Harry Kuitert was hoogleraar en is dus eigenlijk Professor Kuitert. In zijn boeken laat hij zich echter slechts kennen als mens zoals u en ik, vandaar dat we hem ‘Harry’ Kuitert mogen noemen. De benaming wordt op de achterflap van zijn eigen boeken gebezigd. Hij komt op mij over als een typisch nuchtere ‘no-nonsense’ Nederlander. Hij laat zich nooit voorstaan op zijn belezenheid, maar trakteert ons eenvoudig op een (soms persoonlijke en daarom des te meer te waarderen) zoektocht naar eerlijk en onbaatzuchtig menszijn.


Zijn boeken zijn de moeite van het lezen waard, zijn meest verkochte boeken zijn allemaal vruchten van een op rijpe leeftijd gekomen man, een mens die in de avond van zijn leven de balans opmaakt en een schat aan wijsheid achterlaat voor ons jongere mensen die de nieuwe eeuw ingaan. En hij blijft maar doorschrijven! Ik heb net het boek Schiften van hem uit, een tussendoortje vanwege de feestelijke gelegenheid van zijn 80ste verjaardag, en daarin kondigt hij nota bene alweer het volgende boek aan voor het voorjaar van 2005! Een man die op zo'n hoge leeftijd nog energiek bezig is met een boodschap voor de toekomende eeuw; ach, wat is alleen al op die manier oud worden een geweldige inspiratie. Wat zou ik graag ook zo’n levenslustige inhoud willen geven aan mijn toekomstige ouderdom, mocht het ooit eens zover met me komen.


Harry Kuitert is natuurlijk ook gewoon ‘Harry’ vanwege de kostelijke stijl waarin hij schrijft. Met Harry ben je van begin tot eind aan het smullen van taal. Bij het lezen heb ik datzelfde gevoel wat Brahms gehad moet hebben toen hij in de concertzaal de Schöne Blaue Donau wals van Johann Strauss hoorde. Toen iemand tegen hem fluisterde ‘Is het niet een geweldig mooi stuk’, schreef hij op een briefje als antwoord: ‘Jammergenoeg niet door mij gecomponeerd’. Een talent om dingen al spelend met taal, bedaard, helder en vooral boeiend uit te leggen, kortom, om jaloers op te worden. Het wekt herinneringen in me op uit mijn jeugd, toen ik ook vaak geboeid werd door de voordrachtskunst van inspirerende predikers op de kansel, zoals je die had in de Gereformeerde kerk en ook later in Engeland waar ik studeerde. Met redenaarskunst is het eigenlijk zo: het is de stijl die je meeneemt, alsof je er vleugels door krijgt; wat er gezegd wordt doet er eigenlijk veel minder toe. Dit taalgebruik werkt dan ook als de meest wonderbaarlijke zachte zalf op een ongeneeslijke wond: Kuitert verstaat als geen ander de kunst de ontmanteling van God en religie zó uit te voeren, dat je steeds blijft denken dat je na afloop toch nog een kostbaar sieraad in je handen houdt.


De kritiek die je op hem kan geven is natuurlijk dat je het sieraad gemakkelijk kapot kan prikken: Religie, godsdienst, God, het christelijk geloof, het is van begin tot eind allemaal verbeelding. En indien het verbeelding is, dan zou iemand met ‘een flinke dosis gezond verstand’ religie gemakkelijk van tafel kunnen vegen en afdoen als ‘jezelf voor de gek houden’. Maar opnieuw en opnieuw, als een ridder die slechts bezig is een onschuldige schone jonkvrouw te redden, doet Kuitert zijn uiterste best om het beste te maken van zijn leven dat geheel aan de illusie gewijd was. ‘Verbeelding’ is inderdaad een synoniem van illusie, van fantasie, maar als je er goed over nadenkt merk je dat aan het eind van de dag juist díe dingen ons hoogste menszijn uitbeelden. Denk er maar eens over na: God (godsdienst) staat op één lijn met kunst, met muziek, met de film, met de roman, de poëzie. Ja, met verliefdheid. Zo bezien wordt zijn optreden een stuk begrijpelijker: wie van de ridders die ooit zijn leven in de waag heeft gesteld ten behoeve van een schone jonkvrouw, zou conclusies verbinden aan de opmerkingen van de nuchtere wetenschapsman: een analyse van de feitelijke eigenschappen van de vrouw in kwestie, en een opmerking erachteraan: het is maar een vrouw, er zijn nog zo'n drie miljard anderen, waarom maak je je nu zo druk om die ene? Al moet zo iemand met zijn verstand toegeven dat de wetenschapper best gelijk zal hebben, hij kan niet anders dan zijn gevoelens gehoorzamen. Hij doet het om zich gelukkig te voelen.

Godsdienst is ‘het bezweren van de chaos’, en daar is volstrekt niets kinderachtigs aan, niets om je smalend over te vermaken, niets primitiefs; denk maar eens aan het bezweren van geluidchaos via het componeren van een symfonie. Zoals iedere 20-jarige weet maken een mobiele telefoon met een wormspelletje, een paar flitsende shirts, of een paar automatisch open- en dichtgaande autozijruiten, je niet gelukkig. Het gaat in het leven om spiritualiteit, het ervaren van grootse gevoelens, en religie, de invulling van illusies met het begrip God, is een basisingrediënt in het leven. Illusies scheppen zou je de kern van het gehele menszijn kunnen noemen. Een mens zonder illusies heeft alles verloren. Ware godsdienst zou men het nastreven van de hoogwaardigste illusies kunnen noemen, het op zoek zijn naar de hoogste invulling van Geest. In andere woorden, 'op zoek zijn naar God' is het equivalent van het op zoek zijn naar je eigen hoogste verschijning. In praktische termen is het resultaat van deze zoektocht Kunst, Wetenschap en Humaan denken/handelen. Wanneer onze Geest het zoekresultaat God noemt, en dit begrip met woorden probeert in te vullen, moet een mens niet denken dat hij hiermee aan de werkelijkheid recht doet, maar maakt de menselijke geest slechts een projektie van God, en gebruikt hij deze denkbeelden/voorstellingen voor zichzelf als landkaart om zichzelf koers te geven, om zich hiernaar te richten. Zij dienen als ideaalbeeld van het bestaan, om zich hieraan te conformeren, of zich hiertoe te transformeren. De voorwaarde voor gezonde religie is altijd dat je het beoefent op de hoogwaardigste manier, die er voor ons mensen bedacht kan worden. Laat je deze laatste gedachte weg dan loopt religie uit op iets banaals, naiefs, of zelfs op iets weerzinwekkends. En aangezien de mens van eeuw tot eeuw een geestelijke ontwikkeling doormaakt, móet de invulling van religie wel van tijd tot tijd veranderen. Een doodeenvoudige waarheid, het kan gewoon niet anders. En toch bestaat hierin de grootste tragiek van alle oude boekgodsdiensten in de moderne tijd: indien ze bovenstaande zouden beamen, zouden ze sterven. Met deze problematiek is Kuitert zijn hele leven bezig geweest.


“Het vasthouden van geloofswaarden mag volgens de gangbare indelingen iemand tot een christen maken (hij gelooft wat zijn religie hem voorschrijft), of tot een moslim (hij doet wat hij van zijn geloof moet), maar dat zijn kenmerken die goed zijn voor een flora ten behoeve van het determineren van religies. Laat de moslim zijn waarheden, laat de atheïst de ontkenning ervan, en bedenk zelf wat het betekent dat je niet van waarheden leeft, maar van verbeelding. En zegen de kritiek, ze helpt je niet alleen van vooroordelen af, maar van hele theorieën.”
[Deze en alle volgende citaten van Kuitert uit zijn boek Schiften.]


De oplossing voor de crisis in het traditionele geloof is dus de bovenlaag van dogma's zonodig opgeven (indien ze ongeloofwaardig wordt), maar accepteren dat wat erachter ligt waardevol blijft, en dáár in je leven recht aan blijven doen. Ziehier de uitleg aan mijn leven die ik intuïtief wel altijd al wist, maar waarvoor ik maar moeizaam zelf de woorden kon vinden. Ik leef van verbeelding. Ik ben een kunstenaar. Ik kies er niet voor, het is de manier waarop ik in elkaar zit. Mijn leven was voorheen volkomen gewijd aan de kunst, aan klassieke muziek, aan pianomuziek, aan spelen en componeren. Iemand die in zulke dingen opgaat verbindt zijn leven niet met zoiets als marxisme (de mode van de 70-er jaren waarin ik opgroeide) of positivisme, maar met religie. De jongen naast mij in de schoolbank gaf zichzelf trots het naamkaartje ‘radikale Maoïst’. Met een glimlach sprak hij uit dat 40 miljoen slachtoffers onder het regime van Mao weinig of niets te betekenen had in vergelijking tot het geweldige resultaat: een structurele verbetering van de levensomstandigheden in China, zodat er nu geen hongersnood meer was! Kijk, zo’n wereldbeeld was, en is, voor mij niet weggelegd. Liever tranen en geduldig lijden en hopen op God, dan onmenselijk worden. Dát is religie ook, of in ieder geval het christelijk geloof. Geloof is bedoeld als de tegenhanger van onmenselijkheid, de tegenhanger van eeuwig menselijk falen. En al mag ik tegenwoordig nog zo'n fan van Nietzsche zijn, déze boodschap van religie wil ik altijd bewaren.


Ik werd in de 70-er jaren op 16-jarige leeftijd aangesproken door de Youth-for-Christ. Om mij heen zag ik het kerkelijk verval, overal de onzekerheid van gelovigen. De kerken liepen leeg. Moderne theologie was in evangelische kringen helemaal uit den boze. Het werd gezien als oorzaak voor het leeglopen van de kerk: het probeerde zelfs het reddingsbootje geloof nog om zeep te helpen:


“Die merkwaardige Jezus-vroomheid, die we zowel in de Oude Kerk als bij de evangelicalen van vandaag aantreffen, gaat terug op een geloofsverpakking die in feite Jezus tot een substituut voor God maakt. Dat moesten we niet willen als christenen....We bezingen geen historische feiten, maar Jezus’ betekenis. Niet omdat hij maagdelijk geboren is, is Jezus voor ons belangrijk, maar omdat hij zo belangrijk is, is hij maagdelijk geboren.”


Kuitert schreef zijn eerste geruchtmakende boek “Verstaat gij wat gij leest?” in 1974. Ik hoorde ervan, maar zat te vast in het evangelische ‘enige ware’ geloof om me er mee bezig te houden. Ik zette mijn ‘bijbelgetrouw’ geloofsleven nog tientallen jaren voort, totdat ik er uiteindelijk mee op de klippen voer, en tenslotte mezelf eruit trok met behulp van twee jaar lang schrijven aan de teksten ‘Volwassen Geloof’. En kijk, hoe interessant: als kind opgegroeid in dezelfde kerk als Kuitert, en na dertig jaar elders rondgesnuffeld te hebben, kom ik in 2004 zijn boeken tegen en lees ik alle gedachten die ikzelf ook doorgegaan ben. Moderne theologie is geen oorzaak voor de crisis in de traditionele godsdiensten, zij is een hernieuwde poging om de chaos te bezweren, ditmaal de kilte, de ontgoocheling in ons denken, die het moderne weten heeft veroorzaakt. Ik merk bij het lezen van Kuitert dat ik zo ongeveer op dezelfde plaats ben aangeland als hij. Ik doe zijn boek open en er komt meteen een tekst als de volgende onder mijn ogen:


“Ik wil alles niet weg hebben wat we tot nu toe aan God hebben verzameld, maar ik zie het wel als toegift, als iets wat belangrijk is, maar toch: iets dat als toegift komt naast wat er eigenlijk toe doet. Toegift –daar zit iets in van luxe. Veel christelijke godsdienst is luxe, er is niets mis mee, behalve als je het verplicht stelt, en behalve als je er meer in ziet of meer van maakt dan toegift. Het is religieus spel, ernstig spel, spel waarvan de grenzen niet altijd te trekken zijn tussen wat eropaan komt en wat toegift is –je kunt daar dus over verschillen- in wezen is veel van onze godsdienst toegift.”


Hij had er 80 jaar voor nodig om te groeien tot waar hij nu staat. "Wie een verkeerde weg inslaat moet een heel eind lopen" (Voltaire). Een geweldig lange en inspannende weg, want hij bleef een christen, hij bleef in de kerk. Een bewonderenswaardige weg, wanneer je je bedenkt hoezeer een dominee, een theoloog, met de kerk getrouwd is, en hoe pijnlijk die weg van jaar tot jaar heeft moeten zijn. Telkens moest hij de dijk dichten, telkens heeft hij met tegenstanders in de clinch gelegen. Stel je voor dag in dag uit mensen over je horen klagen. En het gaat niet bepaald om niemandalletjes in de christelijke godsdienst, waar mensen zich verbeelden dat onze eeuwige bestemming, heil of eeuwige verdoemenis, afhankelijk is van onze beslissingen waar we in zeggen te geloven. Op een internetforum las ik eens de opmerking: "Wat zal die man een hoop te verantwoorden hebben wanneer hij eens voor God staat." Ik zou hierop het liefst meteen een bijtende tegenopmerking lanceren: "Wat laat jouw uitspraak toch goed zien hoezeer je zowel God als het bestaan als vreselijk benauwend ervaart! Je godsdienst is op angst gebouwd, en je schept daarmee voor jezelf een weinig te benijden leven." Maar bij Kuitert kom ik geen spoor van agressiviteit tegen; als hij er al behoefte aan heeft dan zou je het vinden in de vorm van humor. Ik krijg bij het lezen van zijn teksten nooit het gevoel dat hij zwaar in de knoop heeft gezeten of moedeloos is geworden van de drab van het bestaan, de vaak goedkope opium van de godsdienst en het niveau van de conservatieve denkers om hem heen, iets waar Nietzsche en Twain zo onder leden; integendeel, alles ademt de geest van een heel mens, een mens die straks in vrede en gezondheid van geest afscheid neemt van het leven. Of misschien heeft hij met zijn gedachten net zo lang gezwoegd totdat hij een innerlijke rust ervoer en dat uitstraalde, en is hij daarna pas aan het schrijven gegaan.


Rust is het eerste woord wat me te binnen schiet bij het lezen van het boek Schiften, en dan bedoel ik niet slechts berusting in het verlies, maar ook volle tevredenheid met wat hij overhoudt.


“Is het erg als je het vertrouwde beeld loslaat? Ja dus, als we het hebben over de emotionele binding aan de traditie. Huilen. Maar niet als je je herinnert hoe godsdienstig geloof in de wereld is gekomen: eerst waren er mensen, en daarna pas de goden, als verbeelding van wat mensen als ervaring onder woorden brachten, en tenslotte bleef er voor de christenheid uit heel die beeldengalerij van goden één over: God met een hoofdletter. Zo begon het, en dat betekent: het wezen dat onder woorden bracht, de chaos bezwoer door zijn religie en cultuur, dat zelfde wezen is er nog steeds. Zijn religie, de erfenis die hij naliet, verbleekt, maar hij zelf: de stichter van een leefwereld ‘van betekenis’ in plaats van ‘chaos’, hij is er nog, en naarmate hij (wijzelf dus) zijn eigen rol terugvindt, en die ook nog eens aandurft, in diezelfde mate kan hij moed vatten om verder te gaan, en zin blijven verlenen aan wat uit zichzelf geen zin meebrengt. Anders dan vroeger, totaal anders...”


Wat houdt Kuitert dan over? Ach, sommigen zullen erover glimlachen, het is iets wat gezonde mensen al eeuwenlang hebben, maar ik -ex-evangelisch gelovige- begrijp het maar al te goed:


“De upgrading van de mens, van onszelf: zie jezelf als stedehouder van ‘geest’! Of in de taal van Achterberg, de klassieke terminologie: als plaats van God.”


Of in de taal die ikzelf gebezigd heb: zie jezelf als componist, als schepper van nooit eerder geziene landschappen. Overal herken ik in Kuiterts schrijven mijn eigen weg die ik met veel innerlijke beroering op papier probeerde te zetten. Altijd had ik het gevoel het niet toereikend te kunnen zeggen, en daarom glimlach ik bij iedere uitdrukking en frase van Kuitert die telkens als een boeket bloemen op me inwerkt. Ik gebruikte ook de term ‘moed’ als sleutelwoord voor de moderne mens. Ik probeerde het te zeggen met een uitdrukking als ‘God is ons hoogste menszijn’, of omgekeerd: ‘Ons hoogste menszijn is God.’ Wat wij moderne mensen dus overhouden is transcendentie vertaald tot het honderd procent aardse. En voor zover het ‘naar Boven’ verwijst is het een toegift, een luxe, iets waarover je eigenlijk maar zou moeten zwijgen.


Het enige en kostbaarste wat hij overhoudt is het zich aangesproken voelen door de naaste. Kuitert komt keer op keer hierop terug. ‘Waar is Abel, uw broeder?’ is de oerzin uit de bijbel die de mens voor eeuwig verder met zich meedraagt. Daarin horen wij ons verontrust geweten, de vraag schudt ons altijd weer wakker:


“De stem, dat oerwoord, wordt van binnen gehoord, maar ze komt van buiten, en ze is onweerstaanbaar krachtig. Dat is nu wat ze vroeger het Woord Gods noemden. Woord Gods is niet de bijbel, is niet de preek, niet de leer, maar “Waar is Abel, uw broeder?” Het is dit aansprekende woord dat de mens tot mens heeft gemaakt, en tot op de dag van vandaag mensen tot mensen maakt: aangesproken, aansprakelijk en aanspreekbaar.”


Hij noemt dit de Deus Semper Major, de piekervaring onder de piekervaringen, the God beyond God. Allemaal vreemde uitdrukkingen, waarmee een mens slechts gebrekkig probeert onder woorden te brengen wat achter onze beelden, onze voorstellingen, ons gevoel voor transcendentie schuilgaat; de echte God, die nu eenmaal niet uit te drukken is in woorden, waarover we dus eigenlijk stil moeten zijn, maar waarover een denker, een theoloog, het natuurlijk niet kan laten tóch maar wat te zeggen.


Mijn uitdrukking “Ware godsdienst is stilzijn over God” kom ik bij Kuitert als een oproep tot bezinning tegen:


“Wie of wat God is, daar hoeft blijkbaar in de kerk nooit verheldering over te worden verschaft. Zou het? Ik zou dat willen veranderen, en de christelijke kerk aanmoedigen een bodemprocedure te beginnen over wat we met 'God' bedoelen. De vanzelfsprekendheid waarmee Hij wordt geïntroduceerd, irriteert niet alleen buitenstaanders, alsof er geen andere gerenommeerde religieuze wereldbeschouwingen bestonden, dan die welke onder de paraplu van de christelijke God bestaat. Ze heeft niet alleen hele generaties de kerk uitgejaagd, en ze gedwongen de vervulling van hun mystieke behoeften buitenshuis te zoeken. Maar ze heeft ook het karakter van wat we met geloven bedoelen, bedorven. Van God is een leerstellige waarheid gemaakt...Zoeken ze verkeerd, willen ze niet, of is het godsbeeld dat de christelijke kerk erop nahoudt verkeerd, kun je met behulp daarvan alleen maar misverstanden oplopen of helemaal niets tegenkomen? Dat de christelijke kerk dat uit de weg gaat, het gesprek over wat er ons van God is overgeleverd, en of dat allemaal wel zo zinvol is, dan wel uit ballast bestaat in plaats van uit mondkost, ik sta er elke dag verbaasd van. Vanzelfsprekendheid blijft troef, een vanzelfsprekende God. Wat daar op tegen is? Wat vanzelfsprekend is, is dood. Dat is erop tegen. ”







Aangezien ik zoveel van mezelf herken in Kuitert ben ik op zoek gegaan naar wat er zoal over hem gezegd wordt op het internet. Eerst kom ik een reactie van een katholieke priester tegen, drs. Seidel:


"Kuitert heeft een dramatisch boek geschreven. [Over Religie] Dramatisch slecht, want objectief-wetenschappelijk gezien is er van zijn meeslepende betoog geen heldere soep te koken. Dramatisch qua religieuze beleving, want het lijkt het onvoltooide verhaal van een gereformeerd kopstuk dat zijn oude geloof kwijt wil en in zijn verwarring niet over de muur naar echte vrijheid durft te springen."


Wat de eerste opmerking betreft, sinds wanneer is religie ooit geinteresseerd geweest in wetenschap en objectiviteit? En je zou toch zeggen dat iemand die de katholieke leer aanhangt toch wel de laatste zou zijn die behoefte heeft aan dingen die iets met 'objectief-wetenschappelijk' te maken hebben. Zoals iedereen weet durfde Copernicus uit angst voor de kerk zijn wetenschappelijke waarnemingen niet eens te publiceren, en bijna honderd jaar later werd Galilei door de kerk gedwongen de openbaar uitgesproken wetenschappelijke opinies te herroepen. Pas in 1992 heeft het Vaticaan met de rehabilitatie van Galilei officieel afstand gedaan van het geocentrisme! Waarom wond de kerk zich zo over hun denkbeelden op? Dat is niet moeilijk te zien, men begreep dat deze ene ontdekking het lot van de christelijke godsdienst bezegelde. Giordano Bruno trok in de zestiende eeuw, toen voor het eerst de oneindigheid van het universum tot de mens doordrong, al meteen de waterdichte conclusie uit dit feit: God is voor ons mensen niet kenbaar. Vanaf die tijd is deze zaak dan ook volkomen beslecht. Theologie en wetenschap, ideologie en objectiviteit, ze hebben per definitie niets met elkaar te maken. Wetenschap houdt zich bezig met betrouwbare feiten en is rationeel; wetenschap komt met de feiten over God; theologie is gebaseerd op gevoelens en wilde of mooie dromen en is niet geïnteresseerd in de feitelijke werkelijkheid. Aangezien zij zich baseert op 'speciale openbaring' , dwz op een door de mens zelf geconstrueerde fantasie, is theologie op de keper beschouwd dus bij uitstek een middel om het zicht op God voorgoed te verliezen. In de regel draait theologie de feitelijke werkelijkheid waarin we leven 180 graden om. Christelijke theologie heeft de pest aan menselijke pienterheid, iets wat in het Nieuwe Testament (door Paulus) zelfs als leer onderwezen wordt:


"Want de boodschap van het kruis is dwaasheid voor hen die verloren gaan, maar voor hen die gered worden, voor ons, is het een kracht Gods. Er staat immers geschreven: Verdelgen zal Ik de wijsheid van de wijzen, en het verstand van de verstandigen zal Ik tenietdoen. De wijze, de schriftgeleerde, de redetwister van deze wereld, waar zijn zij? Heeft God de wijsheid van de wereld niet tot dwaasheid gemaakt? Volgens Gods wijsheid heeft de wereld met al haar wijsheid God niet gevonden; daarom heeft God besloten hen die geloven te redden door de dwaasheid van de verkondiging" (1 Kor. 1: 18-22)


De boodschap van het christelijk geloof is zelfs zo ongeloofwaardig dat de oude kerkvader Tertullianus (eind tweede eeuw) bij gebrek aan feiten die het geloof enigszins zouden kunnen ondersteunen niets anders wist te verzinnen dan dit maar om te dopen tot een reden te meer om het te geloven! "Ik geloof dat de Zoon van God stierf: wel, dit is volstrekt geloofwaardig omdat het het toppunt van absurditeit is. Ik geloof dat hij begraven werd en herrees: ik geloof er absoluut in omdat het zo volstrekt onmogelijk is." (Credo quia incredibilis est - ik geloof omdat het niet te geloven is). Augustinus (ong. 400) deed dit denken nog eens dunnetjes over toen hij uitsprak: "Ik zou in de waarheid van de evangeliën niet geloven indien ik er niet door de authoriteit van de kerk toe gedwongen werd". En deze uitspraak deed een man die wél zo goedgelovig was om zonder twijfel in de historiciteit van het verhaal over de stichting van Rome door Remus en Romulus te geloven! Maar goed, dat Bruno de brandstapel opging is een direkt gevolg van de christelijke afkeer tegen redelijkheid en het blinde aannemen van het absurde. In de zestiende eeuw was deze afkeer vanwege de ongekende opbloei van de cultuur (Renaissance) uitgegroeid tot blinde haat tegen de wetenschap en de filosofie, haat tegen het menselijk verstand en vernuft. Luther staat bekend om zijn scheldwoorden jegens Aristoteles (in zijn tijd het synoniem voor 'de wetenschap'). Hij was van mening dat mensen die het met Aristoteles eens zijn geen bladzijde van de bijbel goed kunnen verstaan. "Het is een vergissing als men zegt, zonder Aristoteles wordt men geen theoloog. Het tegenovergestelde is waar, men wordt slechts theoloog als men het zonder Aristoteles wordt. Aristoteles [lees: de wetenschap] verhoudt zich tot de theologie als duisternis tot het licht." (uitgesproken in 1517).
Waarom schrijft Seidel in zijn commentaar dan zo'n lang end over objectiviteit, en vraagt hij om 'echte' feiten, net alsof zoiets überhaupt zou bestaan in christelijke theologie? Seidel valt Kuitert aan door te zeggen dat hij niets onderbouwt, niets bewijst, en 'je zoiets toch niet zou verwachten van een professor'. "Het ergste is dat hij zich misschien niet eens bewust is van zijn vooringenomenheid", schrijft hij. Maar Kuitert schijnt de werkelijkheid beter te begrijpen; het weglaten van de titel 'professor' in zijn boeken laat dit goed zien. Ik stel me voor dat hij zoiets als het volgende zegt: "Zeg maar Harry, en in die hoedanigheid spreek ik over godsdienst, want in religie bestaan helemaal geen professoren. Religie is niets anders dan vooringenomenheid, het staat gelijk aan kunst." Seidel schijnt niet te beseffen zelf reddeloos vooringenomen te zijn wanneer hij beweert dat religie iets anders zou moeten/kunnen zijn. Ik raad hem aan Earl Doherty te lezen (The Jesus Puzzle).

Maar bovendien berust alles wat Kuitert schrijft juist wél op de objectief-wetenschappelijke resultaten, die honderden jaren van wetenschappelijk onderzoek op alle gebieden heeft opgeleverd. Al die zaken zijn natuurlijk elders te lezen, buiten de theologie, en moeten niet gezocht worden in de boeken die Kuitert schrijft of welke theoloog dan ook. Het schrijven van Kuitert is slechts een zich bezighouden met de vraag hoe je ná kennisneming van wetenschappelijke feiten -ons bestaan in een oneindig heelal waarin slechts natuurwetten heersen- toch nog met godsdienst verder zou kunnen gaan. Zij is niet bedoeld voor lieden zoals getrouwe katholieken en pinkstermensen die, om maar wat te noemen, er nog steeds in blijven geloven dat mensen door duivels bezeten kunnen zijn en je die duivels met de juiste formules en het juiste geloof uit kunt drijven; niet voor mensen die wetenschappelijke feiten maar niet willen zien, maar aan hun fabels objectiviteit toeschrijven.

Maar wat de laatste opmerking van Seidel betreft, waarom Kuitert geen afscheid van het christelijk geloof neemt, dat is ook een vraag die steeds bij mij opkomt bij het lezen van hem. Iemand die zoals hij alles uit het christendom overboord gooit, zelfs de persoonlijke God, zou toch ook de laatste stap moeten zetten: een volledige afwijzing van het christendom. Maar toch probeer ik hem te begrijpen: iemand voor wie de kerk het huis is waarin hij zijn gehele leven heeft geleefd, en voor wie de christenen de huisgenoten zijn waarmee hij zich altijd innig verbonden heeft gevoeld, heeft er recht op te blijven wonen in dat huis. En de christenen zouden hiervoor begrip moeten opbrengen. Seidel laat er nogal vreemd op volgen: "Als ik zijn opvattingen deelde, wist ik het wel. Ik stopte met alles wat godsdienst is en ging kijken of de wereld me gelukkig kon maken." Zo'n opmerking verraad de enorme verlokking die de wereld blijkbaar voor de priester heeft, voor wie blijkbaar seks verboden is geweest, voor wie geloof teveel te maken heeft met dwang. Maar Kuiterts keus heeft natuurlijk niets met gebrek aan durf te maken. Hij is een liefhebber van de godsdienst, en hij schrijft voor de liefhebbers van godsdienst, de mensen die van verbeelding wíllen leven. Hij zou zijn leven nooit kúnnen indenken zonder spiritualiteit. En bovendien ziet Kuitert de gehele samenleving als een product van eeuwenlange christelijke cultuur: in zekere zin is eruit stappen niet eens mogelijk!
Maar ik beleef eerlijkheid op dezelfde manier als Herman Philipse het subliem onder woorden brengt op deze site. Op een vreemde manier blijven goochelen met de bijbel alsof het tegelijkertijd een primitief menselijk produkt is als ook een goddelijk geïnspireerde bron, is ongerijmd. Indien moderne theologen de bijbel als iets positiefs blijven beschouwen verbaas ik me erover dat zij de zwarte keerzijde niet zien, en niet aan de boodschap toekomen die de wereld van de 21ste eeuw het allernodigst heeft: wij zijn allen leden van één lichaam, het lichaam van de mensheid! Het lichaam mag geen andere naam hebben als we eer aan het leven (aan God) willen doen. Het heeft slechts afbrekende en negatieve zin ons christen, moslim, hindoe, jood, whatever, te noemen. De enige godsdienst van de moderne tijd is de uitroep: "Mijn God, laat de verdeeldheid genoeg zijn! Laat ons de onzinnigheid inzien van onze schriftelijke godsopenbaringen, het daaruitvolgende superioriteitsgevoel, en de knellende banden waarmee heilige schriften ons beletten op verhevener gedachten te komen." Vooral de abrahamitische godsdiensten, die het woordje 'uniek' in hun vaandel hebben staan, zijn alle eeuwen door symbool geweest voor fanatisme, twisten en zelfs oorlogen. De dweepzucht ligt er zo dik op geschreven, dat we de vonken er al af zien spatten nog voordat het Nieuwe Testament is afgeschreven (Jezus versus de vrome Farizeeërs, Paulus versus de voorstanders van de wet en besnijdenis, Petrus, Judas en Johannes in hun brieven tegen de valse leraren)! De boekgodsdiensten staan broederschap van alle mensen in de wereld in de weg, maken onze wereld kapot en maken van onze psyche een strijdtoneel. Blijkbaar zit Kuitert in het geheel niet met de benauwende keerzijde van het christelijk geloof, iets wat ikzelf niet kan begrijpen, omdat het op elke bladzijde van haar leer en geschiedenis met koeienletters staat geschreven. Ik ervaar de keerzijde zó sterk dat ik me nooit een liefhebber van een boekgeloof kan beschouwen. Een geloof dat zich opwerpt de enige echte, ware te zijn, dat mensen die er niet aan willen geloven naar de verdoemenis verwijst (dat dus werkt met dreiging en angst), dat anders-denkenden in de regel het liefst uitstoot (ja, ik weet het, ze zeggen voor je te bidden, dat is een uitdrukking met als enig doel aan te geven dat het hopeloos met je is) kán geen sfeer zijn waar mensen maar wat 'liefhebberen'. Indien Kuitert dit blijkbaar wél kan, neem ik m'n pet voor hem af! In ieder geval werkt het wel enigszins verzoenend voor mijn eigen opstelling ten opzichte van mijn oude geloof. Ik heb grote moeite met vroom-gelovigen en hun godsverduisterende opvattingen over hun enige, unieke waarheid, opgevist uit een kurkdroge en heetgebakerde woestijncultuur, vol fata morgana's en zoutmeren, en kan hun denken niet zo laconiek opvatten en met een schouderophaal van me af zetten, maar ik wil van zijn positieve opstelling leren. Ik vind het dan ook vreemd een schrijver op het internet (G. J. van Enk) tegen te komen die de volgende woorden over Kuitert schrijft:


"Ik vrees het ergste aan vijandschap en agressie als deze godloochenaar en bestsellerauteur nog tijd van leven en tijd van schrijven krijgt."


Gek dat orthodoxe christenen 'venijn in de staart van Kuitert bespeuren', terwijl het voor iedere buitenstaander overduidelijk is dat de zaak precies andersom ervoor staat. Ex-gelovigen en valse leraren zullen nooit de oorzaak zijn voor geloofsvervolging voor de behoudende christenen. Ze hebben altijd juist te lijden (gehad) onder dit schandelijke aspect van het geloofsfanatisme. Bovendien zijn ze er altijd van overtuigd dat het juist overredingskracht is dat waanvoorstellingen de wereld uit helpt; op die manier zijn ze zelf anders geworden. Maar zie wat deze schrijver erop laat volgen:


"Laten we hopen en bidden dat de Here zelf dit demonische proces mag keren."


Een voorbeeldig staaltje christelijk denken dat de trieste waarheid over het christelijk geloof niet beter zou kunnen laten zien: een geloof dat elke dag het woordje 'liefde' in de mond neemt komt aan met 'demonisch' wanneer iemand met afwijkende ideeën aankomt. Let wel, het gaat hier niet om een massamoordenaar, noch om een sadist, maar slechts om iemand met theologische ideeën, iemand die zegt dat naastenliefde de hoogste godsdienst is, en niet onze liefde voor een ingebeelde God! Wie ore heeft die hore, de waarheid over het orthodoxe geloof zal mensen vrijmaken! "Met liefde voor de mensen en haat voor hun zonden" (Augustinus) is de meest belabberde uitspraak die maar gemaakt had kunnen worden, de meest geniepige manier om iemands psyche te verzieken, dé methode om de betekenis van liefde volkomen te verkrachten. En juist deze slogan is jammergenoeg de populairste plant die het christendom alle eeuwen door gecultiveerd heeft. Ga de geschiedenis door om de bloemen ervan te bekijken.
De orthodoxen zien in Kuitert een duivelse vijand die hun geloof belachelijk maakt, maar de eigenlijke boodschap van Kuitert is een lans voor religie te breken, een pleidooi te houden voor de positieve, de opbouwende kant van religie. Ik denk dat Kuitert een soort medicijn is voor religieuze mensen om van allerlei malle denkbeelden af te komen, medicijn om het christendom te ontgroeien met zo weinig mogelijk kleerscheuren, en een begin te maken met gezond denken, en dat hij de volgende generatie niet zoiets vanzelfsprekends hoeft te vertellen dat we geheel nieuwe vormen van spiritualiteit moeten opbouwen en voorgoed afscheid van het christendom moeten nemen. Aangezien dit overduidelijk wordt uit Kuiterts schrijven ook zonder dat hij het zegt, kan ik wel het venijn in de staart van christenen die op Kuitert reageren goed begrijpen. Kuitert is de beste hedendaagse illustratie van wat de geniale Nietzsche al 125 jaar geleden voorzag:


"Aan het doodsbed van het christendom:
Christendom verandert geleidelijk in goedaardig moralisme. Wat overblijft is niet zozeer God, verlossing en onsterfelijkheid, maar welwillendheid en een deugdzame levenshouding, en het geloof dat het universum ook op welwillendheid en deugdzaamheid is gebaseerd, oftewel het is de euthanasie van het christendom."
[Morgenröte, 1881]


Deze euthanasie van God komt trouwens niet op rekening van Kuitert: hij trok slechts z'n conclusies uit de zak met leeg van het christelijk geloof. Het zijn de christenen zelf die ervoor verantwoordelijk zijn. Hardnekkig doorgaan met geloven in absurditeiten alsof het om feiten gaat, heeft als gevolg dat je van steeds hoger naar beneden valt, want vallen zul je, dat gebiedt de eerlijkheid van de 21ste eeuw. Denk bijvoorbeeld eens na over bovenstaande vrome uitspraak, slechts één zin van de gelovige: "Laten we hopen en bidden dat de Here zelf dit demonische proces mag keren." Ten eerste roept hij gelovigen op tot hopen en bidden, waaruit we meteen al hun klaarblijkelijke onverschilligheid kunnen opmaken. Ten tweede kan men eruit opmaken dat hij geen gedegen rationele argumenten ziet om Kuitert tot anders denken te laten komen, maar 'het proces' eigenlijk als een zich buiten ons afspelend spelletje tussen demonen en God beschouwt, alsof we in de tijd van de Romeinen leven. Ten derde houdt dit bidden in dat God blijkbaar eerst wakker gemaakt moet worden, omdat Hij er geen erg in schijnt te hebben dat de demonen weer eens te keer gaan op aarde, en deze bestsellerauteur maar ongehinderd steeds langer in gezondheid van demonische geest zijn sloopproces kan voortzetten. Ten vierde wordt aan het bidden nog 'laten we hopen' toegevoegd, hetgeen natuurlijk goed laat zien hoe weinig vertrouwen de christen zelf aan het effect van dit bidden schenkt. Geloof is een taalspel, en wie het onderkent is eerlijk en wijs. Maar christelijk geloof een zeer vals en oneerlijk taalspel, omdat de gelover de term 'taalspel' nooit onderkent en erkent, maar aan zijn gedachtenspinsels absolute realiteitswaarde toeschrijft.


Behoudende christenen begrijpen natuurlijk maar al te goed dat Kuitert in voor iedereen verstaanbare taal het volledige failliet van de christelijke dogma's uit de doeken heeft gedaan, en hebben er geen ander weerwoord op dan ergernis.
Maar Kuitert creëert kundig een sfeer van 'begrip opbrengen voor religie', vooral, zo stel ik me voor, wanneer de lezer een overtuigd atheïst is. De laatsten zullen er ongetwijfeld een opmerking aan toevoegen in de trant van "onder voorbehoud dat theologie-onderwijs voortaan van de universiteit naar de kunstacademie wordt verplaatst, waar het thuishoort." En daarin hebben ze groot gelijk.








Uiteindelijk wordt de waarheid over het christelijk geloof niet door Kuitert of andere moderne theologen of atheïsten met redeneren bewezen, maar overtuigend en beslissend door de realiteit van ons leven zelf. Terwijl ik Kuitert lees als therapie voor mezelf, slaat de Tsunami toe in de Indische oceaan. De ramp is elke dag omvangrijker, totdat hij uiteindelijk uitgroeit tot de grootste natuurramp uit mijn leven. Eerst tellen ze de slachtoffers in de tienduizenden, dan worden het honderdduizenden. In Indonesië geven ze het tellen zelfs op.


“De devotie spoelde weg uit mijn leven door de watersnoodramp van 1953, de vragen kwamen op, leerstellige vragen, levensvragen, alles door elkaar, nog verhevigd door mijn tijd als studentenpredikant aan de universiteit van Amsterdam. Alles in een eenparig versnelde beweging. ‘Hoe komt wie vliegt ooit tot bedaren en wie niet vliegt ooit van de grond?’ (Jan Emmens) Ik kwam dus niet tot bedaren. Het duurde tot 1974 (Zonder geloof vaart niemand wel) voordat ik de basisontdekking niet slechts deed, maar ook voor mijzelf durfde uit te spreken: alles wat we van Boven zeggen komt van beneden, ook als we zeggen dat het van Boven komt.”


Hoe gelijk heeft hij! (Of beter gezegd: Hoe gelijk heeft Ludwig Feuerbach die hetzelfde in 1841 al zei in zijn De Essentie van het Christelijk Geloof). Traditionele christenen lepelen het weer braaf op: “Gods oordelen zijn rechtvaardig”, zelfs de uitdrukking “straf voor de goddeloosheid van de mens” durfden sommigen uit te spreken. En ja, wat anders zou iemand die in een persoonlijke God van de bijbel of de koran gelooft ook kunnen zeggen? Er is tenslotte geen andere verklaring voor te geven. Maar op dezelfde dag dat ik hoorde hoe het reformatorisch dagblad erover dacht, verschenen een paar uur later de beelden van een kerk in Sri Lanka op televisie. De Tsunami had toegeslagen op tweede kerstdag!, tijdens de kerkdienst!, en alle gelovigen in de tjokvolle kerk waren omgekomen! Zouden ze behoord hebben tot een zondige dwaalleerkerk?
“De Schepper heeft onze toenemende liefdeloosheid opgemerkt, en ook de toenemende zucht naar materieel succes, onze vervreemding van de zin van het leven en het principe Heb je naaste lief als jezelf”, las ik wat later in de Finse krant als ingezonden brief van een lezer. Ach, beste gelovige, hoe kun je God en de mens meer beledigen en krenken dan zulke onzin uit te kramen. Overal op de wereld gaan de geldbuidels van alle mensen wagenwijd open, overal betoont men diep medeleven, daadwerkelijke liefde, op ongekende wereldwijde schaal! De waarheid is precies het omgekeerde van wat de traditioneel gelovige ons voorschotelt: wij mensen zijn veelal ongelofelijk goed, maar de realiteit waarin God ons geplaatst heeft, die God geschapen heeft, is vaak onmenselijk, beangstigend en benauwend. Hij heeft ons -die tenslotte Zijn maaksels zijn- weinig of niets te vergeven, God is namelijk zelf verantwoordelijk voor alles. Zoals David Hume al 250 jaar geleden uitsprak:


"Er is geen enkele reden om uit het menselijk bestaan en de toestand waarin hij zich bevindt af te leiden dat God een moreel wezen is, of die ons rechtvaardigt de conclusie te trekken dat God oneindig goed is, en oneindige macht en wijsheid heeft. Zo iets kan men slechts in blind geloof geloven."


In werkelijkheid staat alles er dus precies omgekeerd voor als we vanwege eeuwenlange christelijke prediking gewend zijn te denken: godsdienst is juist dat wij Hem vergeven, dat wij uitspreken: "Alzo lief heb ik God gehad dat ik mijzelf ondanks de wrede natuur, ondanks mijn eniggeboren nietige zelf, ondanks mijn moeizaam voortsukkelende leven en droeve dood, toch geheel aan de liefde en het goede heb overgegeven, opdat temidden van deze gruwelijke dingen waar God voor verantwoordelijk is, toch nog Gods eer gered worde, en Zijn gezicht niet verloren ga." Maar voor christenen is het altijd zo: God slaat gruwelijk toe in de wereld en wij moeten onszelf de schuld ervoor geven, terwijl de gelovige morgen weer rustig over God praat als de Barmhartige, de Liefdevolle, de Schenker van allerlei zegeningen. Hoe in de vrede is het mogelijk dat de christelijke religie van eeuw tot eeuw zo'n gigantisch waandenkbeeld geloofwaardig kan maken? "Hoe zit het? Is de mens een miskleun van God of is God de vergissing van de mens?" (Nietzsche)

Toegegeven, de christenen doen niet allemaal mee aan het vereren van de gruwelgod van de wraak en het oordeel. Ik bladerde een maandblaadje van de plaatselijke pinkstergemeente door en onder de kop "Waarom?" stond heel eenvoudig: "We weten het niet waarom God dit toestond". Eerlijk, zo denk je meteen, eindelijk eens een gelovige die niet bereid is zijn menselijkheid op te offeren om maar gelijk te hebben. Maar toen ik de bladzijde omsloeg en het tweede verhaal doorlas, een interview met de plaatselijke 'verkondiger van het Woord', kreeg ik te lezen hoe deze gelovige geleid wordt 'in de kleinste details van zijn leven'. De Here fluistert hem zelfs zijn preekteksten in! Alweer vraag je je af hoe het toch mogelijk is dat een mens tot aan het absurde toe waandenken in zijn leven toelaat. Heeft de gelovige nu echt in het geheel niet door dat bladzijde 1 en 2 onmogelijk aan elkaar gelijmd kunnen worden? Als bladzijde 1 eerlijk is dan is bladzijde 2 een oneerlijke gedachte, en andersom. Of wellicht moeten we maar concluderen dat God het zo druk heeft met het tellen van de haren van gelovigen, dat een aardbeving volledig aan zijn aandacht ontsnapt.

Ik volgde (in Finland, waar ik woon) op TV een herdenkingskerkdienst en was benieuwd naar wat de Lutherse bisschop zou zeggen. “Wij vertrouwen op God” was het eerste wat ik opving. “Zijn wegen zijn hoger dan wij kunnen begrijpen. Een God die te begrijpen zou zijn zou geen God zijn!” was een tweede vondst; een geliefde oplossing die ik al tijdens mijn theologiestudie door diverse docenten veelvuldig als laatste opmerking toegevoegd hoorde worden aan allerlei onmogelijke dogma's (zoals de drie-eenheid), om ze geloofwaardigheid te schenken. Een kind van 12 had zijn ouders verloren en bad publiekelijk in de kerk: “Lieve God, zegent u mijn ouders”. Een popster zong Ave Maria gratia plena... ("Wees gegroet Maria, vol van genade, de Heer is met u, gij zijt de gezegende onder de vrouwen, en gezegend is Jezus, de vrucht van uw schoot. Heilige Maria, Moeder van God, bid voor ons zondaars, nu en in het uur van onze dood. Amen.") Toen ik het hoorde voelde ik een afkeer voor religie en voelde ik me ellendig alleen. Ben ik de enige in Finland die wist wat de latijnse woorden die gezongen werden betekenden, of doet het er werkelijk niet toe hoe onzinnig een tekst is wanneer de muziek maar mooi is? Keer op keer heb ik atheïsten het woord 'poppenkast' horen uitspreken als oordeel over de godsdienst. Ik begin ze te begrijpen. Ik trek ook keer op keer deze conclusie: de tekst van godsdienst is in de regel onzinnig, maar we blijven er toch maar aan hangen omdat de muziek vaak zo zoet en mooi is. Alweer had die scherpe Voltaire het al eeuwenlang geleden door: "Alles wat te idioot is om uitgesproken te worden, wordt gezongen."


Ik ontmoette een oude bekende. Een man die zo vroom is dat hij nog altijd elke dag in het openbaar zijn tafelgebed opzegt in zijn gezin, een gebed dat voorspelbaar altijd begint met de woorden: “Almachtige trouwe God en Vader, wij danken u…”. Toen ik hem zag schoten die vaakgehoorde woorden meteen door mijn hoofd en met mijn kinderachtige en ergerlijke agressiviteit voer ik tegen hem uit: “Wat doe je nu met God in deze tsunamiramp? Waar is God? Was dit God?”

“Ik weet het niet”, was het antwoord en daarna was het stil. Nog was ik m’n ergernis over het almachtigetrouwegodenvader niet kwijt: “Je weet het wél, het is oneerlijk zo te zeggen. We leven in een wereld van natuurwetten. Er ís geen God die ingrijpt, bestuurt, en trouw is Hij al helemaal niet, en een vader zou zijn kinderen zó niet behandelen. En kom niet aan met een zot verhaal over de zondeval…”

Hierop kwam in het geheel geen antwoord. En ziedaar, het hielp meteen, ik kwam meteen tot rust, en voelde dat ik met een medemens in gesprek was, iemand die net zo worstelde met het leven als ikzelf. Slechts in stilzwijgen over God zijn we eerlijk en mensen voor elkaar. Een Finse bisschop die in het rampgebied was gaan kijken kwam terug en gaf aan journalisten de opmerking: “Het geloof staat momenteel op een laag pitje.” Hij werd overal lovend geciteerd en was de gevierde held vanwege zijn eerlijkheid.


Kuitert als een soort tussenstop naar een volledig atheïsme? Want uiteindelijk velt de Tsunami het definitieve oordeel over de persoonlijke God: zoiets bestaat niet, want dan zou God óf onmachtig zijn, óf onverschillig, of zelfs kwaadaardig. En ook velt deze moderne tijd voorgoed het oordeel over alle godsdiensten met onvoorwaardelijke, kant en klare antwoorden. Voor zulke godsdienst blijft maar één diagnose over: "Al het onvoorwaardelijke hoort thuis in de pathologie." (Nietzsche)
Kijk eens hoe het leven ons een deugdzaam lesje leert:


“Tweede kerstdag is het zo ver, dan gaat de populaire ‘Get the Picture’-presentatrice Lucille Werner op zoek naar God.
-Ik vind het een avontuur. Ik ben benieuwd. We gingen toch op zoek? Nou, dan hoop ik Hem te vinden.
Of Lucille God vindt... je ziet het in ‘Lucille zoekt God’.
Lucille is benieuwd wat de christenen tijdens de zoektocht voor haar in petto hebben.
-Ik ben nieuwsgierig en sta er ook zeker wel open voor. Maar tot nu toe is er nog geen christen geweest die naar me toe kwam en zei: “Nou Lucille, moet je even luisteren. God bestaat en dit is het bewijs.”
Wie weet, vindt Lucille dit bewijs wel tijdens haar ontmoeting met Gert Visscher op een Ronduit Praise-avond, waar honderden mensen staan te zingen in Jezus’ naam. Of zou pastor Peter Dullaert een gevoelige snaar weten te raken bij Lucille?
Volgens Lucille valt haar twijfel niet alleen de christenen te verwijten, maar ligt het ook een beetje aan God zelf:
-Ik vind het een beetje laf van God dat Hij wil dat we in Hem geloven, maar dat Hij nooit een keer zegt: “Hé hoi, hier ben Ik.” En het zou volgens mij voor God heel makkelijk moeten zijn om even een knipoog te geven op aarde.” (EO-internet site)


Lucille en alle anderen die op zoek naar God waren werden dus op hun wenken bediend op tweede kerstdag. We weten nu allemaal wat een knipoog van God is, we got the picture.


Terug naar Seidel, die schrijft in zijn commentaar op Kuitert:


"Ik ga dan ook niet in op wat ik allemaal mis: echte zingeving voor lijdende mensen, antwoorden op zaken als het kwaad..."


Wel, ik ben benieuwd naar een antwoord van hem waar God in voorkomt. Ik heb er overal naar lopen zoeken, maar er is tot nu toe geen christen die me iets zinnigs kan vertellen. Lees deze site om te zien wat godsdiensten ons zoal bieden in deze tsunamiramp. Indien de term 'dramatisch slecht denken' al ergens op van toepassing is, dan is het wel op deze heldere-soep-antwoorden. Het hoogtepunt van godsdienstwaanzin kan men lezen in het nederlands op deze site van katholieken met een profetische aandoening.
Na het lezen van alle religieuze reakties houd ik het erop dat volledig stilzijn over God verreweg de beste reaktie is.


Want zó werkt waardevolle spiritualiteit. Toen de christen waarmee ik tijdens die avondwandeling in gesprek was helemaal geen antwoord meer gaf, en het helemaal stil werd en we maar in het donker somber voortsjokten, met die verschrikkelijke televisiebeelden van die ramp in ons hoofd, was het alsof God mijn frustratie en agressiviteit wegnam en tot mij sprak (ja, inderdaad, ik verbeeldde het me). Iedere gelovige, ex-gelovige of beetje-gelovige weet over deze stem. Het is de stem van Jezus toen hij zijn mond niet meer opendeed toen hij berecht werd en bespot en beschimpt werd. Het was alsof hij nu voor me stond en me met zijn doordringende ogen aankeek en zei: “En? Heb je nu je zin? Geniet je nu van je gelijk? Goed jongen, jij je zin, er is geen God, iedere gelovige leeft in een waan. Maar mag ik nu eens horen hoe jij deze wereld denkt op te bouwen?”


“Religie is spiritualiteit geworden, en spiritualiteit is a many splendoured thing. Ik val deze ontwikkeling bij. Religies leveren hun pretenties in, ook de christenheid, ook de islam, ze switchen naar spiritualiteit. Ze zijn van beneden, expressie van een menselijke ‘behoefte aan’.”


Religie is zoals Kuitert schreef toegift, een luxe voor wie het zich kan permitteren. Maar voor het opbouwen van de wereld hebben we menselijk medeleven nodig en wetenschap (techniek), en dienen we over God te zwijgen. Het antwoord op het kwaad en het menselijk lijden kon niet duidelijker door God gegeven worden dan door deze ramp.



Albert Vollbehr, januari 2005