God als creatie van het verstand
De betekenis van het geloof in schepping
Wat gebed in werkelijkheid is
Wat geloof in werkelijkheid is
Het mysterie van de opstanding
Christus, oftewel de Persoonlijke God
De tegenstrijdigheid van het bestaan van God
De tegenstrijdigheid van de goddelijke Openbaring
Volwassen Geloof                                                                           Appendix 7

        


























De filosoof Ludwig Feuerbach wordt op nederlandstalige sites zo'n 500 maal genoemd. We kunnen dus stellen dat weinigen van onze tijd ooit kennis met hem hebben gemaakt. Zo kende ook ik hem tientallen jaren lang slechts van die ene zin die mij op de middelbare school geleerd werd: "Niet God heeft de mens gemaakt, maar de mens God". Anders gezegd: "Theologie is Antropologie". Groot was mijn verbazing bij het lezen van zijn beroemdste boek Das Wesen des Christentums op te merken dat het hier niet gaat om een paar kreten, maar om een zeer doordachte analyse van de religie door een denker voor wie de waarheid belangrijker was dan zijn baan, reputatie of succes.
Feuerbach was de eerste atheÔstische filosoof, en hij drong meteen door tot de essentie van religie: zijn argumenten zijn een definitieve analyse van het christelijk geloof en ook vandaag de dag nog steeds doorslaggevend. Opmerkelijk is ook dat Feuerbachs analyse niet gedaan wordt om de religie agressief aan te vallen, maar om tot een begrip te komen van de ware natuur van de mens. Wanneer men doordringt tot de essentie van het christelijk geloof, komt men op de mens die het goddelijke in zichzelf herbergt en herkent. Dit goddelijke dient volgens Feuerbach gerespecteerd te worden, het is de natuur van de mens, een gedachte die Nietzsche in zijn Zarathoestra later oppakt en uitwerkt als het streven naar de Bovenmens. Feuerbach laat zien dat theologie van religie een uitwendige zaak maakt; zij tracht gevoelens en gedachten van de innerlijke mens te objektiveren en probeert geloof te doen staan op een realiteit buiten de mens. Op deze manier verliest men de kern, de geloofwaardigheid en de kracht van religie, en vervreemdt de mens van zichzelf. Feuerbach geeft als eerste dus een volledige verklaring voor de vreemde tegenstrijdigheid waar ieder religieus mens altoos mee worstelt, namelijk dat religieuze voorstellingen innerlijk worden aangevoeld als zowel een dwingende noodzakelijkheid als een totale onmogelijkheid.

De volgende vertaling van enkele hoofdstukken probeert Feuerbachs denken zo toegankelijk mogelijk te maken voor de moderne lezer.

Albert Vollbehr (vertaler)





Hoofdstuk 2: God als creatie van het verstand

Religie is het door de mens uiteen trekken van zichzelf. Hij ziet God als een wezen dat de antithese is van zichzelf. God is dat wat de mens niet is. God is het onbegrensde, de mens het begrensde wezen. God is perfect, de mens is imperfect. God is eeuwig, de mens is tijdelijk. God is almachtig, de mens is zwak. God is heilig, de mens is zondig. God en de mens zijn extreme tegengestelden: God is het absoluut positieve, de som van alle werkelijkheden; de mens is het absoluut negatieve, alle negaties omvattend.
Maar in religie beschouwt men zijn eigen latente natuur. Om dit aan te tonen moeten we laten zien dat deze antithese, de tegenstelling tussen God en de mens, hetgeen aan de basis van de religie staat, een tegenstelling is die de mens creŽert tot zijn eigen natuur. Dat het wel zo můet zijn is al meteen duidelijk uit het feit dat indien de goddelijke natuur -het object van de religie- werkelijk buiten de mens zelf bestond, een dergelijke splitsing van zijn natuur, een uiteentrekken van de mens zelf, niet zou kunnen bestaan. Indien God werkelijk een wezen is dat buiten mijzelf bestaat, waarom zou ik me dan druk maken over zijn perfectie? Scheiding bestaat slechts tussen wezens die verdeeld zijn, maar eigenlijk ťťn zouden moeten of kunnen zijn, die dus in wezen ťťn natuur hebben. Hieruit volgt dat de eigenschap waarmee men zich gescheiden voelt aangeboren aanwezig moet zijn en uit zichzelf opborrelt, maar tezelfdertijd neemt het een ander karakter aan dan de eigenschap of macht die hem het gevoel geeft, het bewustzijn, van verzoening, van eenheid met God, of, wat op hetzelfde neerkomt, van eenheid met zichzelf. Deze eigenschap is niets anders dan de intelligentie, de rede, oftewel het begrijpen. God als antithese van de mens, als een niet-menselijk wezen, dwz niet menselijk persoon, is equivalent aan de objektieve kant van het begrijpen. De pure, perfecte, goddelijke natuur is het zelfbewustzijn van de rede, het bewustzijn dat ons bevattingsvermogen geeft van de perfectie van zichzelf. Rationaliteit weet niets van het lijden van het hart. Het heeft geen verlangens, geen passies, geen behoeften, en dus ook geen gebreken en zwakheden, zoals het hart. Mensen die door het intellect gedomineerd worden, die met eenzijdig, maar daarom met des te karakteristiekere stelligheid de eigenschap 'begrijpen' belichamen, hebben geen last van de benauwenissen van het hart, van de hartstochten, de buitensporigheden van de sterk emotionele mens. Zij hebben geen passie voor een eindig, dwz bepaald, object; ze geven zichzelf niet als onderpand; zij genieten vrijheid. "Niets te willen, en via de vrijheid van behoeften als de onsterfelijke goden te worden", - "zich niet onderwerpen aan dingen, maar alle dingen aan ons", - "alles is ijdelheid", - deze en dergelijke uitspraken zijn de motto's van mensen die door abstract denken geregeerd worden. Menselijke rationaliteit is dat deel van onze natuur dat neutraal is, onbewogen, niet om te kopen, zich niet aan illusies overgeeft - het pure, gevoelloze licht van de intelligentie. Het is het niet kunnen ontkennen, het onpartijdige bewustzijn van een feit als een feit, omdat het in zichzelf van nature objectief is. Het is het bewustzijn van het niettegenspreekbare, omdat het zelf een niettegenspreekbare eenheid is, de bron van logische identiteit. Het is het bewustzijn van wet, noodzaak, regel, maat, omdat het in zichzelf de aktiviteit van wetmatigheid is, de noodzaak dat zaken zich in de vorm van een specifiek verschijnsel moeten voordoen. Rationaliteit is de regel der regels, de absolute maatstaf, de maat waarmee alles gemeten wordt. Slechts via begrijpen kan de mens een oordeel vormen en handelen in tegenstrijd tot wat hem het liefst is, dwz zijn persoonlijke gevoelens, namelijk wanneer de God van zijn begrip, -wet, noodzaak, juistheid-, het zo gebiedt. De vader die als een rechter zijn zoon ter dood veroordeelt, omdat hij hem schuldig heeft bevonden, kan dit alleen doen als een rationeel wezen, niet als een emotioneel wezen. Het verstand laat ons dus zelfs de fouten en zwakheden zien van hen die ons het liefst zijn. Het laat ons zelfs onze eigen fouten zien. Dit is de reden waarom we zovaak in pijnlijke aanvaring komen met onszelf, met ons eigen hart. We laten het verstand daarom niet graag de baas spelen: we zijn te teerhartig om de waarachtige, maar harde, meedogenloze, uitspraak van ons verstand uit te voeren. Het bevattingsvermogen is de macht die zich over de gehele levenssoort uitstrekt; het hart daarentegen representeert de bijzondere omstandigheden, heeft betrekking op individuŽn. Het verstandelijke is universeel, heeft betrekking op algemene omstandigheden. Het is het bovenmenselijke, dwz de onpersoonlijke macht in de mens. Slechts via en door het verstand is de mens bij machte van zichzelf een abstractie te maken, zichzelf van het subjektieve te scheiden, oftewel zichzelf te verheffen tot algemene ideeŽn en relaties, een object te onderscheiden van de impressies die het op zijn gevoel maakt, het op zichzelf te beschouwen, als iets wat niet in betrekking staat tot de menselijke persoonlijkheid. Filosofie, wiskunde, astronomie, natuurkunde, kortom, de wetenschap in het algemeen, is het praktische bewijs ervan, want het is het product van deze waarlijk onbegrensde en goddelijke aktiviteit. Religieuze antropomorfismen zijn daarom in tegenstrijd met het verstand. Het verstand ontkent dat gevoelens op God van toepassing zijn. Zij wijst gevoelens af. Maar deze God die vrij is van antropomorfismen, onpartijdig, passieloos, is niets anders dan de natuur van het verstand opgevat als 'het objectieve' zelf.

God als God, dwz als onbegrensd wezen, als niet-menselijk, niet door de materie begrensd, niet als zintuiglijk waar te nemen verschijnsel, is slechts een object van de gedachte. Hij is niet-lichamelijk, vormloos, niet te bevatten - een abstract, negatief wezen: hij laat zich alleen kennen, dwz wordt alleen een object via abstractie en negatie (vi‚ negationis). Waarom? Omdat hij niets anders is dan de objectieve natuur van het denkvermogen, of algemeen gesproken, van de mentale aktiviteit, men noeme het wat men wil, door middel waarvan de mens zich van de rede bewust is, van het bewustzijn, van intelligentie. Er is geen andere geest, geen andere intelligentie waar de mens in kan geloven of die hij kan bevatten, dan de intelligentie die hij in zichzelf vindt, het denkvermogen, het verstand, dat aktief is in hemzelf. Hij kan niets anders doen dan deze intelligentie scheiden van de begrenzing van zijn eigen individualiteit. De 'onbegrensde geest' is in tegenstelling tot de begrensde, daarom niets anders dan het verstand dat zich ontdoet van de begrensdheid van individualiteit en lichamelijkheid (individualiteit en lichamelijkheid gaan altijd samen); 'onbegrensde geest' is intelligentie op zichzelf genomen. 'God', zeiden de scholastici, de kerkvaders en vůůr hen de heidense filosofen, 'God is de immateriŽle essentie, intelligentie, geest, puur verstand'. Van God als God kan men geen beeld maken. Kan men een beeld maken van een bedenksel van de geest? Heeft geest een vorm? Is haar aktiviteit niet juist het meest onbegrijpelijke, dat wat ons het meest aan representatie ontglipt? God is niet te bevatten, maar kent gij het wezen van intelligentie? Hebt u de mysterieuze werkwijze van het denken doorwrocht, de verborgen natuur van het zelfbewustzijn? Is zelfbewustzijn niet het raadsel der raadselen? Hebben de oude mystici, de scholastici en kerkvaders al lang geleden de ondoorgrondelijkheid van de goddelijke natuur niet vergeleken met de menselijke natuur? God als God - puur als voor te stellen wezen, een object van de intelligentie- is dus niets anders dan de objectivering van het menselijke verstand tot het uiterste. Wanneer men vraagt wat de rede, het verstand is, dan ligt het antwoord in het begrip 'God'. Alles moet zichzelf uitbeelden, zichzelf openbaren, zichzelf objektief kunnen maken, zichzelf bevestigen. God is de expressie van de rede, de bevestiging van het verstand zelf als de hoogste bestaansvorm. Voor de verbeelding is het verstand de openbaring van God. Maar voor het verstand is God de openbaring van het verstand, want wat verstand is, wat het verstand kan doen, wordt slechts geobjectiveerd in het begrip God. God is een behoefte van de intelligentie, een noodzakelijke gedachte. God is de hoogste graad van het denkvermogen, het hoogste waarop het verstand uitkomt. De rede kan zich niet beperken tot zintuiglijke zaken, het vindt pas bevrediging wanneer het doordringt tot het hoogste, het eerste noodzakelijke wezen, iets wat alleen voor de rede een object kan zijn. Waarom? Omdat het met de voorstelling van dit wezen zichzelf voltooit, omdat slechts in het idee van de hoogste natuur de hoogste graad van de rede, van het verstandsvermogen, bereikt wordt. We voelen algemeen dat we geconfronteerd worden met een leegte, een behoefte in onszelf, en als gevolg daarvan met een gevoel van ongeluk en onvrede, indien we niet op een laatste traptrede van macht komen, een macht waar al het andere aan ondergeschikt staat. Op alle gebieden zoekt een mens de hoogste traptrede, zo ook wat betreft het verstand op zichzelf. Slechts wanneer de gedachte God is, is het strikt genomen pas een echte gedachte, want alleen God is de belichaming van het denkvermogen. Wanneer een mens dus aan het begrip 'God' denkt, is hij in de eerste plaats bezig het verstand te doorgronden, hoewel hij met behulp hiervan God ook weer als gescheiden kan zien van zijn verstand. Want de mens is er aan gewend een denkbeeld altijd in de vorm van een object te denken. Dit kan hij ook met het verstand doen. Het verstand denkt hij zich in als een object in ruimte en tijd. God als een metafysische grootheid is het verstand dat met zichzelf tevreden is, van zichzelf verzadigd is, dat zichzelf als absoluut wezen kan denken. Alle predicaten die we aan God geven zijn slechts echte predicaten voor zover ze behoren tot het denken, de intelligentie, het verstand.
Het verstand conditioneert en coŲrdineert alles, legt overal verbindingen tussen. Zelf staat het erboven. Het verstand vraagt naar de oorzaak van alle dingen, zelf staat het geheel op zichzelf, zonder oorzaak. Slechts dat wat ergens buiten en boven staat kan afleiden, reduceren en construeren. Dat wat geheel in zichzelf bestaat kan andere zaken behandelen als middelen en instrumenten die iets anders dienen. Het verstand is dus de basis, het startpunt. Het verstand noemt alle eerste oorzaken God. Het merkt een wereld op, zonder een intelligente eerste oorzaak en doel en overgeleverd aan doelloosheid en blind toeval. Slechts in zichzelf vindt het verstand een uiteindelijke oplossing voor dit dilemma: het bestaan wordt pas begrijpelijk wanneer het uitgelegd kan worden vanuit het verstand zelf, op verstandelijke gronden. Het enige dat hieraan voldoet is een wezen dat werkt met ontwerp ten behoeve van een doel, dwz dat werkt met behulp van verstand. Verstand geeft onmiddellijke zekerheid, is het doorslaggevende bewijs. Iets dat op zichzelf geen ontwerp heeft, geen doel, moet een oorzaak hebben in iets hogers, in het ontwerp van een intelligent wezen. Dus het verstand biedt zichzelf aan als hoogste traptrede, als eerste oorzaak. Dat wat als laatste bereikt wordt wordt ook gezien als het eerste waar al het andere van afgeleid is. Het verstand kent geen ander criterium voor de werkelijkheid dan zichzelf.









Hoofdstuk 11: De betekenis van het geloof in schepping

De leer van de Schepping is ontsprongen aan het JudaÔsme, het is zelfs de meest karakteristieke, de meest fundamentele leer van het Joodse geloof. Het principe dat aan de basis van deze opvatting ligt is niet zozeer het subjektieve, maar het egoÔsme van de mens. De leer van de Schepping en de betekenis ervan ontstaat slechts daar waar de mens de Natuur louter beziet als ondergeschikt aan de menselijke wil en behoeften. Vandaaruit gaat de mens verder door het ook in gedachten tot een machine te degraderen, tot een produkt van de wil. Nu wordt het bestaan ervan begrijpelijk voor hem, want hij legt het vanuit zichzelf uit, vanuit zijn eigen gevoelens en inzichten. De vraag 'Waarvandaan komt de Natuur of de Wereld?' veronderstelt de verbazing erover dŠt het bestaat, oftewel de vraag 'Waarom bestaat het?'. Maar deze verwondering, deze vraagstelling komt slechts daar op waar de mens zich als gescheiden ziet van de Natuur, en het slechts als een produkt van de wil opvat. De schrijver van het Boek der Wijsheid zegt geheel juist over de heidenen dat "alhoewel ze de wereld bewonderden en de schoonheid ervan inzagen, ze niet op het idee kwamen er de hand van de Schepper in te zien". De mens die de Natuur beschouwt als 'schitterend', beschouwt het als iets wat geen uitleg behoeft, als iets dat het waarom ervan in zichzelf bergt; het waarom ervan komt niet bij hem op. De Natuur en God zijn identiek aan elkaar in zijn bewustzijn, zijn kijk op de wereld. De Natuur zoals die zich voordoet heeft inderdaad een oorsprong, is het resultaat van oorzaak en gevolg, maar niet geschapen in de religieuze zin, niet geschapen als een willekeurig produkt. En in het ontstaan ervan ziet men in het geheel geen kwade machten. Het ontstaan ervan houdt ook niet iets onvolmaakts, iets ongoddelijks in. Hij stelt het zich zo voor dat ook de goden een oorsprong hadden. De oerkracht is de kracht die genereert, die voortbrengt, verwekt. Aan de basis van alles staat volgens hem dus een Natuurkracht, een werkelijke, aanwezige, zichtbare aktieve kracht. Dus daar waar de mens de wereld esthetisch of theoretisch beziet (esthetiek was de oervorm van filosofie, het theoretische), daar is de wereld gelijk aan de kosmos, aan het majesteitelijke, aan de godheid zelf. Alleen daar waar men fundamenteel zů tegen de wereld aankeek kon een gedachte ontstaan en uitgesproken worden als die van Anaxagoras: "De mens wordt geboren om de wereld te aanschouwen." (letterlijk "om de zon, de maan en de hemelen te aanschouwen"). In deze zienswijze staat de harmonie van het geheel centraal. Het subjektieve, de speelruimte waarin de mens zich ziet als wezen van vrije wil, is hier slechts de zinsbegoocheling van de verbeelding. Hij is hiermee tevreden en laat de Natuur voor wat het is, hij richt zich op het bouwen van luchtkastelen, op zijn dichterlijke hemelse machten, allemaal gebouwd met natuurlijke materialen.


Maar wanneer men op het tegendeel uitkomt, wanneer de mens alles beziet vanuit een standpunt van nut voor zichzelf, en zelfs het theoretische daaraan ondergeschikt maakt, daar ontstaat een kloof tussen de mens en de Natuur. Hij maakt van de Natuur dan een dienaar van zijn zelfzuchtige belangen, zijn egoÔsme dat de praktijk van zijn leven dient. De theoretische aankleding van dit egoÔstische, de praktijk dienende denken stelt dat de Natuur op zich niets is: de Natuur oftwel de wereld is gemaakt, geschapen, het produkt van een bevel. God zei Er zij licht, en meteen liet de wereld zich zien op zijn bevel.


Het utilisme (nuttigheidsgeloof) is de kern van het Joodse theoretische denken. Het geloof in speciale goddelijke voorzienigheid de in het oog springende uiting ervan. Het geloof in de voorzienigheid staat gelijk aan het geloof in het wonder. Maar geloof in wonder bestaat slechts daar waar men de Natuur slechts als een willekeurig object beschouwt, een object voor het egoÔsme, dat de Natuur kan zien als een instrument ten dienste van de menselijke wil en zijn welzijn. Water scheidt zich of trekt zich samen alsof het een vaste stof is, stof kan veranderen in ongedierte, een staf kan veranderen in een slang, rivieren in bloed, uit een rots kan op bevel een fontein ontstaan, op dezelfde plaats kan het tegelijkertijd licht en donker zijn, de zon kan dan weer eens stilstaan, dan weer eens terugdraaien. Al die onmogelijkheden in de Natuur geschieden ten bate van het welzijn van Israel, geheel als gevolg van het bevel van Jahweh, de God die zich nergens anders mee bezig houdt dan met zijn volk IsraŽl, de God die niets anders is dan de personificatie van de zelfzuchtigheid van de IsraŽlieten, een zelfzucht die alle andere volken uitsluit, -absolute onverdraagzaamheid is de geheime essentie van het monotheÔsme.


De Grieken hadden grote interesse voor het theoretisch begrijpen van de Natuur. Zij hoorden hemelse muziek in de harmonische bewegingen van de sterren. Zij zagen de Natuur ontstaan uit het schuim van de oeroceaan en gaven het de naam Venus Anadyomene. Maar de IsraŽlieten waren in de Natuur geÔnteresseerd voorzover het hun buik een dienst bewees. Hun smaak voor de Natuur stond letterlijk in verband met hun gehemelte. Hun bewustzijn van het goddelijke bestond uit het eten van manna. De Grieken waren bijna verslaafd aan de schone kunsten en aan filosofie. De IsraŽlieten kwamen nooit verder dan een theologie voor het onderhoud van de mens. "Wanneer de avond valt zullen jullie vlees eten, en morgenochtend brood in overvloed. Dan zullen jullie inzien dat ik, Jahweh, jullie God ben."(Ex. 16: 12) "Daarna legde Jacob een gelofte af: 'Als God mij ter zijde staat en mij op deze reis beschermt, als hij mij brood te eten geeft en kleren aan mijn lichaam, en als ik veilig terugkom bij mijn verwanten, dan zal Jahweh mijn God zijn...dan beloof ik dat ik u een tiende deel zal afstaan van alles wat u mij geeft."(Gen. 28:20) Eten is de heiligste handeling in de Joodse religie. In de maaltijd viert en vernieuwt de IsraŽliet de daad van de Schepping. Met eten verklaart de mens dat de Natuur slechts een object van generlei belang is. Toen de zeventig oudsten met Mozes de berg opgingen "zagen zij de God van IsraŽl. Onder zijn voeten was er iets als een plaveisel van saffier, helder stralend als de hemel zelf. Deze vooraanstaande IsraŽlieten werden niet door God gedood: zij zagen hem, en zij aten en dronken." (Ex. 24: 10,11) Voor hen bereikte het zien van het Hoogste Wezen zijn hoogtepunt met trek in eten en drinken. De Joden hebben deze bijzonderheid tot de dag van vandaag in ere gehouden. Hun basisgedachte, hun God, is het meest praktische principe ter wereld: egoÔsme, en wel egoÔsme doorgevoerd op het gebied van godsdienst. EgoÔsme levert een God op die niet toestaat dat zijn dienstknechten ten schande zullen worden gesteld. EgoÔsme is vanzelfsprekend monotheÔstisch, want het dient slechts ťťn, het zelf. EgoÔsme versterkt de innerlijke mens, het doet de mens concentreren op zichzelf en geeft hem een niet-tegenstrijdig levensprincipe. Maar het maakt hem ook theoretisch beperkt, want hij heeft geen oog voor alles wat buiten het welzijn van hemzelf staat. Vandaar dat wetenschap en kunst slechts uit polytheÔsme ontstaat, want polytheÔsme is het gemoed dat alles wat mooi is en goed, de gehele wereld, het gehele universum, open en onbevooroordeeld, zonder gevoelens van jaloersheid op prijs kan stellen. De Grieken richtten hun blikken op het buitenland, gingen de wijde wereld in, opdat hun inzicht zich zou vergroten. De Joden bidden tot op de dag van vandaag met hun gezicht naar Jeruzalem. In het monotheÔsme van de IsraŽlieten zorgt het egoÔsme voor de uitsluiting van het vrije theoretische onderzoek. Van Salomo wordt weliswaar gezegd dat hij "alle oosterlingen en Egyptenaren" overtrof in inzicht en wijsheid, en dat hij "sprak over allerlei planten van de ceder op de Libanon tot de majoraan die uit de muur groeit, en over de lopende dieren, de vogels, de kruipende dieren en de vissen" (1 Kon. 5:13), maar men moet niet vergeten dat hij Jahweh dan ook niet met zijn gehele hart diende. Hij vereerde ook vreemde goden en buitenlandse vrouwen en had dus een polytheÔstische instelling en smaak. Ik herhaal weer: uit de polytheÔstische kijk op het leven groeit wetenschap en kunst.


De betekenis die de Natuur in het algemeen had voor de HebreeŽrs, is identiek aan hun opvattingen wat betreft haar oorsprong. De manier waarop de oorsprong van iets uitgelegd wordt is de openlijke weerslag van de gezindte, het gevoel dat erachter ligt. Indien men er met minachting over denkt, dan zal de oorsprong ook een niemandalletje zijn. Zo geloofde men vroeger dat insecten en allerlei ongedierte zomaar ontstonden uit kadavers en ander afval. Het was niet zo dat men een hekel had aan ongedierte omdat ze daaruit ontstonden, maar omdat men met minachting over hen dacht ontstonden ze zo. Dus omdat de natuur van ongedierte weerzin opwekte, geloofde men dat hun oorsprong ook verachtelijk moest zijn. Voor de Joden was de Natuur louter een middel om de behoeften van het egoÔsme te bevredigen, dus louter een object van de wil. Maar dit ideaal, de egoÔstische wil als afgod, betekent dat men onbegrensde macht schenkt aan de Wil, dwz dat er geen voorwaarden bestaan tot de uitvoering van deze wil, tot het bereiken van het doel. Het is dus enkel en alleen de wil die alles wat het maar wenst in aanschijn roept. En voor de egoÔst is het een pijnlijke zaak indien de bevrediging van zijn wensen en behoeften niet onmiddellijk plaatsvindt, dus dat er een kloof zou bestaan tussen de wens en de realisatie ervan. Om van deze pijn af te komen moet hij zich bevrijden van de grenzen die de werkelijkheid erop legt, en daarvoor vindt hij een hoogste wezen uit, Eťn, die ieder object voortbrengt door slechts Ik Wil uit te spreken. De Natuur, de wereld, was voor de HebreeŽrs dus het produkt van dictatuur, een categorisch imperatief, een kwestie van goddelijk fiat.


Datgene waaraan ik geen wezenlijke betekenis verleen in theorie, kan ook geen positieve basis opleveren. Door het als een kwestie van de wil te beschouwen spreek ik automatisch uit dat het theoretisch van geen waarde is. Wat men veracht, daar schenkt men niet veel aandacht aan, want waar men aandacht aan schenkt is belangrijk, beschouwing van iets houdt altijd respect in. Waar men veel aandacht aan besteedt oefent geheime aantrekkingskracht uit, betovert degene die er zijn oog op zet. Zoiets maakt van de arrogantie van de wil, die alles onderhorig aan zichzelf wil maken, een misdaad. Dus alles wat indruk maakt op de rede, het theoretische gemoed, onttrekt zichzelf aan de overheersing van de egoÔstische wil: er komt een tegenreactie, het stuit op verzet. Dus wat vernietigend egoÔsme ter dood veroordeelt wordt door heilzaam theoretisch denken weer tot leven gewekt.


De tot in den treure veroordeelde leer van de heidense filosofen dat materie, de wereld, eeuwig was, betekende voor hen niets anders dan dat de Natuur een theoretisch gegeven was. Er bestonden wel degelijk verschillen van opvatting onder deze filosofen, maar het waren verschillen in details; voor hen allen was de scheppende werking min of meer een 'kosmisch wezen'. De heidenen waren afgodendienaars, hetgeen in wezen slechts betekent dat ze de Natuur bestudeerden. Ze deden niet anders dan alle christelijke naties tegenwoordig doen, wanneer ze de Natuur het object van hun bewondering maken en van hun onvermoeid onderzoek. Maar de heidenen aanbaden toch natuurobjecten? Natuurlijk, want 'aanbidding' is de kinderlijke, de religieuze vorm van contemplatie. Er is geen wezenlijk verschil tussen aanbidding en contemplatie. Indien ik aan iets grote aandacht schenk dan kniel ik ervoor neer, dan beschouw ik het als mijn edelste bezitting, verpandt ik mijn hart en intelligentie eraan, als een offer. De filosoof die de Natuur beschouwt knielt ervoor neer, hij riskeert er soms zijn leven voor, om een bepaalde mossoort, insect of steen te verkrijgen moet hij over een afgrond hangen; daarna verheerlijkt hij het door het aan een nader onderzoek bloot te stellen, vervolgens wil hij het bestaan ervan vereeuwigen door de resultaten van het onderzoek voor eens en altijd in het geheugen van de wetenschappelijke mensheid gegrifd te laten staan. De studie van de Natuur is dus niets anders dan de aanbidding van de Natuur, afgodendienst vanuit het oogpunt van de godsdienst van zowel het Oude als het Nieuwe Testament. Afgodendienst is dus niets anders dan de primitieve vorm van de beschouwing van de Natuur. En religie is niets anders dan het primitieve -en daarom kinderlijke, populaire, maar bevooroordeelde, ongeŽmancipeerde- bewustzijn van de mens zelf en de Natuur. De HebreeŽrs verhieven zichzelf boven de verering van voorwerpen tot de verering van God, dus van de verering van het geschapene tot de Schepper, dwz zij scheidden zich af van de puur theoretische kijk op het leven -hetgeen de afgodendienaars zo fascineerde-, met als doel dat het de behoeften van het egoÔsme zou vervullen. "En als u omhoog kijkt, en de zon, de maan en de sterren ziet, al die lichten aan de hemel, laat u er dan niet toe verleiden daarvoor neer te knielen en te vereren wat Jahweh, uw God, voor de andere volken op aarde heeft bestemd." (Deut. 4: 19) De schepping uit het niets, schepping als een pure daad van koninklijke willekeur, had zijn oorsprong alleen in de niet te pijlen diepten van het Hebreeuwse egoÔsme. Het gevolg van zo'n kijk op het leven is dat 'schepping uit het niets' ook geen onderwerp voor filosofie kan zijn, dus in de zin die wij aan filosofie geven; want er is totaal geen ruimte voor speculatie, het geeft geen mogelijkheden om te overdenken, geen mogelijkheden tot theoriŽn. Theoretisch bezien is de leer op lucht gebouwd, het heeft zijn oorsprong slechts in de wens aan utilisme te voldoen, aan egoÔsme toe te geven. De leer is niets anders dan alles reduceren tot een bevel. Er is hierin geen speelruimte voor denken, voor overdenken, er is slechts een resultaat dat als object voor menselijk nut gezien kan worden.

Maar hoe leger de leer is, des te meer het gevuld kan worden met het speculatieve. Juist omdat het niet gestoeld is op theoretisch denken ontstaat er onbegrensde ruimte voor een spel van willekeurige, nergens op gebaseerde interpretatie. Met de geschiedenis van dogma's en speculatie is het al net zo als met de geschiedenis van naties. Eeuwenoude gebruiken, wetten en instituties blijven hardnekkig hun invloed uitoefenen, al hebben ze hun ware betekenis allang verloren. Dat wat lang bestaan heeft zal niet het recht ontzegd worden altijd te mogen bestaan. Wat eenmaal voor goed doorging zal atijd de claim blijven maken goed te zijn. In de tijd dat ze in twijfel getrokken worden ontstaat dan de behoefte aan mensen die ze kunnen interpreteren en er mee kunnen speculeren. Ze spreken over 'de diepere betekenis' ervan, omdat ze de ware betekenis allang niet meer weten. Natuurlijk doen ze dit altijd alleen maar wat betreft 'de enige echte religie', want wat betreft alle andere religies houden ze beslist vast aan de betekenis van alle zaken die ons vreemd, zinloos en belachelijk toeschijnen, want de diepere betekenis van die zaken begrijpen ze nooit. Zo is de verering van de urine van koeien die door Parsen en Hindoes gedronken wordt ter vergeving van zonden, voor sommigen belachelijk, terwijl dezelfden de verering van een kam of een draad uit de kleding van de Moeder van God als geheel normaal kunnen zien. Religieuze speculatie houdt zich dus bezig met dogma's die uit de denkwereld zijn getrokken waarin ze zin hadden. In plaats van kritisch te zoeken naar hun ware oorsprong, maakt het van de bijzaak iets primitiefs en van het primitieve (=oorspronkelijke) bijzaak. Voor religieuze speculatie staat God op de eerste plaats en de mens op de tweede. Het draait de natuurlijke volgorde dus om, want in werkelijkheid staat de mens voor de mens centraal, en is God slechts de geobjektiveerde natuur van de mens. Pas in latere tijden, wanneer religie al iets van vlees en bloed is, kan men zeggen: 'Zo God is, zo is de mens', hoewel deze uitspraak niets anders is dan een vanzelfsprekendheid, een tautologie [=twee woorden gebruiken die hetzelfde betekenen, bijv. vrolijk en blij, vert.]. Maar in de oervorm van religie is het anders, en in de oervorm ontwaren we de ware natuur van iets. Eerst schept de mens onbewust en zonder dat hij het wil God naar zijn eigen beeld, daarna schept God bewust en als uiting van zijn wil de mens naar Zijn evenbeeld. Dit komt sterk tot uiting in de ontwikkeling van de religie van IsraŽl. Het is gemakkelijk het eenrichtingsverkeer op te merken: de openbaring van God gaat gelijk op met de ontwikkeling van de mensheid. Natuurlijk, want de 'openbaring van God' is niets anders dan het leren kennen, het blootleggen van de menselijke natuur. De bovennatuurlijke zegeningen van het Joodse volk gingen niet uit van de Schepper, maar de laatste werd geschapen door het egoÔsme van de eerste. Het denkbeeld van schepping was de rechtvaardiging voor het egoÔsme, in geval het voor de rechtbank van zijn rede gesteld werd.


Vanzelfsprekend kon ook de IsraŽliet zich niet onttrekken aan de drang tot theoretische contemplatie en bewondering van de Natuur. Maar wanneer hij de macht en grootsheid van de Natuur viert, viert hij de macht en grootsheid van Jahweh. En die macht en grootsheid bereikt zijn hoogtepunt in de wonderen die Hij speciaal voor Zijn volk IsraŽl verricht heeft. Dus wanneer de IsraŽliet deze grootsheid viert heeft het uiteindelijk altijd betrekking op zichzelf. Hij verheerlijkt de grootsheid van de Natuur om dezelfde reden als een veroveraar de macht van zijn tegenstander ophemelt, dus om des te meer glorie aan zichzelf te schenken. Geweldig en machtig is de Natuur, die Jahweh heeft geschapen, maar nog machtiger, nog grootser is de eigendunk van IsraŽl. Voor haar staat zelfs de zon stil, voor haar, zegt Philo, beefde de gehele aarde toen de wet gegeven werd; kortom, de gehele Natuur is ondergeschikt aan haar. Philo voegt er aan toe dat God aan Mozes macht over de gehele Natuur gaf; alle elementen gehoorzaamden hem als Heerser over de Natuur. Dat wat IsraŽl dient is de almachtige wet voor de wereld, de behoefte van IsraŽl is het lot van het Universum. Jahweh is IsraŽls bewustzijn van haar eigen heiligheid en noodzaak te bestaan, een noodzaak zo groot dat de gehele Natuur en alle andere volken in vergelijking ermee in het niets verdwijnen. Jahweh is de salus populi, de verlossing van het volk IsraŽl, waarvoor alles wat het in de weg staat moet buigen. Jahweh is exclusieve, koninklijke arrogantie, de vernietigende uitbarsting van toorn in de wraakzuchtige blik van het om zich heen kijkende IsraŽl. Om het in ťťn woord op te sommen: Jahweh is de ego van IsraŽl. IsraŽl beschouwt zichzelf als het doel van alles, als de Heer van de Natuur. "Gezegend zij God! God is onze hulp, God is onze verlossing! God is mijn kracht!" "God zelf luisterde naar het woord van Jozua, want Jahweh zelf vocht voor IsraŽl." "Jahweh is een God van oorlog."


In de loop van de tijd breidde het idee van Jahweh zich uit door het de geest van het individu te laten omvatten. Zijn liefde deed men -bijvoorbeeld in het boek Jona- zelfs uitstrekken tot de mens in het algemeen. Maar deze aspecten behoren niet tot de essentie van de godsdienst van IsraŽl. De God van de stamvaders, waaraan de meest dierbare herinneringen aan verbonden worden, blijft altijd de basis van de religie.











Hoofdstuk 12: Gebed, oftewel de alleenheerschappij van gevoel

Israel is de uitdrukking in de concrete geschiedenis van het religieuze bewustzijn op begrensd, nationaal niveau. We hoeven slechts deze beperkingen te laten vallen om op het christendom te komen. Het JudaÔsme is aards christendom; christelijk geloof is vergeestelijkt JudaÔsme. Het christelijk geloof is de joodse religie ontdaan van het egoÔsme van nationalisme. En toch is christelijk geloof ook iets nieuws, een nieuwe religie, want in religie, waar de meest triviale zaken als belangrijk worden gezien, is iedere reformatie, iedere purificatie, wezenlijke verandering. Voor de Jood was de IsraŽliet de middelaar en het teken van het verbond tussen God en mens. Zijn relatie tot God was identiek aan zijn relatie tot het karakter van de IsraŽliet. Jahweh was niets anders dan het zelfbewustzijn van IsraŽl dat als een objektief wezen werd opgevat. Jahweh was identiek aan het nationale geweten, aan universele wet, aan de spil van het politieke systeem.
Wanneer we de begrenzing van het nationale weglaten, houden we geen IsraŽliet over, maar de mens. Zoals Jahweh de personificatie is van het nationale karakter van de IsraŽliet, zo is God voor de christen de personificatie van de subjektieve menselijke natuur, ontdaan van zijn nationalistische begrenzing. IsraŽl maakte van haar nationale behoeften de goddelijke wet van de wereld, zij vergoddelijkte zelfs haar behoefte aan politieke vergelding. Op dezelfde manier maakten de christenen van de eisen die het gevoel stelt absolute machten en wereldwetten. De wonderen van het christelijke geloof, voor haar net zo essentieel als de wonderen van het oude joodse geloof voor dŪe godsdienst, hebben niet het welzijn van de natie op het oog, maar het welzijn van de mens, dwz de mens die men christelijk kan beschouwen, want het christendom is nog niet toe aan het werkelijk universele menselijke hart. Het christelijk geloof erkent de mens slechts onder voorwaarde dat hij geloof in Christus heeft. Dit is een fatale begrenzing, waarover later meer. Het christelijk geloof heeft het JudaÔsme vergeestelijkt, dwz het richt zich volkomen op het subjektieve. Net als in het nationalistische bewustzijn is ook in dit individueel-subjektieve slechts de stem van het egoÔsme aan het woord. De wens van aardse welvaart -de kern van het joodse geloof- wordt veranderd in een verlangen naar hemelse zaligheid, de kern van het christelijke geloof.


Het hoogste idee, de God van een politieke gemeenschap, van een volk wiens politieke ambitie zich uit in religie, is de Wet, dwz het bewustzijn dat de wet een goddelijk gegeven is. Het hoogste idee, de God van een a-politiek, onaards gevoel, is de Liefde, de liefde die alle schatten op aarde en in de hemel opoffert aan de geliefde. De wet van de liefde is de wens alles aan de geliefde te geven. Zij put haar kracht uit de ongebreidelde macht van de verbeelding. Het verstand wordt bevredigd met wonder-werkingen.


God is de Liefde die al onze wensen vervult, onze emotionele behoeften bevredigt. Hijzelf is de realisatie van de hartewens, de wens die de zekerheid van haar vervulling opeist, de zekerheid van haar werkelijk bestaan. De wens eist ontwijfelbare zekerheid, zekerheid waar geen enkele tegenstrijdigheid meer vat op heeft, geen enkele ervaring van de externe wereld nog tegen kan spreken. Zekerheid is de hoogste macht van de mens. Dat wat voor hem zeker is, is het essentiŽle, het goddelijke. De meest verheven uitdrukking van het christendom is de frase "God is liefde". Deze frase heeft als geen ander doel dan de zekerheid uit te drukken waarmee een mens zijn eigen gevoel poneert. De mens bedoelt ermee te zeggen dat zijn gevoel voor liefde alleen als essentieel gezien mag worden, dat dit gevoel alleen als objektieve werkelijkheid en waarheid beschouwd mag worden, dwz dat dit alleen goddelijke macht heeft. Hij wil ermee uitdrukken dat niets in de gehele wereld, met al zijn glans en uiterlijk vertoon, opweegt tegen dit menselijk gevoel. 'God is liefde' betekent hetzelfde als 'het gevoel is de God van de mens', zelfs nog sterker: 'het gevoel is de enige absolute God, het Absolute Wezen'. God is de verpersoonlijking van de natuur van de mens als emotioneel wezen; God is onbegrensde, pure emotie. God is de hartewens van de mens uitgedrukt als feit, uitgedrukt in het zalige 'IS'. God is de onbegrensde alleenheerschappij van gevoel, van bidden dat naar zichzelf luistert, gevoel dat steeds zichzelf ontmoet, het produkt van ons benauwd bestaan. Pijn můet zich uiten. De kunstenaar wordt ertoe gedwongen zijn instrument op te pakken om zijn lijden in muziek uit te ademen. Hij verzacht zijn droefheid door het hoorbaar te maken voor zichzelf, door er een object van te maken. Hij verlicht de last die op hem drukt door het te communiceren aan de lucht buiten hem, dus door de last iets algemeen bestaands te geven. Maar de natuur luistert niet naar de mens, het is doof voor al zijn lijden. De mens geeft de natuur dus op, hij geeft alle zichtbare objekten op, en wendt zich tot het innerlijk, tot het verborgene, tot dat wat beschut is tegen alle onverbiddelijke machten, om gehoor te krijgen voor zijn smart. Aan zijn innerlijk legt hij al zijn benauwende geheimen bloot, kan hij al zijn onderdrukte verzuchtingen kwijt. Dit hart dat zich opent, dit geheim dat uitgesproken wordt, deze smart van de ziel die geuit wordt, is God. God is de traan die op de liefde volgt, de traan die in het geheim opwelt als gevolg van de ellende van de mens. "God is een niet uit te spreken verzuchting, die in het diepst van het hart ligt" (Sebastian Frank von WŲrd) is de diepste en meest ware uitdrukking van christelijke mystiek.


De uiteindelijke kern van de religie komt door de meest simpele godsdienstige handeling tot uiting -gebed. Een handeling die op z'n minst zoveel implicaties heeft als het dogma van de Incarnatie. Hoewel religieuze speculatie zich zo concentreert op het laatste, is gebed de grootste van de geheimenissen. We hebben het nu niet over het gebed voor en na de maaltijd, het ritueel van dierlijk egoÔsme, maar het gebed dat oprijst uit verdriet, het gebed van ontroostbare liefde, het gebed dat de uitdrukking is van het gebroken hart dat een mens geheel teneerdrukt, het gebed dat in wanhoop aanvangt en in extase eindigt. In gebed spreekt men God aan met een woord van intieme omgang, Jij of U. Hij verklaart met dit woord dat God zijn alter ego is. De mens beschouwt God als het wezen dat het nauwst met hem verbonden is, al zijn verborgen gedachten kent, zijn diepste wensen, dingen die hij normaalgesproken nooit uitspreekt. Maar hij drukt ze nu uit in het vertrouwen, in de zekerheid, dat ze vervuld zullen worden. Hoe zou hij deze dingen kunnen uiten aan een wezen dat doof was voor al die klachten? Gebed is dus niets anders dan de wens van het hart uitgedrukt in het vertrouwen dat de wens verwerkelijkt zal worden. Het wezen dat deze wensen vervult is niets anders dan het menselijk gevoel, de menselijke ziel die naar zichzelf luistert, er goedkeuring aan verleent, en zichzelf zonder aarzelen bevestigt.


De mens die zich richt op de wereld, op het idee dat alles via tussenliggende zaken gezocht moet worden, dat ieder gevolg een natuurlijke oorzaak heeft, dat een wens slechts vervuld wordt wanneer men het tot een doel maakt, en alles in het werk stelt om het doel te bereiken, -zo'n mens bidt niet, hij werkt slechts. De wensen die binnen zijn bereik liggen transformeert hij tot concrete aktiviteit. Andere wensen, die hij onderkent als puur subjektief, ontkent hij, of beschouwt hij heel eenvoudig als subjektief, vrome wensdromen. In andere woorden, zo'n mens laat zich door de wereld grenzen geven, hij conditioneert zich naar de wereld, hij ziet zichzelf als een ondergeschikt onderdeel van de wereld. Zijn wensen ziet hij ondergeschikt aan het begrip noodzakelijkheid. Maar in het gebed is men met het omgekeerde bezig. De mens scheidt zich af van de wereld en van al de bijbehorende gedachten aan tussenvormen en onderlinge afhankelijkheid. Hij maakt van zijn wensen, de zaken van zijn hart, objekten van onafhankelijk, almachtig en absoluut bestaan. Anders gezegd, hij geeft onbegrensd gewicht aan zijn wensen. God is het ja-woord op menselijk gevoel. Gebed is het onvoorwaardelijk vertrouwen dat het subjektieve gelijk is aan het objektieve. Gebed is de zekerheid dat de macht van het hart groter is dan de macht van de Natuur, dus dat de behoefte van het hart de ultieme noodzaak is, het lot van de wereld bepaalt. Gebed verandert de loop van de natuur. Gebed zet God in aktie om een effect te veroorzaken dat in strijd is met de natuurwetten. Gebed is de absolute relatie van het menselijk hart met zichzelf, met haar eigen natuur. In gebed vergeet de mens dat er grenzen zijn aan zijn wensen, en hij ervaart gelukzaligheid in dit vergeten.


Gebed is de scheiding die de mens van zichzelf maakt in twee wezens, de dialoog van de mens met zichzelf, met zijn hart. Het is essentieel dat dit hoorbaar gebeurt en het met kracht en verstand uitgedrukt wordt. Gebed welt op in spraak; het brandend hart rukt de gesloten lippen open. Maar het hoorbare gebed is slechts het openbaar worden van haar werking. Gebed is identiek aan spraak. In het latijn betekent oratio dan ook zowel gebed als spraak. In gebed spreekt men openlijk uit wat het diepst op de mens drukt; de mens objektiveert in gebed zijn hart. Vandaar dat in gebed zo'n kracht van de moraal schuilt. Men ziet concentratie als voorwaarde voor gebed; maar het is meer dan een omstandigheid. Gebed is concentratie, het is het negeren van alles wat het tegenspreekt, alle verontrustende zaken van buitenaf, een zich terugtrekken in zichzelf, zodat men slechts in relatie staat tot zichzelf.
Men zegt ook dat gebed slechts helpt indien men erop vertrouwt, indien het uit het hart komt, en vurig is. Maar deze 'hulp' die komt ligt in het gebed zelf. Zoals in alle onderdelen van de religie is het subjektieve het belangrijkste, de oorzaak van alles, het subjektieve is het objektieve feit. Dus in gebed zijn deze subjektieve gevoelens identiek aan de objektieve werking van gebed. Zo kan gebed in groepsverband nog sterker werken dan gebed in afzondering, omdat gemeenschap de kracht van de emotie versterkt en het vertrouwen groter maakt.


Het is zeer oppervlakkig gebed uit te leggen als een uiting van afhankelijkheid. Natuurlijk is het ook daarvan een uiting, maar men dient in te zien dat het afhankelijkheid is van de mens van zijn eigen hart, van zijn eigen gevoel. Hij die zich slechts afhankelijk voelt hoeft zijn mond nog niet open te doen om te bidden. Afhankelijkheid geeft hem het gevoel behoeften te hebben en wanneer hij zich daarvan bewust wordt kan het ook tot gevolg hebben dat hij de moed verliest ze uit te spreken, of het verlangen uitdooft. De wortel van het gebed is in het onvoorwaardelijk vertrouwen van het eigen hart, het hart dat zich totaal niet druk maakt om obsessieve drang, dat zich eenvoudig gelijk maakt aan de gedachte dat het Absolute Wezen, de almachtige, oneindige natuur van de Vader des mensen, gunstig gestemd is, ontfermend en liefdevol is, en dat de heilige gevoelens van de mens goddelijke realiteiten zijn. Maar het kind voelt zich niet afhankelijk van de vader in zijn hoedanigheid als vader, veeleer eigent hij zich de kracht van zijn vader toe om zijn eigen kracht daarmee uit te beelden, zijn eigenwaarde, de verzekering van zijn bestaan, de zekerheid van de vervulling van al zijn wensen. Het is de verantwoordelijkheid van de vader om voor het kind te zorgen, maar het kind zelf leeft zorgeloos in het volste vertrouwen op zijn zichtbare bewaarengel, degene die niets anders op het oog heeft dan het welzijn en geluk van het kind. De vader maakt dus het kind tot zijn doel, en zichzelf slechts tot het middel waardoor het kind bestaat. Wanneer het kind de vader om iets vraagt, spreekt het hem niet aan alsof het om een persoon gescheiden van zichzelf gaat, maar slechts als gegeven waarvan het kind afhankelijk is, en dit gegeven heeft als kenmerk het bevredigen van de behoeften van het kind, de liefde voor het kind. Dus de vraag om iets is slechts het uitoefenen van macht dat het kind over de vader heeft, indien we al van 'macht' mogen spreken, aangezien de macht van het kind niets anders is dan de macht die het vaderhart zelf in zijn eigen hart voelt.

Gesproken woord heeft dezelfde woorden voor verzoek en bevel, namelijk de gebiedende wijs. De gebiedende wijs van liefde is oneindig veel sterker dan de gebiedende wijs van despotisme. Liefde kan niet worden bevolen, er kan slechts toe aangespoord worden. De despoot moet dwang tot uiting laten komen, zelfs in de toon waarop hij de woorden uitspreekt, om de wezens die anders niet om hem geven toch de uitvoerders van zijn wensen te laten zijn. Liefde werkt met magnetisme, despotisme slechts met mechanische bewegingen. Daarom is de intiemste benaming voor God in gebed "Vader", want het is de uitdrukking waarin de garantie ligt dat mijn wensen vervuld zullen worden, de garantie voor mijn behoud. De almacht waartoe een mens zich richt is niets anders dan de almacht van het Goede, de almacht die het onmogelijke mogelijk maakt, in andere woorden, het is niets anders dan het laten zegevieren van de almacht van ons hart, ons gevoel, dat alle beperkingen aan de kant zet, en zelfs boven de Natuur kan vliegen. In gebed wil de mens dat er niets anders bestaat dan gevoel, niets mag bestaan dat het hart tegenspreekt. Geloof in almacht is equivalent aan geloof in de onwerkelijkheid van de externe wereld, geloof in de onwerkelijkheid van de objektieve wereld. Het is geloof in de absolute werkelijkheid van de emotionale natuur van de mens. De essentie van almacht is dat het de essentie van gevoel is. Almacht is de kracht die geen wet, geen externe voorwaarde tolereert. Maar deze kracht is identiek aan de emotionele natuur, het gevoel dat iedere bepaling, iedere wet als een begrenzing ervaart en het daarom verwerpt. Almacht doet niets anders dan het in vervulling laten gaan van de wil der gevoelens. In gebed richt de mens zich tot de Almacht van de Goedheid, hetgeen eenvoudig betekent dat men in gebed zijn eigen hart aanbidt en zijn eigen gevoelens tot God uitroept.











Hoofdstuk 13: Geloof, oftewel Wonder

Geloof in de kracht van het gebed -N.B slechts waar men het over een echte, objektieve kracht heeft is gebed nog een religieuze waarheid- staat gelijk aan geloof in wonderen. Geloof in wonderen is identiek aan de essentie van het geloof in het algemeen. Slechts geloof houdt zich bezig met bidden. Slechts het gebed van geloof heeft betekenis. Maar geloof is niets anders dan vertrouwen in de werkelijkheid van het subjektieve, van alles wat in tegenstrijd is met de beperkingen of wetten van de natuur en de rede. Het geloof houdt zich dus in de eerste plaats bezig met wonderen. Geloof is eenvoudig het equivalent van geloven in wonderen. Geloof en wonderen zijn absoluut onafscheidelijk. Dat wat men objektief een wonder noemt is subjektief gesproken geloof, anders gezegd, wonder is het uiterlijke aspect van geloof en geloof het innerlijke aspect van wonder. Geloof is het wonder van de geest, het wonder van het gevoel dat zich slechts uitkristalliseert in uitwendige wonderen. Voor geloof is niets onmogelijk en het wonder geeft het een steuntje in de rug; wonderen zijn louter voorbeelden van waar het geloof toe in staat is. Grenzeloosheid, bovennatuurlijkheid, de verheffing van gevoelens -trancendentie is de essentie van geloof. Geloof heeft alleen betrekking op dingen die in tegenstrijd staan met de beperkingen van de natuur en het verstand maar vanwege menselijke wensen en verlangens werkelijkheid oftewel objektiviteit gegeven moeten worden. Geloof bevrijdt de subjektieve wensen van de banden van de natuurwetten. Het schenkt dat wat de natuur en het verstand verbiedt. Vandaar dat het de mens gelukkig maakt, want het heeft altijd betrekking op zijn persoonlijke wensdromen. Waar geloof heeft bovendien geen last van twijfel. Twijfel komt pas op wanneer ik mijn eigen persoonlijkheid te buiten ga, en ik aan de werkelijkheid een recht van bestaan geef dat onafhankelijk is van mijzelf. Maar in geloof wordt het hele begrip twijfel van tafel geveegd, want in geloof staat het subjektieve gelijk aan het objektieve, zelfs aan het absolute. Geloof is niets anders dan geloof in de absolute werkelijkheid van subjektiviteit. Luther schrijft: "Geloof is de moed in het hart dat al het goede van God komt. Zulk een geloof waarin het hart slechts op God vertrouwt, wordt ons door het eerste gebod bevolen, het gebod dat zegt Ik ben de Here uw God...dwz Ik alleen zal uw God zijn; Gij zult geen andere God aanbidden; Ik zal u uit al uw benauwenis redden. Gij zult niet denken dat Ik uw vijand ben en u niet kom helpen, want wanneer u zo zou denken zou u Mij tot een andere God maken. Neem dus voor zeker aan dat ik u genadig zal zijn." - "Zoals u doet, zal God doen. Indien u denkt dat God vertoornd is zal Hij vertoornd zijn; indien u denkt dat Hij ongenadig is en u zal verdoemen naar de hel, dan zal Hij dat doen. Zoals u in God gelooft, zo zal Hij voor u zijn." - "Indien u het gelooft, dan heeft u het; indien u niet gelooft, dan heeft u niets van het geloof." - "Daarom, zoals wij geloven, zo zal het ons geschieden. Indien wij Hem beschouwen als onze God zal Hij niet onze duivel zijn. Maar als we Hem niet als onze God beschouwen, zal Hij waarlijk niet onze God wezen, maar een verterend vuur voor ons zijn." - "Door ongeloof maken wij van God een duivel." We zien uit deze uitspraken dat indien ik in een God geloof, ik een God geschonken krijg, dwz geloof in God is de God van de mens. God is precies wat ik ervan maak, dus de natuur van God, het karakter van God is niets anders dan het karakter van het geloof. Is het mogelijk voor u in een God te geloven die u gunstig gezind is, indien u zelf wanhoopt aan de mens, indien Hij niets voor u te betekenen heeft? Wat anders is God dus dan de mens zelf, de onvoorwaardelijke zelf-liefde van de mens? Indien u gelooft dat God voor u is, gelooft u dat niets tegen u is of tegen u kŠn zijn, en dat niets in tegenstrijd tot u is. Maar in dat geval gelooft u eigenlijk dat u zelf God bent! Dat we God als een ander wezen beschouwen is slechts illusie, slechts verbeelding. Door te verklaren dat God voor u is, doet u niets anders dan te verklaren dat hij uw eigen persoon is. Geloof is dus niets anders dan de oneindige zelfbevestiging van de mens, de volledige zekerheid dat iemands subjektieve bestaan de objektieve werkelijkheid is, een absoluut bestaan is, het bestaan is waarboven niets bestaat.


Geloof beperkt zichzelf niet tot de wereld, tot het universum, tot de noodzakelijkheden. Voor geloof is er niets anders dan God, dwz een grenzeloze subjektiviteit. Waar het geloof opstijgt, daar zinkt de wereld naar de diepte, nee, naar de volkomen betekenisloosheid. Geloof in de voor de deur staande ondergang, in de vernietiging van deze wereld, een wereld die altijd antagonistisch staat tegenover de wensen van de christen, is daarom een verschijnsel dat tot de kern van het christelijk geloof behoort. Dit geloofsartikel behoort onafscheidelijk tot de andere aspekten van het geloof en kan men niet opzeggen zonder het hele christelijke geloof te ondermijnen. Het geloof in de spoedige ondergang van de wereld is zelfs zo essentieel dat de bijbelschrijvers nauwelijks begrepen kunnen worden zonder dit begrip. De essentie van het geloof, zoals we het tot in de kleinste details overal tegenkomen, is het idee dat wat men wenst, men eigenlijk al is: men wenst onsterfelijkheid, daarom is men onsterfelijk; men wenst het bestaan van een wezen dat alles kan doen wat in de natuur en voor het verstand onmogelijk is, daarom bestaat er zulk een wezen; men wenst zich een wereld overeenkomstig de wensen van het hart, een wereld van grenzeloze subjektiviteit, een wereld van ongestoord gevoel, van onophoudelijke zaligheid, terwijl er slechts een wereld is waar het omgekeerde waar is; die wereld moet dus opgeheven worden, terwijl God, dwz grenzeloze subjektiviteit, moet blijven. Geloof, liefde en hoop zijn dan ook de christelijke Drie-eenheid. Hoop heeft betrekking op de vervulling van de beloften, de wensen die nog niet in vervulling zijn gegaan, maar spoedig vervuld zullen worden. Liefde heeft betrekking op het Wezen dat schenkt en alle wensen vervult. Geloof heeft betrekking op de beloften, de wensen die al vervuld zijn, de historische feiten.


Het wonder is dus een essentieel onderdeel van het christelijk geloof, een onmisbaar geloofsartikel. Maar wat is nu eigenlijk een wonder? Een wonder is niets anders dan een bovennatuurlijke wens die werkelijkheid wordt. De apostel Paulus geeft een illustratie van christelijk geloof door Abraham als voorbeeld te gebruiken. Abraham kon nooit meer hopen op een natuurlijke manier nageslacht te krijgen, maar Jahweh, als bijzonder blijk van gunst, gaf hem toch deze belofte. Zijn geloof werd hem daarom tot gerechtigheid gerekend, dus als een verdienste. Want het vereist een zeer grote dosis subjektiviteit om iets met zekerheid te accepteren wat de ervaring vierkant tegenspreekt. Maar waar ging het om in deze belofte? Nageslacht, dus een menselijke wensdroom. En waarin geloofde Abraham toen hij in Jahweh geloofde? In een Wezen dat al zijn wensen kan vervullen. "Is ook maar iets te moeilijk voor de Here?" Maar waarom zouden we zo ver teruggaan als tot Abraham? De meest sprekende voorbeelden hebben we ook dichterbij ons. Het wonder zorgt voor de spijziging van hongerigen, het beter maken van blind- en doofgeborenen, van lammen, van ten dode opgeschrevenen. Het wonder doet zelfs mensen uit de dood opstaan wanneer familieleden er voor bidden. Het wonder heeft dus altijd te maken met wensvervulling, wensvervulling die bovennatuurlijke hulp en kracht inhoudt. Het wonder onderscheidt zich ook nog van de werking van de natuur in dat het wensvervulling op de meest aangename wijze is. De wensen hoeven namelijk geen rekening te houden met beperkingen, met wetten, met tijd. Het moet een instante wensvervulling zijn, zonder vertraging. En ziet!, het wonder werkt net zo snel als de wens ongeduldig is! Het wonder doet zijn werk in ťťn oogopslag, in ťťn klap, zonder fasen, zonder hinderingen. Dat een zieke weer beter wordt is geen wonder, maar dat iemand in een ogenblik beter wordt, louter als reactie op een woord, een gebod -dŠt is wonder. Het wonder onderscheidt zich van de natuur dus niet zozeer in het eindprodukt, maar in de methode en het proces. Indien de wonderbaarlijke macht nu eens iets volkomen nieuws, iets nooit eerder geziens zou bewerkstelligen, dan zouden we inderdaad over een empirisch bewijs beschikken dat het hier gaat om een wezenlijk verschillende werking, een objectieve realiteit. Maar de werking die in wezen niet verschilt van de natuurlijke en geheel overeenkomt met wat de zintuigen verwachten, en die slechts bovennatuurlijk is in de methode, de manier van optreden, is de werking van de verbeelding. De kracht van het wonder is niets anders dan de kracht van de verbeelding.


De werking van het wonder heeft altijd een gericht doel. Het verlangen naar de overleden Lazarus, de wens van zijn familieleden om hem weer te bezitten, resulteert in de wonderbaarlijke opwekking. Het doel was dus de bevrediging van de wensen. Natuurlijk gebeurt het wonder 'ter meerdere glorie van God en dat de glorie van de Zoon Gods gezien zal worden', maar de boodschap die de Meester gezonden werd door de zusters van Lazarus was deze: "Zie, de man die gij liefhebt is ziek", en de tranen die Jezus liet vallen laten zien dat het wonder een menselijke oorsprong en een menselijk doel heeft. De werkelijke betekenis is: voor de macht die de doden kan opwekken is geen menselijke wensdroom te hoog gegrepen. En de glorie van de Zoon bestaat hieruit: dat hij erkend wordt en vereerd wordt als degene die kan doen wat de mens niet doen kan, maar wel wenst te doen. Een werking ten behoeve van een doel beschrijft men vaak als een cirkelgang: op het eind keert het terug tot het beginpunt. Maar een wonderbaarlijk gebeuren onderscheidt zich van een natuurlijk gebeuren hierin, dat het doel bereikt wordt zonder de middelen ertoe, de vervulling volgt direct op de wens. Er is dus geen cirkelgang, geen gebogen lijn, maar een rechte lijn, de kortste weg tussen twee punten. Een cirkel binnen een rechte lijn is de mathematische definitie van wonder. In de wiskunde binnen een rechte lijn een cirkelgang gaan is het equivalent van wonder uitleggen in de filosofie. Voor het verstand is het wonder absurd, onvoorstelbaar. Net zo onvoorstelbaar als houten ijzer of een cirkel zonder omtrek. Voordat men ter discussie stelt of een wonder mogelijk is zou men aan moeten tonen dat het onvoorstelbare voorstelbaar is. Wat de mens doet geloven dat een wonder mogelijk is, is dat een gebeurtenis door de zintuigen kan worden waargenomen. De zintuigen kunnen dus het verstand voor de gek houden. Het wonder van het veranderen van water in wijn bijvoorbeeld houdt niets anders in dan dat water wijn is, niets anders dan te zeggen dat twee geheel verschillende begrippen hetzelfde zijn. Want in de hand van de wonderdoener is er geen verschil tussen de twee substanties. De transformatie van het ťťn in het ander is slechts de uiterlijke verschijning van deze eenheid. Maar de transformatie verbergt de tegenstrijdigheid omdat men veronderstelt dat er werkelijk een natuurlijke verandering heeft plaatsgevonden. Maar er is geen sprake van een geleidelijke, natuurlijke, organische verandering. Het is een absolute, immateriŽle verandering, een pure creatio ex nihilo. In het mysterieuze ondeelbare moment van de wonderbaarlijke macht, dus in de handeling dat het wonder teweegbrengt, wordt het water opeens en zonder dat men het op kan merken wijn. Het is hetzelfde als te zeggen dat ijzer hout is, of hout ijzer.


Het wonder is eigenlijk een gebeurtenis die zich zonder tijd afspeelt. Het is daarom geen handeling dat betrekking heeft op gedachte, het is het tegendeel van het principe van het denken. Maar een wonder is ook het tegendeel van de zintuigen, want het is onmogelijk het moment van het wonder te ervaren. Water wordt natuurlijk door de zintuigen waargenomen, en wijn ook, maar het wonder zelf, dat wat het water tot wijn maakt, onttrekt zich volledig aan de zintuigen. Er is geen proces, geen manier. Het wonder is een produkt van de verbeelding. Dat is dan ook de reden waarom het wonder zo in de smaak valt, want de verbeelding is in harmonie met het persoonlijke gevoel; de verbeelding overbrugt alle grenzen, alle wetten die de gevoelens in de weg zitten. Een wonder is het objektiveren van een onmiddellijke, absolute en grenzeloze bevrediging van menselijke wensen. Het wonder wordt natuurlijk in zoverre begrensd dat het met God verbonden moet worden, maar deze limitatie is in feite geen limitatie, want God zelf is grenzeloos, absoluut, volledige bevrediging vindend menselijk gevoel. Een karakteristiek van het wonder is dan ook dat ze overeenkomstig de subjektieve behoeften werkt. Wonder produceert natuurlijk ook opwinding en ontzag, maar dit heeft alleen betrekking op het ondeelbare moment van gebeuren van het wonder. De blijvende werking van het wonder is juist het aangename resultaat. Op het moment dat Lazarus opgewekt wordt staat iedereen aan de grond genageld vanwege de buitengewone, almachtige kracht die de dode in een levende kan veranderen. Maar het duurt niet lang voordat de geliefden in elkaars armen vallen, de opgestane met tranen van vreugde naar huis gebracht wordt en er een feest georganiseerd wordt. Het gevoel is de bron van wonderen, het wonder heeft ook gevoel ten doel. Ook in de traditionele opvatting van wonder staat het gevoel bovenaan. Slechts die uitleg die het meeste eer doet aan het gevoel is de juiste. Wie ontgaat het dat het in het verhaal over Lazarus in de eerste plaats gaat om blijde aangename gevoelens. Het wonder is vooral zo aangenaam omdat het alle wensen van de mens zo zonder moeite vervult. Inspanning is niet geimpassioneerd, maar ongelovig en rationeel. Want de mens is hier bezig met een aktiviteit om een doel te bereiken, en de aktiviteit heeft geheel met de objektieve wereld te maken. Maar gevoel heeft niets te maken met de objektieve wereld. Gevoel hoeft zich niet aan externe zaken aan te passen; gevoel is geheel gelukkig op zichzelf. Het hele element van cultuur, het noordelijke principe van zichzelf buiten beschouwing laten, is afwezig in de emotionele natuur. De apostelen en evangelisten hadden niets met wetenschappelijk denken te maken. Cultuur is het overstijgen van de individuele gevoelens naar objektieve universele ideeŽn, naar een contemplatie van de wereld. De apostelen waren mannen van het volk. Het volk houdt zich slechts met zichzelf bezig. De stem van het volk is de stem Gods. Sprak het christelijk geloof ooit een filosoof aan, een geschiedkundige, een gecultiveerd persoon in de oudheid? Alle denkers die zich tot het christelijk geloof bekeerden waren zwakke, verachtelijke personen. Alle denkers die nog iets van de klassieke idealen in zich hadden waren het christelijk geloof vijandig of interesseerden zich er niet voor. De opkomst van het christendom was synoniem voor het verval van de cultuur. De klassieke geest, de geest van de klassieke cultuur, ging uit van wetten, geen willekeurige wetten, maar wetten waaraan niet getornd kon worden, wetten die op noodzakelijkheid gebaseerd waren, wetten die de waarheid over de werking van de natuur uitdrukten, kortom, de klassieke geest zocht naar objektiviteit. In plaats daarvan kwam het christendom. Met het christendom kwam het principe van het buitensporige, het fanatieke, het bovennatuurlijke, het subjektieve. Principes die regelrecht tegen die van wetenschap en cultuur ingingen. Het grootste bewijs hiervan is wel dat het christendom geen andere taal zag voor de Heilige Geest om zich uit te drukken dan in de vage, onbeholpen, ruwe, emotionele taal van de bijbel, en niet in taal van een Sofokles, Plato, van kunst en filosofie. Met de opkomst van het christendom verloor de mens het vermogen zichzelf als een onderdeel van de Natuur te zien, een onderdeel van het Universum. Zolang het ware onvervalste en onbuigzame christendom bestond, zo lang het christendom beleefd werd als een levende waarheid van de praktijk, zo lang gebeurden er om de haverklap wonderen. Ze můesten wel gebeuren, want geloof in voorbije, eensgebeurde, historische wonderen is een dood geloof, de eerste stap op weg naar ongeloof, of beter gezegd, de eerste stap waarin voorzichtig, behoedzaam ongeloof in wonderen onder woorden wordt gebracht. Maar waar wonderen gebeuren, daar smelten alle vastheden weg in een goudomlijste mist van verbeelding en gevoel. Waar wonderen gebeuren bestaat geen wereld, geen realiteit, geen waarheid. Waar wonderen gebeuren heerst slechts de emotie, het subjektieve. Daar houdt men het subjektieve voor het objektieve, voor het ware.


Voor de louter emotionele mens is de verbeelding automatisch, zonder dat hij er naar hoeft te zoeken, zonder dat hij er aan denkt, de hoogste, de dominerende aktiviteit. En aangezien het het hoogste is, is het goddelijk, is het de scheppende kracht. Voor hem is gevoel de direkte waarheid, de werkelijkheid. Hij kan zichzelf niet van het gevoel abstraheren, hij kan zich niet erbuiten begeven. Evenzeer werkelijkheid is zijn verbeelding. Voor hem is verbeelding niet wat ze is voor de wetenschappelijke mens die streeft naar begrijpen, voor de mens die onderscheid kan maken tussen het objektieve en het subjektieve. Voor deze mens is verbeelding identiek aan zichzelf, identiek aan zijn gevoel. Voor hem is het zijn essentiŽle, objektieve zelf. Voor ons is verbeelding een willekeurige aktiviteit geworden, een werktuig. Maar daar waar de mens niet door cultuur gevormd is, daar waar de mens zich slechts in gevoelslandschappen bevindt, is de verbeelding gelijk aan hemzelf.


Wonderen uitleggen als uiting van gevoel en verbeelding zien velen tegenwoordig als oppervlakkig. Maar men moet zich proberen te verplaatsen naar de tijd waarin men algemeen in wonderen geloofde, de tijd waarin de objektieve werkelijkheid om ons heen nog geen heilig geloofsartikel was, de tijd waarin men geen enkel theoretische interesse had in de wereld, de tijd waarin men van dag tot dag leefde met de gedachte van de ondergang van deze wereld. In die tijd leefde men slechts in de blijde verwachting van een hemels bestaan, dwz in de verbeelding beleefde men zoiets al. In de tijd dat deze verbeelding geen dagdromen waren maar waarheid, zelfs een eeuwige waarheid, betekende het niet maar een geruststellende troost, maar was het een praktisch moreel principe, een begrip dat het handelen op aarde bepaalde, een begrip waaraan het gehele leven opgeofferd werd, waaraan de werkelijke wereld ondergeschikt stond. Laat men zich naar die tijd verplaatsen dan zal men inzien dat men oppervlakkig is wanneer men de psychologische impact van wonderen niet onderkent.

Wonderen kan men niet verdedigen door op te merken dat sommige wonderen zeer vele getuigen hebben gehad. Niemand was namelijk onafhankelijk, allen werden beheerst door dezelfde kijk op het leven, dezelfde gevoelens, dezelfde hoop, dezelfde hallucinaties. En wie weet er niet van hoe bepaalde dromen, soortgelijke visioenen vooral bij mensen van hetzelfde beÔnvloedbare gemoed en zich bevindend in dezelfde hechte gemeenschap, elkaar sterk beÔnvloeden? Maar goed, indien er in het uitleggen van wonderen via gevoel en verbeelding al iets oppervlakkigs schuilt, dan zullen we het niet zozeer in de uitlegger ervan moeten zoeken, maar eerder in dat wat hij uitlegt, namelijk de wonderen zelf. Want in het heldere daglicht is een wonder niets anders dan tovenarij van de verbeelding, het kinderlijk bevredigen van alle wensen van het menselijk hart.









Hoofdstuk 14: De opstanding, oftewel het instinct tot zelfbehoud

Niet slechts wonderen in het hier en nu hebben als in het oog springend kenmerk dat ze aangenaam zijn voor de subjectieve gevoelens, ook het theoretische wonder, beter gezegd het dogmatische wonder, bezit dezelfde kwaliteit, oftewel het staat in direct verband met de belangen en wensen van het menselijke individu. In dit licht moeten we de Opstanding en de Maagdelijke Bevruchting zien.


De mens in zijn algemene staat van welzijn heeft de wens niet te hoeven sterven. Deze wens is oorspronkelijk identiek aan het instinct tot zelfbehoud. Alles wat leeft streeft ernaar het leven voort te zetten, bijgevolg niet dood te gaan. Wanneer reflectie en het gevoel zich ontwikkelen, vooral op sociaal en politiek gebied, wordt de in wezen negatieve wens omgezet in een positieve wens voor een beter leven na de dood. Maar deze wens houdt tevens de wens in zeker te kunnen zijn van de vervulling ervan. De rede kan zulk een zekerheid niet verschaffen. Men heeft al vaak moeten constateren dat alle bewijzen aangaande onsterfelijkheid ontoereikend zijn, en zelfs dat de rede alleen niet in staat is zich dit voor te stellen, laat staan onsterfelijkheid zou kunnen bewijzen. En terecht, want de rede komt niet verder dan algemene uitspraken, waarna we nog niets kunnen weten over de onsterfelijkheid van een bepaald persoon, en dit is juist waar men naar verlangt. Voor een dergelijke zekerheid is een directe persoonlijke verzekering nodig, een demonstratie in het hier en nu. Dit kan alleen gegeven worden wanneer een overleden persoon, wiens dood geconstateerd is, weer tot leven komt. En hij moet in kwaliteiten geheel overeenkomen met alle anderen, dus representatief zijn voor zijn soort, om de garantie van de opstanding te zijn voor alle anderen. De opstanding van Christus is nu juist de bevrediging van het verlangen dat de mens heeft onmiddellijke zekerheid te hebben omtrent zijn eigen onsterfelijkheid na zijn dood -het is persoonlijke onsterfelijkheid aangetoond als een zintuiglijk, niet tegen te spreken feit.


Onsterfelijkheid was voor de heidense filosofen een zaak waarbij persoonlijke belangen slechts bijzaak waren. Zij interesseerden zich voornamelijk voor de natuur van de ziel, van de geest, van 'het levensprincipe'. De onsterfelijkheid van het levensprincipe hoeft helemaal geen persoonlijke onsterfelijkheid in te houden, laat staan de zekerheid ervan. Vandaar dat we in hun nagelaten geschriften vaagheid, tegenstrijdigheid en onzekerheid tegenkomen wat dit onderwerp betreft. Maar de christenen -in hun onaantastbare zekerheid aangaande de vervulling van hun zichzelf flatterende wensen, oftewel aangaande de goddelijkheid van hun emoties- draaiden wat voor de oude filosofen een theoretische kwestie was om in een direct feit. Zij transformeerden een theoretische mogelijkheid, een open vraag, om in een zaak van het geweten. De ontkenning ervan riepen ze uit tot hoogverraad, het equivalent van atheÔsme. Hij die de opstanding loochent, loochent de opstanding van Christus, en hij die de opstanding van Christus loochent, loochent Christus, en hij die Christus loochent, loochent God. Op deze manier ontgeestelijkte het 'geestelijke' christendom juist alles wat geestelijk was! Voor de christenen was de onsterfelijkheid van de rede of de ziel veel te abstract en te negatief. Men was slechts geÔnteresseerd in persoonlijke onsterfelijkheid, iets dat al hun gevoel bevredigde, en de enige garantie ervan lag in een letterlijke opstanding van het lichaam. De opstanding van het lichaam is de hoogste triomf van het christendom over de sublieme, maar abstracte geestelijkheid en objektiviteit van het oude Griekse denken. Het heidense denken heeft het idee van de opstanding nooit kunnen assimileren.


Op dezelfde manier als de Opstanding -het wonder dat de sacrale geschiedenis afsluit en voor de christenen niet alleen geschiedenis is, maar het equivalent van de waarheid- een verwerkelijkte wens is, is dat het geval met de Onbevlekte Ontvangenis. In dit geval is het niet zozeer de direkte persoonlijke wens als wel een bijzonder subjektief gevoel. Hoe meer de mens zich vervreemt van de Natuur, des te subjektiever (dwz bovennatuurlijker, onnatuurlijker) zijn kijk op de dingen wordt, des te groter zijn afkeer voor het natuurlijke, tenminste voor de natuurlijke objekten en processen die in zijn verbeelding en gevoelens afkeer opwekken. (Zo zegt Luther: "Indien Adam niet tot zonde vervallen was, zou er geen wreedheid van wolven, leeuwen, beren enz. bestaan, zou er niets in de gehele schepping zijn dat een kwelling en gevaar voor de mens zou zijn; geen doornen en distels, geen ziekten...zijn gelaat zou niet gerimpeld zijn, geen voet, hand of ander deel van het lichaam zwak of gebrekkig...Dit alles is het gevolg van de erfzonde dat alles vervuild heeft. Daarom geloof ik dat vůůr de val de zon veel helderder scheen, het water schoner was, en het land veel vruchtbaarder, met veel meer soorten planten.") De vrije, objektieve mens zal ongetwijfeld sommige dingen weerzinwekkend en onsmakelijk vinden in de Natuur, maar hij beschouwt al die zaken als natuurlijk, noodzakelijke gevolgen. Hiervan overtuigd beschouwt hij zijn eigen gevoelens als puur subjectief en onwaar. Maar de christen die geheel vanuit zijn subjectieve gevoelens en verbeelding leeft, bekijkt deze zaken met een zeer hardnekkige weerzin. Hij is als de mens die zelfs wanneer hij de allermooiste bloem beziet het niet kan nalaten zijn oog op het kleine zwarte beestje dat erover rondkruipt te laten vallen, en zich daarom nooit de grootse ervaring van de mooiste bloem te zien eigen kan maken. Bovendien maakt deze mens van zijn gevoel de maatstaf van wat zou moeten zijn. Alles wat niet naar zijn zin is, dat waar zijn transcendente, bovennatuurlijke of onnatuurlijke gevoelens zich door beledigd voelen, zou er niet moeten zijn. Zelfs in het geval dat aangename zaken niet kunnen bestaan indien niet ook het tegendeel bestaat, laat de subjectieve mens zich niet leiden door vermoeiende wetten van logica en natuurkunde, maar geeft hij de voorkeur aan de wil van zijn eigen verbeelding. Vandaar dat hij onaangename feiten weggooit, en slechts vasthoudt aan wat aangenaam is. Het idee van een zondeloze, heilige Maagd is hem aangenaam; hij ziet ook wel wat in de Moeder, maar dan wel ťťn die haar kind zomaar, zonder de daad die eraan voorafgaat, op haar armen draagt. Maagdelijkheid op zichzelf is voor hem het hoogste morele ideaal van zijn gevoelens, de personificatie van eer en schaamte voor het lage natuurlijke. Maar diep in zijn hart is ook plaats voor een natuurlijk gevoel voor moederlijke zorg, en dat maakt de Moeder geliefd. Hoe moet hij deze tegenstrijdige zaken in zijn hart oplossen, dit conflict tussen het natuurlijke en het bovennatuurlijke gevoel? De supranaturalist moet de twee samenbinden, ťťn en hetzelfde object moet twee elkaar uitsluitende predicaten krijgen. Ach, wat een heerlijke volheid van aangename, zoete, bovennatuurlijke, sensuele emoties resulteren in deze samenbinding!


Hier hebben we de sleutel tot de tegenstrijdigheid in het Catholicisme dat men tegelijkertijd het huwelijk als heilig beschouwt en celibatie ook heilig is. Het is eenvoudig de praktische uitwerking van dezelfde tegenstrijdigheid als in de Heilige Moeder. Maar dit wonderbaarlijk samengaan van maagdelijkheid en moederschap, geheel in strijd met de Natuur en de Rede, maar volkomen in overeenstemming met wat het gevoel en de verbeelding eist, is geen product van het Catholicisme. Het vloeit direct voort uit de tegenstrijdige rol die de bijbel, in het bijzonder Paulus, aan het huwelijk schenkt.







Hoofdstuk 15: Het mysterie van Christus, oftewel de Persoonlijke God

De dogma's die aan de basis staan van het christelijk geloof zijn allemaal invullingen van de wensdromen van het hart, anders gezegd, de essentie van het christelijk geloof is identiek aan de essentie van het menselijk gevoel. Het is aangenamer passief te zijn dan te moeten handelen, aangenamer verlost te worden door een ander dan zichzelf te verlossen, aangenamer behoudenis van een persoon af te laten hangen dan van een kracht die men zelf moet zien te produceren, aangenamer een object van liefde voor zich te hebben, dan voor de taak van een grote krachtsinspanning te staan. Het is aangenamer zichzelf door God geliefd te voelen, dan slechts te leven met de eenvoudige natuurlijke liefde voor zichzelf, waarmee alle wezens geboren worden; aangenamer zichzelf te zien in de liefde uitstralende ogen van een ander, dan zichzelf in de holle spiegel van het zelf te zien of in de koude diepten van de oceaan van de Natuur. kortom, het is aangenamer toe te geven aan de eigen gevoelens en ze te beschouwen als de werkingen van een ander, wiens gevoelens toevallig juist identiek zijn met de eigen gevoelens, dan zichzelf te besturen door de rede. Gevoel is de verborgen werking van het ego, de ego als akkusatief, lijdend voorwerp. Gevoel is het ego dat beschouwd wordt alsof het buiten ons staat, alsof het een ander wezen is. Gevoel is de passieve ego. Gevoelens veranderen de aktieve mens in de passieve, en het passieve in het aktieve. Voor het gevoel is dat wat denkt gelijk aan de gedachte, en de gedachte gelijk aan dat wat denkt. Gevoel is het dromen van de Natuur, en er is niets zaligers en diepzinnigers dan dromen. Maar wat is dromen? Het is de omkering van het wakkere bewustzijn. In de droom is dat wat aktief was passief en het passieve neemt de rol over van het aktieve. Ik beschouw de spontane uiting van mijn eigen geest als een werking die van buitenaf tot mij komt; mijn emoties beschouw ik als gebeurtenissen, mijn waarnemingen en gevoelens komen op mij over als werkelijk buiten mijzelf bestaande zaken. Ik onderga wat ik tezelfdertijd zelf produceer. Dromen is een dubbele lichtbreking. Vandaar dat het onbeschrijfbaar heerlijk is. Maar of we nu dromen of klaarwakker zijn, het is precies dezelfde ego die ervoor verantwoordelijk is. Het enige verschil tussen de twee toestanden is dat de klaarwakkere ego bewust zelf handelt, terwijl het in de droom zichzelf beschouwt als passief, alsof een ander wezen ervoor verantwoordelijk is. Ik denk zelf is een zakelijke, rationalistische uitspraak; Ik word door God gedacht en besta dus als een gedachte van God, is een uitspraak gevuld met gevoel, oftewel een religieuze uitspraak. Gevoel is hetzelfde als dromen met open ogen. Godsdienst is het dromen van het wakkere bewustzijn. Dromen is de sleutel tot alle mysteries in de godsdienst.


De hoogste wet van het gevoel is de onmiddellijke eenheid tussen de wil en de daad, tussen het wensen en de realiteit. Deze wet krijgt zijn vervulling in het concept van de Verlosser. Op dezelfde manier als wonderen het tegendeel zijn van natuurlijke werking, is de Verlosser, de Middelaar, de God-mens, het tegendeel van de natuurlijke en rationele mens. En op dezelfde manier als de wonderen de realisatie van onmiddellijke menselijke behoeften en wensen zijn, is de Verlosser de bevrediger van alle innerlijke morele behoeften en wensen, want hij zorgt ervoor dat de mens van zijn kant niets meer hoeft te doen. Alles wat men wenst is al tot stand gekomen. Gij wenst te winnen, geluk te verdienen? De moraal is de voorwaarde, het middel tot geluk. Maar men kan aan deze voorwaarde niet voldoen, oftewel in werkelijkheid hoeft men er niet aan te voldoen. Dat waar men naar op zoek is, is al tot stand gebracht. Men behoeft het slechts passief in ontvangst te nemen, men heeft slechts geloof nodig, men hoeft er slechts van te genieten. Gij wilt dat God u welgezind is, Hij niet vertoornd is, dat uw geweten vrede ervaart? Maar deze vrede bestaat al; de vrede is de Middelaar, de God-mens. Hij is uw tot rust gekomen geweten. Hij is de vervulling van alle eisen, en daarmee de vervulling van uw eigen wensen en krachtsinspanningen.


Bijgevolg is het niet langer de wet, maar de vervuller van de wet die het model wordt, de leidraad, de begeleider van het leven. Hij die de wet vervult, maakt de wet overbodig. De wet heeft namelijk slechts macht, geldigheid, over hem die de wet overtreedt. Maar hij die de wet perfect nakomt spreekt uit: Wat gij wilt doe ik spontaan uit mezelf, en wat gij beveelt te doen kom ik na in al mijn daden; mijn eigen leven is de ware, levende wet. Dus de vervuller van de wet komt voor de wet in de plaats, meer nog, hijzelf wordt de nieuwe wet, een wet wiens juk licht en gemakkelijk is. Want in plaats van louter opgelegde eisen kan hij zich voorstellen als een voorbeeld, als het object van liefde, van bewondering en navolging. Zo wordt hij de redder van de zonde. De wet geeft mij in het geheel geen kracht om de wet na te volgen. Integendeel, zij is hard en meedogenloos. Zij stelt slechts eisen, maar bekommert er zich niet om of ik de wet kan nakomen of niet. Zij laat me geheel aan mezelf overgeleverd, zonder enige raad of hulp. Maar hij die zichzelf presenteert als een voorbeeld, verlicht mijn pad, neemt me bij de hand, en boezemt mij zijn kracht in. De wet geeft geen kracht om de zonde tegen te staan, maar een voorbeeld doet wonderen. De wet is dood, maar een voorbeeld maakt levend, het inspireert, het geeft een mens automatisch vleugels. De wet spreekt slechts tot 's mensen begrip, het staat lijnrecht tegenover de menselijke instincten. Maar voorbeeld doet juist een beroep op het instinct, op iets dat instinctmatig in werking treedt als gevolg van de zintuiglijke waarneming: imitatie. Kortom, voorbeeld heeft een magische, dwz zinbegoochelende werking. Want het magische, oftewel onweerstaanbare aantrekkingskracht, is een wezenlijk begrip, in het bijzonder van dingen die indruk maken op de zintuigen.


In de antieke wereld stelde men dat indien deugd zichtbaar zou zijn, zij alle harten voor zich zou winnen en een inspiratie voor iedereen zou zijn. De christenen hebben het klaargespeeld zelfs deze wens te vervullen. De heidenen hadden een ongeschreven wet, en de joden een opgetekende wet. Maar de christenen hadden een voorbeeld ter navolging, een zichtbare, persoonlijke, levende wet, een wet gemaakt van vlees en bloed. Vandaar het uitbundige, vooral bij de eerste christenen, vandaar het pochen dat alleen het Christelijk geloof de kracht bevat de zonde te weerstaan. We zullen het deze glorie niet ontzeggen. Het dient alleen te worden ingezien dat de kracht van het voorbeeld van deugd niet zozeer de kracht van deugd is, als wel de kracht die er in het voorbeeld schuilt laat zien. Op dezelfde manier als de kracht van religieuze muziek niet zozeer de kracht van religie laat zien, maar de kracht van muziek. Het voorbeeld van deugd heeft dus deugdzame handelingen tot gevolg, maar deze handelingen komen niet voort uit innerlijke dispositie en de motivatie van deugd.









Hoofdstuk 20: De tegenstrijdigheid van het bestaan van God

Religie is de relatie tussen de mens en zijn eigen natuur; hierin ligt haar waarheid en haar macht tot morele verheffing. Maar het is de relatie tot de menselijke natuur die de mens niet in zichzelf verwezenlijkt ziet, maar ziet alsof het buiten hemzelf bestaat, zelfs in tegenstelling tot hemzelf staat. En hierin ligt haar onwaarheid, haar onmacht, haar in strijd zijn met de menselijke rede en moraal. Hierin ligt ook de bron van religieus fanatisme, de metafysische oorzaak voor menselijk offeren, kortom de moeder van alle gruwelijkheden, alle weerzinwekkende gebeurtenissen, de tragedie van de religieuze geschiedenis.


De contemplatie van de menselijke natuur alsof het gaat om een ander wezen, gescheiden van hemzelf, is echter in de oorspronkelijke beleving van godsdienst een eenvoudig automatisme, een kinderlijke reactie van de geest. In de oorspronkelijke religieuze beleving identificeert men zich met God net zo gemakkelijk als men zichzelf weer als gescheiden van hem ziet. Maar wanneer religie zich in de loop van de tijd dieper ontwikkelt, wanneer de religieuze denkwereld zich gaat ontplooien, en de mens er geleidelijk achter komt dat hij identiek is aan het goddelijk wezen, oftewel wanneer religie theologie wordt, dan wordt de oorspronkelijk zo onschuldige scheiding tussen God en mens een bewuste bezigheid, en gaat men juist zijn best doen om het bewustzijn van de vereenzelviging uit te bannen.


Vandaar dat we kunnen zeggen dat hoe primitiever de religie, des te waarachtiger, des te echter het is, en des te meer haar ware natuur tot uiting komt. In andere woorden, in de oorspronkelijke godsdienstbeleving is helemaal geen kwalitatief of wezenlijk onderscheid tussen God en de mens. En de oermens ziet niets schokkends in deze vereenzelviging, want hij ziet zichzelf in volkomen harmonie met zijn religie. In de oude joodse religie bijvoorbeeld verschilde Jahweh van de mens slechts hierin dat hij een veel langer bestaan had. In zijn kwaliteiten, zijn karakter, kwam hij volkomen overeen met de mens; hij had dezelfde hartstochten, dezelfde menselijke -zelfs lichamelijke- eigenschappen. Pas in het latere JudaÔsme zag men God als volkomen gescheiden van de mens, en moest men zijn toevlucht nemen tot allegorie om uit te leggen dat de oude antropomorfe beschrijvingen iets anders bedoelden dan hun oorspronkelijke betekenis. Ook de christelijke religie maakte zo'n ontwikkeling door: in de oudste geschriften is de goddelijkheid van Christus niet zo benadrukt als men er later van maakte. In het bijzonder in de denkwereld van Paulus zien we dat Christus nog een onbepaald wezen is, iets dat zweeft ergens in het midden tussen hemel en aarde, tussen God en mens. Hij is ťťn van de wezens die ondergeschikt staan aan het hoogste wezen, -de eerste engel, de eerstgeschapene. Hij wordt inderdaad 'de eerstgeborene' genoemd, vanwege ons mensen, maar engelen en mensen zijn ook niet geschapen, maar 'geboren' uit de Vader. De kerk identificeerde hem eerst met goddelijk, maakte hem vervolgens tot unieke Zoon van God, ter onderscheiding van mensen en engelen, en gaf hem uiteindelijk het monopolie van een eeuwig, ongeschapen bestaan.


Religie ontwikkelt zich dus zo dat wanneer reflektie begint, oftewel theologie ontstaat, het goddelijk wezen tot een apart wezen gemaakt wordt, een wezen dat zijn bestaan buiten de mens heeft, zodat het bestaan van God daarna noodzakelijk een bewijs vereist. Alle godsbewijzen die bedacht zijn, zijn in strijd met het wezenlijke karakter van religie. Het zijn nepbewijzen. Religie maakt van de innerlijke natuur van de mens automatisch een objektief, extern wezen. En de godsbewijzen hebben geen ander doel dan te bewijzen wat men bij voorbaat al gelooft. Het meest perfecte wezen is dat waarboven men zich niets groters kan voorstellen, dus God is per definitie identiek aan het hoogste dat een mens zich kan voorstellen. De vooronderstelling van het ontologisch bewijs -het meest interessante godsbewijs, omdat het van binnenuit ontwikkeld wordt- is uiting van de kern van religie. Dat wat het hoogste is voor de mens, dat waar de positieve limiet van zijn intellect en zijn gevoel niet meer overschreden kan worden, dŠt is voor hem God. Maar indien dit wezen niet zou bestaan zou het niet het allerhoogste kunnen zijn. In dat geval zouden wij ons iets kunnen voorstellen wat hoger, superieurder is. 'Bestaat niet' is een defect, 'bestaat' is perfectie, geluk en zaligheid. Dus een wezen dat alles opgeeft, alles wat voor hem van waarde is offert, zou de zaligheid van 'bestaan' niet ontzegd kunnen worden.


Het godsbewijs is in strijd met de religieuze geest omdat het 'bestaan' opvat als iets buiten zichzelf, en men dus twijfel voelt opkomen dat God wel eens slechts een veronderstelling zou kunnen zijn, een wezen dat slechts als idee bestaat. Deze twijfel moet meteen onderdrukt worden door God te bewijzen als een bestaan gescheiden van de mens, gescheiden van gedachten, een echt bestaan op zichzelf. Het bewijs is in strijd met de geest van de religie, niet slechts omdat het een formele gevolgtrekking is van iets wat religie van nature al automatisch impliceert, maar omdat zo de nadruk komt te liggen op het gescheiden zijn, terwijl in oorsprong religie instinctief het menselijke en goddelijke verbindt. Want voor religie is God geen zaak van abstracte gedachten, maar een beleefde waarheid en werkelijkheid. Dat iedere godsdienst met betrekking tot het begrip God zulke onbewuste gedachtengangen maakt, komt tot uiting in de polemiek tegen andere religies. 'Jullie heidenen', zegt de Jood of de Christen, 'waren niet in staat je verhevener goden voor te stellen, omdat jullie in zulke verdorven zonden gevallen waren. Jullie God is gebaseerd op de premissen van jullie sensuele behoeften, jullie hartstochten. Jullie hadden de gedachte dat de hoogste invulling van het leven het zonder intomen uitleven van al jullie passies was. En omdat jullie aan zulk een leven de hoogste waardering gaven, zagen jullie goden er zo uit. Jullie God was in werkelijkheid jullie vleselijke natuur, jullie hemel de plaats waar al jullie passies vrij uitgeleefd konden worden, als compensatie voor de realiteit van de maatschappij waarin ze ingetoomd moeten worden.' Maar wanneer de aanhanger van een religie zijn eigen godsdienst bekijkt kan hij nooit op dezelfde manier redeneren, want zijn eigen God is het hoogste waar hij toe in staat is te denken, en dus automatisch waar. Zijn God is geen gedachte, geen veronderstelling, maar 'natuurlijk' waar.


De godsbewijzen hebben dus als doel het interne extern te maken, God af te scheiden van de mens. (Tezelfdertijd echter leveren de godsbewijzen het resultaat op dat de menselijke natuur ermee bewezen wordt. De verschillende godsbewijzen zijn niets anders dan verschillende zeer interessante vormen van menselijke zelfbevestiging. Het Argument van Ontwerp bijvoorbeeld is de zelfbevestiging van de menselijke eigenschap logisch te kunnen denken.) Wanneer God eenmaal bewezen is, is hij niet langer iets in ons, een wezen voor ons geloof, ons gevoel, onze natuur, maar een wezen op zichzelf (Ding an sich), een wezen buiten onszelf. In andere woorden God is dan niet meer een geloof, een gevoel, een gedachte, maar een bestaan onafhankelijk van ons geloof, gevoel en gedachten.


Maar zulk een bestaan moet een bestaan zijn dat overeenkomt met wat onze zintuigen als 'wezen' beschouwen, dus een zintuiglijk bestaan. Het idee van een zintuiglijk bestaan wordt al verondersteld in de karakteristieke uitdrukking 'buiten onszelf'. Weliswaar weigert de theologie er de natuurlijke betekenis aan te geven die het woord heeft, maar indien dit slechts 'een manier van spreken' is, dan is dit 'wezen' bijgevolg ook figuratief. En het gaat er nu juist om een objectief wezen buiten onszelf te bewijzen. Echt, zintuiglijk bestaan is dat wat niet afhankelijk is van mijn mentale activiteit, maar waardoor ik beÔnvloed wordt of ik het wil of niet, wat er is wanneer ik er niet ben of bestaat wanneer ik het niet denk of voel. Het bestaan van God moet daarom ergens in de ruimte plaatsvinden, in het algemeen moet het iets zintuiglijks, kwalitatiefs zijn. Maar God valt niet te zien, niet te horen, op geen enkele manier door de zintuigen op te merken. Indien ik van mening ben dat ik niet voor hem besta, bestaat hij niet voor mij. Indien ik niet in God geloof, dan is er geen God voor mij. Indien ik geen vroom gemoed heb, indien ik me beperk tot het leven dat de zintuigen mij voorschotelen, dan heeft hij geen plaats in mijn bewustzijn. Hij bestaat dus slechts in hoeverre hij gevoeld wordt, gedacht wordt, of aan zijn bestaan geloofd wordt. De toevoeging 'voor mij' is zelfs overbodig. Zijn bestaan is dus echt, maar tezelfdertijd niet echt. De theoloog zegt dat hij 'geestelijk' bestaat. Maar een geestelijk bestaan is slechts een bestaan in gedachten, in gevoel, in geloof. Zijn bestaan is dus ergens in het midden tussen zintuiglijke waarneming en denkbeeldig bestaan, een bestaan omgeven door tegenstrijdigheden. ”f hij is een zintuiglijk bestaan, waartoe alles dat wij kennen als zintuiglijk ontbreekt (oftewel hij is een wezen dat zowel zintuiglijk is als niet zintuiglijk, of een bestaan dat het zintuiglijke tegenspreekt), ůf hij is slechts een 'algemeen vaag bestaan', hetgeen eigenlijk een zintuiglijk bestaan is, maar -omdat dit niet gezegd mag worden-, zo goed mogelijk van het zintuiglijke ontdaan moet worden. Zulk een 'algemeen vaag bestaan' is een contradictio in terminis. Tot bestaan behoort een volle, definitieve werkelijkheid.


AtheÔsme is het noodzakelijk gevolg van deze tegenstrijdigheid. Het bestaan van God můet in essentie een empirisch bestaan zijn, zonder dan men er enige kenmerken van kan aanwijzen. Het is een zaak van 'ervaren', en toch is het weer geen object dat men kan onderzoeken. Men wordt opgeroepen het in de werkelijkheid te zoeken, maar het vult de geest met gevoelsmatige denkbeelden en veronderstellingen. Bijgevolg -wanneer deze pretenties zich niet uitkristalliseren, of indien men moet concluderen dat de 'ervaring' van de werkelijkheid eerder de ontkenning van deze denbeelden oproept- is men ook volledig gerechtvaardigd dit bestaan te ontkennen.


Kant staat bekend als degene die toegaf dat het bestaan van God niet door het verstand bewezen kan worden. Hij verdient de kritiek die Hegel op hem had niet. Het gaat in die bewijsvoeringen aangaande het bestaan van God om het empirisch aantonen ervan. Maar men kan empirisch bestaan natuurlijk niet concluderen wanneer men ŗ priori al tot zijn bestaan heeft besloten. Het enige wat we wťl tegen Kant kunnen aanvoeren is dat hij zijn positie neerlegt alsof het om een opmerkelijk inzicht gaat, terwijl het in werkelijkheid gaat om een vanzelfsprekendheid. De rede alleen kan een zintuiglijk object niet vaststellen. Ik kan niet van iets wat ik denk zomaar concluderen dat het dan ook buiten mijzelf můet bestaan als een zintuiglijk object. Het bestaan van God overstijgt de limiet van het denkvermogen. Het is absurd van de rede te verlangen wat slechts de zintuigen kunnen vaststellen. 'Bestaan', empirisch bestaan, wordt alleen door de zintuigen bewezen. En dit empirische, afzonderlijke, externe, bestaan is juist wat we bedoelen wanneer we het over het bestaan van God hebben; we bedoelen dan juist niet onze innerlijke werkelijkheid, onze innerlijke waarheid.


We zien dus dat het volkomen juist is wanneer men opmerkt dat het geloof in het bestaan of niet-bestaan van God totaal geen consequenties heeft voor onze innerlijke gesteldheid. Natuurlijk zou men kunnen opmerken dat een geloof in Gods bestaan inspirerend is, maar dat 'is' betekent een innerlijke staat. Het bestaan van God is dan dus een werking, een beweging. En hoe meer dit bestaan empirisch wordt, des te minder het inspireert. In zoverre religie gebaseerd is op het bestaan van God als een empirische waarheid, heeft het geen enkele betekenis voor de innerlijke dispositie. Precies hetzelfde zien we in alle andere uiterlijke religieuze zaken zoals riten, ceremonieŽn, inzettingen, sacramenten: hoe meer ze zaken van belang op zichzelf worden, des te minder effect ze hebben op de innerlijke staat van de mens. Dus hoe meer men behoefte heeft aan het bewijs van het bestaan van God, des te minder religie beleefd wordt. Het geloof erin wordt de hoofdzaak. Indien gij slechts gelooft in God, dus gelooft dat God is, dan bent ge al behouden. Of de God waarin u gelooft nu een werkelijk goddelijk wezen is of een monster, een Nero of een Caligula, een fantasiebeeld van mijn hartstochten, van mijn wraakzucht of eerzucht, dat doet er niet toe -de hoofdzaak is dat u geen atheÔst bent. De godsdienstgeschiedenis bevat veel voorbeelden van deze consequentie van het geloof aan God als een objectief gegeven. Indien zulk een bestaan zich niet in de geest van mensen had gegrifd, zouden er nooit van die schandelijke, zinloze en afschuwelijke ideeŽn over God, waardoor de geschiedenis van religie en godsdienst zo gekenmerkt wordt, geweest zijn. Het bestaan van God werd gevulgariseerd en gemaakt tot een object buiten de mens, en tezelfdertijd hield men het voor iets heiligs. Geen wonder dus dat als gevolg hiervan de meest vulgaire, grofste en onheiligste denkbeelden en meningen ontstonden.


AtheÔsme werd en wordt zelfs tegenwoordig verondersteld de negatie te zijn van alle morele principes, alle morele fundamenten: indien God niet bestaat is alle onderscheid tussen goed en kwaad, deugd en ondeugd, afgeschaft. Dus het onderscheid tussen goed en kwaad ligt slechts in het bestaan van God; de deugd van deugd ligt niet in haarzelf, maar er buiten. Bijgevolg verbindt men zich aan deugd niet omdat men overtuigd is van haar goedheid en waarde, maar slechts omdat het verbonden wordt met het bestaan van God. In werkelijkheid is het geloof dat God een noodzakelijke voorwaarde is voor deugd dus gelijk aan het geloof dat deugd op zich niets waard is.


Het is veelzeggend dat de drang tot godsbewijzen in moderne tijden zo is toegenomen, nu empirisch onderzoek en materialisme met volle kracht zijn ontwikkeld. Weliswaar geloofde ook de eenvoudige religieuze oermens dat het bestaan van een empirische God een plaats had -hoewel men aan een plaats boven de aarde dacht-, maar zijn veronderstellingen hadden niet zo'n naakte, feitelijke, significante betekenis. In de verbeelding ging het uitwendige zonder moeite over op het innerlijke van de mens. De verbeelding is de werkelijke plaats van iets dat afwezig is, iets wat de zintuigen niet waarnemen, maar toch als bestaand gevoeld wordt. Slechts de verbeelding kan de tegenstrijdigheid oplossen, tussen iets wat zowel zintuiglijk als niet zintuiglijk is. Slechts de verbeelding behoedt de mens voor atheÔsme. In het bestaan van de verbeelding kan zo'n bestaan gevoelens opleveren, zij bevestigt zichzelf door zich aan te dienen als een kracht. Via deze kern van het zintuiglijk bestaan kan de verbinding worden gelegd naar het objektief zintuiglijk bestaan. Waar God een levende waarheid is, een object waar de verbeelding mee speelt, daar gelooft men ook aan verschijningen van God. Maar, aan de andere kant, waar het vuur van de religieuze verbeelding is uitgeblust, waar zintuiglijke effecten of verschijningen van een onafhankelijk zintuiglijk bestaan ophouden, daar verandert zo'n bestaan in een dood, met zichzelf in strijd zijnd bestaan. En vandaar gaat het onherroepelijk over op de negatie, op atheÔsme.


Het geloof in God is het geloof in een afzonderlijk bestaan, gescheiden van het bestaan van de mens en van de natuur. Zo'n afzonderlijk bestaan kan alleen bewezen worden op een bijzondere manier. Dit geloof is dan ook slechts waar en levend indien het gebaseerd is op geloof in speciaal ingrijpen, in wonderen en verschijningen van God. Maar waar geloof in God hetzelfde is geworden als geloof in de wereld, niet meer verbonden wordt aan een speciale godsdienst, waar het geheel van de wereld het geheel van de mens in bezit neemt, daar verdwijnt het geloof in speciaal ingrijpen en godsverschijningen. Het geloof in God lijdt schipbreuk wanneer men geloof in de wereld, in de natuur als enige werkingen ziet. Net zoals modern geloof in wonderen niets meer betekent dan geloof in historische, ooit in het verleden gebeurde wonderen, is ook 'het geloof in het bestaan van God' tegenwoordig een uiting van een in wezen atheÔstisch denkbeeld.









Hoofdstuk 21: De tegenstrijdigheid van de Goddelijke Openbaring

Het idee van het 'bestaan' van God hangt samen met het idee van zijn openbaring. Gods getuigenis van zijn bestaan, de authentieke bevestiging van het bestaan van God, is openbaring. De bewijzen gebaseerd op de menselijke rede zijn louter subjectief, maar zijn openbaring is het enige objectieve bewijs van het bestaan van God. God spreekt tot de mens; openbaring is daarom 'het woord van God'. Van God gaat een stem uit die de ziel van de mens raakt en hem de blijde zekerheid geeft dat God een realiteit is. Het woord is het evangelie van het leven, het criterium voor bestaan en niet-bestaan. Geloof is openbaring is daarom het hoogtepunt van de religieuze drang tot objektivering. De subjectieve overtuiging van het bestaan van God verandert door middel van openbaring in een niettegenzeggelijk, extern, historisch feit. Het bestaan van God op zichzelf, gezien als puur 'bestaan', wordt al als een gegeven buiten ons, een empirisch bestaan opgevat, maar toch blijft het een gedachte, en bijgevolg twijfelachtig. Men moet uiteindelijk toegeven dat alle rationele bewijzen van zijn bestaan geen bevredigende zekerheid schenken. Dit aangenomen bestaan tot een werkelijk bestaan, tot een feit, om te turnen, is openbaring. God heeft zichzelf geopenbaard, heeft zichzelf aangetoond: wie kan er dan nog aan twijfelen? De zekerheid van het bestaan van God is dus afhankelijk van de zekerheid van de openbaring. Een God die wel bestaat, maar niet van zich laat horen, die dus slechts bestaat via mijn eigen mentale werking, zo'n God is slechts een abstract gegeven, een denkbeeldige, subjektieve God. Alleen een God die zichzelf via zijn eigen handelen openbaart is een echte God, een objektief gegeven.

Geloof in openbaring is de onmiddellijke zekerheid van het religieuze gemoed, de zekerheid dat waar men in gelooft, wat men wenst, voor waar houdt, ook echt zo is. Religie is een droom, waarin onze voorstellingen en emoties zich voordoen als bestaan gescheiden van ons, wezens buiten onszelf. Het religieuze gemoed maakt geen onderscheid tussen subjektief en objektief, -zij heeft geen twijfel. Zij heeft niet zozeer het vermogen andere dingen te ontwaren dan zichzelf, maar het vermogen de eigen voorstellingen als afzonderlijke wezens te zien. Wat op zichzelf louter theorie is, is voor de religieuze geest een praktisch geloof, een zaak van het geweten, zelfs een feit. Een feit is namelijk iets dat de rede aangaat en zich aandient als een zaak van het geweten. Een feit is iets waar men geen kritiek op kan hebben, iets wat men niet kan aanvallen zonder zich schuldig te maken aan een misdaad. De ontkenning van een feit is zeker niet iets van generlei belang. Het is een moreel kwaad, namelijk het tegendeel beweren van wat men weet als waarheid. Het christelijk geloof heeft zijn geloofsartikelen juist zů geobjektiveerd, dwz heeft zich gepresenteerd als niet te ontkennen, niet tegen te spreken feiten, waarvoor de menselijke rede moet buigen. De geloofsartiekelen nemen de rede gevangen met behulp van de externe werkelijkheid. Hierin ligt dan ook de ware uitleg van waarom het christendom, zowel het Protestantisme als het Katholicisme, met alle plechtigheid het principe huldigde en bekrachtigde dat ketterij (het ontkennen van een idee of feit dat tot een geloofsstelling behoort) iets is dat door de wereldlijke macht bestraft moet worden, dwz ketterij staat gelijk aan misdaad. Een feit is dus iets waar men, of men het nu wil of niet, in geloven můet. Een feit is een fysieke kracht, niet een argument; een feit doet geen beroep op de rede. O, gij kortzichtige Duitse religieuze filosofen, die ons met 'feiten van het religieuze bewustzijn' om de oren slaan om onze rede tot zwijgen te brengen en ons slaven van bijgeloof te maken -ziet gij dan nooit in dat uw 'feiten' net zo relatief, overeenkomstig en subjectief zijn als de feiten van alle andere religies? Waren de goden op de Olympus ook niet feiten? Werden de absurde wonderen van de heidense religies ook niet beschouwd als feiten? Engelen en demonen waren historische personages. Ze verschenen geheel letterlijk aan mensen. De ezel van Bileam sprak echt. Het verhaal over die ezel werd in de vorige eeuw zelfs door verlichte geleerden net zo zekerlijk geloofd als de Incarnatie of alle andere wonderen.


Ik herhaal het nog eens: een feit is een opvatting over de waarheid waarover geen twijfel bestaat, omdat het niet tot een theorie behoort, maar tot gevoel, het gevoel dat eist dat wat het wenst, waar het in gelooft, waar moet zijn. Een feit is iets dat verboden is te ontkennen, zo niet via een van buiten af opgelegde wet, dan wel via een innerlijke wet. Een feit is iedere mogelijkheid dat voor een werkelijkheid kan doorgaan, iedere voorstelling die in de tijdsperiode waarin men het als een feit beschouwt, een behoefte uitdrukt, en daarom een niet te overstijgen limiet van de geest is. Een feit is iedere wens die zich in de werkelijkheid vervuld wil zien; kortom, een feit is alles waaraan niet getwijfeld wordt, omdat er niet aan getwijfeld wordt, en er niet aan getwijfeld mŠg worden.
De religieuze geest -zoals dit zich in het voorgaande ontvouwde- heeft een onmiddellijke zekerheid dat alle van buitenaf komende gevoelens waar men zelf geen invloed op heeft, manifestaties zijn van een wezen buiten zichzelf. De religieuze geest maakt zichzelf passief, en ziet God als het aktieve wezen. God is aktiviteit, maar dat wat hem tot aktiviteit bepaalt, wat zijn eigenschap tot aktief-zijn in werkelijk aktief-zijn omzet, is niet hijzelf -want hij heeft geen behoeften-, maar de mens, het religieuze subject. Tezelfdertijd wordt de mens op zijn beurt weer bepaald door God; hij ziet zichzelf als passief en ontvangt van godswege een bepaalde openbaring, bepaalde bewijzen van Gods bestaan. In de openbaring bepaalt de mens zich dus als degene die God bepaalt, dwz openbaring is eenvoudig het equivalent van de definiŽring die de mens van zichzelf maakt. De mens doet dat zo, dat hij tussen hemzelf als de te definiŽren grootheid en hemzelf als degene die het definiŽren doet, een object plaatst, God, een afzonderlijk wezen. God is het medium met behulp waarvan de mens zich kan verzoenen met zijn eigen natuur, anders gezegd: God is de band, de verzekering, tussen de essentie van de natuur van de mens als soort en de individuele mens.


Het geloof in openbaring laat op de duidelijkste manier de typische illusie zien van het religieuze bewustzijn. De algemene vooronderstelling van dit geloof is dat de mens van zichzelf uit totaal niets over God kan weten. Alles wat de mens kent is louter ijdelheid, aards, menselijk. Maar God is een bovenmenselijk wezen. God kan slechts door God gekend worden. Wij weten dus in het geheel niets van God, afgezien dat wat hij van zichzelf openbaart. Slechts de kennis die van God zelf afkomstig is is goddelijk, bovenmenselijke, bovennatuurlijke kennis. Via de openbaring van God zelf kent de mens dus God. De openbaring noemt men het woord van God, God die een verklaring van zichzelf aflegt. Dus het geloof in openbaring houdt tevens een geloof in de negatie van de mens zelf in. De mens gaat tot buiten zichzelf, tot boven zichzelf. Hij plaatst openbaring in tegenstelling tot menselijke kennis en opvattingen. De openbaring bevat een verborgen kennis, de volheid van alle bovenzinnelijke raadselen, waar de rede niet bij kan. Maar toch wordt goddelijke openbaring bepaald door de menselijke natuur. God spreekt niet tot redeloze dieren of engelen, maar tot mensen. Daarom moet hij zich bedienen van menselijke taal en menselijke voorstellingen. De mens is een object voor God, vůůrdat God zichzelf aan de mens bekend maakt. God denkt dus aan de mens, hij laat zijn aktiviteit dus geheel afhangen van de menselijke natuur en de menzelijke behoeften. God heeft natuurlijk vrije wil; hij kan zichzelf openbaren of niet, maar hij is niet vrij wat betreft de manier van openbaren. Hij kan niet op willekeurige manier optreden, maar slechts op een aan de mens aangepaste manier, op een manier die in overeenstemming is met de werkelijke natuur van de mens, en niet bestemd is voor een ander wezen. Wat God nu denkt in relatie tot de mens wordt dus bepaald door menselijke ideeŽn; het ontstaat uit het beschouwen van de menselijke natuur. God stelt zich in de schoenen van de mens, denkt van zichzelf zoals een ander wezen van hem kan en zou moeten denken. Hij denkt dus over zichzelf niet met zijn eigen denkkracht, maar met die van de mens. De openbaring heeft dus niet zozeer betrekking op hemzelf, als wel op het menselijke begrip. Dat wat van God tot de mens komt, komt dus eigenlijk van de mens in God. In andere woorden, het komt tot ons vanuit de ideale natuur van de mens naar de mens zoals hij daadwerkelijk in de wereld verschijnt, vanuit de mens als soort naar de individuele mens. Tussen de goddelijke openbaring en de zogenaamde menselijke rede of menselijke natuur bestaat er dus geen ander onderscheid dan ťťn gebaseerd op illusie: de inhoud van de goddelijke openbaring heeft een volkomen menselijke oorsprong, want zij is niet uitgegaan van God als God, maar van God als bepaald door de menselijke rede en door menselijke behoeften, oftewel zij is een directe uiting van de menselijke rede en behoeften. Dus via het begrip 'openbaring' plaatst een mens zich buiten zichzelf, om via een omweg weer bij zichzelf terug te komen! Een voorbeeldige bevestiging van de stelling dat het geheim van theologie niets anders is dan antropologie; de kennis van God is niets anders dan de kennis van de mens!


Het religieuze bewustzijn geeft inderdaad toe dat de in de geschiedenis gegeven openbaring van wezenlijk menselijke kwaliteit is. Het religieuze bewustzijn van latere tijden stelt zich niet meer tevreden met een Jahweh die van top tot teen een mens is, die er niet voor terugschrikt zich als zodanig te laten zien. Dit latere religieuze bewustzijn komt met uitleggingen dat dit alles slechts 'beelden' zijn waarin God zich aanpaste aan het begrip van de mens van die vroegere tijd, dwz menselijke beelden. Maar dezelfde gedachtengang staat ze weer niet toe bij het interpreteren van ideeŽn die in de tegenwoordige tijd gezien worden als openbaring, omdat het zelf in deze beelden ondergedompeld is. Maar in ieder geval is iedere openbaring niet meer dan de openbaring van de menselijke natuur aan de mensen zoals ze op dat moment zijn. In de openbaring wordt de verborgen natuur van de mens aan hem onthuld in de vorm van een object buiten hemzelf. Hij definieert zichzelf, wordt door zijn eigen natuur bestuurd alsof het door een buiten zichzelf bestaand wezen gedaan wordt. Hij ontvangt uit de handen van God wat zijn eigen niet erkende natuur hem als een noodzakelijkheid oplegt. En deze openbaring laat men plaatsvinden onder bepaalde omstandigheden en in een bepaalde tijd. De rede, de geest van de soort, werkt in de subjektieve, ongecultiveerde mens alleen met behulp van een beeld van een ander persoonlijk wezen. Morele wetgeving heeft voor deze mens slechts kracht als het de geboden zijn van een Goddelijke Wil, die zowel de macht tot straffen in zich heeft als ook de blik die niets ontgaat. Dat wat zijn eigen natuur, zijn rede, zijn geweten hem zegt, heeft geen bindende kracht voor hem, omdat de subjektieve, ongecultiveerde mens in geweten en rede -voorzover hij die als van zichzelf beschouwt- geen universele objektieve macht ziet. Hij můet hetgeen hem morele wetten geeft van zichzelf afscheiden en in tegenstelling tot hemzelf plaatsen, als een afzonderlijk persoonlijk wezen.


Geloof in openbaring is een kinderlijk geloof, en is slechts te respecteren zolang het geloof kinderlijk is. Maar het kind wordt van buitenaf bepaald, en de openbaring heeft als doel het met Gods hulp bereiken van wat men niet alleen bereiken kan. Vandaar dat men openbaring ook wel de opvoeding van de mensheid heeft genoemd. Dit is inderdaad een correcte analyse. Maar openbaring moet men echter niet zien alsof het buiten de menselijke natuur ligt. Binnen in de mens is een innerlijke noodzaak die de mens ertoe dwingt morele en leerstellige zaken in de vorm van verhalen en fabels te gieten, en een daarbijbehorende noodzaak deze impuls als een openbaring te zien. De mythische dichter heeft een doel voor ogen, namelijk mensen goed en wijs te maken. Hij ontwerpt met opzet de vorm van de fabel als de meest geschikte en levendige methode van presentatie. Maar tezelfdertijd wordt hij ook zelf tot deze onderwijsmethode gedwongen. Hij heeft een voorliefde voor fabel vanwege innerlijke drang. Op dezelfde manier zit het met een openbaring die aan een individu gegeven wordt. Deze persoon heeft een doel; maar tezelfdertijd leeft hijzelf in de veronderstellingen die zijn doel beogen. De mens beschouwt zijn innerlijke natuur noodgedwongen met behulp van de verbeelding; hij maakt hier noodgedwongen een representatie buiten zichzelf van. De natuur van de mens, van de menselijke soort, werkt dus met de onweerstaanbare kracht van de verbeelding. Deze menselijke natuur gezien als wet van zijn denken kristalliseert zich uit als God. Hierin ligt het positieve morele effect van openbaring.


Maar op dezelfde manier zoals de natuur 'onbewust resultaten produceert die zich voordoen alsof ze bewust geproduceerd werden', resulteert openbaring ook in morele handelingen die niet ontspringen aan de moraal in de mens. Dus morele handelingen, maar geen morele dispositie. Moraal die men gehoorzaamt, maar die niet uit het hart van de mens zelf komen. Moraal die gezien wordt als opgelegd door een externe wetgever, behorend tot de categorie willekeurige wetten en door de politie verdedigde inzettingen. Wat men dan doet is niet goed omdat het juist is, maar omdat het door God bevolen wordt. De inherente kwaliteit van de handeling doet er niet toe, waar het om gaat is dat het door God geboden wordt, want een gebod van God is goed. Zolang als deze geboden samenvallen met wat de rede en de ethiek beveelt is er geen probleem. Maar voor openbaring is dit slechts een bijkomstigheid. De rituele Joodse wetgeving was geopenbaard, goddelijk, maar op zichzelf bezien buitensporig en willekeurig. De Joden kregen zelfs een gebod om te stelen -weliswaar in ťťn speciaal geval. Het geloof in openbaring tast dus de moraalzin en het morele onderscheidingsvermogen aan, de estetiek van deugd. Het vergiftigt, nog sterker, vernietigt zelfs het goddelijke gevoel in de mens, het gevoel voor waarheid, het vermogen waarheid te ontwaren. De openbaring van God is een nauwomschreven openbaring, in een bepaalde tijdsperiode gegeven. God openbaarde zichzelf voor eens en altijd in het jaar zus en zo, en dat nŪet aan de mens van alle tijden en op alle plaatsen, aan de universele mens, aan de soort, maar aan een klein aantal uitverkoren individuen. Een openbaring op een bepaalde plaats en in een bepaalde tijd moet op schrift gesteld worden zodat haar zegeningen onverminderd voort kunnen duren. Dus voor de volgende generatie en alle tijden erna staat openbaring gelijk aan geloof in een historisch boek. Maar een noodzakelijk gevolg van een geloof in een historisch boek -onderhevig aan alle omstandigheden van tijdelijk en niet-definitieve produktie- is bijgeloof en sofisterij (aanwenden van drogreden; vindingrijk maar vals en bedrieglijk redeneren).


Geloof in een opgeschreven openbaring is alleen echt, zonder huicheling en wat dat betreft te respecteren, indien men de gehele openbaring als betekenisvol, waar, heilig en goddelijk beschouwt. Maar daar waar men een onderscheid gaat maken tussen het menselijke en het goddelijke, het betrekkelijk ware en het absoluut ware, het tijdelijk ware en het permanent ware, daar waar men dus van mening is dat het geopenbaarde niet zonder uitzondering onvoorwaardelijk waar is, daar is het ongeloof in de Bijbel als goddelijk boek al ingetreden, daar ontkent men indirekt, dwz op een slinkse, oneerlijke wijze, het goddelijk karakter van de openbaring. Eenheid, onvoorwaardelijkheid, geen uitzondering, onmiddellijke zekerheid zijn de enige predicaten die bij goddelijke openbaring horen. Een boek dat de noodzaak opwerpt tot nadere bepaling, kritiek oproept, de noodzaak het menselijke van het goddelijke te scheiden en het permanente van het tijdelijke, is niet meer goddelijk, zeker, onfeilbaar, maar gedegradeerd tot de rang van alle profane boeken. Want ieder profaan boek heeft dezelfde eigenschap, namelijk dat het het menselijke en het goddelijke uitdrukt, oftewel zowel het individuele als het universele en eeuwige bevat. Een waarlijk goddelijk boek bevat niet koren en kaf, iets voor alle tijden en iets tijdelijks, maar moet in zijn geheel eeuwig, waar en goed zijn. Wat is dat voor een openbaring waar ik eerst moet luisteren naar een apostel Paulus, dan naar Petrus, dan naar Jacobus, dan naar Johannes, dan naar MattheŁs, dan naar Marcus, dan naar Lukas, om dan eindelijk op een passage te komen waar mijn ziel, dorstig naar God, kan uitroepen: Eureka!, hier spreekt de Heilige Geest zelf!, hier is iets voor mij, voor iedereen en voor alle tijden!


Het letterlijke woord is geen onbeduidende zaak om een gedachte uit te drukken. Een bepaalde gedachte kan slechts met bepaalde woorden uitgedrukt worden. Een ander woord levert een andere gedachte op. Natuurlijk is zo'n belang hechten aan geloof in woorden bijgeloof, maar toch is alleen dit bijgeloof het ware, openlijke, onvermomde geloof dat niet bang is voor de consequenties. Indien God de haren op het hoofd van de mens geteld heeft, indien er geen musje van het dak valt zonder zijn wil, hoe zou God zijn Woord -het Woord waar de eeuwige behoudenis van afhangt- kunnen laten overlaten aan de stommiteiten en grillen van op schrift stellers. Waarom zou hij niet eerder zijn gedachten direct dicteren, en zijn gedachten direct aan hun pen opleggen om de mogelijkheid van vergissingen te vermijden? 'Maar indien de mens slechts een passief instrument van de Heilige Geest was, zou menselijke vrijheid afgeschaft zijn!', hoort men hierop zeggen. Ach, wat een zielig argument! Is de menselijke vrijheid soms van groter belang dan de goddelijke waarheid? Of betekent menselijke vrijheid slechts het verdraaien van goddelijke waarheid?


Net zoals het geloof in een bepaalde historische openbaring in nauw verband staat met bijgeloof, gaat het ook altijd gepaard met sofisterij. De Bijbel spreekt goede moraal vaak tegen, gaat tegen het verstand in, spreekt zichzelf ontelbare keren tegen. En toch moet men het voor Gods Woord, de eeuwige waarheid houden, voor waarheid dat zichzelf niet kan tegenspreken. Hoe anders kan een gelovige uit dit dilemma komen dan door zichzelf te bedriegen, door de belachelijkste uitvluchten aan te wenden, door van de meest zielige en doorzichtige drogredenen gebruik te maken? Christelijke sofisterij is het noodzakelijk gevolg van christelijk geloof, van geloof in de Bijbel dat als goddelijke openbaring wordt gezien.


Waarheid, de absolute waarheid, wordt objektief in de Bijbel gegeven en subjektief in geloof door de gelovige ervaren. Want met betrekking tot de openbaring waarin God zelf tot de mens spreekt, kan de mens niets anders doen dan zich er passief aan te onderwerpen, erin te geloven, er ontvankelijk voor zijn. Niets valt hier nog in de melk te brokkelen voor ons begripsvermogen, voor het verstand dan slechts zijn goedkeuring aan alles geven. De rede staat daarom op volkomen valse grond, op een grond die regelrecht tegen haar ware natuur indruist. Het begrip moet zich er tevreden mee stellen dat het hier geheel onverschillig staat ten opzichte van de waarheid, zich niet inlaat door zelf een oordeel te vellen over waarheid en leugen. Het mag niet onafhankelijk optreden, want wat er ook in de openbaring staat, het zal allemaal waar můeten wezen, zelfs wanneer het strijdt met de rede. Het begrip is hulpeloos overgeleverd aan het toeval van wat schandelijk empirisme het maar voorschoteld: wat ik ook maar tegenkom in de openbaring, ik zal er in moeten geloven; indien noodzakelijk zal ik mijn rede moeten aanwenden om het goed te praten. Mijn rede is de wachthond van de openbaring. Het moet alles wat de openbaring schenkt als waarheid ontvangen en onderscheid maken tussen het ťťn en het ander zou twijfel, zelfs een misdaad zijn. Bijgevolg blijft er voor de rede niets anders over dan onverschilligheid, dwz een een slappe en slome manier van denken, vol drogredenen, uitvluchten, jongleurstechnieken en zand in de ogen gooien.
Maar hoe langer de mens in de loop van de tijd van openbaring vervreemdt, in andere woorden, hoe meer de mens zich rijpt naar onafhankelijkheid, des te schreeuwender, grover de tegenstrijdigheid tussen het verstand en het geloof in openbaring wordt. de gelovige kan dan de openbaring alleen nog maar bewijzen door van de tegenstrijdigheid geheel zichzelf de schuld te geven of de waarheid met voeten te treden. Dit laatste is zo schandelijk dat men hieraan de naam zonde tegen de Heilige Geest zou moeten geven.