Heeft u wel eens de bijbel doorgebladerd en u afgevraagd wat de meest bizarre tekst is? Wellicht vindt u dan een zon die een paar keer stilstaat, een slang, en even verderop een ezel die een discussie heeft met een mens, een losse hand die een kreet op een muur schrijft, een profeet die in een wagen getrokken door vurige paarden ten hemel wordt gevoerd, een ster die boven een huis stilstaat, een heel kerkhof van overleden heiligen die uit hun graven tevoorschijn komen...de keuze is niet gemakkelijk te maken; de meest ongeloofwaardige verhalen, de wreedste oorlogen, een oorlog in de hemel, de vreemdste nutteloze voorschriften en meest absurde wonderen en dit alles in de ruime sortering waar een amerikaans warenhuis jaloers op zou wezen.
Maar het meest bizarre waar ik op gestuit ben is een bijna onmogelijk te vinden detail in de wet van Mozes. Het heeft er natuurlijk al eeuwen gestaan, maar niemand schijnt er van te weten, niemand leest de tekst ooit, niemand wil zoiets lezen. En al zou je er per ongeluk toch op stuiten, je snapt er dan toch helemaal niets van; je leest er, net als ikzelf deed, volkomen overheen.


De tekst waar ik het nu over heb vinden we in Leviticus 27:29.

Ik zal eerst de tekst aanhalen zoals die honderden jaren in de statenvertaling is weergegeven:


“Al wat verbannen is, dat van de mensen zal verbannen zijn, zal niet gelost worden; het zal zekerlijk gedood worden.”


Ik durf te wedden dat u dit artikel meteen al saai begint te vinden. Maar leest u nu door, vooral wanneer u denkt dat de bijbel het Woord van God is. Bovenstaande zin is volgens de bijbel inderdaad door God uitgesproken, en met goddelijke voorschriften moet je tenslotte niet nonchalant zijn.


We gaan nu op zoek naar de betekenis. Die is niet zo eenvoudig te vinden, want er is niemand van de gelovigen die de ware betekenis ervan wil horen, niemand die erover wil schrijven. Zo heeft een tekst als deze dan ook eeuwenlang slechts voor een paar zeer geleerde theologen iets betekend, en wanneer ze hem snapten gaven ze er meteen een draai aan die er zand overheen gooit, die de waarheid verdraait, zoals we spoedig zullen zien.


Gelukkig leven we nu in de tijd van geschoolde mensen, in een tijd waarin iedereen alle informatie die er gevonden kan worden zo uit het internet kan halen. Iedereen kan nu naar deze tekst op zoek gaan en de details uitvissen. Laten we eens de nieuwste vertaling lezen van dit vers:


“Wanneer een mens eenmaal onvoorwaardelijk aan de HEER is gewijd, kan hij niet worden vrijgekocht; hij moet ter dood worden gebracht.”


Mooi zo’n moderne vertaling, het wordt meteen een stuk duidelijker. ‘Verbannen’ = ‘onvoorwaardelijk aan de HEER wijden’. Men noemde dit ook wel ‘een ban uitspreken’ over iemand, hetgeen weer betekent: “afzonderen om als mensenoffer te dienen”. Het woord ‘ban’ is een vaste term in de bijbel: ‘cherem’ in het hebreeuws. ‘Met de ban slaan’ (voornamelijk in het boek Jozua) wordt in de nieuwste vertaling gewoon vertaald met ‘uitroeien’, of ‘ombrengen’, maar dit geeft niet weer wat er oorspronkelijk mee bedoeld werd; het gaat hier om ombrengen als offergave aan God, als presentje voor God.


Nu kun je bij de statenvertaling zogenaamde ‘kanttekeningen’ lezen, verhelderende uitleg van bepaalde termen en teksten die niet zo duidelijk zijn. Zo staat er bij Leviticus 27:29 als opmerking:


”Het gaat hier om mensen die vijanden van God en van zijn volk zijn, die de Heere geboden heeft om te brengen en uit te roeien; dezen mocht men niet lossen, noch laten leven. Men kan dit ook verstaan niet van mensen, maar van beesten, die door de mensen met de ban geslagen zouden worden.”


Wat de beesten betreft, inderdaad, de bijbel is in deze aangelegenheid zo primitief dat er geen enkel onderscheidt wordt gemaakt tussen beesten en mensen. Lees het vers dat aan Leviticus 27:29 voorafgaat:


“Wanneer iemand iets uit zijn bezit onvoorwaardelijk aan de HEER heeft gewijd, of het nu slaven, vee of grond betreft, rust er een ban op. Het kan niet worden verpand, de gelofte kan niet worden afgekocht. Alles wat onvoorwaardelijk aan de HEER is gewijd (=waar men een ban, ‘cherem’, over heeft uitgesproken) is allerheiligst.” (Lev. 27:28)


Vandaar dat vers 29 erop volgt: Wanneer over een mens zo’n ban is uitgesproken, dus wanneer hij onvoorwaardelijk aan de HEER is gewijd, kan men hierop niet terugkomen, kan deze gelofte later niet worden verbroken. Hij/zij moet dan aan God opgeofferd worden, ter dood gebracht worden. Vers 28 laat natuurlijk overduidelijk zien dat het hier in het geheel niet gaat om vijanden van God. Op de vijanden van het volk van God stond een door God uitgesproken ban; ze moesten vanwege hun gruwelijkheid allemaal uitgeroeid worden, net zoals moslimfanatiekelingen dit nog steeds van mening zijn. Aangezien dit vers in Leviticus voor gelovigen zo'n pijnlijke zaak is, vind je dan ook veelvuldig uitleggingen zoals in de kanttekening van de Statenvertaling die het vers verdraaien en laten zeggen: "Diegenen waarover God een ban heeft uitgesproken zijn onherroepelijk ter dood veroordeeld" (de woorden van een engelstalige christelijke site om de tekst uit te leggen). Maar in deze tekst gaat het juist om vrijwillige menselijke geloften door individuen uitgesproken, geheel in het algemeen, een gave aan God, geheel zonder context van goddelijke eisen. Dit vers gaat dus nóg verder dan de heilige oorlog: het stelt het mensenoffer doodeenvoudig als één van de manieren waarop men kan offeren aan de godheid.

Maar dat is toch onmogelijk, stellen de gelovigen, omdat er toch ook in de bijbel staat dat God mensenoffers haat? Men verwijst dan naar de verboden op kinderoffers zoals die aan Moloch gedaan werden (Lev. 18:21; 20:2-5; Deut. 12:31; 18:10). Maar zoals iedereen weet, in de bijbel is niets zo gewoon als tegenstrijdigheid, en bovendien is het -zoals de gelovigen ons bij elk probleem in de bijbel ook altijd verzekeren- geen echte tegenstrijdigheid. Het is eenzelfde tegenstrijdigheid als een gebod Gij zult niet doden, hetgeen -zoals iedereen weet- in het geheel niet betekent dat je geen oorlog mag voeren, want daar kan God tezelfdertijd ook opdracht toe geven. Oorlog is wat anders, namelijk wanneer het heilig is, zegt men dan.
Offers aan Moloch waren niet vrijwillig, maar werden door de gruwelgod opgeëist, en het ging hier bovendien alleen om kinderen. Zij schijnen alleen te hebben plaatsgevonden in het dal Ben-Hinnom (nabij Jeruzalem waar de rivaliserende tempel stond, reden waarom de bijbel er zoveel aandacht aan besteedt), en ook slechts in een latere tijd (de late koningtijd). In de godsdienst van Israël werd het offeren van kinderen als algemeen ritueel aan Jahweh, zoals de Kanaänieten dat deden aan hun goden (een jongen of meisje 'deed men door het vuur gaan'), niet toegestaan; maar Leviticus 27: 28, 29 laat duidelijk zien dat er in de oude wet wel degelijk een mogelijkheid tot het offeren van mensen was, als heilige gave.


Lees het gehele hoofdstuk eens door. In Leviticus 27 gaat het over bepalingen omtrent ‘sjoemelen’ met offergaven van individuen. Iemand kan bijvoorbeeld een gelofte doen zich ‘als het ware’ aan God op te offeren. Dan kan hij zijn leven in geldwaarde omrekenen, en die geldwaarde betalen aan God. Zo is een volwassen man ongeveer vijftig gram zilver waard, een vrouw dertig, een jongen twintig en een meisje slechts tien gram. De waarde van kinderen onder de vijf is te verwaarlozen, slechts vijf en drie gram zilver. Een bejaarde is ook maar vijftien (man) of tien (vrouw) gram zilver waard. Het zal duidelijk zijn dat het hier niet altijd gaat om mensen die een gelofte over zichzelf uitspreken, want hoe zou een baby dat kunnen doen. Een volwassen man is eigenaar van zijn vrouw, kinderen en slaven, en kan zo’n gelofte dan ook over hen uitspreken.
Tussen twee haakjes zouden we hier de zaak kunnen overdenken dat een God de waarde van mensen in geld omrekent, en op wat voor manier! We zouden tevens kunnen overdenken dat deze geldwaarde die 'als een gave aan God' gegeven werd in de praktijk aan de priester werd overhandigd. Wie weet gaat er dan bij ons een lampje branden...


Het hoofdstuk vervolgt met hoe er dan gehandeld moet worden indien iemand zo’n gelofte aan God heeft gedaan en het niet kan betalen: de priester -altijd vol begrip- stelt hem dan een ander bedrag voor, rekening houdend met wat degene die de gelofte gedaan heeft zich kan veroorloven.

Gekonkel met offerdieren is echter niet toegestaan. Wanneer een dier eenmaal als offerdier aan de HEER beloofd is, mag het niet meer worden omgeruild voor een ander dier. Indien een onwetend persoon een onrein dier aan de HEER beloofd heeft, kan het natuurlijk niet geofferd worden; maar geen probleem, de priester -expert zoöloog- zal wel even kijken wat de waarde ervan is. Zo kan men de gelofte weer in geld betalen. Ook als je een rein dier aan de HEER hebt beloofd, maar je bedenkt je op het laatste moment dat je zo aan het lieve beestje gehecht bent, kun je de gelofte gelukkig afkopen. “Hij moet het vastgestelde bedrag betalen, vermeerderd met een vijfde.” Beloof je je huis aan God, dan komt de priester in de hoedanigheid van makelaar even een schatting van je huis maken. Wat hij als prijs uitspreekt is bindend, daar kan niet over geredetwist worden, hij is tenslotte ook op het gebied van onroerende goederen de vakman. Wanneer je later op andere gedachten komt en de gelofte in wil trekken, moet je hem dat bedrag betalen, vermeerderd met een vijfde. Met een stuk grond dat aan de HEER beloofd wordt zijn eendere bepalingen. Afkopen van de gelofte lukt wel, maar vermeerderd met een vijfde van de waarde ervan.


Er wordt hierna nog even opgemerkt dat het eerste jong van een dier uit de veestapel zowiezo aan de HEER toebehoort, zoiets kan dus niet ‘als heilige gave’ aan hem worden opgedragen. Exodus 22: 28-29 laat weten:


"Sta de eerste opbrengst van de druivenoogst zonder uitstel aan mij af, en geef mij ook je eerstgeboren zoon. Hetzelfde geldt voor de eerste jongen van je runderen en van je schapen en geiten; zeven dagen mogen ze bij hun moeder blijven, op de achste dag moet je ze aan Mij afstaan."


Bovenstaand bevel is absoluut en wijst op oude gebruiken van het offeren van eerstgeborenen. Het is interessant op te merken dat in Exodus 13: 11-15 en Exodus 34: 19-20 dezelfde wet nogmaals wordt voorgeschreven, maar nu met een stipulatie "elke eerstgeboren zoon moet u vrijkopen". Het ligt voor de hand te veronderstellen dat deze laatste bepaling een latere verzachting is van een oorspronkelijk wreed gebruik uit oude tijden. Maar zelfs indien de gelovige niet bereid is dit zo te zien, en er nooit kinderoffers hebben plaatsgevonden in de bijbelse godsdienst, dan nog kan men zich afvragen wat deze uitspraken impliceren over God. God eist dus in principe wrede kinderoffers, Hij is het dus in principe eens met andere gruwelgoden in de omgeving, dat een god daar recht op heeft en er behoefte aan heeft. Maar wat Hij op de anderen voor heeft is een aanleg voor sjoemelen, zodat de mens er onderuit kan komen. Met deze politiek heeft Jahweh uiteindelijk de wereld veroverd, terwijl die andere minder slimme goden die mensenoffers eisten, door de mens uiteindelijk als onsmakelijk zijn weggegooid en gestorven zijn.


Zo komt dan vers 28 en 29:


“Wanneer iemand iets uit zijn bezit onvoorwaardelijk aan de HEER heeft gewijd, of het nu slaven, vee of grond betreft, rust er een ban op. Het kan niet worden verpand, de gelofte kan niet worden afgekocht. Alles wat onvoorwaardelijk aan de HEER is gewijd (=wat onder de ban ligt) is allerheiligst.
Wanneer een mens eenmaal onvoorwaardelijk aan de HEER is gewijd, kan hij niet worden vrijgekocht; hij moet ter dood worden gebracht.”


Een cherem is allerheiligst, is de allerheiligste gelofte die iemand maar kan doen. Je kan hiermee dus niet sjoemelen. In welke gevallen zou iemand nu zulke zeer verstrekkende beloften aan God doen? We kwamen de uitdrukking tegen ‘als een heilige gave aan God’. Wie weet is dit een aanwijzing voor het waarom van al die geloften. Ik heb genoeg vroomheid om me heen gezien in mijn leven om te kunnen geloven dat iemand zoiets puur uit uiterste vroomheid zou kunnen doen, met geen vuiltje aan de lucht. Vooral als je rijk bent doet een slaaf meer of minder er ook niet zo toe. Maar wellicht was het gebruikelijker in gevallen van doodsnood, om de genade van God maar af te smeken. Van de oude Feniciërs wordt verteld dat men bij dreigend gevaar 'de liefsten van hun kinderen op mysterieuze manier opofferden' (Philo van Biblos). In de bijbel zien we hetzelfde gebeuren wanneer de koning van Moab geen uitweg meer ziet (2 Koningen 3). Hij offert zijn zoon als een brandoffer voor zijn god, en het helpt meteen: de aanvallende Israëlieten trekken zich bang terug wanneer ze het zien. De achterliggende gedachte is dat men via zo'n handeling zich kan verzekeren van de positieve aktie van de god waaraan geofferd wordt. De bijbel geeft een paar goede voorbeelden van deze geloften:


Het verhaal over Jefta wordt nu eindelijk ook duidelijk. Ik begrijp nu eindelijk waarom dit hele verhaal in de bijbel als een doodnormale zaak wordt verteld, iets waar ik me altijd over verwonderd heb.

Christelijk uitleg over Jefta (op internet) :


“Misschien is zijn Godsbeeld helemaal vervormd door eigenschappen van andere goden. Die moesten door offers afgekocht worden.... In deze benauwde en chaotische situatie belooft Jefta God een offer om Hem gunstig te stemmen. Dat pakt verkeerd uit. Wat moet hij doen? Zijn dochter offeren of zijn belofte niet nakomen? Allebei die dingen zijn God een gruwel... Hij besluit voor het eerste. Meningen verschillen over de vraag of zij letterlijk geofferd is. Is Jefta een optelsom van de druk van omstandigheden, de tijdgeest en zijn opvoeding?”


Kijk, zo’n uitleg heeft niets met de bijbel te maken, maar slechts met moderne gedachten.

Iemand die het bijbelverhaal eerlijk leest merkt op dat Jefta een held genoemd wordt, dat hij de Geest Gods over zich krijgt net vóór hij zijn barbaarse uitspraak doet, en dat God over alles met geen woord van afkeuring rept. Er is dus geen enkele reden waarom dit offer niet uitgevoerd zou zijn; bovendien is er in de gedachten van de bijbelschrijvers geen enkele behoefte om Jefta’s handelingen goed te praten: hij deed niet verkeerd; er was in de eigen wet een regel voor gesteld.


Er is nog een geval in de bijbel dat laat zien in welk een situatie zo’n gelofte gedaan kan worden. De situatie is ernstig, de vijand moet worden verslagen, iedereen moet alles op alles zetten: koning Saul spreekt uit dat niemand mag eten voordat de vijand verslagen is. Zijn zoon Jonathan maakt zich toch aan eten schuldig (hij is niet op de hoogte van de uitspraak van zijn vader) en moet daarom later ter dood gebracht worden. Uiteindelijk wordt dit niet gedaan! Hier zien we dat de wet opgesteld in Numeri 30: 2 terzijde wordt gezet, een eerste glimp van menselijk beter weten dan God.


Een derde geval laat een mensenoffer de prijs zijn die iemand moet betalen vanwege zijn vermetelheid iets te doen wat eigenlijk niet mag, het wederopbouwen van een plaats die in de heilige oorlog voorgoed tot puinhoop is gemaakt (Jozua 6: 26 ; 1 Koningen 16: 34). De man Chiël die Jericho wilde herbouwen moest zowel zijn oudste als jongste zoon aan God offeren, om maar te voorkomen dat Gods vloek (toorn) over de stad die niet meer opgebouwd mocht worden zou ontbranden.


Het is trouwens opvallend hoezeer deze dingen verdonkeremaand zijn in de theologie. [1] Toen ik zelf zocht naar opheldering in deze zaak sloeg ik natuurlijk pater de Vaux op, de grote specialist, die het standaardwerk “Hoe het Oude Israel Leefde” schreef, een dikke pil van wel 1000 bladzijden. Bijna elk vers in de Pentateuch wordt erin behandeld, maar laat hij nu net volkomen stil zijn over Leviticus 27:29! Hij heeft wel een stukje geschreven over mensenoffers in het algemeen, maar de objectiviteit is hier ver te zoeken. Hij begint met op te merken:


“Inderdaad is er sprake van mensenoffers in de oude oosterse godsdiensten, maar zij waren uitzonderingen en zo eigenaardig, dat men aarzelt ze echte offers te noemen.”


Wel, de pater zijn zin; we noemen deze offers dan ook liever weerzinwekkende uitingen van de primitieve mensheid. Gelukkig had men dat zelfs in latere bijbelse tijden al door. Luister eens naar Ezechiël, die beweert dat God door hem de volgende woorden uitspreekt:


“Ik gaf hun zelfs slechte wetten, en regels die leidden tot de dood. Met hun eigen offergaven maakte Ik hen onrein, hun eerstgeboren kinderen liet Ik hen offeren, opdat ze in ontzetting zouden beseffen dat Ik Jahweh ben.” (Ezechiël 20: 25, 26)


Kan iets duidelijker gezegd worden? Maar de geleerde doctor de Vaux schrijft voornamelijk om dit alles tegen te spreken en de eerste opmerking die hij maakte om te draaien in het tegendeel. Hoe kun je zoiets doen zonder op uitzonderlijk vreemde redenaties een beroep te doen?:


“De woorden van de profeet mogen niet letterlijk worden opgevat. Hier wordt de oorzakelijkheid van God alle menselijke daden toegeschreven, de goede en de slechte; dit is een manier om een toelaten van God uit te drukken.”


Hmm, is zowel overtuigd christen te zijn als wetenschapsman echt een onmogelijke optelsom in het leven? Nog een tekst van de Vaux:


“Naar de voor de hand liggende zin van de tekst, die men niet moet afzwakken, had Jefta beloofd dat hij, wanneer hij als overwinnaar zou terugkeren, de eerste persoon die uit zijn huis komen zou, als een brandoffer zou offeren; die eerste persoon was zijn dochter en hij deed zijn gelofte gestand. Maar dit wordt verteld als een uitzonderlijk en stuitend geval. De geschiedenis van Jefta kan niet worden gebruikt bij de studie van het israëlitische ritueel.”


Dus eerst roept hij op om de tekst maar niet af te zwakken, en vervolgens legt hij de tekst uit als een stuitend voorval, het tegendeel van wat de bijbeltekst (en de andere verwijzingen in de bijbel naar Jefta) juist suggereert. En tenslotte, hoewel hij eerst had opgemerkt dat mensenoffers overal in het midden-oosten zeldzaam waren, veegt hij het gehele verhaal als niet ter zake doende van tafel, omdat het een zeldzaam verhaal is!


Nog een staaltje van "uitleg" van de Vaux. In 2 Samuel 21: 1-14 hebben we een verhaal waar God hoogst persoonlijk bloedwraak eist, vanwege een onrecht aangedaan aan de Gibeonieten.


"Maar de Gibeonieten waren geen Israëlieten en dit verhaal leert ons dus niets over de godsdienst van Israël."


Dus op de een of andere manier moeten we de beschreven gebeurtenissen maar aan de Gideonieten toeschrijven. Het heeft niets met de jahwistische godsdienst te maken. Begrijpelijk is dit aanleggen van mistbanken wel. Wie van de lezers kan zich nog christen blijven noemen indien ik hier de waarheid aangaande het Oude Testament aanstipte?


"Het offer is de oudste, de ernstigste en de moeilijkst uit te roeien onder de dwalingen die ons zijn nagelaten uit de staat van krankzinnigheid, waarin de mens in zijn eerste jeugd verkeerde. De primitieve mens geloofde dat hij de onbekende krachten die hem omringden kon bezweren door ze voor zich te winnen, zoals men een mens voor zich wint, dus door hun geschenken aan te bieden. Dat was vrij consequent. Want de goden die men gunstig moest stemmen waren boosaardig en baatzuchtig...Deze schokkende dwaasheid die het eerste beetje echt godsdienstig gevoel had moeten wegvagen, was een daad van onderwerping geworden, een soort vazallenhulde van de mens ten opzichte van de godheid. De godsdienst van de aartsvaders heeft zich er niet van weten te bevrijden. Als eersten hebben de profeten van de 8ste eeuw v Chr. zich tegen deze dwaling verzet, maar ook zij hebben haar niet kunnen opruimen." (Renan, 19e eeuw, Geschiedenis van Israel.)


De christelijke bijbel blijft trouwens tot de laatste bladzijde menselijke bloedoffers ophemelen. En Renan bleef zich een christen noemen. (Nu begrijp ik eindelijk waarom Nietzsche Renan een hansworst noemde).



Albert Vollbehr, februari 2005








[1]Drie jaar nadat ik dit artikel schreef las ik het Testament van Meslier, de eerste atheïstische tekst die in Europa te boek staat (gepubliceerd in 1729, na de dood van Meslier), waarin deze gedesillusioneerde priester onder andere melding maakte van Leviticus 27 en de mensenoffers van het Oude Testament. Dit laat goed zien dat deze zaak onder theologen wel bekend was. Meslier schrijft: "Maar het meest weerzinwekkende was wel, dat de wetten van dit afschuwelijke Joodse volk ook mensenoffers voorschreven. De barbaren (wie dat nu ook mogen geweest zijn) die deze verschrikkelijke wet hadden opgesteld, eisten (zie Leviticus 27), dat een mens die aan God was gewijd zonder medelijden ter dood moest worden gebracht. Als gevolg van dit walgelijke voorschrift heeft Jefta zijn dochter geofferd. Saul wilde hetzelfde doen met zijn zoon (maar dit werd vermeden)."