoewel niet door haar gecreëerd- voor een belangrijk deel gestabiliseerd door de formatie van een bijzondere priesterklasse, die zichzelf opstelt als bemiddelaar tussen de mens en de wezens waar men angst voor heeft; en die zo uitgroeit tot een positie van grote macht. In vele gevallen wordt wereldlijk gezag ondersteund door de politieke leider godsdienstige functies te geven, of door een grote mate van samenwerking tussen de priesterklasse en de politieke wereldlijke macht.


Een andere bron voor de uitkristallisering van religie zijn sociale behoeften. Vaders en moeders en de leiders van grotere gemeenschappen zijn sterfelijk en maken fouten. De wens bijstand, liefde en bijval te krijgen heeft tot gevolg dat men van God een sociaal en moreel beeld maakt. Dit wordt dan de God van de voorzienigheid, de God die beschermt, uit de weg ruimt, beloont en straft. De gelovige opvattingen bereiken de grens van het gezichtsveld met het uitspreken van Gods liefde voor de gehele stam, het volk, zelfs voor de gehele mensheid of voor het leven zelf. God wordt dan ook gezien als de trooster in verdriet en vergeefs verlangen. God weet de zielen van de overledenen zelfs in stand te houden. Tot zover de sociale en morele aspecten van het godsbeeld.


De joodse geschriften zijn een zeer goede illustratie van de geleidelijke ontwikkeling van de godsdienst gebaseerd op angst naar een godsdienst gebaseerd op moraal. De ontwikkeling zet zich voort in het Nieuwe Testament. De godsdiensten van alle beschavingen, in het bijzonder die van de volken uit het oosten, zijn in de eerste plaats moraalreligies. De ontwikkeling van angstgodsdienst naar moraalgodsdienst is een grote stap in het leven van mensen. En toch moeten we ervoor oppassen te generaliseren. In werkelijkheid zijn alle religies een mengeling van beide aspecten, men kan hoogstens spreken van verschillende beklemtoningen. In hogere beschavingen ligt de klemtoon altijd op het moreel handelen.


Iets wat al deze religies gemeen hebben is het antropomorfe (=mensvormige) karakter van hun godsbeeld. In de praktijk zijn het slechts enkele individuen met buitengewone begaafdheid, en gemeenschappen van buitengewoon hoge ontwikkeling, die boven dit niveau kunnen uitgroeien.

Zo komen we op een derde vorm van religiositeit, te vinden in alle godsdiensten, maar zelden in een pure vorm; ik zal het de ervaring van kosmische religiositeit noemen. Dit concept is moeilijk uit te leggen voor iemand die er totaal onbekend mee is, aangezien dit niet uitgelegd kan worden in termen van een antropomorf godsbeeld.


Het individu ervaart de zinloosheid van menselijke wensen en doelstellingen, maar tegelijkertijd de sublieme en overweldigende orde die zich ontvouwt aan ons in de natuur en in de wereld van gedachten. Het individuele bestaan komt hem voor als een opgesloten zijn in een soort van gevangenis, en hij wil het universum als één groot geheel ervaren. De eerste aanzetten tot zulk een kosmisch religieus gevoel zien we al in vroege stadia van ontwikkeling, bijvoorbeeld in bepaalde psalmen van David en in passages uit de profeten. In het Boeddhisme, zo goed beschreven door Schopenhauer, komt het veel sterker naar voren.


Alle religieuze genieën hebben zich onderscheiden door deze vorm van religiositeit. Zij kenmerkt zich door afwezigheid van zowel dogma als een God geschapen naar het evenbeeld van de mens. Bijgevolg creëert zij nooit een kerk die bepaalde leringen onderhoudt. En bijgevolg zijn het precies de ketters uit alle eeuwen die deze allerhoogste vorm van godsdienst aanhingen en in vele gevallen uitgemaakt werden voor atheïsten, in enkele gevallen ook voor heiligen. In dit licht bezien zijn Democritus, Franciscus van Assisi en Spinoza zeer verwant aan elkaar.


Hoe kan men het concept van kosmische religieuze ervaring van persoon tot persoon doorgeven, wanneer tezelfdertijd geen gebruik gemaakt kan worden van een bepaalde voorstelling van God en een vastomlijnde theologie? In mijn opinie is het de belangrijkste functie van kunst en wetenschap om deze ervaring op te wekken, te onderhouden en door te geven aan hen die hiertoe in staat zijn.


Na deze overwegingen komen we uit op een zeer ander inzicht dan waaraan we gewend zijn bij het overdenken van de relatie tussen wetenschap en geloof. Historisch bezien zien we dat godsdienst en wetenschap altijd onverzoenlijke vijanden van elkaar zijn geweest, en wel om overduidelijke redenen: iemand die er grondig van overtuigd is dat ons bestaan op de wet van oorzaak en gevolg berust –en er daadwerkelijk zijn conclusies uit trekt- kan geen moment de gedachte meer serieus nemen dat er een wezen is die deze wet telkens opheft. Hij heeft ook geen belang meer bij een godsdienst gebaseerd op angst en al evenmin voor een God die geboetseerd is volgens onze sociale en morele opvattingen. Een God die beloont en straft is onmogelijk in te denken, vanwege de eenvoudige reden dat het handelen van de mens door interne en externe noodzakelijkheden wordt bepaald; in de ogen van God kan hij net zo min verantwoordelijk zijn als de levenloze objecten die bepaalde krachten ondergaan. De wetenschap is om deze reden vaak aangeklaagd als ondermijner van de moraal, maar de aanklacht is niet gerechtvaardigd. De moraal van een mens dient volledig gebaseerd te zijn op medeleven, ontwikkeling en sociale banden en behoeften. Een religieuze basis hiervoor is niet noodzakelijk. Het zou inderdaad een belabberde zaak zijn indien de mens slechts ingetoomd zou kunnen worden met behulp van de concepten van angst voor straf en hoop op beloning na de dood.


Het is daarom gemakkelijk in te zien waarom de kerken altijd tegen de wetenschap hebben gevochten en de aanhangers ervan hebben bestreden. Aan de andere kant ben ik van mening dat de kosmische religieuze ervaring het sterkste en edelste motief is voor wetenschappelijk onderzoek. Alleen zij die zich bewust zijn van de buitengewone krachtsinspanningen, en bovenal van de exceptionele toewijding die pionierswerk op het gebied van theoretische wetenschap vereist, zijn in staat de kracht van de ervaring die zulk werk –zo ver verwijderd als het is van de alledaagse realiteit- oplevert, te vatten. Wat moeten Kepler en Newton een diepe overtuiging hebben gehad van de rationaliteit die aan de basis van het universum ligt, en wat een diep verlangen moeten ze hebben gehad om het te doorgronden, zij het slechts als een zwakke weerspiegeling van de geest (mind) die zich in onze wereld openbaart, om zich jarenlang toe te wijden aan eenzaam zwoegen om de wetmatigheden van hemelse mechanica te ontrafelen! Zij die een beeld van wetenschappelijk onderzoek hebben dat gebaseerd is op de praktische resultaten, scheppen zich gemakkelijk een volkomen foutief beeld van de geestesgesteldheid van de grote mannen die temidden van een wantrouwige omgeving gelijkgezinde geesten, her en der als eenlingen verspreid over de wereld en over vele eeuwen, de weg wezen. Slechts iemand die zijn leven heeft overgegeven aan soortgelijke doelstellingen kan zich een levendig beeld scheppen van wat deze mannen heeft geïnspireerd, en waar deze mensen de kracht vandaan haalden om trouw aan hun doelstellingen te blijven, ondanks talloze pogingen die mislukten. Het is deze kosmische ervaring die de kracht ertoe geeft. Iemand uit onze tijd heeft eens gezegd dat in deze materialistische tijd de enige diepzinnig religieuze mensen de serieuze wetenschapsmensen zijn.




 (Redevoering gehouden op 19 mei 1939, Princeton Theological Seminary:)


Gedurende de vorige eeuw en een deel van de eeuw daarvoor, was men algemeen van mening dat er een niet te beslechten conflict bestond tussen kennis en godsdienst. Geleerde koppen waren veelal van mening dat het tijd werd dat godsdienst vervangen zou worden door kennis. Geloof dat niet op kennis berustte was bijgeloof, en moest als zodanig worden bestreden. Volgens deze opvattingen was de enige functie van opvoeding de weg tot denken en weten te openen, en de school -het orgaan bij uitstek voor opvoeding- moest slechts dit doel dienen.


Tegenwoordig zal men deze opvatting in zo’n extreme vorm zelden meer tegenkomen. Ieder redelijk mens zal de eenzijdigheid van zo’n standpunt meteen inzien. Maar men doet er goed aan een stelling in zijn meest extreme en naakte vorm naar voren te brengen indien men in eigen denken een helder antwoord wil krijgen op de merites ervan.


Het is waar dat overtuiging het overtuigendst klinkt wanneer ze gestoeld is op ervaring en helder denken. Wat dit punt betreft moeten we het zonder kanttekeningen eens zijn met de extreme rationalisten. Het zwakke punt in deze opvatting is echter dat overtuigingen die noodzakelijk en bepalend zijn voor ons gedrag en ons waardeoordeel, niet eenzijdig langs wetenschappelijke weg gevonden kunnen worden.


De wetenschap kan ons niets anders vertellen dan hoe feiten met elkaar samenhangen en door elkaar beïnvloed worden. Het streven naar objectieve kennis behoort tot het hoogste waartoe een mens in staat is, en u hoeft mij er echt niet van te verdenken de prestaties en de heldhaftige ondernemingen van mensen op dit gebied te willen bagatelliseren. Maar het is evenzeer duidelijk dat kennis van wat is niet automatisch de deur opent tot dat wat zou moeten zijn. Men kan over de meest heldere en complete kennis beschikken van wat is, en toch niet in staat zijn om van daaruit de conclusies te trekken wat het doel van menselijk streven nu eigenlijk zou moeten zijn. Objectieve kennis geeft ons krachtig gereedschap om tot bepaalde doeleinden te komen, maar wat het doel zal zijn en het verlangen ernaar, zal uit andere bron moeten komen. En ik denk niet dat het debat tot gevolg heeft wanneer ik stel dat ons bestaan en ons handelen slechts betekenis krijgen wanneer we ons doelen en bijpassende waarden stellen. De kennis van wat waar is is op zich geweldig, maar het is zelfs zo slecht in staat ons te dienen als gids dat het zelfs niet de rechtvaardiging van het streven naar waarheid en ware kennis kan bewijzen. Puur rationeel denken over ons bestaan heeft dus zijn beperkingen.


Maar we moeten ook weer niet denken dat we intelligent denken maar op een zijspoor kunnen zetten, wanneer we bezig zijn met doelstellingen en ethische oordelen. Wanneer iemand opmerkt dat iets bereikt kan worden bij aanwending van een bepaald middel, dan wordt het middel zelf het volgende doel. Intelligentie laat ons de relatie zien tussen het doel en de middelen. Maar het denken op zich kan ons niet een begrip van het uiteindelijke en als basis dienende doel schenken. De godsdienst nu dient naar mijn mening om basisdoeleinden en basiswaarden duidelijk te maken en ze stevig in het emotionele leven van het individu te plaatsen. Indien men vraagt waar de authoriteit voor zulke doelstellingen van afgeleid wordt –aangezien ze niet met behulp van het aanwenden van puur rationeel denken aangetoond kan worden- kan men slechts op één manier antwoord geven: ze bestaan in een gezonde maatschappij al als krachtige tradities, en doen voortdurend een beroep op het streven en de waardeoordelen van individuen, dwz ze bestaan als iets levends om ons heen, zonder dat zij bewijs nodig hebben. Zij ontstaan niet door het bewijs ervoor te leveren, maar als openbaring, vanwege het optreden van krachtige persoonlijkheden. Het gaat er niet zozeer om ze te rechtvaardigen, maar slechts om eenvoudigweg er kennis van te nemen en hun natuur te ontwaren.


Wij in onze maatschappij hebben de hoogste aspiraties en waardeooordelen via de joods-christelijke traditie gekregen. Deze doelstellingen zijn hoog gesteld, we kunnen er slechts ten dele aan beantwoorden, maar het geeft ons een basis voor waarnaar we streven. Indien we het doel van zijn religieuze kleren zouden ontdoen en slechts naar de puur menselijke kanten ervan kijken, zou men de doelstelling zo onder woorden kunnen brengen: wij streven naar een vrije en verantwoordelijke ontwikkeling voor ieder individu, zodat een ieder zijn krachten vrijwillig en goed geluimd in dienst van de gehele mensheid zal stellen.


Er is in deze opvatting geen plaats voor de vergoddelijking van een bepaald volk, een bepaalde klasse, laat staan voor een bepaald persoon. In religieuze taal zou men zeggen: Zijn wij niet allen kinderen van één vader? We kunnen zo ver gaan te zeggen dat ook de vergoddelijking van het gehele menselijke ras als een abstract geheel geen eer doet aan dit nobele ideaal. De ziel is slechts aan ieder individu gegeven. En de hoogste vorm van het individu is eerder te dienen dan gediend te worden, of zichzelf aan het geheel op te dringen.


Indien men tot de kern van dit denken doordringt zal men zien dat deze woorden ook een politieke betekenis hebben. De ware democraat zal zijn land net zo weinig bewierroken als de ware religieuze mens.


Wat is zo gedacht de functie van opvoeding en de school? Zij zouden moeten helpen de jonge mens zo te laten opgroeien dat deze fundamentele principes de lucht zijn die hij in- en uitademt. Lesgeven op zich kan zoiets niet doen.


Indien men deze hoge idealen voor ogen houdt, en ze vergelijkt met het leven en de geest van onze tijd, dan kan men niet anders dan concluderen dat onze beschaafde wereld zich op dit moment in zeer ernstig gevaar bevindt. In de totalitaire staten zijn de alleenheersers bezig met het vernietigen van de geest van bovengenoemde menselijkheid. In andere delen van de wereld hebben we te maken met nationalisme en intolerantie, en ook met onderdrukking van individuen met behulp van economische middelen. Op vele plaatsen dreigen de meest waardevolle tradities te stikken.


Gelukkig zijn er steeds meer denkende mensen die zich bewust worden van de ernst van de situatie, en er wordt overal gezocht naar uitwegen. Zulke pogingen zijn natuurlijk welkom. Maar de antieke wereld wist iets wat wij naar het schijnt vergeten zijn: alle middelen werken als botte messen indien ze niet gedragen worden door een levende geest. Indien het verlangen naar hoge idealen krachtig in ons leeft zullen we de kracht om onze idealen te verwerkelijken verkrijgen en ze in daden omzetten.




(Science, Philosophy and Religion, A Symposium, 1941)


Het is niet moeilijk een eensluidende omschrijving van wat wetenschap is te geven. Wetenschap is het eeuwenoude streven om met behulp van systematisch denken alle waarneembare verschijnselen in een zo’n diepgaand mogelijk verband met elkaar te brengen. Om het gewaagd te zeggen, het is de poging om het bestaan achteraf te reconstrueren door de processen te doorgronden. Maar wanneer ik mezelf afvraag wat godsdienst is kan ik niet zo even met een antwoord aankomen. En zelfs nadat ik voor een moment een antwoord gevonden heb, blijf ik er evenzeer van bewust dat ik met geen mogelijkheid recht kan doen aan alle gedachten die mensen aan dit onderwerp hebben gegeven.


Allereerst zou ik in plaats van me af te vragen wat godsdienst nu eigenlijk is, liever willen weten wat het streven van iemand die me religieus voorkomt karakteriseert. Voor mij is een waarachtig religieus persoon iemand die naar zijn beste vermogens zichzelf vrijgemaakt heeft van de boeien van egoïstische behoeften, en zich bovenal bezighoudt met gedachten, gevoelens en streven waarvan de waarde het persoonlijke te boven gaan. Naar mijn mening is de kracht van deze suprapersoonlijke inhoud en de diepgang van overtuiging wat betreft de overweldigende betekenis ervan, het belangrijkste in de godsdienst. Of deze dingen in verband worden gebracht met een goddelijk Wezen is van ondergeschikt belang; anders zouden we Boeddha en Spinoza geen religieuze denkers moeten noemen. Bijgevolg is een religieus persoon vroom in de betekenis dat hij geen twijfel heeft over de grootse waarden van deze suprapersoonlijke zaken; zaken die vanwege hun verhevenheid niet bewezen hoeven te worden, noch rationeel bewezen kunnen worden. Ze bestaan met dezelfde vanzelfsprekendheid als hijzelf. Godsdienst, zo opgevat, is de eeuwenoude poging ons voortdurend bewust te zijn en ons steeds sterker bewust te laten worden van deze waarden en doeleinden.


Indien men godsdienst en wetenschap volgens deze definities beschouwt, zal een conflict tussen die twee onmogelijk blijken te zijn. Want wetenschap kan zich slechts uitspreken over wat is, en niet over wat zou moeten zijn. Godsdienst, aan de andere kant, houdt zich bezig met het evalueren van menselijk gedrag en menselijke handelingen. Zij legt ons niet de feiten uit of de onderlinge relaties tussen feiten. Conflicten in het verleden tussen wetenschap en godsdienst moeten dan ook allemaal worden toegeschreven aan misverstanden aangaande wat godsdienst of wetenschap is.


Om een voorbeeld te geven: misverstanden ontstaan wanneer een religieuze gemeenschap staat op de absolute waarheid van elke uitspraak opgetekend in de bijbel. Dit betekent dat de godsdienst dan het gebied van de wetenschap betreedt. En zo ontstaan er gevechten tussen de kerk en Galileo en Darwin. Andersom gebeurt ook, wanneer representanten van de wetenschap pogingen ondernemen om fundamentele oordelen uit te spreken aangaande de geldigheid van waarden en doeleinden, op basis van de wetenschappelijke methode, en zo in conflict komen met de godsdienst. Al deze conflicten spruiten voort uit fatale misstappen.


Hoewel de gebieden van godsdienst en wetenschap duidelijk van elkaar zijn afgebakend, bestaan er toch sterke onderlinge relaties en zijn ze afhankelijk van elkaar. Hoewel godsdienst de zin bepaalt, heeft het ook geleerd van wetenschap welk middel bijdraagt tot het bereiken van het doel.

Aan de andere kant kan wetenschap alleen geschapen worden door lieden die grondig zijn doortrokken van het streven naar waarheid en begrip. De bron voor dit gevoel ligt in de godsdienst. Hiertoe behoort ook het geloof in de mogelijkheid dat de regels waaraan deze wereld onderworpen is, rationeel zijn, dwz voor rede vatbaar zijn. Ik kan me geen ware wetenschapper indenken zonder deze diepe overtuiging. Men zou het zo in beeldende vorm kunnen verwoorden: wetenschap zonder godsdienst is kreupel, godsdienst zonder wetenschap is blind (science without religion is lame, religion without science is blind).


Hoewel ik net gezegd heb dat in werkelijkheid een conflict tussen godsdienst en wetenschap niet bestaan kan, moet ik deze bewering toch iets nader onder de loep nemen op een essentieel punt, namelijk met betrekking tot de specifieke inhoud van de historische religies. De nadere aanduiding heeft te maken met het concept God. In de jeugdperiode van de geestelijke evolutie van de mensheid maakte menselijke fantasie goden naar het beeld van de mens. Men dacht dat deze wezens vanwege de handelingen die uit hun wil voortvloeiden de verschijnselen in onze wereld steeds bepaalden, of in ieder geval enigszins beïnvloedden. De mens dacht ook zelf gunstige invloed op deze krachten te kunnen hebben met behulp van magie en bidden. Het idee van God is een veredelde vorm van deze oude denkbeelden. We kunnen het antropomorfische karakter van God nog steeds ontwaren wanneer mensen een beroep doen op het Goddelijk Wezen om hun wensen in vervulling te doen gaan.


Niemand zal natuurlijk ontkennen dat het idee van het bestaan van een algoede, almachtige, rechtvaardige en persoonlijke God de mens troost, hulp en richting kan schenken. Als voordeel heeft het ook dat dit godsbeeld zo simplistisch is dat het voor de minst ontwikkelde persoon toegankelijk is. Maar er kleven doorslaggevende mankementen aan dit idee, mankementen die al vanaf het begin van onze historie geuit zijn. Zij luiden: indien dit wezen almachtig is, dan is ieder gebeuren, inclusief iedere menselijke handeling, iedere menselijke gedachte, iedere menselijk streven en mensenlijk gevoel, Zijn werk. Op welke manier kunnen we dan stellen dat mensen verantwoordelijk gesteld kunnen worden door zulk een almachtig wezen voor hun denken en doen? In het uitdelen van beloning en straf zou dit wezen dan in zeker opzicht oordeel over Zichzelf uitspreken. En hoe kan dat weer gecombineerd worden met goedheid en rechtvaardigheid die aan Hem toegeschreven wordt?


De grootste bron van conflicten tussen de godsdienst en de wetenschap liggen in de opvattingen die we er op nahouden over een persoonlijke God. De wetenschap stelt zich tot doel algemene regels te geven die betrekking hebben op alle objecten in het universum en alle gebeurtenissen in tijd en ruimte. Voor deze regels is het essentieel dat er absolute algemene geldigheid verondersteld kan worden; dwz zij is niet bewezen maar in hoofdzaak een dagmenu. Godsdienst heeft echter vertrouwen in de mogelijkheid dat deze regels af en toe worden opgeheven, en beroept zich op enkele successen. Maar altijd kan men iemand vinden die deze successen ontkent en ze toeschrijft aan menselijk zelfbedrog. Het feit dat de wetenschap op basis van algemeen geldige natuurwetten het tijdelijk gedrag van vele verschijnselen heeft kunnen voorspellen met grote accuraatheid en zekerheid, staat diep gegraveerd op het denken van de moderne mens, zelfs indien hij van de werking en inhoud van deze natuurwetten weinig begrijpt.


Wanneer het aantal factoren dat een rol speelt in de complexe werking van verschijnselen ons boven het hoofd gaat, laat de wetenschappelijke methode het vaak bij ons afweten. Men hoeft slechts te denken aan het weer, waar voorspelling vaak onmogelijk is. Maar desalniettemin twijfelt niemand er aan dat het weer oorzakelijk te verklaren is, op basis van werkingen die in grote lijnen al aan ons bekend zijn. Het ontbreekt ons slechts aan overzicht over alle factoren die een rol spelen, we geloven niet dat het probleem is dat er in de natuur geen orde heerst.


Wat betreft de levende wezens hebben we veel minder kennis opgedaan omtrent hun wetmatigheden, maar ook hier komen we tot eenzelfde conclusie. Men behoeft maar te denken aan de systematische wetten van erfelijkheid of aan het effect van gifstoffen, bijvoorbeeld alkohol, op het gedrag van levende wezens. Wat ontbreekt zijn de details, maar niet het ontwaren van orde zelf.


Hoe meer een mens overtuigd raakt van de geordende natuur van alle dingen, des te minder hij nog ruimte heeft voor iets wat buiten dit geordend bestaan ligt en voor oorzaken die andere uitleg vereisen. Voor deze persoon is noch het heersen van de mens, noch die van een goddelijke wil een onafhankelijke oorzaak van natuurlijke gebeurtenissen.


De leerstelling van een persoonlijke God die steeds ingrijpt in de natuurlijke gang van zaken, kan door de wetenschap natuurlijk nooit helemaal weerlegd worden, omdat de godsdienst het optreden van God altijd kan verschuiven naar die zaken die door de wetenschap nog niet uitgelegd zijn. Maar ik ben van mening dat zulk een gedrag van representanten van de godsdienst niet alleen beneden de maat is, maar bovendien fataal kan zijn. Want een leer die niet bij machte is in het volle daglicht te wandelen, maar de duisternis nodig heeft, zal met zekerheid zijn invloed op de mensheid verliezen nadat het de vooruitgang van de mensheid onvoorstelbaar veel schade heeft toegebracht. In hun streven naar het ethisch goede moeten leraren van religie de moed hebben de leerstelling van een persoonlijk God op te geven, dwz moet men dat opgeven wat eeuwenlang de bron van angst en hoop was, en als gevolg waarvan de maatschappij een priesterklasse kreeg die zoveel macht in handen had. Geestelijke leraren moeten zich in plaats daarvan bedienen van krachten die uiting geven aan het Goede, het Ware en het Schone in ons menszijn. Dit is, ik geef het toe, zeer zeker een veel moeilijkere taak, maar ook één die onvergelijkelijk veel waardevoller is. Nadat godsdienst op deze manier wordt verfijnd zal men zeker met blijdschap bemerken dat ware godsdienst verrijkt, veredeld en verdiept is door wetenschappelijke kennis.


Indien het één van de doeleinden van religie is de mensheid te bevrijden van de slavernij van egocentrische verlangens, wensen en van angsten, kan wetenschappelijk denken ook op een andere manier nog helpen. Hoewel het waar is dat het doel van de wetenschap is regels te ontdekken die de feiten beschrijven en kunnen voorspellen, is dit niet het enige doel. Het beoogt ook het aantal ontdekte factoren van invloed te minimaliseren tot het kleinst mogelijke aantal in te denken onafhankelijke elementen. Het is juist dit aspect van het reduceren van de veelheid tot een eenheid dat de wetenschap haar grootste successen heeft doen boeken, hoewel het tegelijkertijd ook de meest riscabele operatie is in wetenschappelijk denken. Maar degene die de grootse ervaring heeft opgedaan van enorme vooruitgang in inzichten die deze werkmethode tot gevolg heeft, is diep onder de indruk van de rationaliteit die in het bestaan tot uiting komt. Dus via een steeds dieper begrip ervaart hij een diepgaande bevrijding van de ketenen van individuele wensen en hoop. De wetenschappelijke werkmethode schenkt de nederige houding van de geest ten opzichte van de grootsheid van de rede. Deze grootsheid ontwaren we overal in het bestaan, terwijl tegelijkertijd de uiteindelijke diepste diepten ervan ons mensen altijd ontgaat. Maar deze houding is, naar het mij toeschijnt, godsdienst in de allerhoogste betekenis van het woord. Het lijkt mij toe dat wetenschap dus niet slechts de godsdienst zuivert door het te ontdoen van de droesem van antropomorfisch denken, maar dat het ook een spirituele dimensie geeft aan ons begrip van het bestaan.


Hoe verder de geestelijke ontwikkeling van de mens voortschreidt, des te zekerder ik me voel te stellen dat het pad van ware godsdienst niet één is gebaseerd op angst voor het leven, angst voor de dood en op blind geloof, maar gebaseerd dient te zijn op streven naar rationele kennis. Ik denk dan ook dat de priester of dominee een leraar moet worden als hij recht wil doen aan zijn hoogwaardige roeping.




(In 1936 schreef een zesde-klasser –aangemoedigd door een zondagschoolonderwijzer- een brief naar Einstein in Princeton, met de vraag of wetenschapsmensen ook bidden, en zo ja, waarvoor ze bidden. Hij kreeg van Einstein het volgende antwoord:)


Ik heb in het hiernavolgende antwoord geprobeerd zo eenvoudig te antwoorden als mogelijk is.


Wetenschappelijk onderzoek is gebaseerd op het idee dat alles wat plaatsvindt bepaald wordt door natuurwetten, zelfs de handelingen van mensen. Om deze reden zal een wetenschapper niet gauw de neiging hebben om te geloven dat de gebeurtenissen door bidden beïnvloed zouden kunnen worden. Bidden opgevat als het voorleggen van een wens aan een bovennatuurlijk Wezen.


Het moet echter toegegeven worden dat onze feitelijke kennis van de natuurwetten slechts onvolledig is en fragmentarisch. Bijgevolg berust ook de aanname van het bestaan van allesbepalende natuurwetten op een soort van geloof. Maar dit geloof wordt wel door het succes van wetenschappelijk onderzoek voortdurend gerechtvaardigd.


Aan de andere kant is het zo dat iedereen die serieus wetenschap beoefent tot de overtuiging komt dat een geest aan de basis moet liggen voor alle natuurwetten, een geest die oneindig superieur is in vergelijking tot de mens. Hiermee geconfronteerd wordend en onze eigen kleinheid in ogenschouw nemend, mondt dit uit in een nederige opstelling. Het nastreven van wetenschap leidt dus tot een bijzondere soort van religieuze ervaring en verschilt volkomen van de religie van een naiever persoon.




(Een aantekening bedoeld als reaktie op een brief aan Einstein gestuurd in ca. 1955:)


Het misverstand berust op een foutieve vertaling van de duitse tekst, en wel van het woordje ‘mystiek’. Ik heb nooit beweerd aan de Natuur een doel of bedoeling toe te kunnen kennen, of ook maar iets wat geïnterpreteerd kan worden als op de mens betrekking hebbend.


Wat ik zie in de Natuur is een buitengewoon grootse (=magnificent) struktuur die we slechts zeer ten dele kunnen begrijpen en een mens nederig zou moeten stemmen. Dit is een waarachtig religieuze ervaring dat niets te maken heeft met mystiek.




(Een deel van een brief aan een 19-jarige student, verzonden op 3 december 1950. De student had Einstein aangeschreven in een brief van wanhoop, aangezien het leven zinloos toescheen en godsdienst geen hulp scheen te bieden)


Ik was onder de indruk van de ernst waarmee je worstelt om een doel in het leven te vinden, zowel voor jezelf als voor de gehele mensheid. Naar mijn mening is er geen redelijk antwoord indien de vraag zo gesteld wordt. Wanneer we over doel van een handeling spreken bedoelen we eenvoudigweg de vraag: welke behoefte willen we bevredigen met behulp van deze handeling, of welke niet gewenste gang van zaken kunnen we met de handeling voorkomen? We kunnen natuurlijk in heldere bewoordingen spreken over het doel van een handeling vanuit het standpunt van een gemeenschap waartoe het individu behoort. Ook in dit geval heeft het doel van de handeling op z’n minst ten dele te maken met het bevredigen van verlangens die individuen in de gemeenschap er op nahouden.


Maar wanneer je vraagt naar het doel van de maatschappij als geheel of naar het doel van het geheel van een persoon, dan verliest de vraag zijn zin. Dit is in nog sterkere mate het geval wanneer we vragen naar de zin van de natuur in het algemeen. In die gevallen namelijk lijkt het volkomen arbitrair, of zelfs onredelijk, iemand te veronderstellen die wensen heeft die in verband staan met de gebeurtenissen.


Desalniettemin voelen wij allemaal dat het wel degelijk zeer redelijk en belangrijk is onszelf af te vragen hoe we ons leven zouden moeten proberen te leven. Naar mijn mening is het antwoord deze: zoveel mogelijk streven naar de vervulling van de wensen en behoeften van een ieder van ons, en het streven naar harmonie en schoonheid in menselijke relaties. Dit veronderstelt een grote hoeveelheid bewust denken en zelfscholing. We kunnen niet ontkennen dat de verlichte Grieken en oude Oosterse wijzen op een hoger niveau stonden op dit allerbelangrijkste gebied dan waar wij toe komen op onze scholen en onze universiteiten.




(Gedeelte uit het boek The Private Einstein, 1992, waarin men gesprekken kan lezen tussen Peter Bucky en Albert Einstein gevoerd over een tijdsperiode van dertig jaar:)


Het is ironisch dat uw naam synoniem is voor de wetenschap van de twintigste eeuw, maar er altijd een grote verwarring heeft geheerst over wat men van u moet denken wat betreft religieuze vragen. Hoe legt u deze ongewone situatie uit, want wetenschap en religie worden in de regel toch als elkaar uitsluitend beschouwd?


Wel, ik ben van mening dat wetenschap en religie elkaar niet noodzakelijkerwijs uitsluiten. Nog sterker, ik denk dat er zelfs een nauw verband tussen de twee bestaat. Wetenschap zonder religie is stuurloos en religie zonder wetenschap is blind. Beiden zijn belangrijk en moeten hand in hand lopen. Het komt mij voor dat iemand die zich niet bekommert over de waarheid in religie en in wetenschap het equivalent van een overleden persoon is.


Beschouwt u uzelf dus als een religieus persoon?


Ik geloof in raadsels en, eerlijk gezegd, beangstigen de raadsels mij soms. Anders gezegd, ik denk dat er vele dingen zijn in het universum die wij niet kunnen waarnemen, waar wij niet tot kunnen doordringen. Ook de prachtigste dingen in het leven ervaren we slechts in een zeer primitieve vorm. Alleen wat betreft het voor raadsels staan beschouw ik mij als een religieus mens. Maar ik ervaar dit aspect van het leven wel heel diep. Wat ik echter totaal niet kan begrijpen is hoe er een God zou kunnen bestaan die zijn onderdanen beloont of straft of ons in het dagelijkse leven noopt onze wil te ontwikkelen.


Dus u gelooft niet in God?


Dit is nu juist wat ik bedoel met het hand in hand gaan van religie en wetenschap! Elk heeft zijn plaats, maar moet wel zijn eigen werkterrein weten. Stel je een theoretische natuurkundige voor, iemand die bekend is met de verschillende wetten die het universum regeren, zoals hoe de planeten om de zon draaien en de manen op hun beurt om de planeten. Hoe in vredesnaam zou iemand die weet heeft van deze natuurwetten en ze begrijpt, kunnen geloven in een God die bij machte is de banen van deze rondcirkelende grote massa's te verstoren?
Nee, de natuurwetten van de wetenschap zijn niet slechts theoretisch uitgewerkt, maar ook in de praktijk bewezen. Het is voor mij dan ook volkomen onmogelijk te geloven in een antropomorfische God die macht heeft deze natuurwetten te verstoren. Zoals ik al eerder zei, het mooiste en diepste religieuze gevoel dat men kan ervaren is de ervaring van het mystieke. En deze mystiek is de kracht van alle ware wetenschap. Als er al zoiets is als een begrip 'God', dan is het iets wat ons overstijgt ['a subtle spirit', 'een onnaspeurbare geest'], niet het beeld van een mens, waar zovelen mee rondlopen. In wezen bestaat mijn religiositeit uit een nederige bewondering voor deze onvergelijkbaar superieure geest die zich openbaart in de kleinste details die wij maar kunnen waarnemen met ons zwakke verstand.


Bedoelt u misschien te zeggen dat de meeste mensen religie nodig hebben om ze zo te zeggen in te tomen?


Nee, duidelijk niet. Ik ben niet van mening dat een mens ingetoomd moet worden in zijn dagelijkse handelingen met als drijfveer angst voor straf na de dood, of dat hij dingen moet doen aangedreven door de gedachte dat hij daarvoor beloond zal worden na zijn dood. Zo'n gedrag is onzinnig. De juiste gids voor een mensenleven is het gewicht dat een mens aan ethiek geeft en de hoeveelheid waarde die hij aan andere mensen hecht. Opvoeding speelt wat dat betreft een sleutelrol. Religie behoort niets te maken te hebben met angst voor het leven of angst voor de dood, maar dient zich in plaats daarvan uitsluitend bezig te houden met het vergroten van rationele kennis.


En toch, na al deze gedachten, wordt u door het grote publiek gezien als een Jood en de Joodse godsdienst is toch een heel traditionele.


Mijn eerste kennismaking met de religie was overigens de Katholieke leer. Ik bofte ermee dat de basisschool waar ik naartoe ging een Katholieke was. Ik was het enige Joodse kind in de gehele school. En dit werkte voor mij als een voordeel, want het maakte het gemakkelijker voor mij me van de rest van mijn klas te isoleren en troost te putten uit de eenzaamheid waar ik zo aan gehecht was.


Maar ziet u helemaal geen tegenstrijdigheden tussen de enigszins anti-religieuze opmerkingen die u zoeven uitsprak en uw bereidheid zich openlijk te identificeren als een Jood?


Nee, niet noodzakelijkerwijs. Als je er goed over nadenkt zie je dat het een bijzonder moeilijke opgave is te definiëren wat Jood-zijn inhoudt. De beste benadering die ik me kan voorstellen om het te beschrijven is je een slak voor te stellen die zich binnen zijn schulp bevindt. wat gebeurt er wanneer je de schulp weghaalt? Zouden we de slak zonder zijn beschermend omhulsel niet net zo goed een slak noemen? Op dezelfde manier is een Jood die zijn geloof opgeeft, zelfs een Jood die een ander geloof aanneemt, toch nog een Jood.


Vanwege uw Jood-zijn hebt u veel te verduren gehad van Nazi's in Duitsland. Hoe legt u de haat tegen Joden uit, die de gehele geschiedenis door te zien is?


Het lijkt me overduidelijk dat de Joden een ideale zondebok zijn wanneer een land te kampen heeft met sociale, economische of politieke problemen, en wel om twee redenen. Ten eerste is er bijna geen land waar geen Joodse gemeenschap is, en ten tweede zijn ze altijd een kleine minderheid, zodat ze zich nooit kunnen verdedigen tegen een aanval van de grote massa. Het is dus heel gemakkelijk voor regeringen om de aandacht van hun eigen fouten af te leiden door de Joden de schuld te geven, bijvoorbeeld van socialisme en communisme. Na de eerste wereldoorlog bijvoorbeeld beschuldigden de Duitsers de Joden ervan eerst de oorlog begonnen te zijn, en vervolgens de oorzaak voor het verliezen ervan. Dit is helemaal niets nieuws. De gehele geschiedenis door heeft men Joden beschuldigd van alle soorten van verraderlijkheid, zoals het vergiftigen van waterputten of het vermoorden van kinderen als religieuze offers. We kunnen veel ervan zien als een uiting van jaloersheid, want hoewel het Joodse volk in alle landen altijd een kleine minderheid is geweest, hebben zij altijd een in geen enkele verhouding daartoe staande hoeveelheid invloedrijke mensen geproduceerd.



Vertaling: Albert Vollbehr, 2005