
(Albert Ellis
, psychotherapeut, 1913 - 2007, New York.
Albert Ellis ontwikkelde Rationeel-Emotieve Therapie,
een adviserende manier van behandelen, ook wel genoemd REBT (Rational Emotive Behavior Therapy).
Volgens Ellis was de psychoanalyse te weinig op verandering
gericht en liet deze therapie te veel aan de cliënt zelf over. Naar zijn mening is het
efficiënter om iemand met problemen met de kracht van argumenten te overtuigen (disputing).
Hierbij wordt gebruik gemaakt van de zog. A-B-C formule: Een Aanleiding (activating event) + de
Betekenis die we hieraan geven (Belief) resulteert in Consequentie voor onze psyche. De interpretatie
van negatieve zaken (Adversity)
gekoppeld aan
irrationele overtuigingen (Irrational Belief, IB), resulteert in
defaitisme en teneerslaan van zichzelf
(self-defeating, distressing consequent emotion). De REBT houdt zich dan voornamelijk bezig
met het onder de loep nemen van de negatieve irrationele geloofsovertuigingen, en die substitueren voor
positieve rationele (Rational Belief, RB). REBT blijkt in de
praktijk voor veel problemen zeer goed te werken. De methode kreeg veel bekendheid doordat
Ellis sinds 1965 elke vrijdagavond door honderden mensen bezochte therapiezittingen houdt,
waarin hij
de problemen van iedereen die dat wil, in het openbaar analyseert. Ellis baseert zich in het onderzoek
naar wat rationeel en wat irrationeel is, nadrukkelijk op het wetenschappelijk-humanistische
gedachtengoed en maakt daarbij duidelijk dat REBT niet waardevrij is maar duidelijk (onomwonden,
soms dramatisch)
stelling neemt
en actief beroep doet op verandering van gedachten en gedrag.
Voordat we verstandig over godsdienst kunnen spreken -of over welk onderwerp dan ook!- moet het
duidelijk gemaakt worden waar we het over hebben. Laat mij daarom aanvangen door enkele definities
te geven van wat ik onder het woord godsdienst versta. Er bestaan vanzelfsprekend andere opvattingen van
dit begrip, maar wanneer ik het heb over godsdienst bedoel ik er dit mee:
1. "Het geloof in een goddelijke of bovennatuurlijke macht of machten, die te gehoorzamen en te
vereren zijn als schepper(s) en beheerser(s) van het universum."
2. "De uitdrukking van dit geloof in gedrag en rituelen."
(Definitie uit Webster's New Word Dictionary)
English en English geven in hun Uitgebreid Woordenboek van Psychologische en
Psychoanalytische Vaktermen (1959) de volgende definitie van godsdienst:
"Een geloofssysteem waarmee een individu of gemeenschap zich in relatie tot god of de bovennatuurlijke
wereld plaatst -en die weer vaak tot elkaar- en vanwaaruit de religieuze persoon zijn waardeoordelen afleidt,
met behulp waarvan gebeurtenissen in de natuurlijke wereld beoordeeld worden."
De Columbia Encyclopedie laat weten dat "wanneer iemand zich bewust wordt van een macht die boven of buiten de menselijke macht ligt, en wanneer hij opmerkt van deze macht afhankelijk te zijn, godsdienst een factor in zijn leven is."
Deze zijn dus de definities die ik accepteer en welke ik in mijn hoofd heb wanneer ik het hier heb over godsdienst. Voor mij moet godsdienst enig begrip omtrent een godheid omvatten. Indien het woord godsdienst slechts gebruikt wordt om een aantal opvattingen, gebruiken en ethische waarden uit te drukken die geen hogere macht veronderstellen, ben ik van mening dat de term nogal losjes en verwarrend gebruikt wordt, aangezien we voor zulk een geloofssysteem ook het betere woord levensfilosofie hebben of waardenstelsel en het bovendien misleidend is zulk een persoon te verwarren met de ware religieuze persoon.
In andere woorden, iedere atheïst heeft één of andere filosofie en een bepaalde ethiek. Het is
zelfs zo dat vele atheïsten er rigoreuzere levensfilosofieën en ethische systemen op na houden
dan de meeste godgelovers.
Het is daarom dom te stellen dat iemand religieus is omdat hij filosofisch is ingesteld of een bepaalde ethiek nastreeft. De term godsdienst heeft alleen betekenis indien we het streng omschrijven als te maken hebbend met geloof dat niet door feiten bewezen is, of als een veronderstelde afhankelijkheid van bovenmenselijke entiteiten.
Indien we nu godsdienst opvatten als een afhankelijkheid van een macht die boven en buiten de mens staat, ben ik als psychotherapeut van mening dat dit bijzonder schadelijk is. Want een psychotherapeut houdt zich voornamelijk bezig met het helpen van mensen, in het bijzonder zijn patiënten, dwz hij heeft als doel het bereiken van enige vorm van geestelijke gezondheid, en dit staat lijnrecht tegenover de religieuze denkwijze.
Laten we eerst de voornaamste psychotherapeutische doelstellingen bekijken. Op basis van 20 jaar ervaring, en -in grote lijnen- in overeenstemming met het merendeel van mijn collega's (waaronder Brasten, 1961, Dreikurs, 1955, Fromm, 1955, Goldstein, 1954, Maslow, 1954, Rogers, 1957, en Thorne, 1961), zou ik zeggen dat de psychotherapeut zijn patiënten helpt zo weinig mogelijk benauwd en vijandig te zijn. Om tot dit doel te komen tracht hij ze op weg te helpen de volgende persoonlijkheidstrekken te verwerven:
1. Interesse in zichzelf.
Een emotioneel gezond persoon behoort in de eerste plaats trouw aan hemzelf
te zijn en niet zich masochistisch op te offeren voor anderen. Zijn goedheid en aandacht voor anderen
moet voortkomen uit de gedachte dat hij zelf vrijwaring wil genieten van overbodige pijn en
beperkingen, en dat dit alleen bereikt kan worden door mee te werken aan het scheppen van een
wereld waarin zowel de rechten van anderen als die van hemzelf niet overbodig beperkt worden.
2. Zelfbestuur.
Men zou moeten streven naar verantwoordelijkheid voor zijn eigen leven, het
onafhankelijk oplossen van eigen problemen. Bij tijden zal men samenwerking of hulp van anderen nodig willen
hebben of prefereren, maar wat iemands effectiviteit en welzijn betreft is men hier niet van
afhankelijk.
3. Tolerantie.
Een gezond persoon geeft zonder meer andere mensen het recht op verkeerd zijn
of doen. Men zal een hekel aan iets hebben of bepaald gedrag zelfs verafschuwen, maar zal
iemand anders als persoon niet willen afkeuren voor het af te keuren gedrag. Hij accepteert dat
ieder mens opmerkelijk gemakkelijk vergissingen maakt, verwacht nooit perfectie van iemand, en zal
zich weerhouden van berisping of straffen in geval de fouten noodzakelijkerwijze gemaakt werden.
4. Acceptatie van onzekerheid.
Een emotioneel volwassen persoon accepteert volledig het feit dat we
in een wereld van waarschijnlijkheid en toeval leven, waarin er geen absolute zekerheden bestaan
of ooit zullen bestaan, en realiseert zich dat het in het geheel niet verschrikkelijk is te leven
in een onzekere maar waarschijnlijke wereld.
5. Flexibiliteit.
Een gezond persoon is intellectueel flexibel. Hij staat ten alle tijde open
voor verandering, hij streeft naar onpartijdigheid in het observeren van oneindig verschillende mensen,
denkbeelden en zaken in de hem omringende wereld.
6. Wetenschappelijk denken.
Men zou moeten streven naar objectiviteit, rationaliteit en wetenschappelijk
denken. Men is in staat tot het toepassen van de wetten van logica en de wetenschappelijke methode, niet alleen op
andere mensen en gebeurtenissen, maar ook op zichzelf en zijn eigen persoonlijke relaties.
7. Zich ergens op toeleggen.
Een gezond persoon legt zich ergens op toe dat buiten hemzelf staat,
hetzij op anderen of dingen of ideeën. Men zou tenminste één belangrijke creatieve bezigheid moeten hebben,
alsmede ook enige menselijke omgang van belang, waaraan men grote waarde hecht, en waaromheen
een groot deel van zijn leven draait.
8. Risico's nemen.
De emotioneel gezonde mens is in staat risico te nemen, vraagt zichzelf
wat hij werkelijk zou willen in het leven, en richt zich op het nastreven hiervan, ook wanneer
dit mislukking of verlies kan inhouden. Men zou avonturierlijk moeten zijn (hoewel niet
onnodig roekeloos), bereid moeten zijn bijna alles tenminste één keer uit te proberen om te
weten te komen wat hij er zelf nu van denkt, en zich verheugen op onderbrekingen in het
leven van alledaagse routine.
9. Zelfacceptatie.
Iemand zou normaal gesproken blij moeten zijn te leven en tevreden moeten zijn
met zichzelf, eenvoudig vanwege het feit dat hij leeft en bestaat en omdat hij als levend
wezen in staat is te genieten, geluk en blijdschap te scheppen. Hij laat zijn waarde niet afhangen
van wat hij bereikt of van wat anderen over hem denken, maar van zijn persoonlijk bestaan, zijn
kunst om te denken, voelen en handelen, met behulp waarvan hij een interessant leven voor zichzelf
schept.
Dit nu zijn de persoonlijkheidstrekken die de psychotherapeut tracht over te brengen op zijn patiënten en de trekken die hij natuurlijk ook het liefst ziet in alle andere miljoenen mensen die nooit zijn patiënten zullen zijn.
We kunnen ons nu afvragen of godsdienst -dus geloof in iets wat niet bewezen is of afhankelijkheid van een bovennatuurlijk wezen- mensen helpt deze gezonde kenmerken te vertonen, en of het eraan meewerkt te verhinderen dat mensen vervallen in bezorgheid, depressiviteit en vijandigheid.
Het antwoord is natuurlijk dat het tegendeel waar is; in de meeste opzichten ondermijnt het geestelijke
gezondheid ernstig. Want godsdienst is in de eerste plaats geen interesse in zichzelf, maar in god.
De religieuze persoon moet zich per definitie zo bezighouden met de vraag of zijn hypothetische god
hem liefheeft of niet, en met het probleem of hij wel de juiste dingen doet zodat hij gods liefde
steeds zal toebedeeld
krijgen, dat hij zichzelf altijd op de tweede plaats moet zetten en enkele van zijn meest geliefde
interesses moet opgeven om deze god maar te bevredigen. Indien hij bovendien nog lid is van een
georganiseerde godsdienstige gemeenschap, zal hij de voorschriften van zijn god in de eerste plaats
moeten opvolgen, die van zijn kerk en geestelijke autoriteiten in de tweede plaats, zodat
zijn eigen meningen en voorkeuren pas op de derde plaats aan bod komen.
In zekere zin mag een religieus persoon er geen eigen meningen op na houden. Het is in feite
arrogantie van hem indien hij er zelfs maar één heeft. In alles, van sexuele relaties, trouwen en
familiezaken tot aan het zakenleven en de politiek, dus in alles wat maar van enig belang is, moet
hij proberen te ontdekken wat zijn god en zijn geestelijke autoriteiten van hem verlangen. Hij moet
slechts naar hun pijpen dansen.
Masochistische zelfopoffering is een integraal onderdeel van bijna alle georganiseerde religies.
Men kan het bijvoorbeeld opmerken in allerlei vormen van rituele zelfonthouding die joden, christenen en
islamieten en andere religieuzen voortdurend moeten ondergaan om bij de veronderstelde goden maar
in de gunst te blijven staan.
Masochisme is ten diepste het zichzelf opzettelijk pijn aandoen opdat men zonder schuld een vorm
van seks of ander genot mag ervaren. En de kern van de meeste georganiseerde religies is de uitvoering
van masochistische rituelen als verzachting van schuld, met behulp waarvan de gelovige zichzelf
weer toestemming geeft om van het leven te genieten.
Godsdienst is in hoofdzaak masochisme. En beide zijn vormen van mentaal ziekzijn.
Wat zelfbestuur betreft, men kan uit het voorgaande gemakkelijk opmaken dat de religieuze persoon per definitie afhankelijk is en meer ander-georiënteerd dan zelf-georiënteerd. Indien hij trouw is aan zijn overtuiging moet hij eerst zijn hoofd buigen voor zijn god, vervolgens voor de geestelijkheid, zijn kerk, en tenslotte voor alle leden van zijn religieuze sekte, die hem allemaal met adelaarsogen bespieden om te zien of hij misschien een jota afwijkt van het gedrag dat zijn god en zijn kerk heeft voorgeschreven.
Al is godsdienst in hoofdzaak masochisme, het is in nog sterkere mate een synoniem van afhankelijkheid. Een waar gelovige zijn en een sterke en onafhankelijke persoonlijkheid te zijn kan niet samengaan. Godsdienst en zichzelf genoeg zijn zijn tegengestelde zaken.
Tolerantie is alweer iets wat geen enkele overtuigde gelovige kan bezitten. "Ik ben de Here, uw God, en gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben", zegt Jahweh. In duidelijke taal betekent dit dat alles waar de betreffende god en zijn geestelijkheid in gelooft de absolute en unieke waarheid is, en dat iedere andere overuiging daarom absoluut en ten ene male fout moet zijn. Democratie, vrije moraal, en het accepteren van menselijke vergissingen, zijn vreemde begrippen voor iedere overtuigde godsdienstige mens. Deze persoon kan slechts hierin geloven dat de geloofsovertuigingen en voorschriften van zijn betreffende godheid gehoorzaamd moeten en zouden moeten worden, en dat eenieder die hier van afwijkt een overduidelijke schurk is.
Godsdienst veroorzaakt vanwege het opzetten van absolute, godgegeven standaarden, en het niet aanvaarden van menselijk falen, zelfkleinering en zelfverachting, en zal ditzelfde uitstralen naar anderen, indien men de omgeving in strijd met de eigen opvattingen ziet denken en handelen. Absolutistisch en perfectionistisch denken is de grootste veroorzaker van twee van de meest schadelijke menselijke gevoelens: innerlijke benauwdheid en vijandigheid.
Indien één van de kenmerken van emotioneel gezondzijn een acceptatie van onzekerheid is, dan is
godsdienst uiteraard de meest ongezonde vorm van leven, aangezien één van de grootste redenen voor
het bestaan van godsdienst juist het geven van mystieke zekerheid is.
De reden waarom mensen absolutistische goden uitvinden is juist het gegeven dat het leven zo onzeker is en
vele mensen niet met deze wisselvalligheid denken te kunnen leven. Men moet zich inbeelden dat er een
uiteindelijk, onveranderlijk antwoord op alle dingen is. Op de meest uitgesproken manier bedriegen
deze mensen zichzelf, en in plaats van gezond toe te geven dat men geen zekerheid nodig heeft en
best comfortabel kan leven in deze vaak ongeordende wereld, beschermen ze hun neurotische overtuigingen
met hardnekkigheid door te stellen dat er een soort van zekerheid moet zijn, en dat
ze die noodzakelijkerwijze nodig hebben. Dit is hetzelfde als een kind dat denkt dat hij beslist een
lieve vader moet hebben om het te overleven en dat in geval de vader onvriendelijk is, of
doodgaat, of niet bestaat, een droomvader oproept (wellicht een buurman, een filmster of puur iets in
zijn fantasie) en erop staat dat deze droomvader er juist voor hem is.
De persoonlijkheidstrek van flexibiliteit, zo essentieel voor een gezond emotioneel functioneren,
is ook door religieus geloof ondermijnd en geblokkeerd. Want iemand die zijn geloof baseert op
niet bewezen zaken -en die zijn er voor de gelovige in overvloed- staat natuurlijk niet open voor
verandering en is per definitie partijdig.
Om een voorbeeld te noemen, indien zijn heilige schrift of kerk hem vertelt dat hij zelfs de
vrouw van zijn naaste niet mag begeren -laat staan een seksuele relatie met haar onderhouden- dan kan
hij zichzelf niet afvragen "Waarom zou ik haar niet wellustig mogen bekijken, zolang als ik maar geen
daadwerkelijke verhouding met haar begin. Wat zou er fout kunnen zijn aan zoiets?" Want zijn god en
zijn kerk heeft dit nu eenmaal voorgeschreven, en men kan hiertegen nooit in beroep gaan, indien men eenmaal
de schrift voor heilig heeft aangenomen.
Op elk moment dat iemand een god of godsdienstig systeem postuleert dat bovennatuurlijke afkomst
zegt te hebben, kan hij daarna nooit ook maar enig empirisch bewijsmateriaal gebruiken om hetgeen
wat in zijn overtuigingen naar voren is gebracht aan de tand te voelen. Heilige schrift staat
per definitie boven wetenschappelijke validatie. Het beste wat hij nog kan doen, indien hij zijn
geloofssysteem wil veranderen, is zijn religie als geheel te veranderen. Zolang hij dit niet doet
zit hij voor eeuwig met absolute axioma's en hun logische consequenties, die hijzelf op een bepaald moment
in geloof aanvaard heeft. We tellen dus bij elkaar op dat godsdienst niet slechts masochisme is en
ander-gericht, intoleratie bevordert en onzekerheid niet wenst te accepteren, maar ook mentale
en emotionele flexibiliteit tegengaat.
Wat betreft wetenschappelijk denken lijkt het me welhaast vanzelfsprekend dat religieus
denken volledig tegengesteld is aan enige hersenwerking. Wat de kanon van wetenschappelijke
methoden allemaal zeggen -uiteengezet door een groot aantal moderne wetenschapsfilosofen, zoals Ayer (1947),
Carnap (1953) en Reichenbach (1953)- is dat in principe en in de laatste beoordeling, alle
theorieën door één of andere menselijke ervaring of empirische verwijzing bevestigd moeten
kunnen worden. Maar alle godsdiensten die de naam waardig zijn hebben het over bovennatuurlijke
entiteiten die niet gezien, gehoord, geroken, betast, gevoeld of op een andere wijze menselijk
ervaren kunnen worden, en dat hun goden en machten duidelijk buiten het bereik van de wetenschap
staan. Je overgeven aan zo'n godsdienst is dan ook hetzelfde als je tenminste ten dele buiten de
wetenschap te plaatsen, en men zou kunnen argumenteren dat hoe religieuzer men is des te
onwetenschappelijker
men in de regel zal zijn. Hoewel een religieus persoon niet noodzakelijk volkomen onwetenschappelijk hoeft te zijn
(op dezelfde manier als een tierende dolleman dat op andere tijden ook niet noodzakelijkerwijze is),
is het moeilijk
in te zien hoe een religieus persoon volledig wetenschappelijk kan zijn.
Hoewel iemand zowel wetenschappelijk als religieus kan zijn, op dezelfde manier als iemand in
de ene situatie redelijk kan handelen en in de andere dom, is het moeilijk in te zien hoe iemand
tezelfdertijd waarlijk vroom kan zijn en objectief.
Wat betreft de toelegging op iets heeft de religieuze persoon nu voor eenmaal eens een streepje
voor! Want indien men waarlijk godsdienstig is heeft men zich heel serieus overgegeven aan zijn god, zijn kerk
en dogma's. En dit mag gelden als een in beslag nemende interesse in zijn leven. Maar godsdienstige toelegging
heeft ook veelvuldig zijn ernstige negatieve bijwerkingen, aangezien het neigt naar het obsessieve en
dwangmatige en het daarom zeer wel andere gezonde betrokkenheden of interesses in de weg kan staan. Te noemen valt
een zich overgeven aan seksuele relaties, aan wetenschappelijk onderzoek, zelfs aan kunstuitingen.
Bovendien wordt deze toelegging vaak gevoed door schuldgevoel en vijandigheid, en dient ze soms als
wanhopig middel om deze verontrustende gevoelens te bedwingen, terwijl ze deze gevoelens nooit kan elimineren.
Het is ook het soort toelegging dat, gebaseerd als het is op valse aannames en illusies, gemakkelijk kapot kan gaan
en de eens zo overtuigde persoon kan achterlaten in een pijlloze afgrond van teleurstelling en wanhoop.
Met andere woorden, niet elke interesse is even gezond. De grootinquisiteurs van de middeleeuwse
kerk waren volledig toegewijd aan hun 'heilig' werk, en Hitler en zijn volgelingen waren fanatiek
toegewijd aan hun zaak. Maar dit bewijst natuurlijk niet dat ze emotioneel gezonde mensen waren.
In gevallen dat godsdienstige personen zich gelukkig en toegewijd voelen tot hun godsdienst, hebben
ze de neiging om zich fanatiek en dogmatisch op een ongewenste obsessief-dwangmatige manier
op te stellen. Godsdienstige toewijding kan wellicht wel beter zijn dan helemaal geen interesse voor iets,
maar voor een groot gedeelte is godsdienst hetzelfde als fanatisme. Fanatisme is het obsessief-dwangmatig
onderhouden van onbuigzame denkbeelden. Het wordt als een bolwerk opgetrokken tegen en dient als masker
voor een onderliggende grote onzekerheid van de obsessieve persoon.
Wat betreft het nemen van risico's zal het duidelijk zijn dat de religieuze persoon vastberaden is
risico's te vermijden en vooral niet avontuurlijk te zijn. Hij gelooft juist in onveranderbare
veronderstellingen omdat hij zich niet wil vermoeien met het nemen van het risico zijn eigen
voorkeuren te volgen. Hij neemt ze aan om de garantie te krijgen dat het zo goed zal gaan en hij
steun van een hogere macht zal krijgen.
De religieuze persoon is bijzonder bang voor misstappen, en baseert zijn eigenwaarde foutievelijk
op wat hij bereikt. Zo offert hij tijd en energie, materiële zaken en allerlei vormen van genot op,
om de veronderstelde god maar een plezier te doen, zodat hij zich kan verzekeren van gods liefde en steun.
Alle godsdiensten die het verdienen godsdiensten genoemd te worden leggen in grote mate beperkingen op.
In de praktijk betekent dit dat de gelovige zijn ziel aan hen verkoopt en zijn eigen basisbehoeften
en geneugten opgeeft, als ruil voor een innerlijk welbehagen, dwz een hemelse helper die hij zelf uitgevonden heeft.
Godsdienst is een synoniem voor overbodige beperking.
Tenslotte zelfacceptatie. Het is duidelijk dat de religieus toegewijde met geen mogelijkheid zichzelf kan accepteren gewoon omdat hij bestaat en eenvoudig omdat hij als levend wezen in staat is zich te vermaken. In plaats daarvan maakt hij zijn zelfacceptatie volledig afhankelijk van de acceptatie van zijn betreffende god, kerk en geestelijke autoriteiten (die ook zeggen deze god te dienen), en van de acceptatie van andere ware gelovigen. Indien al deze personen en dingen buiten hemzelf hem accepteren is het voor hem mogelijk zichzelf te accepteren, zij het slechts tijdelijk en met een onderstroom van bezorgdheid. Dit betekent natuurlijk dat de gelovige zijn eigenwaarde afmeet aan de goedkeuring van anderen, terwijl hij zijn eigenlijke zelf, dat hij anders voortdurend zou hebben kunnen scheppen, voortdurend verliest. Godsdienst is voor zo'n persoon bijgevolg hetzelfde als zelfvernedering en wegcijferen van zichzelf. Dit kenmerk wordt natuurlijk ook duidelijk uitgesproken door alle heiligen en mystieken.
Indien we nu tot een conclusie willen komen uit al dit voorgaande, lijken we onvermijdelijk
tot de slotsom te komen dat gemeten volgens bijna welke standaard dan ook, godsdienst diametraal
tegengesteld staat aan het doel van geestelijke gezondheid. Het bestaat uit masochisme, ander-gerichtzijn,
intolerantie, weigering onzekerheid te accepteren, onwetenschappelijk denken, onnodig onderdrukken,
en zelfverachting. Het enige aspect waarin godsdienst enige voordelen heeft wat emotionele hygiëne
betreft, is dat het diepe toewijding aanmoedigt, aan een zaak waarin iemand volkomen op kan gaan. En dit
doet de godsdienst veelal zo grondig dat het voordeel op twee manieren omslaat in het tegengestelde:
a) Het veroorzaakt in de meeste gevallen dat mensen zich op basis van foute motieven inzetten,
oftewel men doet het om schuld goed te maken, en niet om af te komen van basisonzekerheid.
b) Het moedigt fanatisme aan, obsessief-dwangmatige toewijding, dat op zichzelf een vorm van
geestesziekte is.
Indien we de kwestie van menselijke storingen vanuit een andere gezichtshoek willen bekijken, zouden we onszelf kunnen afvragen: "Wat zijn de irrationele ideeën waar mensen in geloven en hoe komt iemand ertoe zichzelf tot een ernstige vorm van emotionele ziekte te brengen?"
Na deze vraag vele jaren lang gesteld te hebben, en na een nieuwe vorm van psychotherapie ontwikkeld te hebben, speciaal gericht op het snel aan het licht brengen en uitdagen van de belangrijkste irrationele zaken die mensen neurotisch en psychotisch maken, ben ik tot de conclusie gekomen dat deze ideeën ingedeeld kunnen worden in een klein aantal hoofdzaken (Ellis 1962, Ellis en Harper 1961a 1961b). Laat ik hier vijf irrationele denkbeelden opnoemen, die allemaal kenmerkend zijn voor ieder ernstig gestoord persoon. Bij al deze denkbeelden zien we het verband met algemeen voorkomende religieuze overtuigingen.
Irrationele gedachte no 1 is het idee dat het absoluut noodzakelijk voor een volwassen persoon is om geliefd te worden of goedkeuring te krijgen van alle belangrijke personen in iemands leven. Dit idee wordt versterkt door de godsdienstige filosofie dat indien het je niet lukt om de liefde van bepaalde personen te krijgen je altijd kan terugvallen op gods liefde. Maar de gedachte dat het zeer wel mogelijk is een bevredigend leven te leiden geheel zonder de goedkeuring of liefde van anderen, ontgaat de emotioneel gestoorde en ook de gelovige volkomen.
Irrationele gedachte no 2 is het idee dat je grondig bekwaam, volledig geschikt moet zijn, en in alle opzichten moet slagen, en anders waardeloos bent. De gelovigen zeggen natuurlijk nee, je hoeft niet bekwaam, geschikt en succesvol te zijn, en je mag zelfs volkomen mislukt zijn- zo lang god maar van je houdt en je in je kerk maar goede naam geniet. Maar dit betekent natuurlijk dat je een verdraaid bekwame, grondige en succesvolle gelovige moet zijn, anders eindig je weer als waardeloos!
Irrationele gedachte no 3 is het denkbeeld dat sommige mensen goed zijn en anderen kwaad, en dat kwade mensen gestraft dienen te worden voor hun zonden. Dit staat natuurlijk aan de basis van zo ongeveer alle godsdiensten. De begrippen schuld, de schuld geven, en zonde, zijn in feite bijna synoniemen voor openbaringsgodsdienst.
Irrationele gedachte no 4 is het geloof dat het verschrikkelijk, vreselijk, afschuwelijk, katastrofaal is wanneer de dingen niet gaan zoals je ze zou wensen. Dit denken is alweer een basiselement van religie. Elke gelovige denkt dat vanwege de reden dat hij niet tegen frustraties kan, en hij het niet helpen kan dat hij zich altijd maar zorgen maakt dat de dingen verkeerd aflopen, het geloof aangewend moet worden in een oppergod om alles te kunnen overzien, te ordenen en op zijn pootjes terecht te laten komen en om hem te beschermen tegen frustratie.
Irrationele gedachte no 5 is het idee dat menselijk ongeluk veroorzaakt wordt door externe factoren en dat mensen weinig invloed kunnen uitoefenen op hun verdriet, of op zichzelf om zich van negatieve gevoelens te bevrijden. Dit raakt alweer de kern van godsdienst, want ze zullen je allemaal vertellen dat slechts door te vertrouwen op god, en door te bidden, je in staat zult zijn je negatieve gevoelens tegen te gaan.
Indien we de lijst van irrationele ideeën die emotioneel beschadigd worden veroorzaken of emotionele beschadiging voortzetten, zouden we steeds zonder moeite opmerken dat het verband met godsdienstige opvatting altijd evident is, of zelfs dat godsdienst dit bevordert. Indien we er grondig over nadenken zullen we zien dat het verband tussen geestesziek zijn en godsdienst zowel onvermijdelijk is als altijd aanwezig, aangezien neurose en psychose elitaire benamingen zijn voor kinderachtigheid en afhankelijkheid. En godsdienst, in de hierboven gegeven betekenis, is weinig anders dan een synoniem van afhankelijkheid.
Uiteindelijk is godsdienst dus een neurose. Vanwege deze reden heb ik op een congres met als thema Zonde en Psychotherapie, dat een paar jaar geleden georganiseerd werd door de American Psychological Association, eens opgemerkt, dat vanuit het standpunt van geestelijke gezondheid bezien Voltaire's beroemde uitspraak omgekeerd dient te worden, oftewel: Indien er een god zou zijn, zou het noodzakelijk zijn hem ongedaan te maken.
Indien de stelling van dit schrijven juist is, gaat godsdienst hand in hand met alle irrationele opvattingen van mensen. Deze irrationele gedachten houden gelovigen afhankelijk, benauwd, en vijandig, en scheppen een klimaat voor of onderhouden neurose en psychose. Wat moet de rol dan zijn voor psychotherapie wanneer we op religieuze overtuiging stuiten bij patiënten? Het zal duidelijk zijn dat een bij zijn verstand zijnde psychotherapeut niet -zoals sommige fans van Jung en het existentialisme dit hebben voorgesteld- deze religieuze oriëntering maar voor lief zal nemen, en de patiënt zal helpen om maar zo succesvol mogelijk te leven met zijn godsdienst, want dit zou hetzelfde zijn als deze mensen te helpen maar zo succesvol mogelijk hun emotionele ziekte te beleven.
![]()
In een recentelijk uitgegeven boek "Counseling and Psychotherapy with Religious Persons" (2001), dat Ellis in samenwerking met twee religieuze psychologen (S.L.Nielsen en W.B. Johnson) schreef, laat Albert Ellis zich uit over veranderingen in zijn denken in de negentiger jaren; een overgang naar postmodernistisch denken, belangrijk genoeg om hier als essentiële aanvulling op het vorige artikel (daterend uit 1983), vermeld te worden:
Hoewel ik eerder de overtuiging was toegedaan dat religiositeit, en in het bijzonder vrome
religiositeit, tegengesteld is aan metale gezondheid, heb ik meerdere malen mijn denken over
religie herzien. De laatste jaren ben ik tot de conclusie gekomen dat religieuze inslag en
overtuigingen (zelfs extreme en absolutistische) af en toe toch emotioneel gezonde uitkomsten
produceren.
Uitgebreid onderzoek heeft laten zien dat mensen die God ervaren als een hartelijke, liefdevolle
en zorgzame vriend, en godsdienst als bemoedigend, tot betere resultaten komen dan mensen die
doordrongen zijn van een negatief wereld- en godsbeeld. In het licht van deze onderzoeken ben ik nu
van mening dat religieuze of a-religieuze overtuiging op zichzelf genomen niets zegt
over mentaal
'gezond' of 'ongezond' zijn van mensen. In plaats daarvan is van doorslaggevend belang welke soort van
religieuze of a-religieuze overtuiging men heeft.
Ik ben nog steeds van mening dat absolutisme [de overtuiging de enige ware godsdienst en interpretatie van
die godsdienst aan te hangen, vert.] in nauw verband staat met gestoordheid. Sommige
uitkomsten van onderzoeken wijzen op een verband tussen religieuze starheid/onbuigzaamheid
en emotionele problemen. Maar men heeft ook opgemerkt dat niet alle vroom-religieuze mensen
deze symptomen vertonen, en sommige zeer diep overtuigde mensen kunnen zeer wel evenwichtig zijn.
In feite staan veel vrome gelovigen (bijvoorbeeld dominees, priesters en rabbi's die REBT praktizeren),
toch open voor andere zienswijzen en wijzen ze absolutisme af. Het blijft echter een feit dat
vele vroom-gelovige mensen die de wereld als negatief en God als straffer beschouwen,
zichzelf door deze denkbeelden emotionele schade berokkenen. Samenvattend denk ik te kunnen
zeggen dat neurotische storingen niet zozeer veroorzaakt worden door religie op zich, maar door
strenge, intolerante en dogmatische vormen ervan.
Ik heb ook opgemerkt dat cliënten met een religieuze overtuiging baat hebben bij een vorm van
REBT die met opzet gebruik maakt van de uitgangspunten van hun geloof. REBT kan op deze manier
met vele vormen van godsdienst in overeenstemming zijn, zelfs met absolutistische en vrome
religiositeit.
Ik ben nog steeds volkomen
a-religieus, zodat ik persoonlijk van mening ben dat de seculiere REBT behandeling verscheidene
voordelen biedt boven de religieuze, en dat mensen die van seculiere REBT gebruik willen maken
tot een elegantere, duurzamere en grondiger oplossing van hun emotionele en gedragsproblemen
kunnen komen. De reden hiervoor is denk ik dat behandelingen die uitgaan van religieuze
vooroordelen een diep geloof in bovennatuurlijke krachten veronderstellen, die niet te bewijzen
of te weerleggen zijn. REBT op niet-religieuze basis zal weinig of geen veronderstellingen over
de mens en de wereld maken die niet rationeel te weerleggen zijn. Laatstgenoemde heeft dus meer
greep op de te controleren realiteit van hoe mensen handelen, en hoe ze tot een gelukkiger leven
kunnen komen met minder storingen. Seculiere REBT is dus een pragmatischer en realistischer
manier van leven. Maar dit is slechts mijn hypothese. We kunnen moeilijk empirisch de gevolgen
meten van het optreden van wat men God en andere bovennatuurlijke machten noemt, maar we
kunnen wel onderzoeken hoe mensen die diep geloven in vergelijking tot mensen die niet geloven
geneigd zijn te verschillen. Dus spoor ik aan tot nog veel meer onderzoek naar de effecten van
REBT op religieuze en a-religieuze personen.
[Nederlandse vertaling en publikatie op internet met toestemming van Albert Ellis]