Volwassen Geloof                                                                      Appendix 6

        









Dit befaamde geschrift werd geschreven tussen 1749 en 1751 en bewerkt tot aan de dood van Hume in 1776. Hume durfde dit werk tijdens zijn leven niet uit te geven, hoewel hij zeer genadevol met de religie omgaat en het bepaald niet afschrijft. Hij presenteert drie verschillende visies, de visie van de Scepticus, de Dest en de Christen, maar de Scepticus voert de boventoon. Toch schrijft Hume als conclusie: "Ik moet toegeven dat wanneer ik alles nog eens goed overdenk ik tot de conclusie kom dat de overtuigingen van de Scepticus waarschijnlijker zijn dan die van de Christen, maar dat de overtuiging van de Dest de waarheid wellicht het dichtst benadert." Het hiernavolgende is een vlotte en soms vrije vertaling van de laatste hoofdstukken van het origineel, met als doel de gedachtengang voor de moderne lezer zo helder mogelijk uiteen te zetten. De oorspronkelijke tekst is volledig in het engels op het internet te lezen. Dialogues Concerning Natural Religion

Albert Vollbehr







X


De ellende van de mens en goddelijke goedheid

-Ik ben van mening, zei de Christen, dat ieder mens de waarheid van de religie in zichzelf wel ongeveer aanvoelt. Het zijn niet in de eerste plaats de verstandelijke redeneringen, maar bovenal zijn eigen kleinheid en al de ellende die hij in het leven ondervindt die hem bij God zijn toevlucht doen zoeken. Zo angstwekkend en benauwend zijn zelfs de beste levensomstandigheden dat een mens toch blijft uitkijken na een hiernamaals. En het dagelijks ervaren van kwellingen en angsten zorgt ervoor dat men door bidden, vereren en offeren onbekende krachten voortdurend probeert gunstig te stemmen. Wij mensen zijn zulke arme stakkers! Hoe zouden we alle tegenslagen van het leven het hoofd kunnen bieden, als de godsdienst ons niet enige methoden van verzoening aanbood en de altoos aanwezig zijnde angsten zou verlichten?

-Inderdaad, zei de Scepticus, de menselijke ellende en slechtheid is het beste lokmiddel om mensen godsdienstig te maken. Het enige wat je verder nog nodig hebt is welbespraaktheid en pakkende rethoriek, want men hoeft nooit aan te komen met degelijk bewijsmateriaal; iedereen voelt de waarheid ervan zelf altijd aan. Het is alleen nodig de zaak als het even kan nog wat aan te dikken.

-De gewone mensen zijn inderdaad voldoende overtuigd van deze grote droeve waarheid, vervolgde de Christen. De ellende van het leven, het ongeluk van de mens, de algemene verdorvenheid van onze menselijke natuur, het onbevredigende van het vergaren van rijkdom, het najagen van genot, roem en eer -het zijn allemaal dingen die spreekwoordelijk zijn in iedere taal. Wie kan nog twijfelen aan wat mensen onmiddellijk intutief aanvoelen als een waarheid?

-Op dit punt zijn zelfs de geleerden het volkomen met de gewone mensen eens, voegde de Scepticus er aan toe. In de gehele literatuur wordt het thema van de menselijke ellende benadrukt in de meest kleurrijke bewoordingen, met de meest doorvoelde smart en het grootste verdriet. Bij dichters komen we dit onderwerp in overvloed tegen, en aangezien zij tenslotte nooit van een bepaalde ideologie uit gaan, spreken ze daarom met des te meer gezag. Van Homerus tot Edward Young hebben ze altijd geweten dat niets zo overeenstemt met de gevoelens en de ervaring van iedereen als juist dit thema.

-Precies, zei de Christen, loop maar een bibliotheek binnen en pak een willekeurig niet-wetenschappelijk boek. Ik durf te wedden dat er nauwelijks n schrijver te vinden is die niet door het besef van de menselijke ellende ertoe gedrongen werd om te schrijven. En geen enkele schrijver is zo buitenissig geweest om de menselijke ellende te ontkennen.

-Daar ben ik het toch niet helemaal mee eens, zei de Scepticus. Leibniz heeft wl de menselijke ellende geloochend. Hij is misschien n van de eersten die het aandurfde zoiets stoutmoedigs te opperen, maar hij deed het met gedegen filosofische redeneringen.

-Maar als hij de eerste was zou hij zich toch wel bewust zijn geweest van zijn dwaling! zei de Christen hierop. Het zou toch al te gek zijn als iemand zo laat in de geschiedenis pas voor het eerst deze waarheid ontdekte, terwijl de gehele rest van de mensheid er anders over dacht en denkt, en het denken van al die anderen op gezond verstand en eigen ondervinding berust. En bovendien, waarom zou een mens hierin in vergelijking tot al het andere leven een uitzondering zijn? Geloof me, Scepticus, al het bestaan is vervloekt en verloederd. Er is een voortdurende oorlog tussen alle schepselen. Behoefte, honger en ontbering stimuleren de sterken en moedigen. Vrees en bezorgdheid verontrusten de zwakken en de weifelaars. Zelfs al het binnenkomen op deze aarde is een angstwekkende gebeurtenis, zowel voor het pasgeboren kind als voor de ontredderde moeder. Zwakte, onvermogen en ellende zijn onze getrouwe metgezellen op elk moment van het leven en op het eind rest er nog doodsangst en vrees voor het hiernamaals.

-Ja, dat is allemaal waar, zei de Scepticus, kijk bijvoorbeeld eens naar al die listen en vallen waar de natuur het leven van een ieder mee verzuurt. De sterken azen voortdurend op de zwakken en terroriseren hen onophoudelijk. De zwakken op hun beurt proberen steeds stokjes in de spaken van de wielen van de sterken te duwen. Kijk naar de ontelbare insecten die op het lichaam van elk dier wemelen of eromheen rondvliegen om ze met hun angels te steken. Deze insekten worden op hun beurt weer gekweld door nog kleinere wezens dan zijzelf. Van alle kanten, van voren en van achteren, van boven en van onderen, iedereen is omgeven door zijn vijanden die altijd maar uit zijn op zijn ellende en vernietiging.

-Maar, zei de Christen, de mens is toch enigszins een uitzondering. Hij leeft in groepsverband en kan daarom gemakkelijk leeuwen, tijgers en beren de baas zijn, al zijn die dieren krachtiger of sneller.

-Helemaal niet!, riep de Scepticus uit. De mens laat juist het allerduidelijkst zien hoezeer dit principe in de natuur ingebakken is. Het is waar dat de mens zijn rele vijanden de baas kan zijn, maar zie wat hij vervolgens doet: hij roept onmiddellijk denkbeeldige vijanden op. Spoken van zijn verbeelding die hem kwellen met bijgelovige angsten en elk genot in zijn leven vergallen. De mens beeldt zich allemaal machten en krachten in die al zijn genoegens tot misdaad bestempelen. Zijn voedsel, zijn rust, zijn genieten, zijn voor die ingebeelde machten altijd een ergernis, een gruwel. In zijn slaap, in zijn dromen fabriceert de mens voortdurend nieuwe angsten. Zelfs de dood, een toevluchtsoord bij al te grote tegenslag, wordt door hemzelf omgeven door allerlei angsten, bijvoorbeeld over eeuwige pijniging in het hiernamaals. De wolf mag gevaarlijk zijn, maar niets is voor de mens zo'n grote bedreiging dan z'n eigen angstig bijgeloof!
Bovendien, bedenk ook dit eens: die samenleving waarmee wij onze natuurlijke vijanden, de wilde dieren, de baas kunnen zijn, hoeveel nieuwe vijanden brengt die ons niet? Hoeveel leed en ellende doet de samenleving ons niet aan? De mens is de grootste vijand van de mens. Verdrukking, onrecht, verachting, beledigingen, geweld, opstand, oorlog, roddel, verraad, bedrog - met al deze dingen kwellen wij mensen elkaar. De mensen zouden heel snel de samenleving waarin ze leven ontbinden, ware het niet dat een leven alleen nog moeilijker zou zijn.

-OK, zei de Christen, maar deze gehele catalogus van rampspoed is niets in vergelijking tot wat ziekten in ons lichaam veroorzaken. Hoeveel mensen gaan niet gebukt onder de nooit aflatende pijn van ziekten? Luister eens naar wat Milton erover te zeggen heeft [Paradise Lost]:


Gruis in de ingewanden, zweren, koliekpijnen,
duivelse waanzin, uitputtende droefheid,
maanzieke krankzinnigheid, wegkwijnende atrofie,
verval van krachten, allesverwoestende pest.
Hevig de krampen, verscheurend het gekreun,
wanhoop bezoekt de zieken, zij gaat van bed tot bed.
En boven ieder ziekbed laat de dood triomfantelijk zijn afzichtelijke gelaat zien, om zich dan op het laatste moment te weerhouden van de genadeslag, hoe men er ook om smeekt, om mensen slechts nog meer te kwellen door ze een sprankje hoop, een lege belofte te schenken.


En de kwalen van de geest, zo vervolgde de Christen, zijn slechts wat meer verborgen, maar zeker niet minder akelig en kwellend. Wroeging, schaamte, angst, woede, teleurstelling, bezorgdheid, verslagenheid, wanhoop - wie heeft ooit zijn levensloop volbracht zonder door deze kwelgeesten te worden lastig gevallen? Hoevelen hebben nooit iets anders ervaren in hun leven? Zwaar werk en armoede, door iedereen beklaagd te worden, zijn voor de meeste mensen een onontkoombaar levenslot. En de weinigen die een bevoorrecht leven leiden, in rijkdom en comfort, bereiken er ook nooit tevredenheid mee. Alle goede dingen van het leven maken nog geen volkomen gelukkig mens. Maar aan de andere kant, alle slechte dingen hebben wl de macht om iemand doodongelukkig te maken. Zelfs het ontberen van n goed ding kan het leven van de mens al tot een kwelling maken...


-OK, we kunnen niet om de menselijke ellende heen, zei de Scepticus. Tenzij je met verontschuldigingen aankomt, maar die bewijzen deze zaak des te meer. Nu rijst de vraag dus: Waarom hebben alle mensen van alle tijden onophoudelijk over het leven geklaagd? Iemand die de ellende van het leven niet wil aanvaarden zal misschien zeggen dat ze er geen goede reden voor hebben, maar al deze klachten slechts voortkomen uit een mopperende en vreesachtige aard. Indien ze echt zo ongelukkig zouden zijn als ze het doen voorkomen, waarom stappen ze dan niet meteen uit het leven? Maar het is alweer zoals Milton zegt: Niet tevreden met het leven, en bang voor de dood. De angst voor de dood is de verborgen ketting die ons aan het leven bindt. We zetten ons leven voort omdat we bang zijn, niet omdat het bestaan zo aantrekkelijk is. Wel, zou mijn opponent kunnen zeggen, dit is alleen maar overgevoeligheid, een gevoel waar slechts enkele verfijnde geesten over beschikken. Maar dan vraag ik: als iemand zich hoog ontwikkelt, een delicaat en verfijnd gevoel heeft -en ongevoeligheid dus gezond is- wat moeten we dan in het algemeen van het menselijk leven denken?
Laat de mensen tot rust komen, zegt onze opponent, en ze zullen het best aangenaam hebben. Men fabriceert zelf bereidwillig zijn eigen ellende. Nee, zeg ik hierop, de rust van de mens wordt altijd meteen weer opgevolgd door bezorgdheid en saaiheid, en elke aktiviteit weer door ontmoediging, ergernis en problemen.

-Hierop kwam een reaktie van de Dest: Wat jullie daar zeggen kan ik wel af en toe bij anderen waarnemen, maar absoluut niet bij mijzelf. Ik hoop in ieder geval dat het niet zo algemeen verbreid is als jullie het doen voorkomen.

-Wel, als jij de menselijke ellende niet voelt, riep de Christen uit, feliciteer ik je omdat je een gelukkige uitzondering bent. Anderen met wie het ogenschijnlijk zeer goed ging, hebben zich er niet voor geschaamd over het leven te klagen. De grote keizer Karel V bijvoorbeeld was op z'n oude dag alle pracht en praal moe. Toen hij van z'n troon afstand deed ten gunste van zijn zoon, liet hij in een toespraak weten dat "de grootste voorspoed die hij ooit genoten had, vermengd was met zoveel tegenslagen, dat hij naar waarheid kon zeggen nooit enige voldoening of tevredenheid te hebben gekend." En werd hij gelukkiger toen hij een teruggetrokken leven ging leiden? Volgens zijn zoon had zijn vader reeds berouw op de dag van zijn aftreden. Stel jezelf de vraag, of vraag het mensen om je heen, of zij de laatste tien of twintig jaar van hun leven opnieuw zouden willen beleven. Nee, zal iedereen zeggen, maar de komende twintig zullen beter zijn. Uit de droesem van het leven hoopt men te beleven wat de eerste dartelende sprongen niet konden geven. Zo betrapt iedereen zich er tenslotte op dat men het presteert te klagen over de korte duur van het leven terwijl men tezelfdertijd klaagt over de ellende en de droefheid ervan! Zo groot is de menselijke ellende dat men zelfs tot zulke onmogelijke tegenstrijdigheden komt.

-Welnu, beste Dest, zei de Scepticus hierop, is het mogelijk dat je nog steeds over God blijft denken door Hem menselijke eigenschappen te geven? Blijf je nog steeds beweren dat de morele eigenschappen van de Godheid, zijn rechtvaardigheid, zijn goedheid, zijn mededogen, van dezelfde aard zijn als deze deugden bij menselijke schepselen? We erkennen dat zijn macht oneindig groot is: wat Hij ook maar wil, wordt uitgevoerd. Maar noch enig mens, noch dier is gelukkig. Hij wil dus hun geluk niet. Zijn wijsheid is ook al oneindig: Hij vergist zich nooit bij de keuze van de middelen tot welk doel dan ook. En toch leidt de loop van de natuur niet tot het geluk van mens of dier. De natuur is dus niet met dat doel geschapen. Er is niets zo evident als deze conclusies. Hoe kan jij dan geloven dat God goed is en mededogen heeft, zoals wij mensen deze eigenschappen kunnen laten zien?
De vragen van Epicurus blijven tot in alle eeuwigheid onbeantwoord:


"Wil Hij het kwaad tegenhouden, maar kan Hij dat niet? Dan is Hij niet almachtig. Is Hij er wel toe in staat, maar wil Hij het niet? Dan is Hij kwaadaardig. Is Hij er toe in staat, en wil Hij het ook wel, waar komt dan het kwaad vandaan?"


Beste Dest, jij gelooft dat er aan de natuur een doelstelling, een intentie ten grondslag ligt. Al ben ik Scepticus, ik zou zoiets best wel willen onderschrijven. Maar vertel me nu eens, wat is dan die bedoeling van die vreemde planmatigheid en organisatie die de natuur laat zien? Voor zover een mens kan zien, alleen het in stand houden van individuen en de voortplanting van de soort. En voor het doel is het voldoende als zo'n soort zich in het universum weet te handhaven, ze bekommert zich in het geheel niet om het geluk van die schepselen. Voor geluk is er geen enkele doelmatigheid. Er zijn geen voorzieningen alleen voor genoegen of levensgemak. Er bestaat geen bron voor zuivere vreugde en tevredenheid. Bevrediging bestaat slechts wanneer er eerst gebrek en behoefte bestaat. En de weinige verschijnselen die bevrediging geven wegen niet op tegen het gewicht van alle tegengestelde verschijnselen. Onze zin voor muziek, schoonheid, de harmonie, geeft voldoening, maar is in het geheel niet noodzakelijk voor de instandhouding en voortzetting van de soort. Maar kijk dan eens naar hoeveel pijnen er niet ontstaan door jicht, nierstenen, migraine, kiespijn, reuma. Soms is de schade aan het lichaam maar klein, maar onophoudelijk, ongeneeslijk! Plezier, lachen, spel, vrolijkheid worden gratis uitgedeeld en hebben geen verdere betekenis. Evenzo droefheid, zwaarmoedigheid, ontevredenheid en bijgeloof, worden overal vrijelijk uitgestrooid, zonder enige verdere betekenis. Waaruit nu blijkt dan die goddelijke goedheid waar je zo graag in wilt geloven? Alleen mystici kunnen dit vreemde samengaan van alle verschijnselen verklaren, en wel door een antwoord te geven waar niemand iets mee opschiet: ze zijn zogenaamd uiteindelijk allemaal volmaakte dingen die wij niet kunnen bevatten.

-Maar Scepticus toch! Ik geloof dat ik eindelijk je ware bedoelingen ontwaar, zei de Dest. Ik vond het al zo vreemd dat je het zo lang met de Christen eens was. Ik zie nu dat je de hele tijd slechts stiekem artillerie tegen mij aan het opstellen was. Welnu, indien je echt bewijzen kan dat alle mensen het leven inderdaad als zo'n ellendige en verdorvene opgave ervaren, dan geef ik toe dat het afgelopen zou zijn met de religie. Want indien de natuur ons met zekerheid slechts deze dingen over God leert, dan zou het onzin zijn nog steeds twijfels te koesteren over zijn morele kwaliteiten: weg met zo'n God!

-De Christen antwoordde: nou, jij bent wel heel radikaal. Het is wel heel vreemd als je uit het thema van de verdorvenheid van het bestaan de conclusie trekt dat er geen God zou zijn, want hebben niet alle theologen en predikanten in hun welbespraaktheid altijd veel over dit onderwerp uitgeweid, om er meteen de oplossing achteraan te vertellen? Deze wereld is slechts een stipje in vergelijking met het universum. Dit leven is slechts een ademtocht in vergelijking tot de eeuwigheid. De ellende die we meemaken wordt daarom in een ander leven en in een toekomstige periode van ons bestaan rechtgezet. Dan zullen onze ogen geopend worden en zullen we de totale samenhang van alles en de algemene wetten begrijpen, en vol aanbidding de goedheid en gerechtigheid van God bevatten, en het gehele labyrint van probleemstellingen.

-Nee, nee! riep de Dest krachtig uit. Zo'n volkomen uit de lucht gegrepen redenering mogen wij mensen nooit aanvaarden. Ze gaat in tegen alle duidelijke en onbetwiste feiten. Hoe kan een oorzaak anders gekend worden dan uit de waargenomen gevolgen? Hoe kunnen we ooit iets weten dan de zichtbare verschijnselen op te merken? Zo'n verhaal over een leven na dit leven vertelt ons slechts wat over onze wensen; het heeft niets met de waarheid te maken.
De enige manier om de goddelijke goedheid overeind te houden -waar ik graag in wil geloven- is de ellendige toestand en de slechtheid van de mens totaal te ontkennen. De voorstellingen van de christenen zijn vreselijk overdreven, hun zwaarmoedige visies zijn grotendeels verzonnen. Hun conclusies zijn tegenstrijdig met de feiten en de menselijke ervaring. Gezondheid komt meer voor dan ziekte, tevredenheid meer dan pijn, geluk meer dan ellende. En tegenover n kwelling staan tenminste honderd genoegens.

-Laat ik nu je stelling aanvaarden, zei de Scepticus, al is die dan ook buitengewoon twijfelachtig. Maar dan nog zou je toch moeten toegeven dat n kwelling, al komt die veel minder vaak voor dan de genoegens, toch veel heviger kan zijn en veel langer aanhoudt. Vaak weegt n uur pijn op tegen een hele dag, een hele week of zelfs maanden van onze flauwe alledaagse genoegens. En hoeveel dagen, weken en maanden moeten velen niet in pijn doorbrengen? Genoegen is zelden of nooit in staat ons in vervoering of extase te brengen en in geen geval voor langer dan een kort moment. De geluksstemming verdwijnt al gauw, de zenuwen ontspannen zich meteen weer en het genoegen verflauwt al spoedig tot vermoeidheid en saaiheid. Maar dikwijls -goede God, hoe dikwijls!- wordt pijn alleen maar erger. Hoe langer de pijn aanhoudt, des te ondraaglijker het wordt. Ons geduld raakt uitgeput, onze moed kwijnt weg, depressiviteit slaat toe. Niets maakt een einde aan onze ellende, tenzij we de oorzaak kunnen wegnemen.
Maar laat ik deze dingen niet al te veel benadrukken, ging de Scepticus verder, hoe vanzelfsprekend en onweerlegbaar ze ook zijn. Ik zou je er alleen op willen wijzen dat je, beste Dest, de discussie op een zeer gevaarlijk punt gebracht hebt. Onopgemerkt moet je de Scepticus steeds gelijk geven en laat je het scepticisme in de meest wezenlijke religieuze opvattingen binnensluipen. Want wat blijkt nu? Bestaat er helemaal geen methode om de godsdienst een juiste fundering te geven, tenzij we toegeven dat het menselijk leven zoals het is gelukkig is, en we erkennen dat de dingen zoals ze zijn, inclusief pijn, onze zwakheden, kwellingen en dwaasheden, verkieslijk en wenselijk zijn? Maar zo'n opvatting druist in tegen ieders gevoel en ervaring, een gezag dat zo betrouwbaar is dat niets het kan ondermijnen. Geen doorslaggevend bewijs kan ooit tegen dit gezag worden ingebracht. Bovendien kan toch niemand alle pijnen en alle genoegens in het leven optellen en uitrekenen, evalueren en met elkaar vergelijken. En door je godsdienst op zo'n wankele betwistbare fundering te zetten geef je stilzwijgend toe dat ook je geloof maar iets betwistbaar is.
Maar laat ik nu toegeven wat niemand kan bewijzen, dat het geluk van mensen de ellende overtreft. Dan zijn we er nog helemaal niets mee verder gekomen. Want dit is namelijk helemaal niet wat wij van een wezen met oneindige macht en oneindige wijsheid en oneindige goedheid zouden verwachten. Waarom is er namelijk berhaupt ellende in de wereld? Zeker niet door toeval. Er moet een oorzaak voor zijn. Heeft God die ellende bedoeld? Maar Hij is toch volmaakt goed. Gaat het tegen zijn bedoeling in? Maar Hij is toch almachtig. Niets kan deze korte, heldere redenering aan het wankelen brengen, tenzij we met redeneren ophouden en zeggen dat we het niet kunnen bevatten en onze begrippen van waarheid en onwaarheid hierop niet van toepassing zijn. Dit is een punt waar ik altijd op gewezen heb, maar wat religieuze mensen altijd smalend en verontwaardigd afwijzen. Maar ik stel me nooit verschansd in dogma's op, ik ben slechts Scepticus. Laat ik nu dus voor de verandering eens toegeven dat alle pijn en ellende best met een goede God verenigbaar zijn. Maar hoeveel wint men door zoiets toe te geven? De loutere mogelijkheid dat die dingen in principe verenigbaar zouden zijn is niet voldoende. Je moet ze zien aan te tonen vanuit de zichtbare werkelijkheid, die gemengde en verwarde verschijnselen om ons heen. Een hopeloze onderneming! Want hoezeer zijn ze allemaal met elkaar in strijd! Op dit punt ben ik dus vrij zeker van mijn zaak, beste Dest. Toen we het nog over de natuurlijke eigenschappen hadden van de Godheid, zijn superintelligentie, zijn planmatigheid, had ik al mijn spitsvondigheid nodig om te ontkennen wat je zei. In veel opvattingen van het Desme over het universum en over de onderdelen daarvan, vooral in de oneindig kleine details, zijn de schoonheid en de doelmatigheid verbluffend en lijken zij alle tegenspraak te veroordelen tot haarkloverij. Maar er is geen enkele reden om uit het menselijk bestaan en de toestand waarin hij zich bevindt af te leiden dat God een moreel wezen is, of die ons rechtvaardigt de conclusie te trekken dat God oneindig goed is, en oneindige macht en wijsheid heeft. Zo iets kan men slechts in blind geloof geloven. Het is nu jouw beurt om eens flink aan de roeiriemen te trekken om je spitsvondige filosofien geloofwaardigheid te geven.





XI


Een volmaakt universum onverschillig tegenover goed en kwaad

-Ik moet toegeven, zei de Dest, dat de veelvuldige herhaling van het woord "oneindig" dat in alle theologische verhandeling aangetroffen wordt weinig met filosofie te maken heeft, maar slechts loze kreten zijn, bedoeld als een lofprijzing. Ons verstand en ook de godsdienst zou er zeer gebaat bij zijn indien we ons wat gematigder zouden uitdrukken. De termen bewonderenswaardig, zeer goed, van verbluffende grootsheid, zeer wijs en heilig zouden best volstaan om het ons duidelijk te maken. Alles wat daarbovenuit gaat leidt tot absurditeiten en kan zowiezo niets aan onze gevoelens toevoegen. Maar als we puur in blind geloof dingen moeten aannemen, hetgeen de bedoeling van de Christen schijnt te zijn, dan vrees ik dat wij mensen die ons verstand willen gebruiken de hele godsdienst weg zullen gooien en geen enkel begrip van het grootse voorwerp van onze verering meer zullen overhouden. Maar, aan de andere kant, indien we puur op ons verstand afgaan, zitten we weer met het probleem dat we het kwaad onmogelijk kunnen verzoenen met Gods oneindige eigenschappen, laat staan dat we die oneindige eigenschappen zouden kunnen bewijzen vanuit het kwaad in de wereld. De oplossing is dus dat we de Schepper op een eindige manier volmaakt opvatten. Hij overtreft de mensheid verre, maar is niet oneindig perfect. Een geringer kwaad zou bijvoorbeeld te verkiezen zijn om een groter kwaad te vermijden, nadelen zouden aanvaardbaar zijn om een groter doel te bereiken. Kortom, goedheid, geleid door wijsheid en beperkt door noodzakelijkheid, zou precies zo'n wereld opleveren als die we kennen. Wat denk je nu daarvan, Scepticus. Ik zou graag jouw mening uitvoerig willen horen over deze nieuwe theorie. Als die theorie onze aandacht waard is zouden we hem later misschien met z'n tween kunnen uitwerken.

-Wel, zei de Scepticus, het eerste wat me te binnen schiet is dit: Veronderstel dat iemand met een heel beperkte intelligentie, die van het universum niets afweet, te horen krijgt dat dit universum het werk is van een zeer goed, wijs en machtig wezen, dat echter niet oneindig perfect is. Wanneer zo iemand er dan naar zou raden, dus van het universum vraf een fantasie zou gaan maken, dan zou het zeer zeker geen fantasie zijn die overeenkomt met wat wij als werkelijkheid ervaren. Want zo iemand zou nooit vermoeden dat het gevolg z vol slechtheid, ellende en wanorde zou zijn. Veronderstel vervolgens dat deze persoon op de wereld wordt gezet, nog altijd in de veronderstelling verkerend dat deze het werk is van een hoogverheven, goed wezen. De teleurstelling zou groot zijn, maar tch zou hij zijn vroegere overtuiging niet zo maar laten varen, indien hij het maar enigszins verstandelijk zou kunnen bevatten. Zo'n beperkte intelligentie zou zijn eigen blindheid en onwetendheid wellicht beseffen en toegeven dat er voor hem vele verschijnselen zijn die zijn begrip te boven gaan. Maar veronderstel nu eens het volgende scenario: dat dit schepsel van tevoren totaal geen overtuigingen heeft van een allerhoogste, algoede en almachtige intelligentie die alles geschapen heeft. Dit nu is precies de positie van de mens. Hij heeft geen andere mogelijkheid dan op onderzoek uit te gaan en zich via onderzoek een overtuiging te vormen. Maar in dit scenario staan de zaken er geheel anders voor, zo iemand zal namelijk nooit redenen vinden voor zo'n conclusie. Hij moge zijn eigen beperktheid inzien, maar dit zal hem niet helpen een conclusie te trekken over de goedheid van hogere machten. Hij moet deze conclusie namelijk maken uit hetgeen hij weet. Hij kan niets zeggen over dingen waar hij geen weet van heeft. Hoe meer je zijn zwakheid en onwetendheid overdrijft, hoe onzekerder je hem maar maakt en des te meer je zijn argwaan opwekt dat zulke dingen volkomen buiten het bereik van zijn vermogens liggen. Je kunt met hem alleen redeneren op grond van de dingen die bekend zijn, over alles wat erbuiten ligt is het zinloos te redeneren.
Stel nu dat ik je een huis of paleis zou laten zien waarin geen enkel vertrek aangenaam zou zijn. Alle ramen, deuren, trappen, het gehele ontwerp zou je ergeren. Lawaai, verwarring, vermoeidheid, duisternis, extreme hitte of koude. Je zou de hele zaak afkeuren en het zou niet helpen indien de architect uit zou leggen dat wijzigingen in het gebouw nog grotere tekortkomingen zouden veroorzaken. Wat hij zegt kan nog zo waar zijn, jij zou toch volhouden dat indien de architect echt goede bedoelingen had, hij met iets beters had moeten aankomen. Althans de meeste ongemakken zouden verholpen moeten zijn. Zelfs als je volledig onkundig zou zijn over achitectuur zou je het niet geloven dat het niet mogelijk zou zijn met iets beters op de proppen te kunnen komen. Je zou de architect veroordelen.
Kortom, ik stel de vraag opnieuw: is de wereld, in het algemeen beschouwd en zoals ze zich aan ons voordoet, anders dan wat een mens, een beperkt wezen, vooraf zou verwachten van een buitengewoon wijze en goede Godheid? Natuurlijk is zij dat. Hieruit concludeer ik dat, hoezeer de wereld misschien ook verenigbaar is met het idee van een perfecte Godheid, de wereld toch in geen geval dit automatisch laat zien. Dat de wereld dus verenigbaar is met zijn bestaan wordt niet ontkent, maar wl ontken ik dat het bestaan van een moreel goede God eruit volgt. Vooral wanneer oneindigheid uit de goddelijke eigenschappen geschrapt wordt, kunnen we misschien geloofwaardig aantonen dat de wereld verenigbaar is met Gods bestaan. Maar we kunnen er nooit verdergaande conclusies aan verbinden.



Kijk rond in het universum. Wat een onmetelijke overvloed aan wezens, bezield, bewust en aktief! Je bewondert die verbazingwekkende veelsoortigheid en vruchtbaarheid. Maar onderzoek die levende wezens nu eens van dichtbij. Hoe vijandig en vernietigend zijn ze voor elkaar! Hoe ontoereikend zijn ze allemaal voor hun eigen geluk! Hoe verachtelijk en afstotelijk voor de toeschouwer! Dit alles bij elkaar roept alleen maar het idee op van een blinde natuur, doortrokken van een groot levengevend principe, dat onophoudelijk, zonder zich druk te maken om die schepselen of er ouderlijke zorg aan te schenken, haar mismaakte en onvolkomen schepselen uit haar schoot laat voortkomen. Hier doet zich misschien de theorie van het bestaan van twee eeuwige aan elkaar tegengestelde wezens voor als plausibele verklaring voor het vreemde mengsel van goed en kwaad dat in het leven optreed.
Indien we echter de volmaakte uniformiteit en het perfecte samenspel tussen de de onderdelen van het universum bekijken, zullen we daarin geen sporen ontdekken van een gevecht tussen een boosaardig en goedwillend Wezen. Er is inderdaad een tegenstelling tussen pijn en genoegen in de gevoelens van zintuiglijke wezens. Maar worden niet alle werkingen van de natuur tot stand gebracht door tegengestelde principes, zoals warm en koud, vochtig en droog, licht en zwaar? De ware conclusie is dat de bron van alle dingen onverschillig staat tegenover al deze verschijnselen, en niet meer belang hecht aan het goede boven het kwade dan aan warmte boven koude, of aan droogte boven vochtigheid, of aan lichtheid boven zwaarte.

Er kunnen vier hypotheses worden opgesteld over de eerste oorzaken van het universum: dat ze volmaakt goed zijn, dat ze volmaakt boosaardig zijn, dat ze tegengesteld zijn, dus zowel goed als kwaad bevatten, en dat ze noch goed, noch kwaad zijn.
Gemengde verschijnselen -dus de wereld zoals die zich aan ons voordoet- kunnen nooit een bewijs zijn voor de twee eerstgenoemde ongemengde principes. De derde hypothese lijkt te worden weerlegd door de eenvormigheid en betrouwbaarheid van natuurwetten. De vierde lijkt dus verreweg de waarschijnlijkste te zijn. We hebben geen reden te veronderstellen dat de gerechtigheid van het Hoogste Wezen op de rechtschapenheid van de mens gelijkt, evenmin te veronderstellen dat Zijn goedheid op die van de mens gelijkt. Integendeel, aangezien vele gelovigen van mening zijn dat het morele kwaad het natuurlijk goede overheerst hebben we een reden te meer Hem maar niet de morele gevoelens toe te schrijven zoals wij die voelen. Maar ook in het geval dat men van mening is dat het goede het kwade veruit overtreft, zal het toch een probleem blijven voor alle aanhangers van een Godheid die in menselijke termen beschreven kan worden, hoe dit kwaad te verklaren. Religieuze mensen moeten er een oorzaak voor aanwijzen, maar mogen er niet hun God van beschuldigen. Maar aangezien ieder gevolg een oorzaak moet hebben, en die oorzaak weer een andere, moet men de reeks doortrekken tot in het oneindige, totdat men op God stuit, de uiteindelijke oorzaak van alle dingen...

-Stop! riep de Christen uit, Stop! Je laat je door je redeneringen meeslepen, en waarheen? Ik was het de hele tijd met je eens om te bewijzen dat het Goddelijk Wezen onbegrijpelijk is en niet zoals Dest dat denkt te kunnen doen, door menselijke redenaties logisch en helder uitgelegd kan worden. Maar nu zie ik jou uitkomen op de leringen van de grootste vrijdenkers en athesten, en de heilige zaak verraden die je leek aan te hangen. Ben je dan in de grond van de zaak een nog grotere vijand voor het christelijk geloof dan het Desme? -Kom jij daar nu pas achter? antwoordde de Dest. Geloof me, beste Christen, je vriend de Scepticus neemt al vanaf het begin een loopje met alle religieuze mensen. We moeten toegeven dat de onnozele redeneringen van alle theologie hem maar al te goede gronden geeft om met religie de spot te drijven. Stel je voor, de menselijke rede ziet men als totaal zwak, God moet men zien als totaal onbegrijpelijk, men moet geloven in de universele ellende en in de verdorvenheid van alle mensen. En dit moet dan de basis zijn voor een innige voorliefde voor godsdienst? In tijden van domheid en onwetendheid kunnen deze principes inderdaad veilig aangehangen worden, wellicht is niets zo geschikt om geloof te bevorderen als een visie op de werkelijkheid die blind geloof vereist, op gebrek aan zelfvertrouwen bouwt en de neerslachtigheid van mensen aanmoedigt. Maar in onze moderne tijd...

-De Scepticus onderbrak hem: Verwijt de theologen maar liever geen onkunde. Ze weten heel slim hoe ze in elke tijd hun manier van optreden moeten aanpassen aan de heersende inzichten. Vroeger was de theologie doordrenkt van de gedachte dat het menselijk leven n en al ijdelheid en ellende is, en men deed er alles aan om alle onheil en pijn nog wat extra te benadrukken. Maar de laatste jaren -nu het leven wat aangenamer is- zien we dat theologen die stelling langzaamaan beginnen te herroepen, en, weliswaar nog aarzelend, steeds meer verkondigen dat er zelfs in dit leven meer goed dan kwaad is, meer genoegen dan pijn. Zolang de godsdienst gebaseerd was op gemoedsgesteldheid en opvoeding, kwam het in hun straatje te pas om de depressiviteit aan te moedigen, aangezien de mensen juist in die gemoedstoestand het gemakkelijkst tot de religie hun toevlucht nemen. De mensen hebben nu echter verstandelijk redeneren geleerd en eigen conclusies te trekken, en daarom moet men nu het geschut anders opstellen. Er moeten tegenwoordig verstandelijke argumenten aangedragen worden.

Zo bleef de Scepticus tot het eind toe gevestigde meningen bestrijden en oppositie voeren. Maar ik kon zien dat het laatste deel van het gesprek de Christen in het geheel niet beviel. Weldra nam hij de gelegenheid te baat om met een smoesje zich aan het gezelschap te onttrekken.




XII


Volwassen Geloof

Na het vertrek van de Christen zetten de Dest en de Scepticus het gesprek als volgt voort:

-Ik ben bang dat onze vriend de Christen geen zin meer heeft met ons verder te discussiren, vooral zolang jij meedoet, zei de Dest. En om je de waarheid te zeggen, Scepticus, ik zou zelf het liefst met elk van jullie afzonderlijk over godsdienst van gedachten willen wisselen. Jouw scherp vermogen om tegenstrijdigheden op te merken, gekoppeld aan je afschuw voor ordinair bijgeloof doen je heel ver gaan wanneer je in debat betrokken raakt. Niets is voor jou zo heilig of zo te eerbiedigen dat je het ontziet.

-Ik moet toegeven, antwoordde de Scepticus, dat wanneer het om de godsdienst gaat ik minder voorzichtig ben dan met welk ander onderwerp dan ook. Ten eerste omdat ik voor iemand met gezond verstand onmogelijk een gevaar kan zijn, en ten tweede omdat niemand die mij als verstandig man beschouwt, mijn bedoelingen verkeerd zal interpreteren. Vooral jij, Dest, voor wie ik groot respect heb en met wie ik openhartig en vertrouwelijk omga, jij weet dat hoewel ik een voorkeur heb voor radikale en extreme argumenten, niemand dieper doordrongen is van religieus besef dan ik. Ik heb een diepe verering voor het goddelijk Wezen, zoals dit Wezen zich aan de rede te kennen geeft in de onvoorstelbare planmatigheid en buitengewoon kunstige inrichting van de natuur. Een oogmerk, een bedoeling, een ontwerp valt overal zelfs de meest nonchalante en oppervakkige denker op. Niemand kan zo verstard zijn in absurde theorien dat hij dit te allen tijde verwerpt. De natuur doet niets tevergeefs. Dit is een stelregel die in alle scholen beaamd en onderwezen wordt, louter op basis van natuuronderzoek, zonder enige religieuze bijgedachte. In de vaste overtuiging dat deze stelregel waar is, zou een anatoom die een nieuw orgaan had ontdekt, pas tevreden zijn als hij ook het nut en de bedoeling ervan had achterhaald. Een belangrijke grondslag voor het Copernicaans systeem is de wet dat de natuur met de eenvoudigste methoden te werk gaat, en de meest geschikte middelen voor een doel kiest; en vaak leggen astronomen, zonder er bij stil te staan, op die manier een sterke grondslag voor vroomheid en religie. Zo leiden bijna alle natuurwetenschappen ons onbewust tot de erkenning van een eerste intelligente Schepper. En het gezag van wetenschappers is des te groter omdat ze niet in de eerste plaats die bedoeling vooropstellen. Ze worden gedwongen tot deze conclusie.
Met genoegen hoor ik Galenus [130-205, arts te Pergamon] redeneren over de struktuur van het menselijk lichaam. De anatomie, zegt hij, ontdekt bij de mens meer dan zeshonderd verschillende spieren. Wie ze aandachtig bekijkt, zal ontdekken dat de natuur in elk daarvan minstens tien aspecten heeft samengebracht om haar einddoel te bereiken: de geschikte vorm, de geschikte grootte, de goede plaatsing van de uiteinden, onderspieren passen bij bovenspieren, alles in samenspel met de positie van zenuwen, aderen, slagaderen. Voor de spieren alleen al moeten er meer dan zesduizend verschillende overwegingen en bedoelingen in acht zijn genomen en uitgevoerd. Het aantal beenderen stelt hij op 284, en de verschillende beoogde effecten in de structuur van elk op meer dan veertig. Wat een vertoon van planmatigheid, zelfs bij deze allereenvoudigste onderdelen! Wanneer we dan nog de huid bekijken, de banden, de bloedvaten, klieren, lichaamsvochten, de ledematen -hoe groeit onze verbazing over de ingewikkeldheid van dit alles. Alles is zo kundig op elkaar afgestemd! Hoe meer ons onderzoek vordert, des te meer nieuwe taferelen van kundigheid en wijsheid we ontdekken. En begrijpen we enkele onderdelen, dan ontwaren we in de verte weer nog weer andere taferelen die buiten ons begripsbereik liggen, in de fijna inwendige structuur van de onderdelen, in de organisatie van de hersenen, in de ontwikkeling van het embryo. Al die kunstige voorzieningen worden in iedere diersoort met een wonderbaarlijke variteit herhaald, en precies aangepast aan de verschillende bedoelingen die de natuur heeft bij het ontwerpen van iedere soort. En indien een ongelovige Griek als Galenus, in een tijd waarin de natuurwetenschap nog in de kinderschoenen stond, geen weerstand kon bieden aan zulke indrukwekkende verschijnselen, hoe koppig moet een wetenschapper in deze moderne tijd wel niet zijn om nog te twijfelen aan een hogere intelligentie?
Mocht ik deze mensen -die God zij dank heel zeldzaam zijn- ontmoeten, dan zou ik hen vragen: aangenomen dat er een God bestaat die zich niet aan onze zintuigen openbaart, hoe zou Hij zijn bestaan nog sterker kunnen bewijzen dan uit wat blijkt uit het hele aanzicht van de grootse natuur? Wat anders zou Hij kunnen doen dan in de organisatie van de natuur de kunstvaardigheid z overduidelijk te maken dat zelfs de allergrootste domkop zich niet meer zou kunnen vergissen? Wellicht zou Hij ons een vluchtige kijk gunnen op ng veel grotere werken die totaal ons bevattingsvermogen te boven gaan, om maar te laten zien hoe oneindig ver Hij boven ons verheven staat. Volgens alle regels van juist redeneren moet elk feit voor onbetwist doorgaan als er degelijke argumenten voor aan te wijzen zijn, ook wanneer deze argumenten niet heel talrijk of voor honderd procent overtuigend zijn. Hoeveel te meer dus in dit geval, waar geen menselijke verbeelding recht kan doen aan de onvoorstelbare grootsheid van de schepping.

-Jij kan het wel hl duidelijk uitleggen allemaal, zei de Dest. Ik zou er slechts aan willen toevoegen dat n groot voordeel van het beginsel van het godgeloof is dat dit de enige kosmologie is die tot een enigszins begrijpelijk en volledig systeem kan worden uitgebouwd, en toch nog altijd sterk overeenkomt met wat we elke dag in de wereld om ons heen zien en ervaren. De vergelijking van het universum met een machine van menselijke makelij is zo voor de hand liggend en natuurlijk, en wordt door zoveel voorbeelden van orde en planmatigheid in de natuur gestaafd, dat deze vergelijking iedere onbevooroordeelde geest onmiddellijk moet opvallen en de algemene goedkeuring wegdraagt. Wie probeert deze theorie af te zwakken kan hoogstens twijfels en moeilijkheden opperen, maar er geen precieze en uitgedachte theorie voor in de plaats zetten. En behalve dat deze geestestoestand op zichzelf onbevredigend is wegen de twijfels en moeilijkheden niet op tegen alles wat voor de religieuze hypothese pleit. De kracht van vooroordelen is zo groot dat een mens toch vaak koppig een absurde theorie kan blijven voorstaan en verkiezen boven een waarschijnlijkere. Maar helemaal geen theorie als alternatief voor een theorie die gesteund wordt door sterke argumenten is onmogelijk vol te houden of te verdedigen.

-Je hebt gelijk, antwoordde de Scepticus, een agnost te blijven op dit punt is vrijwel onmogelijk, maar wellicht speelt in deze controverse een discussie over de betekenis van woorden mee. Dat de natuur grote overeenkomst vertoont met produkten van menselijke makelij is duidelijk, en dus is het logisch te concluderen dat ook de oorzaak van de natuurverschijnselen overeenkomt. Maar er zijn ook aanzienlijke verschillen, en dus hebben we ook evenredige verschillen te verwachten in de oorzaken. In het bijzonder moeten we een veel hogere mate van macht en energie aan de hoogste oorzaak toekennen dan waartoe een mens in staat is. Het bestaan van God wordt dus wel door de rede vastgesteld, maar indien we ons afvragen of we de Godheid een geest of intelligentie mogen noemen, ondanks het immense verschil dat we in alle redelijkheid mogen aannemen tussen Hem en de menselijke geesten, dan is dat toch louter een discussie over woorden? Niemand kan de overeenkomsten tussen de gevolgen loochenen. De oorzaken moeten dus ook overeenkomsten vertonen. Indien wij er niet mee accoord gaan de eerste en hoogste oorzaak een God of Godheid te noemen, maar er liever een andere uitdsrukking voor willen gebruiken, welk ander woord zouden we kunnen gebruiken dan "Geest" of "Denken"? Terecht immers veronderstellen we dat Hij met die begrippen een grote gelijkenis heeft? Terecht wijst men altijd op het belang van duidelijke definities en omschrijvingen van de betekenis van woorden. Maar wanneer we discussiren over de graden van eigenschappen of omstandigheden, blijven we altijd met een bepaalde dubbelzinnigheid en afwezigheid van precizie zitten. Is een held nu een groot man, een heel groot man of een ongevenaard groot man, wat is de mate van schoonheid van een vrouw, in welke mate is een kunstenaar te prijzen, hierover kan men eindeloos doorzeuren. De gradaties van eigenschappen kunnen niet exact gemeten worden. De discussie over thesme is ook van deze aard, louter een discussie over woorden. Ik vraag de godgelover of hij niet erkent dat er een groot en onmetelijk -dus onbegrijpelijk- verschil bestaat tussen de menselijke en goddelijke geest. Hoe vromer de gelover is, des te gemakkelijker hij dit zal beamen en des te meer hij de neiging heeft het verschil groter te maken, zelfs te zeggen dat men het niet groot genoeg kn voorstellen. Nu wend ik mij vervolgens tot de athest, die naar mijn mening alleen in naam athest is, maar het in werkelijkheid nooit in alle ernst kan zijn. Ik vraag hem of er, vanwege de samenhang en het overduidelijke samenspel van alle onderdelen in de wereld, niet een zekere mate van analogie bestaat tussen alle natuurverschijnselen; of het rotten van een koolraap, de geboorte van een dier en de struktuur van het menselijk denken geen krachten zijn die waarschijnlijk een verre analogie met elkaar hebben. Dat kan hij onmogelijk ontkennen: hij zal het toegeven. Als hij dit eenmaal heeft erkend, drijf ik hem nog verder in het nauw. Ik vraag hem of het niet waarschijnlijk is dat het principe dat aanvankelijke orde bracht in het universum en de orde onderhoudt, ook niet een verre, onvoorstelbare analogie heeft met de natuurverschijnselen, onder meer ook met de organisatie van de menselijke geest en het denken. Al is het met grote tegenzin, de athest zal dit moeten toegeven. Wat is dan, zo roep ik nu de Thest en de Athest toe, het punt van twist waarop jullie het oneens zijn met elkaar? De Thest geeft toe dat de oorspronkelijke intelligentie sterk verschilt van de menselijke, de athest geeft toe dat er wellicht toch een zeer verre gelijkenis bestaat tussen het oorspronkelijke ordeningsprincipe en de menselijke geest. We kunnen daarna slechts eindeloos discussiren over verschillen in gradatie en in de verhitte discussies lopen wij de kans niets anders meer te zien dan nutteloze vijandigheid tegenover elkaar.

De natuurverschijnselen vertonen een veel sterkere analogie met de produkten van onze kunstvaardigheid en vindingrijkheid dan met die van onze goedheid en rechtvaardigheid. Daarom moet ik erkennen, beste Dest, dat we met reden mogen concluderen dat de natuurlijke eigenschappen van God beter gelijken op die van de mens dan zijn morele eigenschappen op menselijke deugden. Maar wat volgt hieruit? Niets anders dan dat bij de mens de morele eigenschappen in hun soort meer onvolkomenheden vertonen dan zijn natuurlijke vermogens. Het opperwezen, zo geeft iedereen toe, is absoluut en geheel volmaakt, en daarom wijkt datgene wat het meest van Hem verschilt ook het verst af van de hoogste maatstaf van gerechtigheid en volmaaktheid.
Dit nu zijn mijn eerlijke gevoelens over dit onderwerp, en jij weet dat ik altijd deze gevoelens gekoesterd en verdedigd heb. Maar even groot als mijn verering voor ware religie is mijn afschuw voor het volksgeloof, en ik moet toegeven dat het mij een bijzonder genoegen schenkt hiermee de draak te steken door de opvattingen van het volksgeloof tot in het extreme door te voeren, dan weer tot in het absurde, dan weer tot in het goddeloze. Dit is precies wat alle dwepers ook doen: al hebben ze een veel grotere afkeer voor het goddeloze dan voor het absurde, doorgaans maken ze zich evenzeer schuldig aan beide.

-Gek is dat, zei de Dest, ik heb zelf de neiging altijd de tegengestelde richting op te gaan. Religie, hoezeer ook bedorven, is altijd nog beter dan helemaal geen religie. De leer van een leven na dit leven is een zo sterke en noodzakelijke waarborg voor de moraal, dat we die nooit mogen opgeven of verwaarlozen. Indien eindige, tijdelijke beloningen en straffen al zoveel effect hebben, zoals de praktijk leert, hoeveel meer effect moeten we dan niet verwachten van oneindige en eeuwige?

-Onzin, zei de Scepticus, het volksgeloof is de gehele geschiedenis door een verhaal geweest van partijtwist, burgeroorlog, vervolging, ondermijning van het staatsbestuur, verdrukking, slavernij. Dit zijn allemaal gevolgen van de heerschappij van bijgeloof over de menselijke geest. Indien men met een historisch relaas aankomt over religieuze bezieling, dan mogen we er zeker van zijn dat we in het volgende hoofdstuk een verslag krijgen van de ellende die ermee gepaard ging. Geen enkele periode kan gelukkiger of welvarender zijn dan die waarin bijgeloof niet serieus genomen wordt of gewoon niet voorkomt.

-Ik kan wel uitleggen waardoor deze negatieve neveneffecten ontstaan, antwoordde de Dest. De eigenlijke taak van de religie is de harten van de mensen te benvloeden, hun gedrag menselijker te maken, matigheid, orde en gehoorzaamheid in te prenten. Maar religie kan gemakkelijk een dekmantel zijn voor partijzucht en ambitie.

-Dit geldt voor alle vormen van religie behalve de filosofische en rationele. Jouw redeneringen helpen niet het euvel uit de weg te ruimen of te ontkennen. Wat ik opmerkte zijn eenvoudig de feiten van religie in de praktijk. Waar het nu om gaat is in te zien dat het dus niet juist is te concluderen dat een systeem van beloning en straf in een hiernamaals efficinter is, omdat beloning en straf in dit leven al zo'n grote invloed hebben. Bovendien, denk er eens aan hoe mensen altijd opgaan in de dingen van deze wereld en hoe weinig men bezig is met zaken die z ver af en onzeker zijn als een hiernamaals! Dit is wel zo opvallend dat predikers de mensen er juist altijd in de sterkste bewoordingen van beschuldigen dat ze de religieuze zaken zo verwaarlozen. Maar wanneer het in hun straatje te pas komt gebruiken de theologen deze denkbeelden van straf en beloning in een hiernamaals weer als essentiele drijfveren voor het voortbestaan van de samenleving. En men schaamt zich niet voor deze grove contradictie. Maar uit ervaring weten we dat het kleinste beetje natuurlijke eerlijkheid en goedheid meer effect hebben op het gedrag van mensen dan de meest plechtstatige visies van theologische theorien en denksystemen. De natuurlijke neigingen van de mens draagt hij altijd met zich mee en mengen zich in elke opvatting en overweging. Maar religieuze motieven, indien die al werkzaam zijn, werken slechts met schokken en sprongen, ze worden nooit een vaste gewoonte van de geest, maar blijven altijd onnatuurlijk. Natuurlijke neigingen hebben ook het voordeel dat ze alle schranderheid en vindingrijkheid van de geest voor zich weten te vinden. Is de neiging in strijd met religieuze beginselen, dan zoekt ze elke methode en techniek om die te omzeilen, en heeft daarbij vrijwel altijd succes. Er is niets zo in het oog springend als de vreemde uitvluchten en bizarre verontschuldigingen die mensen bedenken om hun geweten te sussen, wanneer zij in strijd handelen met hun religieuze opvattingen. De wereld begrijpt die mensen juist heel goed. Het zijn slechts de dwazen die minder vertrouwen hebben in iemand wanneer zij horen dat hij door studie en filosofisch nadenken twijfels heeft gekregen over theologische onderwerpen. En indien we te maken hebben met iemand die met zijn geloof en vroomheid te koop loopt, dan heeft dit op de meeste mensen die voor wijs doorgaan, geen ander effect dan dat ze op hun hoede zijn om maar niet bedrogen en misleid te worden.
Filosofen die rede en reflectie cultiveren hebben dwingende moraalregels helemaal niet nodig om een moreel hoogstaand leven te leiden. De gewone mensen hebben zo'n motivatie misschien wel nodig, omdat ze niet in staat zijn zelf te bepalen wat hoogwaardig gedrag is. Ze denken de Godheid welgevallig te zijn door oppervlakkig voorschriften in acht te nemen, of door uitzinnige extase na te streven of dweepziek en lichtgelovig te zijn. Bijgeloof en fanatieke geloofsijver leidt altijd de aandacht af van de wezenlijke dingen, hemelt altijd een oppervlakkig soort verdienste op en verdeelt lof en blaam op een zwart-witte manier. Het heeft de meest verderfelijke gevolgen en verzwakt altijd de rechtvaardigheid en medemenselijkheid die een mens van nature met zich meedraagt. Bovendien werken al deze religieuze impulsen slechts bij tijden op het gemoed, en moet het steeds door inspanningen gestimuleerd worden. Aan veel religieuze plichten begint men met onoprechte ijver; men handelt zogenaamd juist terwijl het hart volkomen koud is. Geleidelijk aan leert men toneelspelen, en bedrog en onwaarheid wordt vaak het hoofdbestanddeel. Dit is de reden voor de volkswijsheid dat de hoogste vroomheid en schijnheiligheid dikwijls in n en dezelfde persoon verenigd zijn. En wanneer godsdienstige belangen in het spel zijn, is geen moraal sterk genoeg om fanatieke dwepers te bedwingen. De heiligheid van de zaak rechtvaardigt elke maatregel die men kan nemen om de godsdienst te bevorderen. Alleen al de voortdurende aandacht voor zoiets enorm belangrijks als het eeuwige heil kan de gevoelens van vriendelijkheid uitdoven en een kleingeestig, bekrompen egosme opwekken. Wanneer godsdienstige vroomheid wordt aangemoedigd, onttrekt ze zich dan ook al gauw aan alle gezonde vormen van naastenliefde en welgezindheid.
Zo hebben dus de drijfveren van het volksgeloof geen grote positieve invloed op de innerlijke gesteldheid, en is hun uitwerking ook al niet gunstig voor de moraal in de situaties waar ze de overhand krijgen. Als er in de politiek n stelregel ten alle tijden vaststaat, is het wel dat zowel het aantal als het gezag van priesters binnen zeer beperkte grenzen moet blijven en de burgerlijke macht nooit mag toelaten deze gevaarlijke lieden wapens in handen te geven. Indien het werkelijk zo was dat het volksgeloof zo heilzaam zou zijn voor de samenleving dan zou men toch een tegenovergestelde regel verwachten: Hoe groter het aantal priesters en hoe groter hun gezag en rijkdom des te meer het juiste geloof dan zou toenemen en de maatschappij zou gedijen. En indien het geloof zo meewerkt aan welgezindheid, de heiliging van het leven en gematigdheid, hoe komt het dan dat de wereldlijke macht er alles aan doet om maar zo voorzichtig mogelijk met de geestelijkheid om te springen om hun verderfelijke invloed op de samenleving maar zoveel mogelijk te te voorkomen? En elk middel dat de wereldlijke heersers aanwenden gaat gepaard met veel ongemak. Laat hij slechts n geloof toe bij zijn onderdanen, dan bestaat er geen vrijheid meer. Men moet dan aan vrijheid inboeten, zowel in de wetenschap, in het gebruik van het verstand, in de nijverheid als zelfs in allerlei persoonlijke zaken. Maar laat hij verschillende sekten toe, wat wijzer is, dan moet hij met filosofische onverschilligheid tegenover alle sekten staan en de pretenties van de heersende geloofsovertuiging zorgvuldig aan banden leggen. Doet hij dit niet, dan staat hem niets anders te wachten dan eindeloze twistern, ruzies, elkaar bestrijdende groeperingen, vervolgingen en rellen.
Ik geef toe dat de ware godsdienst niet zulke verderfelijke gevolgen heeft, maar we moeten de godsdienst nu eenmaal behandelen zoals ze in de regel zich aan de maatschappij voordoet. In theorie klinkt filosofisch thesme zeer hoogwaardig, maar het is slechts bestemd voor een hele kleine bovenlaag van de bevolking.

-Pas op, Scepticus, antwoordde de Dest, pas op! Drijf de zaak niet te ver door. Ik begrijp je weerzin tegen onware religie maar al te goed, maar veeg daarmee niet alle religie van tafel. Geef het beginsel van ware religie nooit op, het is het belangrijkste in het leven, de enige grote troost, onze voornaamste steun bij tegenslagen die ons treffen. De meest gelukkig stemmende gedachte die uit de menselijke verbeelding kan komen is die van een authentiek geloof in God, dwz het geloof in een God die volmaakt goed is, wijs, en machtig, die ons schiep voor ons geluk, ons voorzag van een diep verlangen naar het goede, en die daarom ons bestaan tot in alle eeuwigheid zal verlengen en ons in een oneindige schakering van toestanden brengt om onze verlangens te vervullen, te vervolmaken en duurzaam te maken. Het gelukkigste lot dat een mens zich maar kan voorstellen is onder de hoede en bescherming van zo'n Wezen te staan.

-Ik geef toe dat deze denkbeelden heel aantrekkelijk zijn, voor de ware filosoof zelfs meer dan maar denkbeelden zijn. Maar ook hier zijn deze denkbeelden voor het grootste deel van de mensheid bedrieglijk, omdat de verschrikkingen van de godsdienst het doorgaans winnen van de goede kanten.
Men erkent dat mensen nooit zo ontvankelijk voor religie en vroomheid zijn als wanneer ze door smart overmand zijn of door ziekte teneergeslagen. Is dit geen bewijs dat religie meer samenhangt met verdriet dan met vreugde?

-Maar mensen in nood vinden in godsdienst juist troost, antwoordde de Dest.

-Soms wel, zei de Scepticus, maar je kunt je heel goed voorstellen dat men zich dan een beeld van God vormt dat past bij somberheid en droefenis van de stemming waarin ze zich aan het denken zetten over geloof. Dit verklaart waarom we in alle godsdiensten angstwekkende beelden zien overheersen. En wijzelf vervallen in volslagen absurditeit wanneer we de Godheid eerst in de meest verheven woorden beschrijven, en vervolgens stellen dat de verdoemden oneindig groter in aantal zullen zijn dan de uitverkorenen.
Ik durf te wedden dat er nooit een volksgodsdienst is geweest die het heeft gepresteerd de hemel zo gunstig af te schilderen dat men liever daarheen zou willen. Slechts pure filosofie kan nog wat pogingen doen om zo'n voorbeeldige toestand te beschrijven. Aangezien de dood ligt tussen ons bestaan en het hiernamaals, is die gebeurtenis zo schokkend voor ons denken dat ze onherroepelijk een schaduw werpt over alle gebieden voorbij de dood. De meeste mensen zitten met angstbeelden waarin waakhonden, wraakgodinnen, duivels en een overvloed aan vuur en zwavel voorkomen.
Ik geef toe, zowel vrees als hoop behoort tot de godsdienst, omdat beide passies zich een soort god maken die erbij past. Maar als iemand vrolijk gestemd is, zoekt hij gezelschap op en ontspanning en vermaak. Hij houdt zich dan niet in de eerste plaats bezig met godsdienst. Is hij droevig gestemd en neerslachtig, dan heeft hij weinig anders te doen dan te tobben over de verschrikkingen van de onzichtbare wereld en zich nog dieper in de ontreddering te storten. Wie weet wint uiteindelijk zijn goede humeur het weer eens, en begint hij op een gegeven moment toch weer te geloven in blijde vooruitzichten voor het hiernamaals. Toch moeten we erkennen dat de angst altijd domineert, de eerste grondslag van de religie is, en dat de angst slechts tussenpozen van vreugde toelaat. Overigens vergt ook uitbundige vreugde veel van iemands krachten. Ze wordt dan ook in de regel gevolgd door evenzogrote neerslachtigheid, bijgelovige angst en verslagenheid. Geen enkele gemoedstoestand is zo gelukkig als kalme gelijkmoedigheid. Deze gemoedstoestand is echter voor iemand -omringd als hij is door diepe duisternis en onzekerheid- die echt gelooft dat hij in zowel eeuwig geluk als in eeuwige ellende terecht kan komen, onmogelijk vol te houden. Hemel-en-hel-gedachten zijn de grootste oorzaak voor het ontwrichten van iemands geest. Weliswaar werkt het geloof hierin veelal onderaards, vaak niet op te merken, maar ze is de oorzaak van die typische somberheid en neerslachtigheid van alle vrome mensen.
Het strookt niet met het gezond verstand om angsten of voorgevoelens te koesteren op grond van bepaalde opinies, wilde gedachten die ons bangmaken een bepaald risico te lopen. Zo'n gevoel is zowel absurd als tegenstrijdig. Het is namelijk absurd te geloven dat God er passies op nahoudt, en nog wel de laagste menselijke passies, een rusteloze honger naar applaus. En tegenstrijdig, omdat men Hem wel menselijke passies toekent, maar dan weer niet de meest voor de hand liggende, namelijk minachting voor de meningen van schepselen die zo ver onder Hem staan.

"God te kennen" zegt Seneca, "is Hem vereren". Iedere andere vorm van verering is in feite absurd , bijgelovig en zelfs goddeloos. Het degradeert Hem tot de status van een mens, die dol is op smeekbeden, machtsvertoon, geschenken en vleierij. Toch is dit nog wel de geringste oneerbiedigheid waaraan het bijgeloof zich schuldig maakt. Doorgaans degradeert het God zelfs tot ver beneden de menselijke toestand, en stelt men Hem voor als een grillige demon die zijn macht op een onredelijke en onmenselijke wijze uitoefent. En als dat goddelijk Wezen geneigd was aanstoot te nemen aan de ondeugden en buitensporigheden van dwaze stervelingen -die overigens door Hemzelf gemaakt zijn- dan zou het de aanhangers van de meeste vormen van volksgeloof slecht vergaan. Niemand van het mensdom zou zijn gunst verdienen, op een paar na, de filosofische thesten, die passende voorstellingen van zijn goddelijke volmaaktheden in ere houden, of althans zoiets proberen te doen. En de enigen die recht hebben op zijn medelijden en barmhartigheid zouden de filosofische sceptici zijn, een even zeldzame soort, die vanuit een natuurlijk gebrek aan vertrouwen op eigen vermogens elk oordeel over verheven zaken opschorten.

Indien de natuurlijke theologie slechts dit betekent, dat de oorzaak of de oorzaken van de orde in het universum waarschijnlijk enige verre analogie vertoont met de menselijke intelligentie, -en we laten alle details in het midden- wat kan de meest onderzoekende, beschouwende en religieuze mens dan meer doen dan zijn onomwonden filosofische instemming geven aan deze stelling. Uiteraard zal men verwonderd staan over de grootsheid van het object, zal men bedroefd zijn om de duisterheid ervan, en men zal enige minachting voelen voor de menselijke rede, omdat die geen bevredigender antwoord kan geven op zo'n uitzonderlijke probleemstelling. Zo iemand zal er dan ook zeer naar verlangen dat het de Hemel ooit eens moge behagen deze diepe onwetendheid te laten verdwijnen, of ten minste wat te verlichten. Geen wonder dat mensen een toevlucht nemen tot geopenbaarde waarheid. Iemand die echter dogmatisch een leersysteem opbouwt gebaseerd op geopenbaarde waarheden, en de filosofie denkt te kunnen negeren, is hoogmoedig. Een filosofisch scepticus te zijn is voor een geletterd mens de eerste en belangrijkste stap om een hoogwaardig christen te worden.

De Dest en de Scepticus zetten het gesprek niet meer voort. Niets heeft ooit meer indruk op mij gemaakt dan alle redeneringen van die dag. Ik moet toegeven dat wanneer ik alles nog eens ernstig overdenk, ik slechts tot de slotsom kom dat de principes van de Scepticus waarschijnlijker zijn dan die van de Christen, maar dat die van de Dest wellicht het dichtst bij de waarheid staan.





Gert Korthof: Wie heeft het beste wereldbeeld?