


-Geloven zonder
bewijs of ondanks bewijs voor het tegendeel.
-Een raadsel
oplossen door middel van het scheppen van een ander raadsel.
-Geloven dat de
wereld geregeerd wordt door toeval of grilligheid.
-Geen oog hebben
voor de relatie tussen oorzaak en gevolg.
-Geloven in
wonderen, in de kracht van vervloekingen, toverspreuken, dromen, en profetieën.
-Geloven in het
bovennatuurlijke.
De wortel van
bijgeloof ligt in gebrek aan kennis, zij wordt gebouwd op geloof en heeft als
overkoepelende gedachte ijdele hoop. Bijgeloof heeft als kinderen onwetendheid en
als moeder ellende.
In bijna ieders
gedachtenwereld is een plaats voor bijgeloof.
Een vrouw ziet
haar schort vallen tijdens het afwassen en roept uit: “dat betekent
gezelschap”.
De meeste mensen
zullen toegeven dat er geen enkele connectie is tussen het vallen van een
schort en het arriveren van gasten. Het is onmogelijk dat het vallen van het
schort afwezige mensen op een gedachte zou kunnen brengen naar deze plaats toe
te gaan om de eigenaar van het schort te bezoeken.
Een man vangt een
paar lichtstraaltjes van de nieuwe maan op wanneer hij toevallig links over
zijn schouder kijkt, en zegt: “Dat betekent ongeluk”.
Het maanlicht
bezien over je rechter of linker schouder kan op geen enkele manier de maan
beïnvloeden, noch kan het de invloed of het effect van de maan op de mens
veranderen. Er bestaat geen enkele connectie tussen het kijken over je linker
schouder en een kwade invloed van het maanlicht.
Een meisje telt
de blaadjes van een bloem: “één, hij komt, twee, hij blijft, drie, hij flirt,
vier, hij trouwt, vijf, hij laat in de steek”.
Iedereen begrijpt
dat de bloem niet groeide vanwege de toekomende liefde of een mogelijk huwelijk
van het meisje, noch bestaat er een macht die het meisje leidde tot het plukken
van deze bloem.
Toch zijn er
duizenden mensen die geloven in geluksgetallen, geluksweekdagen, voortekenen en
magische stenen.
Nog steeds zijn
er velen die bang zijn voor vrijdag de 13e. De enige reden hiervoor
is dat het vijdag de 13e is.
Je zeereis
beginnen op vrijdag de 13e kan geen enkel effect hebben op de wind,
de golfslagen, eb en vloed. De enige reden voor het denken dat vrijdag de 13e
ongeluk oplevert is het geloof erin.
Zo komt men ook
het bijgeloof tegen dat het gevaarlijk is met z’n dertienen aan tafel te
zitten. Dus met z’n 26-sten is het tweemaal zo gevaarlijk en met z’n 52-en
viermaal zo gevaarlijk?
Men zegt zelfs
dat één van de dertien zal sterven binnen het jaar. Maar, zoals iedereen weet,
er is geen relatie tussen het getal 13 en de spijsvertering van iedere
deelnemer.
Zout morsen is
zeer gevaarlijk, maar het verschilt totaal niet van azijn morsen. Waarom zout wraak
neemt en azijn vergeeft heeft nooit iemand kunnen uitleggen.
Indien de eerste
bezoeker van het theater een boze oogopslag heeft zal het publiek gering in
aantal zijn en de uitvoering slecht. Hoe het mogelijk is dat de oogopslag van
de eerste bezoeker invloed heeft op de intenties van de gehele gemeenschap, of
hoe de bedoeling van de gehele gemeenschap invloed heeft op de oogopslag van de
eerste bezoeker is nooit bevredigend uitgelegd. Voor zover we weten is er geen
mogelijke relatie.
Een opaal dragen
geeft ongeluk, maar een robijn brengt gezondheid. Hoe deze stenen de toekomst
kunnen beïnvloeden, hoe ze oorzaken kunnen frustreren of gevolgen voorkomen is
nog door niemand uitgelegd.
Er bestaan
duizenden dingen, waarschuwingen, voortekens en profetieën, die geluk of ongeluk
met zich meedragen, maar iedere redelijke, gezonde en geschoolde persoon weet dat
ze allemaal absurd en mal bijgeloof zijn.
Laten we een stap
verder gaan:
Vele eeuwen lang
geloofde men dat zons- of maansverduisteringen de voortekenen van epidemiën of
hongersnood waren. Dat kometen de geboorte of dood van koningen aankondigden,
of de vernietiging van volken, de komst van oorlog of een plaag. Alle tekenen
aan de hemel –het noorderlicht, aura’s om de maan, een bijzon, een vallende
ster- waren de oorzaak voor angst zelfs
in onze meest intelligente voorouders. Ze vielen meteen op hun knieën,
deden hun best met onophoudelijk gebed en offers, om het komende oordeel af te
wenden. Hun gezichten waren asgrijs van angst terwijl men de hemel om hulp
vroeg. De geestelijken, die net zo vertrouwd waren met God als de orthodoxen
het tegenwoordig zijn, waren tot in details bekend met de zonsverduistering, de
bijzon en het noorderlicht. Ze wisten dat Gods geduld bijna ten einde liep, dat
Hij bezig was met het scherpen van zijn zwaard van toorn, en dat de mensen zich
slechts zouden kunnen redden indien ze stipt de priesters gehoorzaamden, hun
kralen weer zouden tellen en hun giften aan de kerk verdubbelden.
Aardbevingen en
stormvloeden waren altijd een zegen voor de geldkisten van de kerk. Temidden
van katastrofes ging zelfs de hand van de vrek bevend open. Bij een zons- of
maanverduistering verdeelden dieven en rovers hun buit heel braaf met God.
Wanneer arme, eerlijke en onwetende meisjes zich opeens herinnerden een gebed
te hebben vergeten op te zeggen, gaven ze meteen hun spaargeld ten behoeve van
het verzachten van het hart van God om het goed te maken.
Tegenwoordig
weten we natuurlijk dat al deze wonderen en tekenen in de hemelen niets te
maken hebben met het lot van koningen, volken of individuen. Ze hebben net zo
weinig met ons mensen te maken als ze te maken hebben met mierenkolonies,
bijennesten of insekteneieren. We weten tegenwoordig dat al deze dingen net zo
zouden gebeuren indien er geen enkele mens zou zijn om ze gade te slaan. We
kunnen zelfs de tijd van deze gebeurtenissen vaak precies uitrekenen.
Nog niet lang
geleden geloofde men algemeen in de genezende werking van dode voorwerpen,
zoals beenderen van heiligen, vieze vodden die nog viezere heiligen ooit eens
gedragen hadden, het haar van martelaars, stukjes hout van het enige ware
kruis, zelfs tanden en stukjes nagel van vrome mensen.
Zieken konden
genezing krijgen door een kist te kussen waarin zich beenderen, vodden, heilig
hout of haar bevond, natuurlijk met de kanttekening dat de kus alleen werkte
wanneer er tevens een gift aan de kerk werd gedaan.
Op een
mysterieuze manier werd de deugd die zich in de vodden, beenderen, houtstukjes
enz bevond overgeheveld naar de zieke
die het noodzakelijke geloof bezat. In de naam van God werd de duivel, die de
eigenlijke oorzaak van ziekte was, op de vlucht gedreven.
Dit geloof in de
helende werking van heilige voorwerpen kwam voort uit een ander geloof, het
geloof dat alle ziekten veroorzaakt worden door boze geesten. De gestoorden
waren natuurlijk zonder meer bezeten. Epileptie en hysterie werden ook
veroorzaakt door kornuiten van Satan. Om kort te zijn, iedere ziekte kon
uitgelegd worden als het werk van de god van de hel. Dit werd bijna universeel
als waarheid aangenomen. Zelfs in onze tijd zijn er nog miljoenen die in de
kracht van heilige beenderen geloven.
Maar vandaag de
dag gelooft niemand met enige intelligentie nog in het bestaan van demonen,
niemand zal demonen als oorzaak van ziekten beschouwen, en niemand van
intelligentie zal medische hulp zoeken bij heilige beenderen, vodden, haren,
houtstukjes.
Dit geloof in
amuletten, toverformules, in geesten en demonen, is bijgeloof in zijn meest
simpele en pure vorm. Onze voorouders beschouwden deze dingen niet als
medicijnen met geneeskracht, maar men leefde in het geloof dat demonen
doodsbang zouden zijn voor heilige voorwerpen. Demonen vlogen op de vlucht voor
de botten van een heilige, voor stukjes hout van het kruis van Jezus. Wanneer
iemand dus besprenkeld werd met heilig water, vlogen de demonen meteen op de
vlucht en verlieten ze onverwijld het huis. De demonen waren ook als de dood
voor klokken, voor het licht van heilige kaarsen, en bovenal voor het zien van
het kruis.
In die tijd
visten de priesters geld en gebruikten ze deze relekwiën als lokaas.
We gaan nog een
stap verder:
Het geloof in de
duivel en boze geesten had als gevolg een ander geloof: tovenarij.
Men dacht dat de
duivel in het bezit was van bepaalde kracht die hij kon geven in ruil voor
iemands ziel. Zo kon de oude man zijn jeugd weer terugkrijgen, indien hij maar
bereid was een verklaring te tekenen waarin hij zijn ziel aan de duivel
verkocht. Zo kon de boosdoener wraaknemen door een betovering te veroorzaken op
een ander. De arme kon zo rijk worden en de eerzuchtige opklimmen tot een hoge
positie. Degenen die de verleidingen van de duivel konden weerstaan zouden hun
beloning in de hemel krijgen, maar de duivel had altijd beloningen in dit
leven.
Niemand zal de
kwellingen onder woorden kunnen brengen die het gevolg waren van dit geloof in
tovenarij. Denk je in al die gezinnen die kapot gingen, waarvan de vader of
moeder in de gevangenis terechtkwam, gemarteld werd, of de brandstapel opging vanwege vermeende
samenwerking met de duivel.
Kinderen, ouden van dagen, armen en hulpelozen, niets werd ontzien, alles kon
geradbraakt worden of gevild.
Denk je eens in,
die tijd dat bijgeloof en angst in ieder huis aanwezig was, in ieders
gedachten. Een tijd waar aanklacht al veroordeling betekende, waar je
uitspreken als zijnde onschuldig als bewijs van schuldigheid werd gezien, een
tijd waarin het christendom krankzinnig was.
We weten nu dat
al deze verschrikkingen het gevolg waren van bijgeloof. We weten nu dat onwetendheid
de bron van al deze kwellingen was. We weten nu dat heksen nooit bestaan
hebben, dat er nooit ook maar iemand is geweest die heeft geonderhandeld met
een duivel, dat onze vrome voorvaderen het bij het verkeerde eind hadden.
Laten we weer een
stap verder gaan:
Onze voorvaderen
geloofden in wonderen, in tekenen, mirakels, zons- en maansverduisteringen,
kometen, heilige beenderen, en de machten en krachten van boze geesten. Dit
alles behoorde tot de wereld van het bovennatuurlijke. De wereld werd gezien
als vol van magie. Overal kon je de handelingen van deze geesten opmerken. Er
bestonden geen natuurlijke oorzaken. Een demon hoefde er maar zin in te hebben, en het
gebeurde. Iemand die zijn ziel aan de duivel had verkocht hoefde maar een paar
vreemde woorden uit te spreken, een paar bewegingen te maken, en het gebeurde
al. Men geloofde NIET in natuurlijke oorzaken. Waanideeën en illusies, het
monsterlijke en het wonderlijke, waren de heersers op aarde. De grond van het
bestaan, de menselijke rede, was verdwenen. Goedgelovigheid gaf vleugels aan
onzin en leugens, terwijl tezelfdertijd de domme en strompelende feiten
genegeerd werden of onopgemerkt bleven.
Een handeling
uitgevoerd door een meester over de natuur zonder de natuurwetten in ogenschouw
te nemen.
Indien iemand een
perfecte cirkel zou kunnen maken, waarvan de doorsnede exact de helft van de
omtrek is, dan zouden we een wonder in de meetkunde hebben. Indien we uit twee
maal vier negen zouden kunnen maken, zouden we een wonder in wiskunde hebben.
Indien iemand een steen zo zou kunnen laten vallen dat hij de eerste seconde
een paar meter valt, de tweede seconde tien meter en tijdens de derde seconde
vijf meter, dan zouden we een natuurkundig wonder hebben. Indien iemand
waterstof, zuurstof en stikstof in puur goud zou kunnen veranderen, zouden we een
chemisch wonder hebben. Indien een dominee zijn dogma’s zou bewijzen zouden we
een theologisch wonder hebben. Een vierkantige driehoek maken zou een zeer
groot wonder zijn. Indien een spiegel de gezichten zou laten zien van iemand
die erachter staat, zou het een echt wonder zijn. Een echo die eens een
antwoord op een vraag geeft, dat zou nog eens een wonder zijn! In andere
woorden, iets doen dat met de natuurwetten in strijd is, is een wonder
uitvoeren.
Tegenwoordig gaat
iedereen uit van de uniformiteit van de natuur. We geloven dat alles zich
gedraagt volgens de natuurwetten waaraan het ondergeschikt is, dat onder
dezelfde omstandigheden dezelfde resultaten verkregen worden, dat soortgelijk
altijd soortgelijk oplevert en opgeleverd heeft. Gebeurtenissen hebben
natuurlijke ouders en sterven nooit kinderloos.
Wonderen zijn
eenvoudigweg niet mogelijk. Wonderen zijn ondenkbaar voor ieder denkend mens.
Wonderen bestaan
slechts daar waar onontwikkeldheid heerst.
We gaan weer een
stap verder:
Terwijl onze voorouders
de duisternis met boze geesten -de vijanden van de mensheid- opvulden,
geloofden ze ook in het bestaan van goede geesten. De goede geesten stonden in
dezelfde relatie tot God als de demonen tot de Satan. De goede geesten
beschermden de getrouwen tegen de verleidingen en valkuilen van de Boze. Ze
leidden alles in goede banen voor hen die een amulet droegen of de juiste
toverformules wisten uit te spreken, of de juiste gebeden met het juiste aantal
herhalingen opzegden of de rozenkrans wisten te gebruiken, of voor hen die
vastten en de juiste ceremoniën in acht namen. Deze goede geesten waren in
staat zwaard en pijl hun doel te laten missen, ze maakten bovendien gif
onschadelijk en beschermden de goedgelovigen tegen het kwaad; ze verdedigden en
redden de oprechte gelovige op duizend verschillende manieren. Ze wisten de
twijfel in het hart van de vrome te overwinnen, zaaiden voortdurend het zaad
van goedgelovigheid en het juiste geloof, en bewaarden de heiligen vooral voor
de verlokkingen van de vrouw. Ze stelden diegenen die vastten en gebeden
opzegden een hemel in het vooruitzicht en maakten het mogelijk dat de goeden
zonder hun gezonde rede konden leven en men de duivel hartgrondig kon haten.
Engelen hielden de wacht over kinderen die gedoopt waren en over personen die
een heilige eed gedaan hadden, over priesters en nonnen en over rondtrekkende
gelovige bedelaars.
De geesten waren
er in allerlei soorten. Sommigen waren eens man of vrouw geweest, sommigen
hadden nooit dit aardse leven geleefd, en sommigen waren al engelen vanaf het
begin van de schepping. Niemand stelde zich voor precies te weten wat ze nu
eigenlijk waren of hoe ze er nu precies
uitzagen of op welke manier ze zich van plaats tot plaats bewogen of via welk
mechanisme ze nu eigenlijk de geest van de mens beheersten of er invloed op
uitoefenden.
Men geloofde dat
de koning van al de boze geesten de Duivel was en de koning van alle goede
geesten God. Men geloofde ook dat God in feite de koning van allen was en dat
de Duivel zelf één van Gods kinderen was. Deze God en deze Duivel waren in
constante oorlog met elkaar, ze probeerden allebei de ziel van de mens voor zich
te winnen. God gaf aan de ene kant als beloning eeuwig geluk en aan de andere
kant dreigde Hij met eeuwige pijn. De Duivel echter had allerlei lokaas in zijn
vallen die met dit leven te maken hadden, met het vervullen van allerlei
behoeften van onze zintuigen, bovenal met seksuele opwinding. De Duivel
lachtte om het hemels geluk en de verschrikkingen van de hel. Op slinkse wijze
zaaide hij het zaad van twijfel en spoorde hij mensen aan tot onderzoek, tot
redeneren, tot vragen om bewijs, tot vertrouwen op zichzelf. Hij deed in mensen
vrijheidsdrang ontkiemen en hielp mensen hun ketens te verbreken en hun
innerlijke gevangenissen te ontsnappen en zette ze aan tot denken. Op deze
manier wist hij vele mensenkinderen te verderven en te verknoeien.
Onze voorvaderen
geloofden dat de hulp van God en goede geesten kon worden ingeroepen met behulp
van bidden, offeren, vasten en het uitvoeren van rituelen. Ze waren niet erg
logisch. Ze geloofden niet dat al het kwaad van de Duivel afkomstig was.
Ze geloofden dat het soms God
was die stormvloeden, hongersnoden, epidemiën, aardbevingen en oorlog zond, als
straf voor ongeloof. Ze vielen in die gevallen op hun knieën en smeekten God om
zijn hart te verzachten. Ze vernederden zichzelf, biechtten hun zonden op, en
vulden de hemel tot aan de nok vol met beloftes en smeken. Ze kusten relikwiën,
bezochten heilige plaatsen, schakelden de hulp in van de Maagd Maria en alle
heiligen, maar alle gebeden stierven in de harteloze lucht en de epidemie hield
aan totdat het zijn natuurlijke dood stierf. Onze arme voorvaderen hadden geen
idee van wetenschap. Alle energie werd gestoken in het ontmaskeren van geesten
die achter iedere gebeurtenis stonden. Goede en kwade geesten, engelen en
demonen. Niets had voor hen een, wat wij noemen, natuurlijke oorzaak. Alles
werd veroorzaakt door bovennatuurlijke machten die konden vernietigen,
straffen, misleiden en mensenkinderen verloren konden doen gaan. Deze wereld
was een strijdtoneel, waarboven een oorlog gevoerd werd tussen de machten van
hemel en hel.
Tegenwoordig
gelooft niemand die met rede begiftigd is en met onderzoek, logisch denken en
met het op waarde schatten van bewijsmateriaal vertrouwd is, nog in
geluksdagen, -getallen en bovennatuurlijke tekenen. Hij weet dat het niet
uitmaakt of het donderdag of vrijdag is. Hij weet dat het niet uitmaakt of je
nu een robijn of opaal draagt, dat de huwelijksaanzoeken van een jonge vrouw
niet talrijker worden naar gelang men meer of minder blaadjes van een bloem kan
trekken. Niemand zal zich bezighouden met de aanblik van de eerste
toneelbezoeker. Men weet dat je eigen familie totaal niet gestraft zal worden
vanwege het feit dat je weigert een dakloze kat onderdak te verschaffen. Men
weet ook dat een uil bij volle maan niet krast om het overlijden van een
hooggeplaatst persoon aan te kondigen. Men weet dat kometen komen en gaan,
zelfs als er geen mens meer zou bestaan. Precies zo zouden de aardbevingen
doorgaan, de stormvloeden van tijd tot tijd de aarde teisteren, de vallende
sterren de aarde voorbijgaan, en de bloemen precies met evenveel blaadjes
blijven geuren.
Een modern
ontwikkeld mens gelooft niet in het bestaan van de Duivel. Hij is ervan
overtuigd dat kwelgeesten, kabouters, elven, demonen en boze geesten slechts
bestaan in de fantasiën van onwetende en angstige mensen. Hij weet hoe deze
kwaadaardige mythen zijn ontstaan. Hij weet welke rol ze gespeeld hebben in alle
religies. Hij weet dat dit geloof in duivels vele eeuwen bijkans algemeen was.
Hij weet dat de priester net zo overtuigd was als de boer. In vroegere tijden
waren de meest ontwikkelden en de meest onwetenden evenzeer de dupe van geloof
in demonen. Koningen en hovelingen, dames en clowns, soldaten en kunstenaars,
slaven en veroordeelden, ze geloofden allemaal net zo heilig in de Duivel als
in God.
Achter al deze
opvattingen staat geen enkel bewijs en heeft er nooit een bewijs voor gestaan.
Al deze overtuigingen berustten op geen enkel feit. Ze werd in stand gehouden
door foutieve inzichten, overdrijvingen en leugens. De foutieve inzichten waren
ongewild, de overdrijvingen waren veelal onbewust, de leugens waren veelal
oprecht. Achter al deze foute inzichten, overdrijvingen en leugens stond de
liefde voor het wonder. Het wonder werd altijd gretig beluisterd, met wijdopen
ogen en met open mond.
Een ontwikkeld
modern mens weet over de ontwikkeling van dit geloof. Hij weet dat de waarheid
van al deze opvattingen gebaseerd werd op uitspraken in de Heilige Schrift. Hij
weet dat het Oude Testament al spreekt over de duivel en boze geesten, en het
Nieuwe nog meer. Hij weet dat Christus zelf geloofde in de Duivel, in boze
geesten. Het was zelfs zijn hoofdbezigheid om duivels uit mannen en vrouwen te
werpen. Hij weet ook hoe Christus niet alleen door de Duivel verleid werd, maar
zelfs naar het dak van de tempel werd vervoerd door deze Satanische Hoogheid.
Indien het Nieuwe Testament het geïnspireerde woord van God is, zal ik dus
moeten toegeven dat al die duivels, kwelgeesten werkelijk bestaan en dat ze
bezit kunnen nemen van het menselijk innerlijk.
Maar indien we
demonen en de duivel ontkennen, ontkennen we bijgevolg ook de waarheid van het
Nieuwe Testament. Indien duivels niet bestaan, ze geen ziekten veroorzaken,
mensen niet verleiden en misleiden, dan was Christus een onwetend, bijgelovig
persoon of geeft het Nieuwe Testament een valse voorstelling van wat hij zei of
beoogde te doen. Indien we de duivel en demonen opgeven, dan moeten we ook de
inspiratie van de bijbel opgeven. Dan moeten we de goddelijkheid van Christus
opgeven. In andere woorden niet geloven in duivels en demonen staat gelijk aan
het wegnemen van het fundament waarop het christelijk geloof gebouwd is. Men
kan niet halfslachtig aan de bijbel blijven hangen. Er is geen tussenweg tussen
waarheid en onwaarheid.
De bijbel leert
ons dat de komst van de Duivel in de hof van Eden de komst van Christus tot een
noodzakelijkheid maakte. Via het succes van de Duivel ontstond de noodzaak tot
verzoening, de kruisiging van een onschuldig persoon, en het ontstaan van de
Drie-eenheid.
Indien de Duivel
niet bestaat, dan valt het gehele christelijke bouwwerk ineen. De gehele
bovenbouw, in lange eeuwen moeizaam opgebouwd via kerkvaders, priesters,
pausen, theologen, bestaande uit foutieve leringen, valse voorstellingen,
mirakels, tekenen, bloed en vuur, met leugens en legendes geleend uit barbaarse
tijden, dit alles vervalt tot een vormeloze puinhoop.
Indien we geloof
in duivels en demonen opgeven moeten we toegeven dat er nooit heksen bestaan
hebben. Het was slechts een waandenkbeeld. Duizenden werden gemarteld en ter
dood veroordeeld vanwege schuld aan een onmogelijke misdaad. Alle boeken waarin
over heksen en tovenaars werd onderwezen waren geschreven door volledig
onkundige en bijgelovige mensen. Het Oude Testament dat ons laat weten dat
zelfs God in tovenarij gelooft en zijn volk de opdracht gaf heksen niet in
leven te laten, laat zelfs in deze ene zin al zien dat Jahweh niet alleen geen
God is, maar zelfs behoorde tot dezelfde groep niets wetende, arme,
bijgelovige barbaren. Het Oude Testament is zonder enige twijfel geschreven
door primitieve mensen.
John Wesley had
volkomen gelijk toen hij eens uitsprak dat te beweren dat tovenarij niet bestaat hetzelfde
is als het christendom de rug toe te keren.
Want wat doe je
met Job als je de Duivel eruit gooit? Hoe verklaar je dat God een leugengeest
stuurt naar Achab? Indien hekserij maar bijgeloof is, hoe legt een dominee het
verhaal uit over de heks van Endor?
Het zou echt
heerlijk zijn als engelen voortdurend boven ons zweefden om ons onschuldigen te
beschermen. Heerlijk als ze zich maar voortdurend zouden buigen over
kinderwagens, en kleur en gezondheid aan kleine kinderen zouden geven. Heerlijk
als ze hun licht zouden geven in klamme, donkere kerkers en de gevangenen hoop
zouden schenken. Geweldig indien ze de gevallenen, de op het verkeerde pad
verdwaalden, de verschoppelingen, de eenzamen, allemaal zouden bijstaan met
deugd en vervullen met liefde en blijdschap. Maar helaas is er al even weinig
bewijs voor goede geesten als voor kwade geesten. De engelen die bij Abraham en
de moeder van Simson op bezoek kwamen waren net zo fictief als de engelen,
geesten en elven van de middeleeuwen. De engel die de ezel van Bileam deed
stoppen, de engel die in het vuur liep met Mesech, Sadrach en Abednego, de
engel die het hele leger van de Assyriërs versloeg en de engel die Jozef over
het kind van Maria uitleg gaf zijn allemaal voortgesproten uit de verbeelding
van goedgelovigen, de aanbidders van het wonder. Deze schitterende gevleugelde wezens te zien is
slechts mogelijk voor de persoon die volkomen blind voor de feiten is.
Slechts de persoon die graag tot conclusies komt zonder enige
vorm van bewijs, zal in hun bestaan geloven. Er gaat een verhaal rond over de
kunstenaar Angelo, die in een kerkschildering een stel engelen met sandalen
schilderde. Een kardinaal die de schildering bestudeerde riep uit: “Wie heeft
er nu ooit engelen met sandalen aan gezien?!” Het antwoord van Angelo hierop
was: “En wie heeft er nu ooit een blootsvoette engel gezien?”
Het bestaan van
engelen is nooit vastgesteld. Natuurlijk, we weten dat miljoenen en nog eens
miljoenen in cherubim en seraphim hebben geloofd. Men weet dat Gabriël ruzie
maakte met de Duivel over het lichaam van Mozes. Dat engelen de monden van
leeuwen sloten ten gunste van Daniël, dat engelen dienst deden aan Jezus in de
woestijn, en dat tenslotte duizenden engelen Christus zullen vergezellen
wanneer Hij naar deze wereld terugkomt. En we weten ook dat miljoenen deze
dingen zo stellig weten omdat ze slechts in het bezit zijn van blind geloof,
geloof dat de rede, bewijzen en feiten veracht.
Maar het is
afgelopen met de engelendienst. Ze leggen geen zalf meer op het gewonde hart.
Ze verdwenen al lang geleden. Ze beschermen geen enkel onschuldig mens meer, ze
fluisteren geen enkel woord meer in het oor van de hulpeloze. Ze zijn allen
veranderd in illusies, dromen, verdwenen visioenen.
In de goeie oude
religieuze tijd was de aarde plat. Precies erboven hing het huis van God, en
eronder de woning van de Duivel. God dus op de bovenste verdieping, de Duivel
in de kelder en de mens er precies tussenin. In die tijd wist men precies waar
de hemel was. Men kon de halleluja’s en harpen bijna horen. Men hoorde ook
bijna het kermen van de goddelozen en rook de geur van het zwavelvuur dat uit
de afgrond opsteeg. Vulkanen werden beschouwd als de schoorstenen van de hel.
Men was vertrouwd met het Nieuwe Jeruzalem, met gouden straten en poorten van
parels. In die tijd verbaasde niemand zich over de opname van Henoch naar de
hemel. Niemand verbaasde zich erover dat de Zonen van God voor de zondvloed vanuit de hemel
konden zien hoe mooi de aardse jonge vrouwen waren en zo
even een bezoekje aan de aarde konden brengen om gemeenschap met ze hebben. En
de theologen geloofden er echt in dat de bouwers van de toren van Babel tot aan
de hemel zouden zijn aangekomen, indien God ze maar hun gang had laten gaan.
In die gezegende
tijden wisten de priesters alles van hemel en hel. Ze wisten dat God de wereld
regeerde met behulp van hoop en angst, met beloften en dreigementen, met
beloningen en met straf. De beloning zou eeuwig zijn evenals de straf. Men wist
heel precies dat het niet Gods bedoeling was om de menselijke geest te ontwikkelen,
zodat de mens besef van goed en kwaad zou krijgen en daarmee het goede zou
begrijpen en en kwade zou mijden. De priester onderwees slechts het blind
blijven, het volkomen gehoorzaam zijn. In ruil daarvoor bood hij eeuwige
blijdschap aan. Hij was het meest in zijn schik met onderdanigheid, met op hun
knieën vallers en met kruipers in het stof.
Hij had een gruwelijke hekel aan twijfelaars, aan onderzoekers, aan
denkers en filosofen. Voor zulke lieden was een eeuwige gevangenis in petto. Op
die manier kon hij de eeuwige honger van zijn haat stillen. De priester hield
van de goedgelovigen, van de mensen die alles zonder moeite slikten en nooit
vragen stelden. Voor zulke mensen had hij als geschenk een huis in puur licht.
De telescopen
hebben natuurlijk een eind gemaakt aan deze oude hemel. De ronde aarde heeft
een eind gemaakt aan de hel eronder. Deze theologische landen hebben opgehouden
te bestaan. Niemand weet meer waar de hemel is en niemand denkt het ooit nog te
kunnen vinden. Tegenwoordig zullen de theologen u vertellen dat hemel en hel
geen plaatsen zijn, maar een ‘state-of-mind’.
Op dezelfde manier heeft men ook het geloof in een persoonlijke God
opgegeven. Men spreekt over God nu als ‘the Unknown’, ‘de Oneindige Energie’.
Jahweh staat inmiddels naast Jupiter in de kast van de poppen waar we mee
uitgespeeld zijn.
De moderne mens
heeft geen aandacht meer voor tekenen en wonderen en geeft niet meer om
amuletten en geluksstenen. Een modern mens gelooft niet dat er ook maar één
gebed in de geschiedenis van de mensheid beantwoord is geweest. Hij denkt dat
alle bloedoffers totaal voor niets zijn geweest en dat wierrook voor nop de
lucht is ingegaan. Hij gelooft niet dat de aarde geschapen is voor de mens.
Walvissen zijn niet geschapen om de eskimo’s te voorzien van vet. Vuur is niet
geschapen om ’s nachts van motten af te komen of om ons warm te houden.
Het leven is een
wirwar van opbouwen en afbreken, vernietigen en beschermen. Overal is een eb en
vloed. Dood en nieuw leven. Het alles is een groots schouwspel waarin de
spelers opkomen en van de planken afgaan, zonder enige oefening vooraf, zonder
hun rol te weten, zonder weet te hebben van doel en opzet. Het decor verandert,
raadsels overal. We proberen het te begrijpen, maar de uitleg heeft weer een nieuw
raadsel tot gevolg. We openen een deur en staan weer voor een volgende dichte
deur. Alle dingen zijn een wonder. Een druppel water is een wonder, de zee is
een wonder, een zandkorreltje is een wonder en de gehele aardbol is een wonder.
Een vlinder met beschilderde vleugels, een ei dat uitkomt met behulp van warmte,
en uitgroeit tot iets met zenuwen, spieren, botten, instinct, passies,
gedachten, behoeften; de oneindige sterrenmassa’s in een oneindig heelal.
De wijsheid van de wereld kan geen enkel grassprietje uitleggen. En toch denken theologen, pausen, priesters, dominees, terwijl ze sprakeloos zijn bij het aanschouwen van al deze wonderen, alles te weten over het ontstaan van werelden, wanneer het begin ooit was, wanneer het eind zal komen. Alles weten ze over de God die dit geschapen heeft, alles over Zijn plan, zijn bedoeling, hoe Hij werkt, en wat Hij beoogt. Theologen weten alles, behalve de dingen die de mens met zijn zintuigen heeft ontdekt.
Een eerlijk mens zegt niet dingen te weten, hij is eerlijk en oprecht. Hij blijft liever in een staat van niet-weten dan dat hij geloof schenkt aan horen zeggen. Hij zegt eenvoudig: “Ik weet het niet”.
Waarom zouden wij
per slot van rekening onze onwetendheid aanbidden? Waarom zouden wij ons buigen
voor een mysterie?
Stel je voor dat
we weten dat God bestaat. Hoe weten we of Hij goed of kwaad is? Hoe weten we of
Hij in ons geïnteresseerd is? Hoe weten wij of Hij voor ons zorgt? Christenen
zeggen dat God van alle eeuwigheid is, zonder begin en zonder eind, wijs en
goed. Zou deze God het hebben kunnen vermijden God te zijn? Zou Hij het hebben
kunnen vermijden goed te zijn? Was Hij dus God, wijs en goed, zonder
dat dit iets met wil of wens te maken zou hebben? God was dus niet
geproduceerd. Wat Hij is, was Hij van alle eeuwigheid en zal Hij altijd zijn.
Onveranderd, onveranderbaar. Hij maakt dus nooit vooruitgang, verandering door. Ik
vraag dan ook: Waarom zouden wij Hem moeten prijzen? Hij kan niet anders zijn
dan Hij is en was. Waarom zouden we Hem moeten aanbidden? Hij kan nooit
veranderen. En tezelfdertijd smeken christenen hun God om vergeving.
Het allerergste
wat van de Duivel verteld wordt is dat hij mensen ‘in verzoeking leidt’. En
tezelfdertijd leert Jezus ons een gebed waarin hij God beledigt door Hem te
vragen zich niet te gedragen als de Duivel: ‘Leidt ons niet in verzoeking’.
Waaraan heeft God ons
prijzen verdiend? Hij is die Hij is. Hij heeft nooit iets geleerd, Hij heeft
zichzelf nooit hoeven verloochenen, Hij is nooit door iets of iemand in
verzoeking gebracht, heeft nooit last gehad van angst, heeft nooit hoop nodig
gehad en heeft geen behoeften. Waarom zou Hij prijs stellen op ons loven?
Kan iemand laten
zien dat Hij gebeden hoort of beantwoordt? Kan men aantonen dat Hij deze aarde
regeert? Dat Hij zich in de zaken van mensen mengt? Kan dit worden opgemerkt
uit de geschiedenis van de mensheid? Indien God de wereld bestuurt, waarom
zouden we Hem moeten bedanken voor het goede maar Hem niet mogen beschuldigen
van het kwade? Indien God de aarde bestuurt dan is goed goed en kwaad ook goed.
Indien God de aarde bestuurt dan mogen we geen onderscheid maken tussen zijn
handelingen; al Gods handelingen zijn oneindig wijs en goed. Indien we Hem
danken voor de oogst, laten we Hem dan ook danken voor de droogte en hongersnood.
Slechts een paar
dagen geleden sprak de President dank voor God uit voor de overwinning in
Santiago. Hij vergat God te danken voor het uitbreken van de gele koorts. Hij
was niet erg consequent.
In werkelijkheid
liggen zowel goede als kwade geesten, goden zowel als duivels, buiten ons
gezichtsveld, buiten onze ervaringen, buiten de grenzen van ons
bevattingsvermogen. Onze taak is slechts te denken, onze zintuigen te
gebruiken. Dit niet te doen maakt ons kleiner dan we zijn, het maakt ons tot
een verrader van onszelf. De mens die bang is om zijn rede te gebruiken is een
slaaf van bijgeloof.
Wat geeft het als
mensen bijgelovig zijn? Wat doet het ertoe in fabels te geloven?
Door in tekenen,
wonderen, amuletten, toverspreuken, goden en duivels, hemelen en hellen te
geloven, maakt men van het innerlijk van de mens een ziekenhuis, maakt men van
de wereld een gekkenhuis. Het ontneemt ons zekerheden, maakt ervaring
belachelijk, vernietigt de wet van oorzaak en gevolg. Het maakt van de mens een
slaaf. Met bijgeloof zullen we nooit licht op ons levenspad hebben.
Onze energie zal
verspild worden in een nutteloze poging het bovennatuurlijke maar aan onze
zijde te verkrijgen. In plaats van werk, onderzoek en ervaring zullen we onze tijd
verdoen met liturgie, erediensten, offeren, bidden, prevelen van verzen.
Vooruitgang wordt onmogelijk.
Bijgeloof schiep alle goden, engelen, duivels en
demonen. Bijgeloof schiep heksen, kabouters, elven. Bijgeloof gaf ons auguren,
shamanen, waarzeggers, profeten. Bijgeloof
gaf ons angst. Bijgeloof schreef de geschiedenis van de mensheid in
leugentaal. Bijgeloof gaf ons pausen, kardinalen, bisschoppen en priesters,
monniken, nonnen, bedelmonniken en ongewassen heiligen. Bijgeloof gaf ons alle
charismatische predikers, alle ‘uitverkorenen’ en ‘begenadigden’. Vanwege
bijgeloof knielden mensen voor beelden, voor dieren, voor stenen. Vanwege
bijgeloof offerden we kinderen, gooiden we babies in vlammen. Vanwege bijgeloof
besteedden we al onze aandacht aan kathedralen, moskeeën, vol met heilige
beenderen en heilige stenen, heilige beelden, heilige reuk. Vanwege bijgeloof
martelden we mensen, brak ons angstzweet uit, werden we waanzinnig. Vanwege
bijgeloof konden we uitspraken van krankzinnige mensen niet onderscheiden van geïnspireerde
wijsheid. Vanwege bijgeloof was het verboden in vrijheid te leven, werd
menselijke liefde vuil en vies gemaakt, leerde men dat monniken beter waren dan
vaders, dat nonnen heiliger waren dan moeders, dat geloof beter is als feit,
dat twijfel naar de hel leidt, dat vragen om bewijs het beledigen van God is.
Bijgeloof is, was en zal altijd zijn, de vijand van vooruitgang, de vijand van
educatie en de moordenaar van vrijheid van gedachten. Bijgeloof offert deze
wereld op voor een waanwereld, deze wereld voor een toekomende, de werkelijke
wereld voor een wereld van schaduwen. Bijgeloof geeft ons slechts een
hemel voor zelfgenoegzaamheid en een hel voor gevoelens van eeuwige wraak.
Het heeft de wereld volgestouwd
met haat, met valse bescheidenheid en arrogante nederigheid. Bijgeloof is de
enige vijand van de wetenschap.
Hele volken zijn
door dit monster kapot gegaan.
Zij die in God,
een macht boven het natuurlijke, geloven, hebben wat ze noemen ‘geïnspireerde
boeken’. Die boeken bevatten de absolute waarheid. Daar móet in geloofd worden.
Zij die dat niet doen zullen later worden gestraft met eeuwige pijn. Deze
boeken doen geen beroep op ’s mensen verstand. Ze staan zogenaamd boven het
menselijke verstand. In die boeken wordt geen rekening gehouden met wat men
noemt ‘feiten’. Alle feiten die niet in overeenstemming zijn met die boeken
zijn eenvoudigweg vergissingen. De boeken staan volkomen los van menselijke
ervaring en menselijke rede.
Het boek waar
onze cultuur mee bekend is noemen we de ‘Bijbel’. Iemand die dit geïnspireerde
boek leest en op zoek gaat naar tegenspraak, fouten en later ingevoegde
teksten, brengt zijn verlossing in gevaar. Terwijl hij leest mag hij niet
denken en redeneren. Slechts geloven is zijn enige plicht.
Miljoenen mensen
hebben hun leven verspild door onophoudelijk dit boek te bestuderen. Door
voortdurend te proberen alle tegenspraak in harmonie om te zetten en om uitleg
te geven aan duistere en ogenschijnlijk absurde zaken. Om tot harmonisatie te komen
heeft men alle middelen aangewend, elke misdaad en elke wreedheid. De zotste
uitspraken van de bijbel zijn tot diepzinnige wijsheid uitgeroepen. Honderden
verschillende geloofsbelijdenissen zijn geconstrueerd uit deze geïnspireerde teksten.
Waarschijnlijk zijn er geen twee lezers op aarde te vinden die het in alle
opzichten met elkaar eens zijn over de betekenis van alle passages. Duizenden
hebben Grieks en Hebreeuws gestudeerd opdat ze de teksten in het origineel
konden lezen. Hoe meer ze studeerden, des te meer ze met elkaar van mening
verschilden. Uit hetzelfde boek kwam de één tot de conclusie dat allen behouden
worden, en de ander dat bijna iedereen verloren zal gaan; de één dat slavernij
een goddelijke instelling is en de ander dat alle mensen het goddelijke recht
hebben op vrijheid; de één dat polygamie door God goedgekeurd is en de ander
dat iedereen slechts één vrouw behoort te hebben; de één dat de overheid door
God aangesteld is en de ander dat mensen het recht tot verzet en opstand tegen
het gezag hebben; de één dat de mens voorbeschikt is tot hemel of hel en de ander
dat de mens een vrije wil heeft om te kiezen; de één dat alle heidenen de hel
in zullen gaan en de ander dat alle heidenen behouden zullen worden; de één
gelooft dat men gedoopt dient te worden door onderdompeling en de ander dat men
gedoopt dient te worden door besprenkeling; de één dat zonder de doop geen
behoudenis mogelijk is en de ander dat de doop er eigenlijk niet toe doet; de
één dat men in de Drie-eenheid moet geloven en de ander dat de Drie-eenheid
niet bestaat; de één dat een arme Hebreeër God op aarde was en ook dat hij half
mens was en de ander dat hij geen God was maar helemaal mens. De gelovigen
leren dat hij afstamde van David via Jozef, en ook dat Jozef zijn vader weer
niet was; dat men dient te geloven in de Heilige Geest als persoon en dat het
slechts een kracht is; dat de sabbat onderhouden moet worden en dat hij
afgeschaft is; dat Christus de kerk stichtte en dat hij er niets mee te maken
had; dat Christus zal wederkomen om zijn koninkrijk op te richten en dat hij
niet terugkomt maar het koninkrijk er nu al is; dat Christus na zijn kruisiging
ter helle nederdaalde om aan de geesten daar het evangelie te verkondigen en
dat zoiets nooit heeft plaatsgevonden; dat alle wonderen in de bijbel echt
gebeurd zijn en dat ze allegorisch moeten worden opgevat; dat de joden afgedaan
hebben als Gods volk en dat ze allemaal behouden zullen worden; dat alle boeken
van de bijbel geïnspireerd zijn en dat slechts gedeelten eruit geïnspireerd
zijn; dat er een laatste oordeel zal zijn waar de schapen van de bokken
gescheiden worden en dat zoiets in werkelijkheid nooit zal plaatsvinden; dat het brood
en de wijn letterlijk in het vlees en bloed van Christus veranderen en dat het
niet verandert; dat er een plaats is genaamd ‘vagevuur’ en dat zoiets helemaal
niet bestaat; dat ongedoopte kinderen bij hun sterven verloren zullen gaan en
dat zoiets ondenkbaar is; dat de Apostolische Belijdenis geïnspireerd is en dat
de apostelen helemaal geen geloofsbelijdenis gemaakt hebben; dat de Heilige
Geest de vader van Jezus was en dat Jozef de vader was; dat ketters uitgeroeid
moeten worden en dat je geweldloos moet zijn en je vijanden lief moet hebben;
dat je je geen zorgen over de dag van morgen hoeft te maken en dat je al je
talenten in zaken moet gebruiken; dat je aan iedereen alles moet uitlenen en
dat iemand die niet zorgt voor het onderhoud van zijn gezin slechter is dan een
ongelovige.
Ter verdediging
van al deze overtuigingen, al die tegenspraken, zijn duizenden boeken
geschreven, miljoenen preken afgeleverd, ontelbare zwaarden met bloed besmeurd,
duizenden nachten verlicht met het licht van brandstapels.
Honderden en nog
eens honderden bijbelcommentators hebben de meest eenvoudige teksten
verduisterd en omgeploegd tot ze precies het tegengestelde zeiden. Dateringen
zijn vergeestelijkt, getallen vergeestelijkt, zelfs geslachtsregisters.
Omgekeerd heeft men poëzie niet herkend, heeft men van gelijkenissen
geschiedenis gemaakt, en beeldspraak voor domme en onmogelijke feiten
uitgemaakt. Men heeft geworsteld met vervoering, met profetieën, met visioenen
en dromen, met illusies en waandenkbeelden, met mythen en wonderen, met alle
mogelijke blunders van onwetendheid, met krankzinnige uitlatingen en de extase van
hysterische personen. Ontelbare predikers hebben op dit alles nog hun schepje
onmogelijkheden toegevoegd met hun eigen uitleggingen en eigen domheid.
Wijsheid werd voor domheid uitgemaakt en domheid tot wijsheid verheven.
Wreedheid werd als genade omschreven en onmogelijkheden als werkelijkheid.
De theologen
hebben van de bijbel de meester gemaakt en van de gelovige lezers slaven. Met
behulp van dit boek werd alle ware intellectuele begaafdheid kapotgemaakt. Met
behulp van dit boek werd liefdevol denken uit het hart verbannen, rechtspreken
in een karikatuur veranderd. Met behulp van dit boek werd de ziel van de mens
gevangen gezet in angst en elke gezonde twijfel tot misdaad uitgeroepen.
Denk je in
hoeveel de wereld te lijden heeft gehad aan angst. Denk aan de miljoenen die
door deze godsdienst tot krankzinnigheid werden gedreven. Denk aan de angstige
nachten, vol van demonen, vliegende monsters, sissende slangen. Denk aan de
angst voor de dood, voor het oordeel, voor het verloren gaan. Denk aan de
vlammen, eeuwige pijn, dorst, eindeloze spijt, de schreeuwen en angstkreten.
Denk aan alle
levens die door deze godsdienst verduisterd zijn. De ‘geïnspireerde’ bijbel is
de grootste vloek van het christendom, en zal dat blijven zolang als men het
voor ‘geïnspireerd’ houdt.
Onze God is door
mensen gemaakt, geboetseerd door barbaren die hun best erop deden. Ze maakten
onze God net zoals ze er zelf uitzagen, vol passies, vol van hun ideeën over
goed en kwaad. In de loop van de tijd werden langzaamaan wat veranderingen
aangebracht. Men toomde Hem een beetje in en gaf Hem steeds meer
vriendelijkheid. Met het ontwikkelen van onze intellectuele kennis maakten we
Hem zo perfect als maar mogelijk was. Maar we bleven wel met de brokken uit
vroegere tijden zitten. Geleidelijk aan begon de mens oog te hebben voor
genade, voor puurheid, voor nobele geesten, en zo werd ook zijn God steeds
nobeler, liefdevoller.
In onze tijd
kunnen we ons niet meer behelpen met Jahweh. Hij kan niet meer gezien worden
als perfect. Tegenwoordig spreekt dan ook niemand meer van Jahweh, maar heeft
men het over de God van Liefde, men noemt Hem ‘de Eeuwige Vader’, ‘een Vriend’, ‘de Voorzienigheid’. Maar
op hetzelfde moment dat men dit uitspreekt woedt er ergens een orkaan, sterven
mensen ergens aan aardbevingen, slaat de bliksem op iemand in, worden we geteisterd door epidemieën en viert
de dood op allerlei manieren hoogtij.
Zij zeggen ons
dat dit alles goed is. Dat het kwaad in werkelijkheid een vermomde zegen is.
Dat pijn sterk maakt en deugdzame mensen, dat het karakter schept. En dat
geluk, plezier, slechts verweekt en omlaag trekt. Wel, indien de zaken er zo
voorstaan zouden de zielen in de hel tot de meest deugdzame mensen moeten
uitgroeien, na een tijdje ver boven de rechtvaardigen in de hemel staan!
Een gezond mens
weet dat goed goed is. Hij weet dan ook meteen dat goed geen kwaad is, en dat
kwaad geen goed kan zijn. Licht is geen duisternis. Een gezond mens ziet in dat
deze dingen niet door God planmatig worden opgeroepen, dan weer zus, dan weer
eens zo, maar dat alle dingen noodzakelijkheden zijn en volgens de natuurwetten
werken. Door het ontwikkelen van de wetenschap leren we dat bepaald kwaad
vermeden kan worden en goedheid opgebouwd kan worden.
Tegenwoordig
hebben de christenen natuurlijk hun bijbel aangepast. Ze hebben het onmogelijke
en absurde overboord gegooid, tesamen met het wrede. Er zijn nog steeds
duizenden bezig met de reddingsoperatie. Het zal en moet geinspireerd blijven,
maar men verandert eenvoudig de betekenis van het woord ‘inspiratie’. Er zijn
natuurlijk ook nog steeds orthodoxen die vast blijven houden aan ieder woord en
elke komma van de bijbel. Dat zijn de mensen die je zullen zeggen ‘alles
letterlijk’ te nemen. Voor deze mensen is de bijbel zo gemakkelijk te lezen als
wat. Zij hebben vrijwel nooit uitleg nodig. ‘Het staat er gewoon, punt uit’,
hoor je ze zeggen. Ze hebben geen boodschap aan commentators. Tegenspraak
zullen ze nooit tegenkomen in de bijbel, zoiets is onmogelijk. Deze mensen
reageren als de verhuurder van een huis die opdracht had het huis niet te
verhuren aan iemand met kinderen. ‘Maar mijn kinderen wonen niet bij me, ze
zijn al volwassen en wonen in Iowa’, sputtert de man tegen die het huis wil
huren. ‘Niets mee te maken’, zegt de verhuurder, ‘ik heb orders om het huis
niet te verhuren aan iemand met kinderen, het staat zwart op wit.’
Alle
fundamentalisten staan vooruitgang van de mensheid in de weg. Iedere orthodoxe
geloofsbelijdenis is een blok aan het been, een kerker waarin mensen worden
opgesloten. Iedere gelover in ‘de geïnspireerde schrift’ is een slaaf die rede
van zijn troon heeft geschopt en angst als kroon op z’n hoofd heeft gezet.
De menselijke
rede is het enige licht dat we hebben, ons gebruik van onze hersenen de zon.
Onze hersenen zijn ons enige kompas, de poolster waarop je altijd kunt
vertrouwen, de top van de hoogste berg die je tot boven de wolken brengt.
Er waren lange
eeuwen van duisternis waarin het christelijk geloof regeerde. Bijgeloof was
toen algemeen. Nog niet één op twintigduizend kon toen lezen. In de tijd dat
slechts geloof belangrijk was maakte de mensheid geen enkele vooruitgang,
werden er nauwelijks uitvindingen gedaan, geen ontdekkingsreizen. Overal zag
men wreedheid en erediensten, vervolging en eindeloze gebeden. De priesters
waren de vijand van iedere gedachte en ieder onderzoek. Zij waren herders en
het volk waren schapen. Hun taak was schapen te beschermen tegen de wolven die
de namen hadden ‘denken en twijfelen’. Deze wereld was van geen belang, het
ging slechts om de volgende wereld. De enige reden voor dit leven was om als
voorbereiding voor het volgende te dienen. Alles moest worden opgeofferd om
kathedralen te bouwen, priesters en heiligen te onderhouden. Eeuwenlang was de
voornaamste bezigheid van christenen het graf van Christus uit de handen van de
volgelingen van Mohammed te ontfutselen. Op dit altaar van zotheid werden
miljoenen levens geofferd. En nog waren de bezetters van het heilige land de
arme christelijke stakkers de baas en was alles vergeefs.
Ja, er was toch
een uitvinding in die tijd. Naar men zegt was het Roger Bacon, een fransiscaner
monnik, die in de 13e eeuw het buskruit uitvond. We kunnen de
kanttekening maken dat deze uitvinding niet voor rekening van het
christendom gemaakt kan worden, want
Roger Bacon was een ketter. Hij had het lef te zeggen dat in alle dingen de
menselijke rede de standaard moet zijn. Hij werd daarom vervolgd en opgesloten,
zoals het geval was met vrijwel alle redelijke mensen in die gezegende dagen.
De kerk dwong de gehele maatschappij tot uniformiteit, tot het volledig
vernietigen van menselijke individualiteit. Om dit doel te bereiken werden alle
middelen geheiligd. De kerk maakte gebruik van iedere kunst en ieder instrument
dat de menselijke geest zich maar kon indenken. Wreedheid kende geen grenzen.
Maar ondanks dit
klimaat begonnen enkele mensen met denken. Ze interesseerden zich voor de zaken
van deze wereld, voor de werking van de grootse natuur. Men begon te zoeken
naar oorzaken, naar begrijpen van allerlei verschijnselen. Men stelde zich niet
tevreden met uitleggingen van de kerk. Deze denkers hielden op met de lucht in
te turen en richtten zich op hun eigen omgeving. Ze waren zelfs zo vermetel om
comfort te wensen op aarde. Men werd geleidelijk wereldgericht en wereldwijs.
Wat had dit voor
gevolgen? Men begon uitvindingen te doen. Men vond ‘feiten’, voorwaarden voor
aards geluk en methodes om menselijk welzijn te vergroten. Men vond de
boekdrukkunst uit, importeerde papier van de Moren, en begon geleidelijk aan
intellectuele kennis van generatie op generatie uit te breiden en door te
geven. Geschiedschrijving begon men te onderscheiden van mythen en legendes. De
telescoop werd uitgevonden. De banen van de planeten werden nagegaan, het
heelal werd ontdekt. De stoommachine werd uitgevonden, één machine kon het werk
doen van vele slaven. De zwarte kunst,
het onmogelijke, werd opgegeven en chemie, het bruikbare, kwam ervoor in de
plaats. Astrologie veranderde in astronomie. Kepler ontdekte drie grote
natuurwetten, één van de grootste triomfen van menselijke genialiteit, en ons
zonnestelsel veranderde in een symfonie. Newton gaf wiskundige vorm aan de
zwaartekracht. Harvey ontdekte de bloedsomloop. Draper kon het waarom ervan
uitleggen. Stoomschepen veroverden de oceanen en treinen het land. Huizen en
straten kregen verlichting met gas. Via de lucifer werd vuur de vriend van de
mens. Men vond fotografie uit, de zon werd gepromoveerd tot kunstenaar! De
telegraaf, de bliksemafleider, anesthesie, chirurgie, de telefoon en de
fonograaf, electriciteit en alle wonderlijke machines die erop gebaseerd zijn.
Spectrum analyse vertelde ons over het licht, röntgenstralen lieten dat wat
niet gezien kan worden zien, men bewees de relatie tussen energie en materie en
het eeuwige constante ervan. Geologen begonnen de wereldgeschiedenis te lezen
in rotsen, lagen en afzettingen. Biologen ontdekten de lange geschiedenis van
het leven en daarmee de onzin van Heilige Schrift. Men ontdekte evolutie,
natuurlijke selectie. Duizenden raadsels werden opgelost en de wetenschap
maakte een eind aan bijgeloof. De microscoop deed cellen leven, embrio’s
begrijpen, oorzaak van ziekten ontdekken. Al deze dingen zijn het gevolg van
deze ene deugd: intellectuele vrijheid.
We weten nog
steeds maar weinig. In de duisternis heeft de wetenschap slechts een paar
lichtstraaltjes kunnen laten schijnen. Misschien heeft het vallen van een
schort toch komend gezelschap tot gevolg, er is alleen geen enkel bewijs voor.
Misschien is het toch gevaarlijk te dineren met z’n dertienen, maar er bestaat
geen bewijs voor. Misschien geeft een steen de drager ervan geluk, misschien
een andere steen verlies of zelfs dood. Misschien is het echt gevaarlijk links
over je schouder te kijken naar het maanlicht. Misschien hebben heilige oude
botten geneeskracht, heilige haren ook, misschien kan een roestige spijker ons
baten, opgedroogd bloed ook, maar het probleem is dat we er geen enkel bewijs voor
hebben. Wellicht voorzeggen kometen de dood van koningen, of een komende plaag
of oorlog. Wellicht ook nemen demonen bezit van iemands geest. Misschien
heersen heksen -uiteraard met behulp van de Duivel- over de winden en zijn ze
verantwoordelijk voor stormen. Misschien zijn al de wonderen uit het Oude en
Nieuwe Testament waar gebeurd, werden de doden echt opgewekt, veranderde water
echt in wijn, vermenigvuldigden de broden en vissen zich eindeloos, gaf een
beetje klei vermengd met spuug zicht aan een blinde, waren woorden genoeg om
iemand beter te maken; maar van de mogelijkheid van dit alles hebben we geen
enkel bewijs. Wie weet begon een bijl in het water naar boven te drijven,
splitste water zich eens in tweeën en lieten engelen zich af en toe met
flitsende zwaarden zien. Wie weet brachten vogels eten aan een profeet, maar
van dit alles hebben we geen enkel bewijs.
Wie weet stuurde
Jahweh een leugengeest om een koning dwars te zitten...
Er kan dus zo
geredeneerd ook een Duivel zijn die bijna almachtig is, en wie weet heeft hij
een ontelbaar leger kwelgeesten, die voor geen andere redenen bestaan dan om de
mens maar zoveel mogelijk te misleiden, vast te binden en in eeuwige vlammen te
laten terechtkomen. Voorzover ik weet zou het allemaal best mogelijk kunnen zijn. Maar
voor zover ik weet hebben we er geen andere bewijzen voor dan de beweringen van
ongeschoolde priesters.
Alle ideeën over
hemel en hel zijn gebaseerd op dromen en visioenen van ziekelijke mensen.
Het is mogelijk
dat er een macht bestaat die boven de natuur staat en alles bestuurt, maar het
bestaan van zulk een macht is onmogelijk aan te tonen.
Geconfronteerd
met de raadsels van het leven, met energie en materie, met groeien en
afsterven, geboorte en dood, blijdschap en pijn, het lijden van het goede en de
triomfen van het kwade, zal ieder gezond denkend mens tot de conclusie komen:
“Ik weet het niet.”
Maar wat we wél
weten is dit: goden, duivels, hemelen en hellen zijn door mensen gemaakt. We
weten zeer wel hoe heilige boeken gemaakt zijn en waarin religies hun oorsprong
hadden. We weten ook hoe bijgeloof werkt en hoe het groeit of verdwijnt. Met
behulp van het licht van de rede onderscheiden wij waarheid van onzin, het ware
van het valse.
Wij moderne
mensen bouwen op het natuurlijke, op de wetten van oorzaak en gevolg. Wij
ontkennen het bestaan van het bovennatuurlijke. Wij geloven zeer zeker niet in
een God die plezier heeft aan wierrook, of in zijn schik is met knielen,
klokkeluiden, psalmzingen, kralentellen, vasten of smeekgebeden.
Wij geloven
slechts in het natuurlijke. Wij hebben geen angst voor duivels, geesten of een
hel. We weten dat alle Mahatmas, astrale lichamen, geestverschijningen,
kristallen-bol-kijken, de toekomst zien, telepathie, gedachtenlezen, en
Christian Science, slechts berusten op gewiekste trucs.
We weten dat
miljoenen het onmogelijke zoeken. Men probeert het levensraadsel op te lossen
door het bovennatuurlijke aan te wenden
en voor zijn karretje te spannen. We
weten ook dat al deze pogingen tevergeefs zijn.
Wij geloven
slechts in het natuurlijke. Wij geloven in huis en haard, in gezin, in
vrienden, in de realiteit van de wereld om ons heen. Wij hechten geloof aan
feiten, geloven in kennis en in de steeds grotere ontwikkeling van onze
hersenen. We gooien bijgeloof ver van ons weg en heten slechts wetenschap
welkom. Wij zetten het onbekende niet op een troon, we geven ons niet-weten geen
kroon, we keren de zon niet de rug toe en zullen een schaduw niet voor God
uitroepen.
Wij scheppen ons
geen meester die ons in boeien vastbindt. Wij maken geen slaven van onszelf.
Wij hebben geen leiders nodig, en ook geen volgelingen. Wij doen niet aan
herders en schapen, maar wensen dat ieder mens slechts trouw aan zichzelf zal
zijn, aan idealen die niet gebaseerd zijn op lege beloften of schrikwekkende
dreigementen. Wij dulden geen enkele tyran op deze aarde, noch in de lucht.
Wij weten dat de
vruchten van bijgeloof deze zijn: waandenkbeelden, illusies, dromen, visioenen,
ceremonieën, wrede gebruiken, blind geloof, fanatisme, instandhouding van de
status quo, bedelaars, dwepers, vervolgingen, gebeden, theologie, marteling,
vroomheid, armoede, heiligen, slaven, wonderen, wartaal, ziekte en dood.
Wij weten ook dat
de wetenschap verantwoordelijk is voor alles wat voor ons van waarde is.
Wetenschap is de moeder van civilisatie. Het heeft de slaaf bevrijd, de naakte
gekleed, de hongerige eten gegeven, het leven verlengd en angsten uit ons leven
geband.
De wetenschap is
onze ware verlosser. Het heeft eerlijkheid altijd hoger staan dan
schijnheiligheid, Het zal ons de godsdienst van nuttigheid leren. Het zal
dweperij volledig de wereld uit helpen. Het zal bedachtzame twijfel eren en
blind geloof afschaffen. Het zal ons grote denkers schenken, filosofen, en
wijzen in plaats van priesters, theologen en heiligen. Het zal armoede in de
wereld afschaffen en, nog groter en waardevoller dan al het andere, het zal de
gehele wereld uiteindelijk vrijheid schenken.
Vertaling Albert Vollbehr, 2005
Voor meer van Ingersoll:
Enige Vergissingen van Mozes, 1879
Waarom ik een Agnost ben, 1896