Brieven vanaf de aarde
Uit het dagboek van Eva
Het vervloekte menselijk geslacht
Kleine Bessie en de Voorzienigheid
Brief aan de aarde
Volwassen Geloof                                                                      Mark Twain

        













"Letters From The Earth" is een satirische analyse van het christelijk geloof (voornamelijk Genesis) zoals het traditioneel altijd gepredikt is. Traditionele opvattingen waren honderd jaar geleden nog zo heilig dat Mark Twain dit laatste boek van hem (geschreven in 1906) niet durfde te publiceren, en zijn dochter het na zijn dood (in 1910) verbood uit te geven, totdat ze er eindelijk in hoge ouderdom in 1962 toestemming voor gaf. Voor zover mij bekend is, is dit werk in het nederlands niet in boekvorm te verkrijgen.

Onderstaand geschrift kan natuurlijk gelezen worden als een flauwe aanval op christendom, geschikt leesvoer voor skeptische tieners (zo komt het wellicht op ons moderne mensen over), maar wellicht beter als de intens pijnlijke teleurstelling over wat de godsdienst ons mensheid te bieden heeft. Onder een tapijt van onovertroffen humor ligt het grote verdriet van een alles ervaren hebbend mens over de aartsdomheid van de mensheid, een domheid zo groot dat het van Twain een misantroop dreigde te maken. De geschiedenis van de 20ste eeuw geeft veel aanleidingen om het met de bejaarde Twain eens te zijn.
"Het vervloekte menselijk geslacht" en "Kleine Bessie en de Voorzienigheid" zouden trouwens uitstekende teksten zijn voor alle amerikaanse leerboeken over het tegenwoordig zo populair wordende Intelligent Design (ID)...

Albert Vollbehr (vertaler)







Inleiding

De schepper zat in gepeins op Zijn troon. Het oneindige uitspansel des hemels, badend in een overweldigende schittering van licht en kleur,  strekte zich achter Hem uit. En vóór Hem verrees als een muur de zwarte nacht van het heelal. Zijn geweldige verschijning torende als een steile berg omhoog, en Zijn goddelijk hoofd schitterde daar aan de top als een verre zon. Aan Zijn voeteneind stonden drie kolossale figuren, hoewel ze in vergelijking tot Hem bijna in het niet verzonken – de drie aartsengelen kwamen slechts tot aan Zijn enkelbot.

 

Toen de Schepper uitgedacht was zei Hij: “Ik ben uitgedacht. Ziet toe!”

 

Hij verhief Zijn hand, en er schoot een fontein van vuurstralen uit. Een miljoen ontzagwekkende zonnen die de duisternis doorkliefden en zich ver, verder, steeds verder verwijderden. Terwijl ze de verste uiteinden van het heelal doorkruisten namen ze geleidelijk af in omvang en lichtintensiteit, totdat ze er tenslotte uitzagen als sprankelende diamanten speldenknopjes onder het dak van het universum. 

 

Aan het eind gekomen van dit uurtje scheppen werd de Grote Raad ontbonden.

 

Ze verlieten de Tegenwoordigheid diep onder de indruk en vol van gedachten, en begaven zich naar een privéplek waar ze vrijuit konden praten. Geen van drieën scheen het gesprek te willen beginnen, hoewel ze er allemaal op wachtten dat één van hen het eerste woord zou uitspreken. Eigenlijk zouden ze alle drie niets liever willen dan deze grote gebeurtenis bespreken, maar men hoedde zich ervoor er uitspraken over te doen voordat men wist hoe de anderen erover dachten. Er ontstond dus een wat weifelend en oeverloos gekeuvel over zaken van generlei belang, en dit sleepte zich maar saai voort, totdat uiteindelijk de aartsengel Satan zijn moed  –waar hij een zeer goede voorraad van had-  bijeen verzamelde, en het ijs brak. Hij zei: “Heren, we weten waar we het over willen hebben, en hoeven het dus niet te doen voorkomen alsof het anders is. Laten we dus een aanvang nemen –indien de Raad hiermee accoord gaat- ... ”

 

“Jazeker gaan wij accoord!” onderbraken Gabriël en Michael hem dankbaar.

 

“Welnu, laat ons dan beginnen. We zijn getuigen geweest van iets wonderbaarlijks, wat dat betreft zijn we dezelfde mening toegedaan. Wat de waarde ervan betreft –indien dit überhaupt enige waarde heeft- zullen we erin moeten berusten dat wij in de zaak verder geen inbreng hebben. We kunnen er net zoveel meningen op nahouden als we maar willen, maar daar houdt het dan mee op. We hebben tenslotte geen stemrecht. Persoonlijk vond ik dat de ruimte precies zoals hij was wel goed genoeg was, en nog nuttig ook: koud en donker, een plaats voor rust, om af en toe te bezoeken, wanneer het al te delicate klimaat en de veeleisende pracht des hemels wat teveel van het goede worden. Maar dit is natuurlijk slechts een kanttekening zonder enig gewicht. De nieuwe situatie, het alles overheersende kenmerk ervan is – ja, wat is het, heren?”

 

“De uitvinding en het introduceren van een automatische, zichzelf regulerende wet ter besturing van die myriaden suizende en voortrazende zonnen en werelden!”  

 

“Precies, dat is het!” zei Satan. “U begrijpt dat dit een verbluffend idee is. Niets vergelijkbaars is ooit eerder uit het Meesterintellect voortgekomen. Wet –Automatische Wet- exacte en onverbiddelijke Wet, wet die geen toezicht vereist, geen verbetering behoeft, nooit bijgesteld hoeft te worden, zolang de eeuwigheden maar voortduren! Hij zei dat deze enorme lichamen door de uitgestrekte ruimte zich eindeloos en met onvoorstelbare snelheid zouden voortbewegen, of in banen zouden rondcirkelen, terwijl hun rondcirkelen nog geen honderdste van een seconde in tweeduizend jaar zich zou verkorten of verlengen. Dat is het nieuwste wonder, en het grootste wonder van alle wonderen: Automatische Wet! En Hij gaf het ook een naam: de Natuurwet, en Hij zei dat de Natuurwet Gods Wet was, de ene term is een synoniem van de andere.”

 

“Ja”, zei Michael, “en Hij zei de Natuurwet, oftewel Gods Wet, overal van kracht te laten zijn, en dat het gezag van deze wet absoluut zou zijn en niet te breken.”

 

“En bovendien”, zei Gabriël, “zei Hij nog dieren te willen scheppen en die evenzo onder deze Wet te laten leven.”

 

“Inderdaad”, zei Satan, “ik heb het Hem horen zeggen, maar ik begreep het niet. Wat is dieren, Gabriël?”

 

“Wel, hoe zou ik het kunnen weten. Hoe zou wie van ons het ook kunnen weten. Het is een nieuw woord.”

 

[Hier volgt een pauze van drie eeuwen, gerekend in hemelse tijd – het equivalent van honderd miljoen jaar aardse tijd. Volgt een Boodschapper-Engel:]

 

“Heren, Hij is bezig dieren te scheppen. Zou u mee willen komen om het te zien?”

 

Ze gingen, ze zagen het en stonden aan de grond genageld. Volkomen verbijsterd! De Schepper bemerkte dit en zei: “Vraagt. Ik zal antwoorden.”

 

“O Goddelijke”, zei Satan terwijl hij een buiging maakte, “waar dienen ze voor?”

 

“Ze zijn een experiment in Moraal en Gedrag. Sla ze gade en leer ervan.”

 

Er waren er duizenden van. Ze waren vol aktiviteit. Druk, allemaal druk, voor het merendeel in het vervolgen van elkaar. Nadat Satan één van de dieren onder een krachtige microscoop bestudeerd had riep hij uit: “Dit grote beest doodt zwakkere dieren, o Goddelijke.”

 

“Ah, de tijger, inderdaad. De wet van zijn natuur is woest, wreed en verscheurend. De wet van zijn natuur is de wet van God. Hij kan aan deze wet niet ongehoorzaam zijn.”

 

“Dus door aan deze wet te gehoorzamen begaat hij geen overtreding, o Goddelijke?”

 

“Nee, hij is onschuldig.”

 

“Dit andere schepsel is schuw, o Goddelijke. Hij ondergaat zijn dood zonder tegen te stribbelen.”

 

“O, het konijn. Inderdaad. Hij heeft geen moed. Het is de wet van zijn natuur, de Wet van God. Hij moet hieraan gehoorzamen.”

 

“Dan kan men hem er dus niet op aanzien dat hij niet tegen deze wet van zijn natuur –de Wet van God- ingaat?”

 

“Nee, van geen enkel schepsel kan men in alle redelijkheid eisen tegen zijn natuur in te gaan, tegen de Wet van God in te gaan.”

 

Na lange tijd en vele vragen riep de Satan uit: “de spin doodt de vlieg en eet hem op, de vogel doodt de spin en eet hem op, de lynx doodt de gans; de... wel, ze doden elkaar allemaal. Het is één en al moord. We hebben hier dus ontelbare schepselen en ze doen niets anders dan doden, doden, doden, het zijn allemaal moordenaars. En toch kan men ze dit niet toerekenen, o Goddelijke?”

 

“Nee, ze zijn onschuldig. Het is slechts de wet van hun natuur. En de wet van de natuur is altijd de wet van God. Maar kijk nu goed toe – let op! Een nieuw schepsel -mijn meesterwerk-  de MENS!

 

Mannen, vrouwen, kinderen, ze zwermden overal naar toe in kudden, in massa’s, bij miljoenen.

 

“Wat bent U met hun van plan, o Goddelijke?”

 

“Ik leg in een ieder van hen in verschillende mate al de verschillende Morele Kwaliteiten –alles samengebundeld-  die ik aan afzonderlijke niet-sprekende dieren als kenmerkende eigenschap heb gegeven: moed, lafheid, woestheid, zachtheid, redelijkheid, rechtvaardigheid, gewiekstheid, verraderlijkheid, grootmoedigheid, wreedheid, kwaadaardigheid, verdorvenheid, lust, genade, medelijden, zuiverheid, dienstbaarheid, liefelijkheid, eer, liefde, haat, laagheid, edelheid, trouw, valsheid, waarachtigheid, leugengeest – ieder mens zal dit alles in zich bergen en dat zal zijn natuur zijn. Bij sommigen zullen de hoogstaande en mooie eigenschappen de slechte eigenschappen overheersen, en zij zullen goede mensen genoemd worden. Bij anderen zullen de kwade eigenschappen overheersen en zij zullen slecht genoemd worden. En let op – kijk goed- ze verdwijnen!”

 

“Waarheen, o Goddelijke?”

 

“Naar de aarde – en al die andere dieren ook.”

 

“Wat is de aarde?”

 

“Een kleine planeet die ik één tijd, twee tijden en een halve tijd geleden gemaakt heb. Jullie waren er getuige van maar merkten het niet op omdat de aarde onderdeel was van de explosie van werelden uit Mijn hand. De mens is een experiment en de andere dieren zijn een ander experiment. De tijd zal leren of ze de moeite waard waren. De voorstelling is hierbij afgelopen, heren, u kunt gaan.”

 

Verscheidene dagen verstreken. Dit betekent een lange (menselijke) tijd, aangezien een hemelse dag wel duizend jaar is.

 

De Satan had enkele bewonderende uitspraken gedaan aangaande sommige van de Scheppers enthousiaste bezigheden en die uitspraken waren, indien men maar goed tussen de regels doorlas, sarcastische opmerkingen.  Hij had ze weliswaar in vertrouwen aan zijn veilige vrienden, de andere aartsengelen, uitgesproken, maar enkele gewone engelen hadden afgeluisterd en het aan het Hoofdkwartier bericht.

 

Hij werd daarom voor een dag verbannen –een hemelse dag. Het was een straf waaraan hij al gewend was aangezien zijn tong wel vaker te rap was. In vorige gevallen werd hij naar de ruimte verbannen, aangezien er niets anders was om hem naartoe te sturen, en daar had hij uit verveling -dan weer hier dan weer daar- maar wat uitgehangen in de eeuwige nacht en arctische kou. Maar nu kwam hij op het idee nog wat verderop te gaan kijken en eens uit te pluizen waar die aarde was om te bezien hoe het met het experiment ging.

 

Weldra schreef hij -in het geheim- naar huis, naar Sint Michael en Sint Gabriël om er verslag van te doen.

 

 

 

De brief van Satan

 

Dit is een vreemde plaats, een buitengewone plaats, en een interessante plaats. Er is thuis niets waar men deze plaats mee kan vergelijken. De mensen zijn allemaal hardstikke gek, de andere dieren zijn ook gek, de hele aarde is krankzinnig, de Natuur is krankzinnig. De mens is een geweldige curiositeit. Op z’n best is hij een met slechte kwaliteit nikkel beslagen engel; op z’n ergst is hij onuitstaanbaar, onvoorstelbaar. Maar hij is bovenal en altijd vol bijtende spot. En toch noemt hij zich ook doodleuk en geheel onschuldig “Gods edelste schepping”. Ik vertel jullie echt de waarheid. En deze opmerking van hem is niet maar zojuist door hem uitgevonden, hij heeft zichzelf alle eeuwen door zo beschouwd en gelooft er heilig in. Hij heeft dit altijd geloofd en er is nooit iemand van zijn ras bereid gevonden hierover in de lach te schieten.

 

Bovendien –als ik jullie nog iets onvoorstelbaars mag verkopen- denkt hij ook nog de lieveling van de Schepper te zijn. Hij gelooft zelfs dat de Schepper trots op hem is, Zich voortdurend met hem bezighoudt, zelfs ’s nachts opblijft om hem te volgen en de wacht over hem te doen en hem te behoeden voor gevaren. Hij bidt tot de Schepper en denkt dat Hij luistert. Is dit niet buitengewoon vreemd? Zijn gebeden stromen over van primitieve, banale en omslachtige vleierij, en hij denkt dat God heerlijk geniet en als een poes spint bij het aanhoren van al die buitensporigheden. Hij bidt iedere dag om hulp, om gunsten, om bescherming, en doet het zelfs in hoop en vertrouwen, hoewel zijn gebeden nog nooit zijn verhoord. Het ontmoedigt hem niet elke dag beledigd te worden, elke dag te verliezen, maar hij blijft gewoon doorbidden. Je zou deze eigenschap bijna aandoenlijk kunnen noemen. Ik moet een nog groter beroep op jullie goedgelovigheid doen: hij denkt zelfs dat hij naar de hemel gaat! Hij heeft leraren aangesteld die hij ervoor betaalt hem dit te vertellen. Die leraren vertellen hem ook dat er een hel is, een plaats van eeuwig vuur, en dat hij daar naartoe gaat als hij zich niet aan de Geboden houdt. Wat die geboden zijn? Ook al een curiositeit. Maar daar zal ik later nog wel wat over schrijven.

 

 

De tweede brief

 

“Ik heb jullie over de mens echt niets geschreven wat niet waar was.” Vergeef me deze opmerking van tijd tot tijd weer eens te herhalen in deze brieven. Ik wil dat jullie al deze dingen echt serieus nemen, en heb zelf het gevoel dat als ik van jullie deze brieven kreeg ik dit telkens te horen zou moeten krijgen om het me maar te doen geloven. Want er is niets in de mens waar een onsterfelijke zich niet over zou verbazen. Hij beziet geen enkel ding zoals wij dat bezien, zijn gevoel voor proporties is zeer verschillend van de onze, zijn waardeoordelen wijken van die van ons zozeer af dat zelfs de meest getalenteerde onder ons ze niet zou kunnen begrijpen.

 

Neem bijvoorbeeld dit: hij heeft een hemel gefantaseerd voor zichzelf en laat datgene waar hij het meest plezier aan heeft -de extase waar het hart van ieder individu uit zijn ras (net zoals ons eigen hart) van overstroomt, de sexuele gemeenschap-  er volkomen uit weg! Het is alsof een verdwaald en bijna aan de dood overgeleverd persoon in de hete woestijn door een redder alles aangeboden krijgt waar hij maar naar verlangd heeft,  behalve één ding, namelijk water!

 

Zijn hemel is als hemzelf: vreemd, interessant, verbazingwekkend, grotesk. Op mijn woord van eer, zij bevat geen enkele zaak waar hij werkelijk om geeft.  De hemel bestaat enkel en geheel uit bezigheden waar hij bijna niets om geeft hier op aarde. Hij denkt dat hij zeer zeker ervan zal genieten in de hemel. Is dat niet bijzonder vreemd? Interessant, niet? Denk echt niet dat ik overdrijf, want dat doe ik niet. Ik zal jullie de details geven.

 

De meeste mensen zingen niet, de meesten kunnen het niet eens, en de meeste mensen zullen anderen slechts aan willen horen op voorwaarde dat het hooguit een uur of twee duurt. Knoop dit eerst goed achter jullie oren.

 

Slechts ongeveer twee van de honderd mensen kan een muziekinstrument bespelen, en nog geen vier op de honderd hebben de wens zoiets te leren. Vergeet dus ook dit niet.

 

Vele mensen bidden, maar er zijn er niet veel die er plezier in hebben. Er zijn er die maar wat opdreunen en anderen proberen het zo kort mogelijk te doen.

 

Er gaan veel meer mensen naar de kerk dan die het echt willen.

 

Negenenveertig van de vijftig vinden de Sabbat maar een saaie bedoening.

 

Van alle kerkbezoekers op een willekeurige zondag zijn tweederde de kerkdienst al moe wanneer hij nog maar op de helft is, en de rest kijkt al ruim voor het einde van de dienst op z’n horloge.

 

Het moment waar men het meest van geniet is wanneer de dominee zijn handen opheft om de zegen uit te spreken. Op dat moment kan men een zacht gemurmel van opluchting de gehele kerk horen rondgaan, duidelijk herkenbaar als een golf van grote dankbaarheid.

 

Alle volken kijken neer op andere volken.

Alle volken geven af op andere volken.

Alle blanke volken verachten alle gekleurde volken, het doet er niet toe van welke andere kleur, en ze onderdrukken ze zo veel mogelijk. Blanken gaan niet om met ‘negers’, en zullen er zeker niet mee trouwen. Ze laten zwarten niet eens in hun scholen en kerken toe. En alle volken haten de Joden, en kunnen de Jood niet verdragen tenzij hij rijk is.

 

Ik vraag jullie dit alles nu goed in gedachten te houden.

 

Voorts, alle gezonde mensen hebben een gruwelijke hekel aan lawaai. En alle mensen, of ze nu psychisch gezond of ziek zijn, houden van afwisseling in hun leven. Eentonigheid is iets waar ze beslist niet tegen kunnen.

 

Ieder mens gebruikt voortdurend zijn verstand, onophoudelijk, volgens het mentale aandeel dat hem toebedeeld is. Dit gebruik maken van het verstand is een groot, waardevol, en essentieel onderdeel van een mensenleven. Zowel de zwak- als hoogbegaafden hebben bepaalde gaven die ze met enthousiasme steeds aan opgaven onderwerpen, willen laten zien of perfectioneren. De kleuter die in spelletjes zijn vriendje overtroeft is hier al even goed in als de beeldhouwer, de schilder, de pianist, de wiskundige en de rest. Niemand van hen zou gelukkig zijn indien het verboden zou zijn zijn intellect aan te tonen.

 

Dit nu zijn dus de feiten. Jullie weten nu waar het menselijke ras van houdt en waar niet van. Zij heeft nu geheel op eigen kracht een hemel uitgevonden. En raad nu eens hoe die er uit ziet! Zelfs in vijftienhonderd eeuwigheden zouden jullie het niet raden. De schranderste geest die jullie of mij bekend is zou het in vijftigmiljoen aeonen niet raden. Welnu, ik zal het jullie dus vertellen.

 

1. Allereerst dat buitengewone feit dat mij meteen opviel. Namelijk dat de mens, net als de onsterfelijken, van nature de seksuele gemeenschap veruit boven alle andere geneugten plaatst. En toch laat hij dit weg uit zijn hemel! De gedachte aan seks windt hem buitengewoon op, de gelegenheid ertoe maakt hem helemaal dol. Wanneer hij opgewonden is, is geen risico te groot. Hij offert zo zijn leven, zijn reputatie, alles op –ja, zelfs zijn vreemde hemel zelf- om maar van de gelegenheid gebruik te maken en het tot een climax te laten komen. Vanaf zijn jeugd tot laat op middelbare leeftijd geven mannen en vrouwen aan het paren meer waarde dan aan alle andere geneugten bijelkaar opgeteld. En toch is het precies zoals ik daarnet zei: het bestaat niet in de hemel. In plaats daarvan is het bidden, zo’n grote waarde hechten zij hieraan. En toch is het met dit laatste droevig gesteld, net zoals met al hun andere ‘zegeningen’.  Op z’n best en langst  zijn ze er onvoorstelbaar kort mee bezig –onvoorstelbaar voor het voorstellingsvermogen van een onsterfelijke natuurlijk. Wat het repeteren betreft is de mens nogal beperkt –het lijkt in niets op de kwaliteiten van een onsterfelijke. Wij die eeuwenlang onophoudelijk en in de allerhoogste extase door kunnen gaan met de gave die alle andere gaven doet verbleken zodat ze niet eens meer de moeite van het opsommen waard zijn, zullen nooit de belabberde armoede van de mens op dit gebied kunnen begrijpen.


2. In de hemel van de mens zingt iedereen! De mens die nooit zong op aarde doet het daar. De man die niet zingen kon op aarde is er daar een meester in. Dit algemene zingen is niet maar af en toe en terloops, en is niet maar een onderbreking van stille perioden, maar is onophoudelijk, de gehele dag door en iedere dag. En allemaal blijven ze, terwijl ze op aarde na een uur of twee het wel voor gezien zouden laten. Men zingt uitsluitend geestelijke gezangen. Of nee, eigenlijk is het steeds één en hetzelfde gezang. De woorden zijn altijd hetzelfde. Het zijn er ongeveer twaalf, zonder rijm en zonder poezie: “Hosanna, hosanna, de Heer Zebaoth.  Ra! Ra! Ra! Siss! –Boem...Aaah!”


3. Ertussendoor speelt iedereen op een harp –miljoenen en nog eens miljoenen! En dat terwijl er op aarde maar twintig op de duizend een instrument konden bespelen of er ooit zelfs maar zin in hadden.  Stel je het geluid van een stormvloed voor –miljoenen en nog eens miljoenen stemmen schreeuwen uit volle borst en miljoenen en nog eens miljoenen harpen knarsen hun tanden op hetzelfde moment! En nu vraag ik jullie: is dit niet afschuwelijk, is het niet verfoeilijk, is het niet afstotend? Vergeet ook niet het volgende: het is bedoeld als een lofprijzing, een dienst van dank, van vleierij en van verering! Vragen jullie je nu af wie het wel kan zijn die deze vreemde verering kan verdragen, deze krankzinnige vorm van verering, en het niet slechts maar verdraagt, maar er bovendien nog mee in zijn schik is, ervan geniet, het vereist en zelfs gebiedt? Houd jullie adem nu in!  Het is God! Ik bedoel, het is de god van dit ras. Hij zit op een troon, omringd door zijn vierentwintig oudsten en enige andere eerwaarden die als dienaars bij zijn hofhouding horen, en kijkt neer op zijn in vervoering zijnde aanbidders die zich kilometers ver voor Hem uitstrekken, en glimlacht, en spint als een poes, en knikt van voldoening naar het noorden, het oosten, het zuiden. Het is naar mijn mening het allervreemdste en kinderachtigste spektakel dat er in het gehele universum tot nu toe is uitgevonden. Het is duidelijk dat de uitvinder der hemelen voor zo’n festijn niet verantwoordelijk is, maar het een copie is van de festiviteiten van een zielig soeverein staatje ergens in een afgelegen uithoek van het Midden-Oosten. Alle gezonde mensen haten lawaai; en toch accepteren ze dit soort hemel. Klakkeloos, zonder overdenking, zonder onderzoek – ze wíllen zelfs naar zo’n hemel! Diep vrome, oude, grijsharige mannen besteden zelfs een groot deel van hun dromen aan de gelukzalige dag dat ze met de beslommeringen van dit leven mogen ophouden en de geneugten van de hemel mogen smaken. Je kunt aan ze zien hoe onecht het allemaal klinkt in hun oren, hoe weinig serieus ze het nemen, want ze doen geen enkele voorbereidingen voor de grote overgang: je zult ze nooit met een harp in de weer zien, noch ze ooit horen zingen.
Zoals gezegd is deze unieke uitvoering een dienst van lofprijzing. Men prijst met gezang, met op de knieën vallen. De hemel komt in de plaats van ‘kerk’. Op aarde kunnen deze mensen de kerkdiensten niet zo pruimen –een uur en een kwartier op z’n hoogst, en dat slechts één keer per week, op zondag. Één dag van de zeven, en zelfs dan kijken ze er nog niet met veel verlangen naar uit. En stel je nu voor wat hun hemel hen aanbiedt: een kerkdienst die voor eeuwig doorgaat, een sabbat die nooit ophoudt! Híer worden ze al gauw moe van hun wekelijkse kerkdienst, maar toch zien ze uit naar die eeuwige sabbat. Ze dromen ervan, ze spreken erover, ze denken dat ze ervan denken te genieten –met geheel hun simpele hart denken ze er gelukkig te zullen zijn! Dit komt natuurlijk doordat ze in het geheel niet nadenken. Ze denken slechts dat ze denken, terwijl ze in werkelijkheid helemaal niet kunnen denken. Geen twee mensen op de tienduizend hebben iets waarmee ze kunnen denken. En wat de verbeelding betreft –wel, men behoeft slechts te kijken naar hun hemel! Ze accepteren hem, ze keuren hem goed, ze bewonderen hem. Daaraan kun je hun intellectuele begaafdheid meten.


4. De uitvinder van hun hemel laat alle volkeren van de aarde er in rondlopen, één bonte mengelmoes. Ze zijn allemaal absoluut gelijkwaardig, niemand van hen heeft een rang, ze moeten allemaal ‘broeders’ van elkaar zijn, ze bidden samen, ze spelen samen harp, ze hosannen tesamen, blanken, zwarten, joden, iedereen. Er is geen onderscheid. Hier op aarde haat elk volk het andere volk, en ieder volk haat gezamelijk de jood. Maar toch is ieder vroom persoon zeer in zijn schik met deze hemel en hij zou er graag naartoe willen. Echt waar. En wanneer hij in heilige vervoering is denkt hij dat indien hij slechts in de hemel zou zijn hij al dat vreemde volk van harte zou liefhebben en maar omhelzen, omhelzen, omhelzen! Hij is echt een wonder, die mens. Ik zou zo graag willen weten wie hem gemaakt heeft!


5. Ieder mens op aarde is in het bezit van enig intellect, een klein of een groot intellect. En of het nu klein of groot is, hij is er trots op. En het hart van de mens zwelt op wanneer men de namen van de gevierde intellectuele voormannen van zijn ras noemt. Hij geniet van de verhalen over hun geweldige prestaties. Want hij is verwant aan hen en door die voormannen te vieren geeft hij eer aan zichzelf. ‘Zie waar de geest van de mens toe in staat is!’, roept hij uit en dan gaat hij de pracht en praal van alle eeuwen door. Hij duidt dan op de onvergankelijke literatuurschatten die zij de wereld hebben geschonken, en de mechanische wonderen die ze hebben uitgevonden, en de enorme prestaties die men in de wetenschap en de kunst heeft verricht. Men neemt zijn hoed af voor deze koninklijke mensen, maakt voor hen zijn diepste en oprechtste buiging waartoe hij maar in staat is. Intellect wordt dus boven al het andere op aarde geprezen en wordt op een ongenaakbare  troon geplaatst, hoog verheven boven al het andere. En vervolgens komt hij aan met een hemel waarin niet het minste spoor van intellect te bespeuren valt! Is dit niet vreemd, niet verwonderlijk, niet raadselachtig? En toch is het precies zo als ik juist heb gezegd, zo ongelooflijk als het maar klinkt. Deze oprechte bewonderaar van intellect en de gulle beloner van de diensten van het intellect hier op aarde, heeft een godsdienst en een hemel uitgevonden waar iedere waardering voor het intellect aan ontbreekt,  die er totaal geen aandacht voor hebben, helemaal niets om intellect geven. In feite maken ze er zelfs nooit enig gewag van. Jullie zullen nu wel opgemerkt hebben dat de hemel van de mens zo uitgedacht en geconstrueerd is dat het aan één kenmerk voldoet. En dat kenmerk is dat het tot in de kleinste details voldoet aan de eis dat het ieder mens grondig tegenstaat en er niets maar dan ook niets te vinden is waar een mens van geniet! Het is inderdaad zo dat hoe meer we deze zaak bestuderen, des te duidelijk het zal worden. Neem dit ter harte: in de hemel van de mens is geen plaats voor verstandelijke bezigheden. Er is daar niets wat voedsel aan het intellect zou geven. Het zou er dan ook binnen het jaar wegrotten, wegrotten en gaan stinken; eerst verrotten en dan stinken, en op dat punt gekomen zou het heilig worden. Gelukkig maar, want slechts een heilige zou de vreugde van dit gekkenhuis verdragen kunnen.

 

 

 

 

 

 

De derde brief

 

Jullie hebben nu wel opgemerkt dat de mens een curiositeit is. In lang vervlogen tijden had hij honderden en nog eens honderden godsdiensten die hij inmiddels allemaal heeft versleten en weggegooid. Tegenwoordig heeft hij ook honderden en nog eens honderden godsdiensten, en hij bedenkt er wel drie nieuwe bij elk jaar. Dit getal zouden we rustig kunnen vergroten zonder ons aan overdrijving schuldig te maken. Onder zijn hoofdgodsdiensten rekenen we er één die men christelijk geloof noemt. Wellicht is het voor jullie interessant hiervan een beschrijving te krijgen. Het christelijk geloof wordt in alle details beschreven in een twee miljoen woorden bevattend boek, dat als naam heeft Oude en Nieuwe Testament. Het heeft ook een andere naam: Woord van God. De christen meent namelijk dat ieder woord eruit door God gedicteerd is, dwz de god die ik daarnet noemde. Het boek is vol interessante zaken. Men kan er edele poëzie in vinden, een verzameling sprookjes, wat bloederige geschiedenis, af en toe wat goede moraal, een ruime sortering obcene verhalen en ongeveer duizend leugens.
Deze bijbel is voornamelijk opgebouwd uit fragmenten oudere bijbels die in andere tijden in zwang waren en verloren gingen. Het ontbreekt de bijbel dus aan originaliteit. Zijn drie of vier belangrijkste gebeurtenissen gebeurden al in die oudere bijbels; ook zijn beste voorschriften en gedragscodes stammen uit die oudere bijbels. In de nieuwe bijbel staan slechts twee nieuwtjes. Allereerst de hel en vervolgens die wonderlijke hemel, waar ik jullie al over schreef. Wat zullen we hiervan nu denken? Indien we het met deze mensen eens zijn dat God deze wrede uitvindingen deed, doen we aan godslastering mee. Maar als we geloven dat die mensen zelf deze dingen uitvonden, dan lasteren we hen. In beide gevallen is het een onplezierig dilemma, want geen van beide partijen hebben ons ongerief berokkend. Maar laat ons ten behoeve van onze gemoedsrust partij kiezen en deze hele onsmakelijke zaak maar voor rekening van Hem zetten - hemel, hel, de Bijbel en de hele handel. Het schijnt ons niet juist toe, het lijkt niet fair, maar in acht nemend dat de hemel zo gebukt gaat onder alles wat voor een mens zo volstrekt weerzinwekkend is, hoe zouden we tot de conclusie kunnen komen dat de mens zoiets uitgevonden zou hebben? En wanneer ik nog toekom aan een beschrijving van de hel zal het al helemaal duidelijk worden en zullen jullie naar alle waarschijnlijkheid zeggen: Nee, een mens zou zo'n plaats niet uitvinden, noch voor zichzelf, noch voor ook maar iemand anders. Hij is er eenvoudigweg niet toe in staat.


Deze onschuldige Bijbel vertelt over de schepping. Waarvan? Van het universum? Ja, precies, van het universum. In zes dagen! God deed dat. Hij noemde het alleen geen universum, dat begrip is modern. Zijn gehele aandacht besteedde Hij aan deze wereld. Het scheppen ervan nam vijf dagen in beslag en...voor de twintig miljoen zonnen en tachtig miljoen planeten trok Hij één dag uit. Waar dienden al deze hemellichamen voor, volgens zijn denken? Om zijn kleine speelgoedwereld wat licht te verschaffen. Dat was de enige bedoeling. Hij wist er niets anders meer mee te doen. Één van die twintig miljoen zonnen, zo ongeveer de kleinste, moest de aarde bij dag beschijnen, en de rest moest één van het onnoemlijk aantal manen in het universum helpen de pikdonkere nacht enigszins te verlichten. Blijkbaar dacht Hij dat zijn vers gebakken hemelruim vanaf de eerste dag dat zijn zon onder de horizon verdween al bezaaid was met als diamanten sprankelende sterren, maar in feite duurde het wel drie-en-een-half jaar na die gedenkwaardige week van krachtinspanning, voordat het licht van de eerste ster op aarde zichtbaar werd. En toen flikkerde er nog maar één ster, heel alleen. Pas na nog eens drie jaar verscheen er nog een tweede. En die twee flonkerden tesamen nog vier jaar lang voordat eindelijk de derde zich liet melden. En na honderd jaar waren er nog geen vijfentwintig die flonkerden aan de sombere hemel van dat uitgestrekte woeste aardlandschap. Na duizend jaar waren er nog niet veel sterren om over naar huis te schrijven. En na een miljoen jaar hadden slechts de helft van het aantal sterren die men tegenwoordig kan waarnemen de telescopische afstand afgelegd om hun licht te laten zien. Het duurde nog een miljoen jaar voordat de andere sterren het voorbeeld volgden. Maar niemand merkte hun komst op omdat men niet over telescopen beschikte.
Al driehonderd jaar nu weet de christelijke sterrenkundige dat zijn Godheid de sterren niet in die bijzondere zes dagen gemaakt heeft. Maar de christelijke astronoom interesseert zich niet zo voor dit detail. En de priester ook al niet.


In zijn Boek weidt God met welbespraaktheid uit over zijn machtige daden. Hij geeft die de allergrootste benamingen die Hij maar in voorraad heeft en laat zo goed zijn grote en terechte bewondering zien voor grootheden. En toch maakte Hij al die miljoenen reusachtige zonnen om dit pieterpeuterige aardbolletje maar te verlichten, en liet Hij niet deze kleine zon om die hemellichamen dansen. Hij maakt trouwens melding van de Grote Beer (Arcturus) in zijn boek, herinneren jullie het je nog, de Grote Beer, daar maakten we eens een bezoekje aan. Ook die ster is een nachtlampje voor de aarde! Een reusachtige bol wel vijftig keer zo groot als de zon van de aarde. Maar op de zondagschool leert men de kinderen nog steeds dat de Grote Beer geschapen is om de aarde te belichten, en zo gelooft het opgegroeide kind nog lange tijd, zelfs nadat hij zich allang bewust is van de onwaarschijnlijkheid ervan.


Volgens dit Boek en zijn dienstknechten is het universum slechts 6000 jaar oud. Slechts de laatste tweehonderd jaar hebben onderzoekende geesten bevonden dat het eerder honderd miljoen jaren is.

Gedurende de Zes Dagen schiep God de mens en de andere dieren. Hij maakte een man en een vrouw en plaatste hen in een aangename tuin, tesamen met al die andere schepselen. Ze leefden aldaar enige tijd in harmonie, tevredenheid en voorspoedige jeugd. Maar toen kwamen de problemen. God had de man en de vrouw ervoor gewaarschuwd geen vrucht te eten van een bepaalde boom. En Hij voegde daar een vreemde opmerking aan toe: Hij stelde dat ze zeerzeker zouden sterven indien ze er toch van aten. Vreemd, aangezien ze nog nooit een voorbeeld van dood hadden meegemaakt en ze dus op geen enkele wijze konden weten waar Hij het over had. Hij, of welke andere god dan ook, had het deze onwetende kinderen nooit duidelijk kunnen maken zonder een voorbeeld te geven. Het woord op zich kon voor hen geen betekenis hebben, net zo min als het betekenis heeft voor een baby van enige dagen.
Spoedig kwam een slang hen in privé opzoeken. Rechtopstaand kwam hij aanlopen, want dat was de gewoonte van slangen in die tijd. De slang zei dat de verboden vrucht hun lege geesten zou opvullen met kennis. Logischerwijs aten ze daarom van de vrucht, want een mens wil nu eenmaal altijd alles weten, zo is hij gemaakt. Behalve de priester, die, als imiteerder en representant van God, net als God zelf er alles aan doet om de mens er maar van te weerhouden enige nuttige kennis op te doen.
Adam en Eva aten van de verboden vrucht en onmiddellijk verlichtte een helder licht hun duistere hoofden. Ze hadden kennis opgedaan. Wat voor kennis? Nuttige kennis? Nee, slechts de kennis dat er zoiets bestaat als goed en kwaad, en hoe je kwaad kunt doen. Zoiets konden ze tot nu toe helemaal niet. Alles wat ze tot nu toe gedaan hadden was zonder schuld, zonder blaam, zonder overtreding. Maar nu ze eenmaal kwaad hadden leren te doen en eronder konden lijden, nu hadden ze verkregen wat de Kerk als een onschatbaar waardevol bezit beschouwt, een Gevoel voor Moraal. Dat is wat de mens onderscheidt van het beest en hem boven het beest plaatst. Niet onder het beest -wat men natuurlijk zou verwachten als beschrijving van zijn eigenlijke rang, aangezien de mens altijd verdorven van geest is en het beest zich altijd gezond gedraagt en onschuldig is. De godsdienst geeft meer waarde aan een horloge dat nooit de juiste tijd aangeeft dan aan het horloge dat nooit de verkeerde tijd aangeeft. Tot op de dag van vandaag waardeert de Kerk nog altijd het Gevoel voor Moraal als de edelste eigenschap van de mens, alhoewel de Kerk weet dat God er niet veel om gaf en er -op zijn stuntelige manier- alles aan deed om te voorkomen dat deze gelukkige kinderen in de Tuin deze eigenschap zouden verkrijgen.
Maar goed, Adam en Eva wisten dus nu wat kwaad was en hoe ze dat konden doen. Ze wisten allerlei kwade dingen, waaronder ook de voornaamste -het kwaad wat God in de eerste plaats in zijn gedachten had. Dat was de kunst en het mysterie van sexuele gemeenschap. Voor hen was het een geweldige ontdekking, ze hielden meteen op met lanterfanten en legden zich geheel op deze bezigheid toe, deze arme enthousiaste stakkers!
Temidden van één van deze festiviteiten hoorden ze God tussen de struiken door lopen. Dat was namelijk een middaggewoonte van Hem. Angst beving hen. Waarom? Omdat ze naakt waren. Dat wisten ze tevoren nog niet. Ze hadden daar nooit aandacht aan geschonken en God ook niet. Op dat gedenkwaardige moment werd schaamte geboren, en sommige mensen hebben dat vanaf die tijd altijd in ere gehouden, hoewel ze er een flinke kluif aan zouden hebben het waarom ervan uit te leggen. Adam en Eva kwamen deze wereld naakt en zonder schaamte binnen. Naakt en zuiver van geest. Geen enkele afstammeling van hen is op een andere manier deze wereld binnengekomen. Iedereen is er naakt binnengekomen, zonder schaamte en zuiver van geest. Ze kwamen er zedig binnen, maar moesten zedeloosheid en een bevuilde geest verkrijgen. Er bleef daarom maar één methode over om dit op te doen: het is de plicht van iedere christenmoeder om de geest van haar kind te bevuilen. En ze heeft het nooit nagelaten dit goed te doen. Haar knaap groeit op tot zendeling die naar de onschuldige wilden reist en naar de geciviliseerde Japanners, om hun geest te bevuilen. En zo worden zij ook zedeloos, ze gaan zich kleden en gaan niet meer met elkaar naakt het bad in.
Wat men fatsoenlijk noemt kan men nergens aan afmeten omdat het volledig tegengesteld is aan natuurlijk en redelijk. Het is een kunstmatig gecreëerd begrip en onderhevig aan de grillen van een ieder die er aan meedoet of, eens levend, eraan meedeed. Zo komt het dat in bijvoorbeeld India de betere vrouw haar benen bedekt en haar gezicht en borsten laat zien. En in landen die bewoond worden door de onschuldige wilden went de verfijnde europese lady al snel aan de volledige naaktheid van de omgeving en wordt er niet meer door gekwetst. Een hoogbeschaafde franse graaf en gravin -niet met elkaar getrouwd- die schipbreuk leden kwamen in hun nachtkleding terecht op een onbewoond eiland in de 18e eeuw. Het duurde niet lang voordat ze er geheel naakt rondliepen. Ze schaamden zich precies een week lang voor hun naaktheid. Daarna dachten ze niet meer aan naaktheid. U hebt nooit een mens met kleren gezien? Wel, dan hebt u niets gemist.

Maar laten we vervolgen met de Bijbelse wonderlijkheden. Jullie denken natuurlijk dat de bedreiging om Adam en Eva met de dood te straffen voor hun ongehoorzaamheid niet uitgevoerd werd, aangezien zijzelf niet verantwoordelijk waren voor hun eigen schepping, noch voor hun natuur, hun aanleg en hun zwakheden. Zij hoefden dus aan niemands eisen te voldoen en waren aan niemand verantwoording schuldig voor hun handelingen. Maar het zal jullie verbazen dat deze bedreiging wel degelijk uitgevoerd werd. Adam en Eva werden gestraft en deze misdaad vindt tot op de dag van vandaag apologeten. De doodstraf werd uitgevoerd. En, zoals jullie kunnen opmerken, de enige persoon die verantwoordelijk was voor de overtreding van dit paar ging er van door. En ging er niet alleen van door, maar werd bovendien de uitvoerder van de executie van de onschuldigen.
Waar jullie en ik wonen zouden we heerlijk grapjes kunnen maken over deze opvatting van moraal, maar zoiets is hier te pijnlijk. Veel van de mensen hier kunnen namelijk wel denken maar doen dat niet bij religieuze aangelegenheden. De meest ontwikkelde geesten zullen ons vertellen dat iemand die een kind heeft gekregen de morele plicht heeft er goed voor te zorgen, het te beschermen tegen ziekte, het te kleden, te voeden, zijn kuren te verdragen, het geen pijn te doen tenzij om bestwil en met gepastheid, en het in geen geval ooit met wreedheid te behandelen. Maar Gods behandeling van zijn aardse kinderen is precies het tegenovergestelde hiervan. En toch rechtvaardigen deze briljante geesten al Zijn misdaden, staan ze Hem die toe, praten ze die goed en verontwaardigen ze zich erover als iemand de dingen die Hij doet misdaden noemt. Onze woonstede is een interessante plaats, maar er is daar niets dat tippen kan aan de menselijke geest.
Maar goed, God verdreef Adam en Eva dus uit het paradijs en gaf ze prijs aan de executie. Dit alles omdat ze een gebod hadden overtreden hetwelk Hij niet had mogen uitvaardigen. Hij heeft voor Zichzelf geheel andere morele overtuigingen dan die Hij van Zijn kinderen verlangt. Van Zijn kinderen eist Hij rechtvaardigheid en zachtmoedigheid tegenover wetsovertreders, zelfs dat men hen zeventig maal zeven keer vergeeft, terwijl niemand van Zijn kant ooit rechtvaardigheid of zachtmoedige behandeling ondervindt. Zelfs dit eerste onschuldige en onbezonnen jonge paar kon Hij na hun kleine overtreding niet vergeven door gewoon te zeggen: "Deze keer worden jullie vrijgesproken, ik geef jullie een nieuwe kans." Precies het tegenovergestelde gebeurde! Hij vond het zo onvergeeflijk dat Hij zelfs hun kinderen ervoor strafte, tot in alle eeuwigheid. Straf voor een kleine misstap die anderen vóór hun geboorte begaan hadden. En straft Hij ze met zachtmoedigheid? Nee, Hij straft mensen met wreedheid. Nu zou men verwachten dat zo'n Wezen weinig complimenten zou krijgen. Maar maak jullie geen illusies: de wereld verklaart Hem voor Allerrechtvaardigste, de Algoede, de Barmhartige, de Enige Waarheid, de de bron van Liefde, de Vergever van allen, de bron van Wijsheid. Deze sarcastische opmerkingen hoort men hier iedere dag en overal op aarde. Maar men spreekt ze echt niet uit als bijtende spot. Men spreekt ze heel serieus uit, zonder te glimlachen.




De vierde brief


Zo vertrok het Eerste Paar uit de Tuin, liggend onder een permanente vloek. Ze hadden al het plezier van voor 'de Val' verloren, en toch waren ze rijk, want ze hadden het plezier gevonden dat alle andere geneugten overtrof: ze waren nu in het bezit van de Hoogste Kunst. Ze oefenden er vlijtig op en werden vervuld met tevredenheid. De Godheid gebood hen zelfs erop te oefenen. Ditmaal gehoorzaamden ze. Maar God had het evengoed kunnen verbieden, want het zou niet uitmaken; ze zouden de kunst beoefenen zelfs indien duizend Goden het zouden verbieden. Er kwamen resultaten. Genaamd Kaïn en Abel. En zij hadden een reeks zusters en wisten precies wat ze met hen moesten doen. Er kwamen dus steeds meer resultaten en Kaïn en Abel kregen neefjes en nichtjes. En die kregen op hun beurt weer achterneefjes en -nichtjes. Op dit punt aangekomen werd de klassificering van familiebanden ingewikkeld en hield men op de verwantschap aan te duiden. De aangename bezigheid de wereld te bevolken ging van eeuw tot eeuw door, en wel met de grootste efficiëntie. Want in die gelukkige dagen waren de geslachten nog steeds bekwaam de Hoogste Kunst te beoefenen wanneer ze eigenlijk al 800 jaar dood zouden moeten zijn. Het mooiere geslacht, het innemende en lieftallige geslacht, was in die tijden op haar best, want ze trok zelfs de aandacht van de goden. Echte goden. Ze daalden neer uit de hemel en beleefden heerlijke momenten met deze hete jonge stukken. Men kan er in de Bijbel over lezen.
Met behulp van deze buitenlandse gasten groeide de bevolking gestaag totdat ze enige miljoenen omvatte. Maar het liep uit op een teleurstelling voor de Godheid. Hun moraal zinde Hem niet, die was namelijk in verscheidene opzichten niet beter dan die van Hemzelf. Hun moraal was zelfs een pijnlijk getrouwe copie van Zijn eigen eigenschappen. Het was een zeer slecht volk en aangezien Hij niet kon bedenken er wat beters van te maken zag Hij wijselijk in dat het beter was ze maar weg te vagen. Dit is het enige werkelijk verlichte en hoogverheven idee dat de Bijbel over Hem vermeldt, en het zou Zijn reputatie voor alle tijden hebben gewaarborgd indien Hij zijn woord maar gestand had gedaan. Maar Hij is altijd enigszins onstandvastig -behalve in de reclame voor Hem- en zijn goede voornemens bleven in gebrek. Hij schepte op over de mens. De mens was Zijn beste uitvinding en de mens was op de huisvlieg na het schepsel waar Hij het meest plezier aan had. De gedachte dat Hij er volledig afstand van zou moeten doen was onverdraaglijk voor Hem. Hij besloot daarom om een specimen van het menselijk ras in leven te laten en de rest te laten verdrinken. Niets is kenmerkender voor Hem. Hijzelf had al deze schandelijke mensen geschapen en Hij alleen was dus verantwoordelijk voor het resultaat. Niemand van hen verdiende de dood, maar het was toch een verstandig besluit hen maar uit te roeien, vooral ook omdat met het scheppen van hen de hoofdmisdaad zowiezo al gepleegd was en ze maar aan te laten fokken de misdaad alleen maar groter zou worden. Maar aan de andere kant kon er natuurlijk geen sprake zijn van rechtvaardigheid en eerlijkheid in het verlenen van speciale gunsten aan enkelen; ze zouden allemaal moeten verdrinken of anders helemaal niemand. Maar Hij wilde het nu eenmaal anders. Het was Zijn plan er een half dozijn te redden en dan helemaal van voren af aan te beginnen. Hij was niet in staat te voorzien dat ze op den duur weer even verrot zouden zijn, want ook Zijn Verziendheid kan alleen in de reclame voor Hem aangetroffen worden.

Hij redde Noach en zijn familie en liet alle anderen omkomen. Daarvoor plande hij eerst een ark die Hij Noach liet bouwen. Geen van beiden had ooit een ark gezien en wist daarom helemaal niets over arken. Het resultaat was dan ook geheel volgens de verwachting opvallend ongewoon. Noach was een boer en hoewel hij wist wat er van een ark verwacht mocht worden had hij niet de kennis om te zeggen of de ark voor zijn doel groot genoeg was (dat was hij dus duidelijk niet), en hield zich hierover wijselijk stil. De Godheid wist niet dat de ark niet groot genoeg was, maar gaf zonder metingen te verrichten op goed geluk maar wat maten. Uiteindelijk voldeed het schip niet aan alle vereisten en daar heeft de wereld tot op de dag van vandaag onder te lijden gehad.

Noach bouwde het schip. Hij deed zijn best erop, maar liet de belangrijkste onderdelen achterwege. Er was geen roer in de ark, geen zeilen, geen kompas, geen pompen, geen kaarten, geen dieplood, geen ankers, geen logboek, geen licht, geen ventilatie, en wat het vrachtruim betreft -waar het in hoofdzaak om ging- hoe minder we er iets over zeggen des te beter. De ark moest wel elf maanden ter zee zijn en het had wel twee arken beladen met vers water nodig, maar extra arken werden niet geleverd. Het water van buiten kon niet gebruikt worden: de helft ervan was zeewater en ongeschikt als drinkwater voor mens en dier. Volgens plan werd er namelijk niet alleen enkele exemplaren van de mens bewaard maar ook enkele staaltjes werk van de andere dieren. Jullie moeten begrijpen dat toen Adam van de vrucht at in de Tuin en leerde hoe hij zich kon voortplanten en zich verkwikken, al die andere dieren de Kunst ook leerden door het van Adam af te kijken. Dat was erg slim van hen, echt gewiekst; ze verkregen zo alle voordelen van de appel zonder hem te hoeven proeven en zonder dat catastrofale Morele Gevoel op te doen, de wortel van alle immoraliteit.


De vijfde brief


Noach begon zijn dieren te verzamelen. Er moest één paar in de ark van alle soorten schepselen die er maar rondliepen of voortkropen, zwommen of vlogen. We kunnen slechts raden naar hoe lang het wel niet duurde de dieren te verzamelen en hoeveel het kostte, want we beschikken niet over de details. Toen Symmachus zijn zoon voor de volwassen wereld van Rome wilde opleiden stuurde hij mannen uit naar Azië, Afrika en alle andere richtingen, om maar wilde dieren te verzamelen voor de gevechten in de arena. Het kostte die mannen wel drie jaar om de dieren bijeen te verzamelen en naar Rome over te brengen. En dit waren slechts allemaal viervoeters -geen vogels, geen slangen, geen kikkers, geen wurmen, geen luizen, geen ratten, geen vlooien, geen teken, geen rupsen, geen spinnen, geen huisvliegen, geen muggen- slechts eenvoudige en simpele viervoeters en alligators, en van de viervoeters slechts zij die aan vechten deden. En zoals gezegd, het duurde drie jaar om ze te verzamelen en de onkosten van de dieren en het transport en het salaris van de mannen bedroegen $4.500.000. Om hoeveel dieren ging het hier? We weten het niet. Maar het waren er minder dan 5000, want dat was het grootste aantal dieren dat ooit voor de romeinse spelen vergaard werd; Titus, niet Symmachus, maakte die verzameling. Maar dit waren slechts babymusea vergeleken met het contract van Noach. Van de vogels en beesten en zoetwaterschepselen moest hij 146.000 soorten bijeen verzamelen; en van de insekten zo'n twee miljoen. Duizenden en nog eens duizenden van die dingen waren zeer moeilijk te vangen, en indien Noach er niet de brui aan had gegeven zou hij er nog steeds mee bezig zijn. Ik bedoel niet dat hij zich terugtrok, nee, dat deed hij niet. Hij verzamelde zoveel mogelijk dieren als er maar in de ark konden en hield het daarna wel voor gezien. Indien hij vanaf het begin al de consequenties had doorzien zou hij meteen geweten hebben een hele vloot arken nodig te hebben. Maar hij wist niet hoeveel soorten schepselen er wel waren en zijn Baas had er ook geen flauw idee van. Hij had dus geen kangaroe, geen buidelrat, geen Gila monster en geen Ornithorhynchus. Bovendien ontbraken er nog een veelheid aan andere kostbare schatten waarmee de Schepper de mens eens gezegend had maar die Hij vervolgens vergeten had, aangezien ze naar die kant van de wereld waren verhuisd waar Hij nooit geweest was en waar Hij niets van wist. En zo scheelde het maar een haar of die dieren waren ook allemaal verdronken. Ze ontsnapten bij toeval. Er was namelijk geen water genoeg om het gehele aardrond langs te gaan. Er was slechts genoeg voor één klein hoekje van de wereld -de rest van de wereld was verondersteld niet te bestaan.
Het was echter een incident vlak voor de zondvloed uitbrak dat hem uiteindelijk, tenslotte en definitief deed ophouden met het verzamelen van soorten voor strikt zakelijke doeleinden en de rest maar liet uitsterven: een opgewonden vreemdeling was op komen dagen met hoogst alarmerend nieuws. Hij zei dat hij had gekampeerd temidden van bergen en dalen ergens zeshonderd mijl verderop, toen hij, staande aan de rand van een afgrond met schitterend uitzicht op de omgeving, gewaar werd van een naderende opzwellende zwarte zee vol vreemd dierenleven. Spoedig gingen de schepselen hem voorbij, al vechtend, tierend, krijsend, snuivend -een verschrikkelijke woeste massa van opgewonden vlees! Beren zo groot als een olifant, kikkers zo groot als koeien, een megatherium met zijn harem zo groot dat men het niet zal geloven, saurussen, saurussen en nog eens saurussen, groep na groep, familie na familie, soort na soort -dertig meter lang, dertig meter hoog en nog tweemaal zo ruzieachtig; één van hen gaf met z'n staart een geheel onschuldige Durham stier een enorme zwieper en zond hem honderd meter snorrend de lucht door om vlak voor de voeten van de man terecht te komen, waarna hij een laatste ademtocht uitpufte en de geest gaf. De man legde uit dat deze dieren over de ark gehoord hadden en er nu allemaal aan kwamen draven om ook maar gered te kunnen worden. En niet slechts in paren, ze wilden allemaal mee. Ze wísten niet eens van de restricties die uitgevaardigd waren, zei de man, en al zouden ze die weten dan zouden ze die zonder poespas aan hun laars lappen. De man vertelde Noach dat de ark de helft van die dieren nog niet zou kunnen bevatten, en ze zouden bovendien hongerig aankomen en in een mum van tijd alles opeten wat er in voorraad was, inclusief de dierentuin en de mensenfamilie.
Al deze feiten zijn uit het bijbelverhaal geknipt. Men zal er niet de kleinste verwijzingen naar die dieren vinden. Al deze dingen worden eenvoudig doodgezwegen. Zelfs de namen van die kolossale schepselen worden niet genoemd. Het laat maar zien dat wanneer mensen hun contract niet helemaal nakomen, ze in Bijbels net zo goed als elders op slinkse wijze altijd er onderuit proberen te komen. Die geweldige dieren zouden tegenwoordig van onschatbare waarde zijn voor de mens, nu transportatie zo overbelast en duur geworden is, maar ze zijn allemaal verloren gegaan. Allemaal verloren gegaan, en dat was de schuld van Noach. Ze verdronken allemaal. Sommigen van hen zelfs acht miljoen jaar geleden.

Enfin, de vreemdeling vertelde zijn verhaal en Noach begreep meteen dat hij vertrekken moest voordat die monsters zouden arriveren. Hij zou het liefst meteen uitgevaren zijn, maar de stoffeerders en behangers van de salon van de huisvlieg waren nog met hun finishing touch bezig en dat kostte hem een dag. Er verstreek nog een dag met het inschepen van de vliegen, aangezien er wel 68 miljard van waren en de Godheid nog bang was dat er misschien niet genoeg zouden zijn. En nog een dag ging verloren met het verstouwen van veertig ton geselecteerde stront dat als voedsel voor de vliegen diende.

En toen, eindelijk, kon Noach wegvaren. Op het nippertje, want de ark was nog maar net aan het verdwijnen achter de horizon of de monsters kwamen er al aan. Ze voegden hun gejammer toe aan dat van de menigte wenende vaders en moeders en verschrikte kleine kinderen die zich vastklampten aan rotsen waar de golven op beukten en in de plenzende regen hun smeekgebeden richtten aan een Allerrechtvaardigst, Alvergevend en Almeedogend Wezen dat in al die tijd dat die rotsen korrel voor korrel uit zandkorrels opgebouwd werden nog nooit een gebed verhoord had en dat nog niet gedaan zou hebben wanneer de eeuwen die rotsen weer tot zandkorrels zouden hebben versleten.




De zesde brief


Op de derde dag, zo ongeveer op het midden van de dag, merkte men op dat één vlieg aan de kust was achtergebleven. De terugvaart bleek lang en moeizaam te zijn, wegens het ontbreken van kaart en kompas en de veranderingen die zich hadden voorgedaan aan de kustlijn. Het gestadig rijzende water had de lagere landgedeelten overspoeld en gaven aan de hogere gedeelten een onvertrouwde aanblik. Maar na zestien dagen van ernstig en getrouw zoeken werd de vlieg tenslotte gevonden en werd hij met gezangen van lofprijzing aan boord ontvangen terwijl de gehele Familie zich ontdeed van schoeisel als eerbetuiging aan zijn goddelijke oorsprong. De vlieg was vermoeid en afgetobt en had enigszins geleden onder het barre weer, maar verkeerde voor de rest in goede staat. Mannen en hun gehele families waren van de honger op kale bergtoppen omgekomen, maar het had de vlieg niet ontbroken aan voedsel, want de verrottende lichamen hadden het een weldadige overvloed aan rijkelijk voedsel geschonken. Op deze wijze werd de heilige vogel door de voorzienigheid gered.
Door de voorzienigheid, dat is inderdaad het juiste woord. Want de vlieg was niet zomaar toevallig achtergebleven. Nee, men kon er duidelijk de hand van de voorzienigheid in ontwaren. Alle dingen die gebeuren gebeuren met een bepaald doel. De dingen zijn al voorzien vanaf het allereerste begin van de tijd, ze zijn gepredestineerd. Vanaf de dageraad van de Schepping had de Heer voorzien dat Noach in paniek en in verwarring te vroeg aan het varen zou gaan vanwege de invasie van wonderlijke weldra-fossielen, en zo zou een zekere ziekte van onschatbare waarde ontbreken. Hij zou weliswaar al de andere ziekten hebben en ze aan alle nieuwe mensenrassen distribueren wanneer ze maar zouden verschijnen, maar één van de beste ziekten zou ontbreken, de tyfus, een ziekte die onder gunstige omstandigheden een patiënt volledig kan breken maar hem toch in leven kan laten, want uiteindelijk staat de patiënt vaak weer op zijn benen, zij het doof, stom, blind, kreupel en als een idioot. De huisvlieg is hoofdzakelijk verantwoordelijk voor de verbreiding ervan en doet dit bekwamer en met groter rampspoedig effect dan alle andere overdragers van deze gevreesde ziekte bijelkaar. En dus geschiedde het dat uitverkoren vanaf de aanvang der tijden, deze vlieg achterbleef om een typhus-lijk op te zoeken waaraan het zich kon tegoeddoen om zo de bacillen aan zijn pootjes te verkrijgen om die later aan de nieuwe mensheid over te dragen om ze ten alle tijden flink bezig te houden. Uit die ene huisvlieg zijn sindsdien miljoenen ziekbedden alle eeuwen door bevoorraad met aangetaste lichamen die later hun leven konden voortzetten met strompelen, en miljoenen begraafplaatsen bevoorraad met lijken.


Het is bijzonder moeilijk de houding van de God van de Bijbel te begrijpen, aangezien we zo'n verwarde hoop tegenstrijdigheden tegenkomen: waterige onevenwichtigheid afgewisseld met ijzeren onbuigzaamheid, zoetvroom gepraat met woorden die weer afgewisseld worden met uit de hel geboren handelingen zo hard als beton. Af en toe zachtmoedigheid, al gauw berouwd en omgeruild voor de kwaadaardigheid waar we in de regel op getrakteerd worden. Maar wanneer men na veel studie eindelijk de sleutel tot dit gemoed in handen krijgt, krijgt men er uiteindelijk toch wel enigszins zicht op. God zelf heeft ons met een jeugdige en verbazingwekkende opmerking de sleutel aangereikt: het is jaloersheid! Ik neem aan dat dit jullie adem beneemt. In een eerdere brief schreef ik jullie al dat in de mensenwereld jaloersheid als een duidelijke zwakheid aangerekend wordt. Jaloersheid is een kenmerk van kleine zielen. Een eigenschap van alle kleine zielen. Maar zelfs de kleine ziel schaamt zich over deze eigenschap. Indien iemand hem beschuldigt van jaloersheid zal hij al gauw liegen en de opmerking als een belediging opvatten. Jaloersheid. Vergeet dit woord niet, houd het voortdurend in gedachten. Het is de sleutel waarmee je tot een begrip van God kunt komen in het hiernavolgende. Zonder dit begrip kan niemand van Hem iets begrijpen. Zoals ik al zei heeft Hijzelf geheel open en bloot uitgelegd dat dit de veelzeggende sleutel tot Hemzelf is. Hij zegt naief, in alle openheid, zonder blikken of blozen: "Ik de Heer uw God ben een jaloerse God." Dit is hetzelfde als te zeggen: "Ik, de Heer uw God, ben een kleine god, een kleine god die kniest over allerlei pietluttige dingen." Hij gaf een waarschuwing: Hij kon de gedachte niet verdragen dat een andere God ook op zondag complimenten zou krijgen van dit komische menselijke ras. Hij wilde alle eer voor zichzelf alleen. Hij stelde er prijs op. Voor Hem was het rijkdom die complimenten te ontvangen. Net zoals Zoeloes geld gemaakt van tin hoog waarderen. Maar wacht even, ik benadeel Hem nu. Ik geef een foutief beeld van Hem. Hij zei niet alle vereringen te willen hebben, Hij zei niets over het niet verdragen van de eer te moeten delen met andere goden. Wat Hij letterlijk zei was: "Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben." Dat is iets geheel anders, en ik moet toegeven dat dat Hem in een veel positiever daglicht plaatst. Er was een overvloed aan goden, alle bossen wemelden ervan. Hij ging ermee accoord dat ze de aardse maagden vruchtbaar maakten, maar niet dat ze het beter zouden doen dan Hijzelf. Allemaal mochten ze meemarcheren, maar geen van de andere goden mochten vóór Hem uit lopen. Hijzelf had het recht om voorop te lopen. En denken jullie nu dat Hij het uithield steeds maar die voorname plaats in te nemen? Nee, een slecht voornemen kon Hij in eeuwigheid volhouden, maar een goed voornemen hooguit een maand. Één voor één gooide Hij al die andere goden aan de kant en uiteindelijk riep Hij zich uit tot de enige God in het gehele universum.

Zoals ik al zei was jaloersheid de sleutel, gedurende de gehele geschiedenis tot op de dag van vandaag. Het is het bloed en het vlees van Zijn dispositie, de basis van Zijn karakter. De aanleiding kan niet klein genoeg zijn om zijn gemoed op te winden en Zijn oordeelkundigheid in de war te brengen, het hoeft slechts gericht te zijn op Zijn zwakke plek, de jaloersheid. En niets laat deze karaktertrek zo snel en zeker en noodlottig naar voren komen dan het vermoeden dat een concurrent het goddelijke alleenrecht aantast. De angst dat Adam en Eva via het eten van de vrucht "als de goden" zouden worden wekte zo heftig zijn jaloersheid op dat Zijn redelijkheid volkomen zoek was en Hij deze arme schepselen niet op een eerlijke en liefdevolle manier kon bejegenen. Hij kon zich zelfs er niet van weerhouden de onschuldige nazaten van het eerste paar met wreedheid en misdadigheid te behandelen. Tot op de dag van vandaag is Zijn rede nooit over deze schok heengekomen. Als een verschrikkelijke, wraaklustige nachtmerrie is Hij ervan bezeten, en heeft Hij bijna al Zijn aangeboren talenten om allerlei vormen van pijn en kwelling, vernedering en teleurstellingen uit te vinden, waarmee het korte leven van de nazaten van Adam mee verbitterd kunnen worden, tot op de bodem uitgeput. Denk eens aan alle ziekten die Hij heeft uitgevonden voor de mensen. Er is een overvloed aan ziekten, geen boek kan ze allemaal benoemen. En iedere ziekte is een val waar een onschuldig slachtoffer inloopt. Het menselijk lichaam is een machine. Een machine vol automatiek. Het bestaat uit duizenden ingewikkelde en verfijnde mechanismen die hun functies zonder haperen en in volkomen samenspel uitvoeren, in overeenstemming met de wetten die over hen heersen en waarover de mens geen zeggenschap heeft, geen inbreng en geen heerschappij. En voor elk van deze duizenden mechanismen heeft de Schepper een vijand bedacht, wiens taak het is hem dwars te zitten, hem te pesten, te vervolgen, kapot te maken, hem pijn te geven, ellende en tenslotte de volkomen vernietiging. Niet één mechanisme heeft Hij hierbij vergeten. Van de wieg tot het graf zijn deze vijanden altijd aan het werk. Zij kennen geen rust, noch dag en nacht. Ze zijn als een leger, een georganiseerd leger, een leger dat het beleg opslaat, dat tot de aanval overgaat. Een leger dat altijd klaarstaat, met genoegen aan het werk gaat, genadeloos optreedt, nooit aflaat, nooit genoegen neemt met een wapenstilstand. Het leger marcheert in patroeilles, compagnieën, slagorden, regimenten, brigades, divisies, legereenheden, en bij bepaalde gelegenheden slaat ze uit volle macht toe op de gehele mensheid. Het is de Grande Armee van de Schepper en Hij is de maarschalk. En op de frontlinies wuift het leger sinistere banieren met als opschrift: Rampspoed, Ziekte, en een hoop andere soortgelijke verschrikkingen.


Ziekte! Dat is de grootste kracht, de vlijtigste kracht, de meest verwoestende kracht! Het valt de baby al aan op het moment dat het de wereld in komt. Het weet onophoudelijk nieuwe variaties te verzinnen: kroep, mazelen, bof, buikgriep, het tanden krijgen, roodvonk, en allerlei andere specialiteiten voor de kinderjaren. Ziekte achtervolgt het kind van jongs af aan tot aan het graf, met specialiteiten voor elke leeftijdsgroep. En met deze wetenschap in gedachten, raad nu eens wat de meest gebruikte liefkoosnaam is voor de schrikwekkende Aanvoerder van dit leger? Ik zal jullie de moeite besparen -maar schiet nu niet in de lach. Het is "Onze Vader in de Hemel"! Het is werkelijk verbazingwekkend hoe de geest van de mens werkt. De christen komt eerst aan met een zeer heldere stelling, een stelling waar nooit aan getornd mag worden, een onbuigzame en starre stelling: God is Alwetend en Almachtig. Hieruit volgt automatisch dat er niets kan gebeuren zonder dat God het van tevoren weet. Niets kan er gebeuren zonder dat Hij er toestemming voor geeft. Niets kan er gebeuren indien Hij besluit dat het niet mag gebeuren. Dit is toch duidelijk genoeg: het maakt God verantwoordelijk voor alles wat gebeurt, nietwaar? In die kleine frase die schuingedrukt staat geeft de christen dit toe. Hij doet het van ganser harte, met enthousiasme. En wanneer hij de Schepper met deze stelling verantwoordelijk gemaakt heeft voor alle pijn, alle ziekten, alle bovengenoemde ellende die Hij ook had kunnen voorkomen, vervolgt deze getalenteerde christen zijn denken door Hem poeslief onze Vader te noemen! Het is precies zoals ik jullie vertel. De christen geeft de Schepper eerst alle eigenschappen die samengaan met de beschrijving van een vijand, en komt dan tot de conclusie dat vijand en vader één en hetzelfde is. Maar aan de andere kant zal hij ontkennen dat een kwaadaardige krankzinnige iets met een zondagschoolonderwijzer te maken heeft. Wat denken jullie van de kronkels van het menselijk verstand? Ik bedoel in het geval dat jullie van mening zijn dat we überhaupt over menselijk verstand kunnen praten.




De zevende brief


Noach en zijn familie waren gered, voor zover we zoiets redding kunnen noemen. Ik laat deze kanttekening erop volgen aangezien er nooit een intelligent persoon van pakweg zestig bestaan heeft, die ermee accoord zou gaan zijn leven opnieuw te leven. De leden van Noachs familie waren dus gered, maar leden aan allerlei ongemak; ze waren vol van microben. Tot aan hun oogleden waren ze er mee volgestouwd, er dik van geworden, de microben puilden er uit, bliezen hen op tot ballonnen. Het was een onaangename conditie om in te verkeren, dat wel, maar er viel niets aan te doen, aangezien er nu eenmaal genoeg microben gered moesten worden om alle toekomstige mensenrassen te voorzien van vernietigende ziekten en er maar acht dragers aan boord waren om als hotels voor ze te fungeren. De microben waren verreweg het belangrijkste onderdeel van de vracht van de Ark, het onderdeel waar de Schepper Zijn hart aan verpand had en het meest zorg om had. Ze moesten goed gevoed worden en voorzien van aangename accomodatie. Er waren tyfusbacillen, cholerabacillen, hondsdolheidbacillen, mondklembacillen, teringbacillen, pestbacillen, en enige honderden andere aristocratische bacillen, zeer bijzondere schatten van schepsels, de gouden dragers van Gods Liefde voor de mens, gezegende gaven van de fantastisch liefdevolle Vader aan Zijn kinderen. En al deze bacillen moesten weldadig behuisd worden en overvloedig voorzien van alles; ze kregen een ereplaats in de uitgelezen binnenste onderdelen die de Familie maar kon verzinnen: in de longen, in het hart, in de hersenen, in de nieren, in het bloed, in de ingewanden. Vooral in de ingewanden. De grote darm was hun favoriete vakantieoord. Ze kwamen bijeen bij de miljoenen, ontelbare miljoenen, en ze zwoegden maar, voedden zich, wriemelden, en zongen lof- en dankliederen, en 's nachts wanneer het stil was, kon je ze heerlijk zacht horen zoemen. De grote darm was in feite hun hemel. Ze verdrongen zich er daar, ze vulden hem geheel op, totdat hij hard en stijf werd als een opgerolde gaspijp. Ze waren trots op dit resultaat. Hun voornaamste gezang maakte er dankbaar gewag van:

Verstopping, o verstopping,
Verkondig jubelend het blijde geluid
Laat zelfs de diepste ingewanden des mensen
De naam huns Scheppers prijzen met gefluit.


Er kleefden tal van ongemakken aan de Ark en ze waren van allerlei aard. De familie moest geheel temidden van een onnoemlijk aantal dieren wonen, en de kwellende stank die ze maakten voortdurend inademen, en het oorverdovende lawaai van hun gekrijs en gegrom dag en nacht verdragen. En alsof deze ondraaglijke zaken nog niet genoeg waren, hadden de vrouwen nog te maken met een bijzondere verzoeking, want ze hadden geen kant om hun gelaat af te wenden bij het zien van parende dieren die overal om hun heen bezig waren met zich te vermenigvuldigen. En dan waren er nog de vliegen. Het wemelde ervan en ze achtervolgden de familie de gehele dag. Ze waren de eerste dieren die 's morgens wakker werden en de laatsten die 's nachts gingen slapen. Maar ze mochten niet gedood worden, niet in de weg gezeten worden, ze waren heilig, hun oorsprong was goddelijk, het waren de lievelingen van de Schepper, Zijn schatjes.

Weldra moesten de andere dieren her en der uitgezet worden om de aarde te bevolken: de tijgers in India, de leeuwen en de olifanten in de lege woestijn en de geheime plekken in het oerwoud, de vogels in de grenzeloze regionen van lege ruimte, de insecten in één of ander klimaat, geheel volgens hun natuur en vereisten; maar hoe zat het met de vlieg? De vlieg kent geen nationaliteit; alle klimaten zijn een tehuis voor hem, de gehele aarde zijn woonstede, alle ademende wezens zijn prooi, en voor hen allen is hij een gesel en hel. Voor de mens is hij een goddelijke ambassadeur, een minister met alle volmachten, de speciale afgezant van de Schepper. In de wieg is het al vergeven van de vliegen, aan zijn plakkerige oogleden hangen trossen; hij zoemt en bijt en pest de mens, gunt hem geen slaap en de moeder geen kracht in die lange nachtwaken die ze moet besteden om haar kind maar te beschermen tegen de achtervolgingen van deze plaag. De vlieg martelt de zieke man in zijn huis, in het ziekenhuis, zelfs wanneer hij op z'n doodsbed ligt en z'n laatste snik uitblaast. Hij treitert tijdens de maaltijd, zoekt geschikte kandidaten uit voor afschuwelijke en dodelijke ziekten, neemt een heerlijk bad in hun wonden, besmeert zijn benen met een miljoen dodelijke bacillen; vandaar vliegt hij naar de tafel van de gezonde en veegt hij dit alles af aan de boter, terwijl hij ook nog een lading tyfusbacillen en wat uitwerpselen uit zijn eigen ingewanden aan de kadetjes toevoegt. De huisvlieg is verantwoordelijk voor meer verlies van menselijk leven dan de hele meute van Gods doodsengelen en ellendebrengers bij elkaar.

Sem zat vol met mijnwormen. Het is geweldig hoe de Schepper Zijn aandacht besteed heeft aan zulk een grondige en allesomvattende studie om het leven van de mens maar miezerabel te maken. Zoals ik al opgemerkt heb, heeft Hij met betrekking tot elk detail van de struktuur van de mens een speciale kwelgeest verzonnen; niet één is door Hem over het hoofd gezien, dit zeg ik naar waarheid. Veel arme mensen gaan blootsvoets door het leven, ze kunnen zich geen schoenen veroorloven. De Schepper maakte meteen van deze gelegenheid gebruik. Ik vermeld als kanttekening dat Hij zich altijd in het bijzonder interesseert voor de armen. Negentig procent van Zijn ziekteuitvindingen waren bedoeld voor de armen, die ze gehoorzaam altijd krijgen. De rijken krijgen slechts wat er nog over blijft. Denk niet dat ik nu maar achteloos wat opmerk, want dat is echt niet zo: de overgrote meerderheid van de door de Schepper bedachte uitvindingen van aandoeningen waren speciaal ontworpen met het oog op de armen. Men zou dit ook al kunnen opmerken uit het feit dat één van de mooiste en meest gebezigde uitdrukking die de kansel gebruikt om God te beschrijven "De Vriend der Armen" is. De kansel geeft de Schepper namelijk nooit maar dan ook nooit een compliment dat enige waarheid bevat. De meest vijandige en onverzoenlijke vijand van de armen is hun Vader in de Hemel. De enige echte vriend die de arme heeft is zijn medemens. Zijn medemens heeft medelijden met hem, en hij laat dit zien door er daden aan toe te voegen. Zijn medemens doet veel om nood te lenigen, maar in alle gevallen krijgt hun Vader in de Hemel er de eer van. Op precies dezelfde manier gaat het met ziekten. Indien de wetenschap een ziekte uitroeit waar God verantwoordelijk voor was, dan geeft men Hem de eer, en alle kansels gaan over op een uitweiding van dankbaarheid en verrukking, en wijzen er op hoe goed Hij is! Ja, Hij heeft het weer eens gedaan. Misschien heeft het duizenden jaren geduurd voordat Hij het eindelijk deed, maar dat heeft niets te betekenen. De kansel zegt dat Hij er al die tijd over dacht. Wanneer uitgeputte mannen eindelijk opstaan en een eind maken aan eeuwenlange dwingelandij en hun land vrijmaken, dan zal de kansel, die er zeer mee in zijn schik is, de eerste zijn die het uit zal leggen als Gods ingrijpen. Zij zal het volk uitnodigen om op de knieën te vallen en Hem ervoor te bedanken. En dan eindigt de preek met bewonderenswaardige emotie: "Laat de tyrannen weten dat het nooit slapend Oog altijd waakt, en laat ze weten dat de Here onze God niet altoos geduldig zal zijn, maar dat Hij op de dag die Hij bepaald heeft Zijn toorn over hen zal uitstorten." Ze vergeten altijd erachteraan te zeggen dat Hij de langzaamste beweger in het universum is. Het is maar goed dat Zijn Oog nooit slaapt, aangezien het voor Hem wel een eeuw duurt om te zien wat het oog van ieder ander in een week al zou opmerken. In de gehele geschiedenis is er geen enkel voorbeeld te vinden dat Hij eens als eerste op een nobele gedachte kwam. Hij kwam altijd juist op de gedachte wanneer iemand anders erop gekomen was en het ook uitgevoerd had. Hij komt juist op dat moment altijd aan en strijkt de eer op.

Maar terug naar Sem. Zesduizend jaar geleden zat hij vol met mijnwormen. Microscopisch in omvang, onzichtbaar voor het blote oog. Alle speciaal door de Schepper gemaakte veroorzakers van dodelijke ziekten zijn onzichtbaar. Dat is een ingenieus idee van Hem. Het weerhield de mens er duizenden jaren van de wortel van zijn ziekten op het spoor te komen, en was afdoende om al zijn pogingen de ziekten te overwinnen te doen mislukken. Slechts sinds een korte tijd is de wetenschap erin geslaagd enkele van deze verraderlijke ziektekiemen te ontmaskeren. De meest recentelijke triomf van de wetenschap is het ontmaskeren van deze in hinderlaag liggende sluipmoordenaar die de naam heeft van mijnworm. De prooi van de mijnworm is in de eerste plaats de arme die blootsvoets loopt. Hij ligt te sluimeren in warme en zanderige gebieden en hecht zich aan onbeschermde voeten. De mijnworm werd twee jaar geleden ontdekt door een dokter die de slachtoffers gedurende lange tijd geduldig bestudeerd had. De mijnworm had zijn kwaadaardige werk ongestoord kunnen uitvoeren vanaf het moment dat Sem op de Ararat aanlandde; niemand had zelfs maar enig idee dat het om een ziekte ging! De mensen die eraan leden werden verondersteld slechts luiaards te zijn. Terwijl deze slachtoffers in werkelijkheid zeer te beklagen waren, verachtte men ze en maakte men grapjes over hen. De mijnworm is een bijzonder geniepige en achterbakse uitvinding. Eeuwenlang heeft de worm zijn slinkse werk ongehinderd kunnen doen, maar er zal nu dank zij deze dokter en vele helpers spoedig een eind aan komen. God zij geloofd! Hij heeft er zesduizend jaar over gedacht om te besluiten wat Hij er van vindt. Het idee de mijnworm uit te roeien was van Hem afkomstig. Het scheelde maar een haar of Hij zou het net voor Dr. Charles Wardell Stiles gedaan hebben, maar Hij is in ieder geval net op tijd om de eer ervoor op te strijken. Zo gaat het altijd. Het kost wel een miljoen dollar om het plan uit te voeren. God had net besloten om dit bedrag bij te dragen, toen er -zoals gewoonlijk- net iemand naar voren drong om het al te geven, Mr. Rockefeller. Hij doneerde een miljoen, maar de eer gaat -zoals gewoonlijk- ergens anders naar toe. In de krant van vandaag staat net iets hierover te lezen:


"De mijnwormparasiet tast de levenskracht van het slachtoffer zo aan dat zijn fysieke en mentale ontwikkeling zeer vertraagd worden, hem ontvankelijk maken voor andere ziekten, hem lusteloos te maken, en in de gebieden waar de ziekte het meest voorkomt de kans op sterven aan tering, longontsteking, tyfus en malaria zeer vergroot wordt. Het is nu aangetoond dat de lusteloosheid van velen -die men lange tijd aan malaria en het klimaat weet, en die de oorzaak van economische stagnatie is- in feite veroorzaakt wordt door deze parasiet. De ziekte komt niet slechts in bepaalde klassen van de bevolking voor. Het eist zijn tol in lijden en dood van zowel hoog intelligenten als minder begenadigden. Een voorzichtige schatting geeft aan dat zo'n twee miljoen mensen uit ons volk aan deze parasiet lijdt. De ziekte komt algemener en ernstiger voor onder kinderen in de schoolleeftijd dan onder andere bevolkingsgroepen. Hoewel de ziekte wijdverbreid is en ernstig, is er toch reden tot optimisme. De diagnose is gemakkelijk te stellen en de ziekte kan effectief worden bestreden en [met Gods hulp] via het toepassen van eenvoudige en de juiste hygiënische voorzorgsmaatregelen worden voorkomen."


Zoals jullie kunnen zien staan de arme kinderen onder het Oog dat nimmer slaapt. Zij hebben alle eeuwen deze pech gehad. De kinderen en "de Armen des Heren" zoals men sarcastisch pleegt te zeggen, hebben zich nooit aan de aandacht van dat Oog weten te onttrekken. Ja, het zijn de armen, de nederigen, de onwetenden, die altijd ziekten opdoen. Neem bijvoorbeeld de "slaapziekte" in Afrika. Deze afschuwelijke wreedheid richt zich op onwetende en onschuldige zwarten die God ergens in een afgelegen wildernis geplaatst heeft. Zijn vaderlijk Oog -dat oog dat nooit slaapt wanneer er een gelegenheid is om leed voor iemand te verschaffen- waakt gedurig over hen. Hij had al voor de vloed zijn voorzorgsmaatregelen genomen. De uitverkoren overbrenger van de ziekte was een vlieg die verwant was aan de tsetsevlieg. De tsetsevlieg heerst over een gebied rondom de Zambezie-rivier, en doet zijn best om vee en paarden dood te steken. als gevolg hiervan is dit gebied onbewoonbaar voor de mens. Een verwante vlieg zorgt voor de microben die de Slaapziekte veroorzaken. Cham zat vol met deze bacillen, en toen de reis ten einde was werden deze bacillen over Afrika uitgespreid en konden ze daar beginnen aan de vernieling. Hieraan werd nooit verlichting geschonken totdat zesduizend jaar verstreken, en de wetenschap eindelijk op het spoor van deze ziekte kwam en de oorzaak ervan kon bestrijden. De vrome naties danken nu God en prijzen Hem ervoor deze arme zwarten te hulp te komen. Alle kansels zeggen dat Hem lof en eer toekomt. Hij is voorzeker een wonderbaarlijk Wezen. Hij begaat een vreselijke misdaad, gaat er duizenden jaren rustig mee door, en is uiteindelijk lof en eer waardig omdat Hij iemand oproept om een eind te maken aan de ernstige gang van zaken. Men noemt Hem lankmoedig, en wat geduld betreft moet Hij inderdaad over een eindeloze hoeveelheid beschikken, anders had Hij de kansel al eeuwen geleden aan de verdoeming overgeleverd vanwege al die leuterpraat die zij over Hem uitstort.
De wetenschap heeft het volgende te zeggen over de slaapziekte, ook wel negerlusteloosheid genoemd:


"De ziekte wordt gekarakteriseerd door steeds opnieuw terugkomende perioden van slaap. De ziekte kan duren van vier maanden tot vier jaar, en leidt altijd tot de dood. In de beginfasen lijkt het slachtoffer lusteloos, zwak, bleek en dom te wezen. Zijn oogleden zwellen op, zijn huid begint te zweren. Hij valt in slaap terwijl hij praat, eet of werkt. Bij het voortschrijden van de ziekte kan het slachtoffer slechts met moeite gevoed worden en teert hij langzaamaan uit. Gebrek aan voedsel en wonden vanwege het doorliggen worden opgevolgd door stuiptrekkingen en de dood. Sommige patiënten worden krankzinnig."


Het is de Schepper, die de Kerk en het volk "Onze Vader in de Hemel" noemt, die de vlieg heeft uitgevonden en deze vlieg aan de mens gegeven heeft om hem te bezoeken met deze uitgerekte vorm van ellende, droefenis en ongeluk, het afbreken van lichaam en geest. En deze ziekte wordt gegeven aan arme wilden die de Grote Misdadiger geen enkel kwaad hebben aangedaan. Er is geen mens op aarde die geen medelijden heeft met die arme zwarte lijder, geen mens die hem niet beter zou willen maken als men er maar de middelen toe had. Om de enige persoon te vinden die daar wel toe in staat is, moet men in de hemel wezen; om de enige persoon te vinden die de middelen heeft hem te genezen maar er niet toe overreden kan worden dit te doen, moet men op hetzelfde adres zijn. Er bestaat slechts één vader die wreed genoeg is om zijn kind aan deze ziekte te laten lijden -slechts één. En in eeuwigheid zal er nooit een andere vader gevonden kunnen worden, die zijn kinderen zo behandelt. Zal ik jullie een verontwaardigde dichterlijke ontboezeming laten horen? Wel, hier is er één, heet uit het hart van een slaaf:


De onmenselijkheid van de mens de andere mens aangedaan
Is de reden voor droefenis van ontelbaren!


Ik zal jullie nu een mooi verhaal vertellen met een vleugje aandoenlijkheid. Een man werd godsdienstig en vroeg de priester wat hij nu moest doen om deze nieuwe levenswandel waardig te zijn. De priester zei "Wees navolger van de Schepper, wordt gelijk Hem." De man studeerde vlijtig en grondig in zijn bijbel, alles in zich opnemend, en begon daarna -met behulp van gebeden en hemelse bijstand- aan de navolging van Hem. Hij gaf zijn vrouw een duwtje zodat zij van de trap viel; ze brak haar rug en was voor de rest van haar leven verlamd. Hij gaf zijn broer over in de handen van een bedrieger die hem van al zijn bezit beroofde en hem in het armenhuis terecht deed komen; hij gaf aan een zoon mijnwormen, aan een andere slaapziekte en aan weer een andere gonorrhea. Aan zijn dochter gaf hij roodvonk zodat zij haar tienertijd doof, stom en blind voor het leven begon. En nadat hij een belhamel had geholpen zijn andere dochter te verleiden, sloot hij zijn deur voor haar en liet hij haar hem vervloekend in een bordeel doodgaan. Daarna deed hij verslag aan de priester. De priester zei dat hij niet op die manier de Vader in de Hemel moest imiteren. De bekeerling vroeg hem wat er dan fout aan was, maar de priester ging over op een ander onderwerp, en vroeg hem wat voor weer het was on de plaats waar hij woont.




De achtste brief


De mens is zonder twijfel de interessantste dwaze verschijning die er bestaat. De meest buitensporige. Hij heeft geen enkele geschreven wet -in zijn bijbel of daarbuiten- die niet als enig doel heeft Gods wet teniet te doen of in te perken. Hij kan barre feiten maar zeer zelden aanvaarden, en verbindt er praktisch altijd de verkeerde conclusie aan. Hij kan er niets aan doen. Het is de manier waarop de warboel die hij verstand noemt geconstrueerd is. Neem eens de dingen die hij toegeeft en de conclusies die hij daaraan verbindt in ogenschouw:

Hij geeft bijvoorbeeld toe dat God de mens schiep. God maakte de mens zonder dat hij het wenste en zonder zijn medeweten. Hieruit volgt duidelijk en onaanvechtbaar dat God, en Hij alleen, verantwoordelijk is voor de daden van de mens. Maar dit wordt door de mens ontkend.
De mens geeft toe dat Gods engelen volmaakt zijn, zonder smet en immuun voor pijn en dood en dat God dus op eenzelfde wijze de mens vriendelijk had kunnen bejegenen als Hij het maar gewild had, maar de mens ontkent dat God een morele verplichting had de mens zo te maken.
De mens geeft toe dat niemand het recht heeft zijn kind met moedwillige wreedheid te behandelen, pijnlijke ziekten te geven of het zelfs te doden, maar weigert de voorrechten van God in dit opzicht in te perken.
De Bijbel en voorschriften van de mens verbieden moord, overspel, echtbreuk, liegen, bedriegen, roven, verdrukken, en andere misdaden; maar tezelfdertijd houdt men vol dat God zich niet aan deze wetten behoeft te houden en ze allemaal kan overtreden indien Hij het maar wil.
De mens geeft toe dat God een ieder bij zijn geboorte zijn karaktereigenschappen gegeven heeft, zijn dispositie. Hij geeft ook toe dat een mens zijn geaardheid niet kan veranderen, maar er altijd door geleid wordt. Maar in het geval wanneer iemand met laaiende passies behept is, en in het andere geval wanneer het iemand aan alle passie ontbreekt, dan is het geoorloofd en verstandig de eerste voor zijn daden te straffen en de ander voor zijn passiviteit te belonen. Laten we het aspect van de geaardheid eens nader onderzoeken.


Geaardheid (dispositie)


Neem twee extremen van geaardheid -de bok en de schildpad. Geen van beiden maken zelf hun geaardheid, ze worden ermee geboren, en net zoals de mens, kunnen ze hun geaardheid niet veranderen. Geaardheid is de wet van God, door God zelf geschreven op het hart van ieder schepsel. Het moet daarom gehoorzaamd worden, en zal gehoorzaamd worden ondanks alle beperkende of verbiedende voorschriften. Laten we eens zien hoe het werkt.

Lust is het dominante kenmerk van de geaardheid van de bok, de wet die God in zijn hart gelegd heeft en gehoorzaamd moet worden. De bok gehoorzaamt zijn geaardheid dan ook de hele dag in de bronsttijd, hij heeft in die periode geeneens tijd om te eten en te drinken. Indien er in de Bijbel tot de bok gezegd zou worden: "Gij zult niet echtbreken, geen overspel plegen", dan zou zelfs de mens -de mens wiens hoofd voornamelijk met zaagsel is opgevuld- begrijpen dat het gebod dwaasheid is, en toegeven dat de bok zich niet schuldig maakt door slechts aan de wet van Zijn schepper te gehoorzamen. Maar hij denkt dat het wél juist en rechtvaardig is wanneer men het gebod aan een mens uitvaardigt. Aan alle mensen zonder onderscheid. Op het eerste gezicht is dit aartsdom, want van geaardheid, dwz volgens de werkelijke wet van God, zijn vele mannen bokken en kunnen ze er niets aan doen overspel te plegen wanneer ze er maar de gelegenheid toe krijgen. Aan de andere kant zijn er ook een heel groot aantal mannen die vanwege hun geaardheid hun zuiverheid kunnen behouden en iedere gelegenheid ertoe kunnen laten voorbijgaan indien de vrouw maar aantrekkelijkheid mist. Maar de Bijbel staat in het geheel geen overspel toe, of iemand het nu kan helpen of niet. Wanneer het mensen betreft mag er geen onderscheid worden gemaakt tussen bokken en schildpadden -de snel opgewonden bok, de emotionele bok, die iedere dag zo zijn flirtatie moet hebben of anders wegkwijnt en sterft; en de schildpad, die koude, kalme puritein, die zich er eens in de twee jaar op trakteert en dan nog voordat het voorbij is in slaap valt, om pas na zestig dagen weer wakker te worden. Geen enkele damesgeit is veilig, zelfs niet op de sabbat, wanneer er een herenbok in de omtrek van vijf kilometer te bespeuren is en er geen hek van vijf meter tussen hen in staat. Maar noch de herenschildpad, noch de damesschildpad heeft ooit honger genoeg om de diepe vreugden van overspel te proeven indien het het schenden van de sabbat inhoudt. En nu moet volgens de eigenaardige redenaties van de mens de bok gestraft worden en de schildpad geprezen worden.

"Gij zult niet echtbreken" is dus een gebod waaraan iedereen zich moet houden, oa de volgende personen:


Pasgeboren kinderen.
Babies in de wieg.
Schoolkinderen.
Jongelui.
Jongvolwassenen.
Oudere volwassenen.
Mannen en vrouwen van veertig.
Van vijftig.
Van zestig.
Van zeventig.
Van tachtig.
Van negentig.
Van honderd jaar oud.
Dit gebod is niet moeilijk te onderhouden voor drie groepen kinderen. Het wordt moeilijk -moeilijker- nog moeilijker- voor de drie volgende groepen. Het wordt weer gemakkelijker voor de drie daarop volgende groepen. Hierna heeft het zijn dienst wel zo ongeveer bewezen en al alle vernieling aangericht waar het toe in staat was. Maar met komische imbeciliteit blijft het gebod nog steeds van kracht, en worden ook de overige groepen onder zijn juk geplaatst. De arme oude wrakken, ze zouden het gebod niet eens kunnen overtreden, al zouden ze het willen. Maar omdat ze zich heel vroom niet aan overspel schuldig maken ontvangen ze daarvoor de hoogste lof! Onzin natuurlijk, want zelfs de Bijbel weet genoeg om te weten dat indien het alleroudste mannetje zijn krachtige jonge jaren weer terug zou kunnen krijgen voor slechts één uur, hij heel zeker alle geboden in de wind zou gooien en zich bezighouden met het paaien van de eerste de beste vrouw die hij maar zou tegenkomen, zelfs als ze een totale vreemde voor hem zou zijn.

Zoals gezegd: ieder gebod in de Bijbel en in de wetboeken is een poging de wet van God teniet te doen. De goddelijke wet die onbreekbaar en onveranderlijk is. De God van deze mensen heeft hen trouwens keer op keer laten zien dat Hijzelf niets om de Bijbelse instrukties geeft. Hij breekt ze stuk voor stuk zelf, inclusief de wet op overspel. De wet die God werkelijk in de vrouwelijke constructie heeft geschapen is deze: Er zal zo lang u leeft op u geen beperking rusten voor de seksuele gemeenschap. En de wet die God voor de man geschapen heeft is deze: Zo lang u leeft zult u beperkingen hebben in uw vermogens tot seksuele gemeenschap.
Gedurende 23 dagen van iedere maand (indien de vrouw niet zwanger is), vanaf haar zevende jaar tot de dag dat ze sterft, is een vrouw klaar en bekwaam voor aktie. Zo bekwaam als een kaarsenhouder om een kaars te ontvangen. Iedere dag, iedere nacht. En niet alleen dat, ze wil de kaars, verlangt ernaar, zucht er naar, aangezien dit de wet is die God in haar hart geplaatst heeft. Maar de man is slechts een moment competent, en dan nog in de middelmatige mate waarin het woord voor zijn geslacht toepasbaar is. Hij is ertoe in staat vanaf zijn zestiende en vanaf die tijd zo'n 35 jaar. Na zijn vijftigste is zijn bekwaamheid van povere kwaliteit, zijn de pauzes ertussen lang en het resultaat voor beide partijen onbevredigend. Terwijl zijn overgrootmoeder nog een zo goed als nieuwe kaarsenhouder heeft, wordt zijn kaars steeds slapper en zwakker van ouderdom, en met het verstrijken van de jaren komt hij niet meer overeind, en legt men hem bedroefd voorgoed in de kast, al maar hopend dat er eens een opstanding zal plaatsvinden, die echter nooit komt. Volgens de struktuur van de vrouw is haar orgaan drie dagen in de maand en in de zwangerschapstijd onbruikbaar. Dit zijn perioden van ongemak, vaak ook van pijn. Om dit rechtvaardig te compenseren heeft zij het voorrecht op alle andere momenten te mogen genieten van overspel. Zulks is de wet van God, zoals de werken van Zijn hand het laten zien. En wat doet de vrouw met dit voorrecht? Leeft ze een vrij leven, geniet ze ervan? Nee. Nergens op aarde. Haar privileges zijn haar ontroofd. En wie doet dat dan wel? De man. De voorschriften aan de man gegeven -althans indien we de Bijbel het woord van God moeten noemen.

En zie hier nu een staaltje van het "verstandelijk denken" van de mens -zo noemt hij het zelf. Hij houdt zich aan bepaalde voorschriften. Bijvoorbeeld dat hij in al zijn levensdagen nooit ook maar één vrouw bevredigt. En ook dat geen vrouw ooit de dag ziet dat ze overwerkt raakt vanwege het uitdoven van tien kaarsen. De mens legt alle veelzeggende en overduidelijke feiten naast elkaar en trekt deze verbazingwekkende conclusie: de Schepper heeft het samengaan van één vrouw met één man bedoeld. En deze conclusie roept hij uit tot wet, voor ieders bestwil. En hij doet dit zonder de vrouw te raadplegen, hoewel de vrouw veel meer op het spel heeft staan dan hij. Zijn vermogen tot seks beperkt zich tot een stuk of honderd oefeningen per jaar, voor een beperkt aantal jaren. Maar zij zou het wel drieduizend keer per jaar kunnen doen, en dat gedurende haar gehele leven. Opgeteld betekent dat vijfduizend verfrissende gelegenheden voor hem, en honderdvijftigduizend keer voor haar. En in plaats van dat hij het maken van de regels nu eerlijk aan haar overlaat, doet deze ezel die in de zaak niets van waarde te bieden heeft, dit zelf!

Ik heb jullie al gezegd dat de man een dwaas is, maar nu zijn jullie er achter gekomen dat de vrouw een dubbeldwaas is.
Indien jullie of welk ander intelligent wezen dan ook de zaken rechtvaardig tussen man en vrouw zouden verdelen, zouden jullie de man een vijftigste deel geven van het aandeel van de vrouw, en de vrouw een harem. Ja toch? Natuurlijk. Maar ik geef jullie mijn woord van eer, dit schepsel met dat slappe kaarsje heeft het precies andersom geregeld. Salomo, één van de favorieten van de Godheid, had een copulatiekamer die wel 700 vrouwen bevatte en 300 bijvrouwen. Zonder zijn gezicht te verliezen zou hij nog geen twee van die schepsels genoeg bevrediging kunnen schenken, zelfs niet als hij er nog vijftien helpers met expertise bij had. Bijgevolg moest zo ongeveer de hele groep van duizend jonge vrouwen er hongerig van jaar tot jaar bijlopen. Denk je eens in een man die zo verhard is dat hij elke dag dit lijden aanziet en niets doet om het leed te verzachten. Hij voegde er nog een gemene streek aan ellende aan toe, want alle vrouwen stonden voortdurend onder toezicht van stevige mannen met zo'n uiterlijk dat alle meisjes het water op de lippen kregen, maar mannen die niets hadden om in een kaarsenhouder te plaatsen, aangezien ze eunuchs waren. Een eunuch is een persoon wiens kaars uitgedoofd is met behulp van een kunst.

PS Het is mijn bedoeling deze brieven ook op de aarde te publiceren. Maar twee edities, één ongecensureerde, voor de bijbellezers en hun kinderen, en één fatsoenlijke voor de lezers met meer verfijning.




De negende brief


De Ark zette haar reis voort, dobberde dan weer eens hier, dan weer eens daar, zonder kompas en onbestuurd, overgegeven aan de wind en de zeestromen. En die regen, almaar regen, regen! Het bleef maar vallen, plenzen, overstromen. Nooit was er ooit zo'n regen gevallen. Van zestien duim per dag had men nog gehoord, maar dat was niets in vergelijking tot dit. Nu viel er wel 120 duim per dag, drie meter! En zo bleef het wel veertig dagen en veertig nachten doorregenen. Alle heuvels van honderdtwintig meter stonden onder water. Daarna hielden de hemel en zelfs de engelen op met regenen, want het water was op. Als een wereldwijde vloed was het resultaat teleurstellend, maar er waren al zoveel zondvloeden geweest in de lange geschiedenis van de aarde -de verhalen erover komen we in alle Bijbels van alle volken tegen- en deze zondvloed was toch tenminste zo goed als de anderen. Tenslotte vloog de Ark hemelwaarts en kwam hij tot rust op de berg Ararat, meer dan vijfduizend meter boven dalshoogte, en de levende vracht kon ontscheept worden en de berg aflopen.

Noach plantte een wijngaard, dronk de wijn ervan en werd dronken. Uit alle mensen die er beschikbaar waren was deze man uitverkozen, omdat er geen beter exemplaar te vinden was. Hij moest de nieuwe basis van het menselijk ras zijn. En dit nu was die basis! Het beloofde dus niet veel goeds. Het experiment nog wat langer te laten doorgaan was zeer riskabel en onwijs. Nu was het tijd om ook deze mensen hetzelfde lot te laten ondergaan dat zo oordeelkundig over alle anderen was geveld - iedereen behalve de Schepper zou dit nu doorhebben. Maar Hij zag het niet. Dwz misschien zag Hij het niet. Men beweert namelijk dat Hij alles wat er zou gebeuren in de wereld vanaf het begin van de schepping al voorzag. Indien dit waar is voorzag Hij dat Adam en Eva van de vrucht zouden eten; dat hun nageslacht niet om uit te staan zou zijn en verdronken moest worden; dat het nageslacht van Noach al even onverdraaglijk zou zijn, en dat Hij op den duur Zijn troon in de hemel zou moeten verlaten om naar beneden te komen, om gekruisigd te worden, om dat vermoeiende menselijk ras nog weer eens te redden. En redde Hij het ditmaal in zijn geheel? Nee! Gedeeltelijk? Ja. Hoeveel ervan dan? Wel, in iedere generatie, honderden generaties lang, zouden er een miljard sterven en die zouden allemaal naar de verdoemenis gaan op een tienduizend na; de tienduizend natuurlijk uit de kleine groep christenen, zo ongeveer één op de honderd christenen. Slechts zulke katholieken die bij het uitblazen van de laatste adem een priester bij de hand hadden om hun ziel op te poetsen, en hier en daar een calvinist. Voor de anderen was het een hopeloze zaak. Al die anderen werden verdoemd. Bij de miljoenen.

Geloven jullie ook dat Hij dit alles voorzag? Het wordt namelijk vanaf de kansels gepredikt. Het staat gelijk aan geloven dat wat intelligentie betreft de Godheid de Grootste Armoedzaaier van het universum is, en dat Hij, wat moraal en karakter betreft, zo ongeveer op het niveau van David staat.




De tiende brief


De twee testamenten zijn allebei op zich interessante gevallen. Het Oude Testament geeft een beeld van de God van dit volk, vóórdat Hij aan godsdienst deed, en het Nieuwe Testament vertelt hoe Hij eruit zag nadat Hij de godsdienst ophief. Het Oude Testament is hoofdzakelijk geïnteresseerd in bloed en seks. Het Nieuwe in Verlossing. Verlossing met behulp van vuur. Toen God de eerste keer naar de aarde kwam bracht Hij leven en dood. Toen Hij voor de tweede maal kwam bracht Hij de hel. Het leven was nu niet zo'n waardevolle gave, maar de dood was dat toch wel. Het leven was een koortsachtige droom, een mengeling van vreugde en bittere smarten, plezier vergiftigd met pijn, een droom die vaak leek op een verwarde nachtmerrie waarin voorbijvlietende geneugten, vervoeringen en geluk afgewisseld werden met langdurige ellende, droefenis, gevaren, weerzinwekkende gebeurtenissen, teleurstellingen, vernederingen, en wanhoop -kortom, de allergrootste vloek die een Godheid maar kan verzinnen. Maar de dood was zacht, de dood was een vriend, de dood genas de gewonde geest en het gebroken hart, en gaf de mens rust en de vergetelheid. De dood was dan ook de beste vriend van de mens: wanneer een mens het leven niet meer aankon kwam altijd de dood om hem verlossing te schenken.
Op een gegeven moment had de Godheid door dat de dood dan ook een vergissing was. Een vergissing, omdat het onvoldoende was. Het was weliswaar een bewonderenswaardige dienstverlener om de ellende van de overlevenden groter te maken, maar het maakte het onmogelijk de personen die door de dood ontsnapt waren en nu gezegend in een graf lagen, nog verder te vervolgen. Deze situatie was onbevredigend. Er moest een middel gevonden worden de doden nog na hun dood te kunnen blijven vervolgen. De Godheid piekerde wel vierduizend jaar lang tevergeefs op deze lastige kwestie, maar toen Hij zich als christen naar de aarde begaf klaarde alles meteen op en wist Hij wat Hem te doen stond: Hij vond de hel uit, en begon die rond te prediken.

Nu volgt hier een vreemde zaak. Iedereen beweert dat, toen Hij nog in de hemel vertoefde, Hij gestreng was, hard, wrokkig, naijverig en wreed; maar dat toen Hij naar de aarde afdaalde en de naam Jezus Christus kreeg, Hij in het omgekeerde veranderde, dwz liefdevol, zacht, mededogend en vergevend werd. Alle hardheid verdween uit zijn geaardheid en daarvoor in de plaats kwam een diep verlangen naar liefde voor zijn arme menselijke kinderen. Terwijl Hij toch ook in de vorm van Jezus Christus de hel uitvond en die overal predikte! Dwz als de liefdevolle en zachtaardige Verlosser kon Hij tegelijkertijd duizendmiljard keer wreder zijn dan Hij zich ooit in het Oude Testament had laten zien. Onvergelijkelijk veel wreder dan Hij op de gruwelijkste tijden in die oude tijd liet zien!
Liefdevol en zacht? We zullen we dit algemeen verbreide sarcasme altijd moeten bezien in het licht van de hel die Hij uitvond.
Hoewel we de hoofdprijs voor kwaadaardigheid dus naar Jezus -de uitvinder van de hel- gaat, was God zoals gezegd ook voordat Hij een christen werd al hard en liefdeloos. Het schijnt dat Hij er nooit eens is voor gaan zitten om het feit te overdenken dat Hijzelf de schuld had voor alles wat er fout ging. De mens gedroeg zich slechts zoals hij geschapen was. En toch strafte Hij altijd de mens, en nooit zichzelf. En bovendien was de straf nooit overeenkomstig het kwaad dat geschied was. Vaak gold de straf niet eens de dader van het kwaad, maar werd hij aan iemand anders uitgedeeld, aan de leider, het hoofd van een gemeenschap bijvoorbeeld:


Toen de Israëlieten in Sittim verbleven, begonnen ze zich in te laten met Moabitische vrouwen...Daarom ontstak Jahweh in woede tegen Israël: "Laat alle familiehoofden van het volk in het openbaar terechtstellen en ophangen, ten overstaan van Jahweh", zei Hij tegen Mozes. "Dan zal Jahweh zijn brandende toorn tegen Israël laten varen."


Lijkt jullie dat een eerlijke manier van optreden? Uit de tekst blijkt niet dat zij meededen aan ontucht, maar toch worden zij ervoor opgehangen, niet "het volk". Indien het in die tijd rechtvaardig en juist was, is het ook vandaag even zo goed zo te handelen, want alle kansels laten weten dat Gods rechtvaardigheid eeuwig en onveranderlijk is en ook dat Hij de bron is van alle moraal, en dat Zijn moraal eeuwig en onveranderlijk is. Welnu, indien New Yorkers ontucht plegen met de dochters van New Jersey kunnen we dus geloven dat het juist is om een schavot op het plein voor het stadshuis te bouwen en de sheriff, de rechters en de aartsbisschop maar op te hangen, hoewel ze niets meegesnoept hebben. Het lijkt mij in het geheel niet juist. Maar bovendien zou men hiervan zeker kunnen zijn: zoiets zou helemaal niet kunnen gebeuren. De machthebbers zouden zoiets nooit toestaan. Ze zijn veel beter dan hun Bijbel. Hier zou helemaal niets gebeuren; natuurlijk, een paar rechtzaken en wat schadevergoeding, in het geval de zaak niet in de doofpot gestopt zou kunnen worden. Zelfs in het vrome zuiden zou men niet optreden tegen personen die er niet aan mee hadden gedaan. Ze zouden slechts met een lynchtouw in de hand de boosdoeners achtervolgen en indien die niet gevonden konden worden een paar negers in plaats van hen ophangen. De zaken worden tegenwoordig dus een stuk beter aangepakt dan in de tijd van de Almachtige, al mag de kansel dit nog zo tegenspreken.

Willen jullie de moraal en geaardheid van de Godheid nog wat onderzoeken? Lees dan het volgende en houd in gedachten dat alle kinderen op de zondagschool geleerd worden de Almachtige lief te hebben, Hem te eren, Hem te loven en Hem als model te laten staan dat geïmiteerd moet worden:


Jahweh zei tegen Mozes: ‘Spoor de Israëlieten ertoe aan wraak te nemen op de Midjanieten, daarna zul je met je voorouders verenigd worden.’ Hierop zei Mozes tegen het volk: ‘Een deel van de mannen moet zich klaarmaken voor de strijd. Ze moeten de Midjanieten aanvallen om de wraak van Jahweh aan Midjan te voltrekken. Elke stam van Israël moet duizend man in het veld brengen.’ Zo werden er twaalfduizend weerbare mannen gerekruteerd, duizend man uit elke stam van Israël. Mozes liet deze mannen, duizend uit elke stam, uitrukken samen met Pinechas, de zoon van de priester Eleazar, die de heilige voorwerpen en de trompetten bij zich droeg. Ze trokken tegen de Midjanieten ten strijde, zoals Jahweh Mozes had bevolen, en doodden alle mannen, onder wie de koningen van Midjan: Ewi, Rekem, Sur, Chur en Reba. En naast de vijf Midjanitische koningen doodden ze ook Bileam, de zoon van Beor. De Israëlieten namen de Midjanitische vrouwen en kinderen gevangen, maakten zich meester van de runderen en het overige vee van de Midjanieten en van al hun bezittingen, en legden de steden waarin ze woonden en hun tentenkampen in de as. De geroofde bezittingen en de hele buit aan mensen en dieren namen ze mee, en ze brachten zowel de gevangenen als de buitgemaakte goederen naar Mozes, de priester Eleazar en het volk van Israël, naar het kamp in de vlakte van Moab, aan de Jordaan, ter hoogte van Jericho.
Mozes, de priester Eleazar en de leiders van de gemeenschap verlieten het kamp en gingen hun tegemoet. Toen werd Mozes woedend op de bevelhebbers, de aanvoerders van duizend en de aanvoerders van honderd man, die daar uit de strijd terugkeerden. ‘U hebt de vrouwen in leven gelaten?!’ zei hij. ‘Juist zij waren het die de Israëlieten, op aanraden van Bileam, destijds bij de Peor verleid hebben tot ontrouw aan Jahweh, en dat veroorzaakte de plaag die de gemeenschap van Jahweh getroffen heeft. Dood daarom alle kinderen van het mannelijk geslacht en alle vrouwen die met een man hebben geslapen, maar laat meisjes die nog nooit met een man hebben geslapen in leven. Zelf moet u zeven dagen buiten het kamp blijven. Iedereen die iemand gedood heeft en iedereen die een gesneuvelde heeft aangeraakt, moet zich op de derde en op de zevende dag laten reinigen. Dit geldt niet alleen voor uzelf maar ook voor de gevangenen. Ook alle kleren moeten gereinigd worden, en alle voorwerpen die gemaakt zijn van leer, geitenhaar of hout.’
De priester Eleazar zei tegen de mannen die aan de strijd hadden deelgenomen: ‘Dit is een wet die Jahweh heeft ingesteld en die hij aan Mozes bekend heeft gemaakt: Alles van goud of zilver, van koper, ijzer, tin of lood, alles wat vuurbestendig is, moet door het vuur gehaald worden om weer rein te worden, en het moet bovendien met reinigingswater worden gereinigd. Alles wat niet tegen vuur bestand is, moet door het water gehaald worden. Was op de zevende dag uw kleren, dan bent u weer rein en mag u weer in het kamp komen.’
Jahweh zei tegen Mozes: ‘Ga samen met de priester Eleazar en de familiehoofden van de gemeenschap na hoe groot de buit aan mensen en dieren is; geef de ene helft aan de mannen die aan de strijd hebben deelgenomen en de andere helft aan de rest van de gemeenschap. Leg degenen die aan de strijd hebben deelgenomen een heffing op van één op de vijfhonderd mensen, runderen, ezels, schapen en geiten; dit moeten zij aan Jahweh afstaan. Houd dit op hun aandeel in en geef het aan de priester Eleazar, als een geschenk voor Jahweh. Op het aandeel van de andere Israëlieten moet je één op de vijftig mensen, runderen, ezels, schapen, geiten en andere dieren inhouden. Geef ze aan de Levieten die zorg dragen voor de tabernakel van Jahweh.’
Mozes en de priester Eleazar deden wat Jahweh Mozes had geboden. Afgezien van de buitgemaakte goederen die de troepen al hadden verbruikt, bedroeg de buit 675.000 schapen en geiten, 33 72.000 runderen en 61.000 ezels, en verder mensen, namelijk 32.000 vrouwen die nog nooit met een man geslapen hadden. De helft, het aandeel van hen die aan de strijd hadden deelgenomen, bedroeg dus 337.500 schapen en geiten, waarvan er 675 aan Jahweh moesten worden afgestaan, 36.000 runderen, waarvan er 72 aan Jahweh werden afgestaan, 30.500 ezels, waarvan er 61 aan de HEER werden afgestaan, 40 en 16.000 mensen, van wie er 32 aan Jahweh werden afgestaan. Mozes droeg alles wat als geschenk aan Jahweh moest worden afgestaan, over aan de priester Eleazar, zoals Jahweh hem had geboden. Op het aandeel dat Mozes apart gehouden had voor de Israëlieten die niet aan de strijd hadden deelgenomen – de voor hen bestemde helft omvatte 337.500 schapen en geiten, 36.000 runderen, 30.500 ezels en 16.000 mensen – op dat aandeel van de Israëlieten hield Mozes één op de vijftig mensen en dieren in, en hij gaf die aan de Levieten die zorg droegen voor de tabernakel van Jahweh, zoals Jahweh hem had geboden. De bevelhebbers van het leger, de aanvoerders van duizend man en die van honderd, kwamen Mozes zeggen: ‘We hebben de manschappen die onder ons bevel stonden geteld, heer, en er ontbreekt niemand. Wat wijzelf aan gouden voorwerpen hebben aangetroffen, bieden we Jahweh als offergave aan: enkelkettinkjes, armbanden, vingerringen, oorringen en halssieraden. Hiermee willen we bij Jahweh verzoening voor onszelf bewerken.’ Mozes en de priester Eleazar namen de gouden sieraden van hen aan. Het goud dat ze als geschenk voor Jahweh in ontvangst namen van de aanvoerders van duizend man en die van honderd, woog 16.750 sjekel. De manschappen hielden de buit die ze veroverd hadden zelf. Mozes en de priester Eleazar brachten het goud dat ze van de aanvoerders van duizend en van honderd man in ontvangst hadden genomen naar de ontmoetingstent, opdat Jahweh aan de Israëlieten zou blijven denken. [Numeri 31]


Voordat u een stad aanvalt, moet u eerst een vredesregeling aanbieden. Als men op het voorstel ingaat en de poorten voor u opent, moeten alle inwoners van de stad tot herendienst worden gedwongen. Als ze echter geen vrede willen sluiten en liever de strijd met u aangaan, en Jahweh, uw God, u de belegerde stad in handen geeft, moet u alle mannelijke inwoners ter dood brengen. Maar de vrouwen en kinderen en het vee en alles wat er aan goederen in de stad is mag u buitmaken. U mag van de buit eten wat u wilt, want u krijgt het van Jahweh, uw God. Zo moet u te werk gaan bij de steden die op grote afstand van u liggen, buiten het gebied dat u nu gaat veroveren. Maar daarbinnen, in de steden van het land dat Jahweh, uw God, u als grondgebied zal geven, mag u geen mens in leven laten. [Deut. 20]


De Bijbelse wet zegt: "Gij zult niet doodslaan." De goddelijke wet, geplant in het hart des mensen bij geboorte, zegt: "Gij zult doden." De gedeelten uit de Bijbel die hierboven aangehaald zijn, zijn er alweer een bewijs voor dat de wetten uit een boek gedoemd zijn te mislukken. De wet uit een boek kan nooit de veel krachtiger natuurwet aan de kant zetten. Volgens het geloof van deze mensen was het God zelf die uitsprak: "Gij zult niet doodslaan." Het is in dat geval dus duidelijk dat God zich niet aan Zijn eigen geboden houdt. Hij doodde al die mensen die hierboven genoemd werden. Alle mannen. Ze hadden die Godheid in geen enkel opzicht dwars gezeten. Zonder de details op te zoeken weten we al dat het om een kleinigheid ging, iets waar slechts een god zich druk over zou maken. Wie weet hadden de Midianieten zich schuldig gemaakt aan hetzelfde gedrag als een zekere Onan, die geheel volgens de regels gemeenschap had met de vrouw van zijn overleden broer, maar in plaats van tot het einde te gaan, "zijn zaad verspilde op de grond". Voor deze daad werd Onan door de Heer gedood, want de Heer was zeer fijngevoelig. De Heer doodde Onan, en tot op de dag van vandaag begrijpen de christenen nog niet waarom Hij zich beperkte tot Onan, en niet alle andere inwoners in een straal van vijhonderd kilometer meteen ook maar doodde. Ze waren namelijk allemaal onschuldig en behoorden dus tot degenen die in de regel door Hem geslagen worden. Dit was namelijk altijd Zijn idee van eerlijke behandeling. Indien Hij een motto zou hebben zou het luiden: "Laat geen enkel onschuldig persoon ontsnappen." Jullie zullen je herinneren wat Hij deed ten tijde van de zondvloed. Er waren ontelbaar veel pasgeboren kinderen, en Hij wist best dat ze Hem nooit enig kwaad aangedaan hadden; maar hun verwanten hadden dat wel gedaan, en dat was al genoeg voor Hem. Hij zorgde ervoor dat de wateren tot hun kermende lippen steeg, Hij zag de wilde angst in hun ogen, de smeekbeden die op het gelaat van de moeders in doodsnood te lezen was en die ieders hart behalve het Zijne zouden verzachten. Maar het was Hem in het bijzonder te doen om de onschuldigen, en zo deed hij ook de arme schepseltjes allemaal omkomen. Houd ook in herinnering dat in het geval van Adams nazaten alle miljoenen onschuldig zijn - niemand van zijn nazaten hadden ook maar enig aandeel in zijn overtreding, maar de Godheid houdt hen tot op de dag van vandaag toch voor schuldig. Niemand ontglipt uit Zijn handen behalve hij die zichzelf uitroept tot schuldig -met een andere leugen neemt Hij geen genoegen.
Één of andere Midianiet had Onans gedrag dus zeker herhaald, en dat veroorzaakte de rampspoed over zijn volk. Maar indien wat er gebeurde niet tegen deze fijngevoeligheid van de Godheid indruiste, dan raad ik al wat dan wel de oorzaak was: één of andere Midianiet had zeker tegen de stadsmuur geplast. Ik weet zeker dat dat het was, want zoiets was zó onbetamelijk dat de Bron van Alle Etiquette dit beslist niet verdragen kon. Iemand mocht tegen een boom plassen, op z'n moeder plassen of in z'n eigen broek, en er mee wegkomen, maar hij mocht in geen geval tegen de stadsmuur plassen, dat zou te ver gaan. Waar de oorsprong lag van deze pieterpeuterige misdaad is niet duidelijk, maar we weten wel dat het heftige gevoelens van afkeer opriep - zulke sterke gevoelens dat niets dan een volledige slachting van alle inwoners in de omgeving van de geschonden muur, de Godheid tot tevredenheid kon brengen. Neem bijvoorbeeld het geval van Jerobeam. "Daarom, zie, Ik zal kwaad over het huis van Jerobeam brengen, en al wat tegen de muur plast uitroeien, van hoog tot laag in Israël; en Ik zal de nakomelingen van het huis van Jerobeam wegvegen, zoals men poep wegveegt, tot er niets meer van over is." (1 Kon. 14: 10, letterlijke tekst) En zo gebeurde het. En zo verging het ook het huis van Achab (1 Kon. 21:21) en Basa (1 Kon. 16): alles werd uitgeroeid, verwanten, vrienden en de rest, zodat er uiteindelijk niet één meer over was van "wat tegen de muur plaste". In het geval van Jerobeam hebben we trouwens weer een typisch voorbeeld van de gewoonte van de Godheid Zijn straf niet te beperken tot de schuldigen. Ook de onschuldigen worden voor de zekerheid gestraft. Zelfs "het overblijfsel" wordt als poep weggeveegd. Dit is dus inclusief de vrouwen, de jonge maagden en kleine meisjes. Allemaal onschuldig, omdat ze tenslotte niet tegen de stadsmuur konden plassen. Niemand van dat geslacht kan dat. Slechts mannen kunnen zoiets presteren.
Een wonderlijke afkeer. En dit wordt nog steeds in ere gehouden. Protestantse ouders hebben altijd een bijbel bij de hand, die de kinderen ook moeten bestuderen, en één van de eerste verzen die ze dan leren is dat de gelovige rechtvaardig moet zijn en niet tegen de muur mag plassen [de uitdrukking staat in de King James Bijbel, de engelse statenvertaling, vert.]. Ze studeren deze passages veel beter dan alle andere passages, met uitzondering van de passages die gaan over masturbatie. Ze zoeken er stiekem met de grootste ijver naar. Er bestaat dan ook geen enkel protestants kind dat niet weet wat masturbatie is. Deze kunst is de allereerste die hem via de Bijbel geleerd wordt. En natuurlijk leert zij het dankzij haar geloof al even vroeg te doen. De Bijbel heeft dít voor op alle boeken die beschaafdheid en goede manieren leren: een kind kan het begrijpen. Het wordt door het kind al in de vroegste kinderjaren in zich opgenomen. Alle andere boeken komen pas later. "Gij zult buiten de legerplaats een plek hebben om u daarheen naar buiten te begeven; gij zult bij uw uitrusting een schopje hebben en, wanneer gij uw behoefte doet, daarmee een gat graven en uw uitwerpselen weer bedekken." (Deut. 23: 14) Dit met het oog op Gods aanwezigheid in het kamp.
Het is uiteindelijk niet de moeite waard uit te vissen waarom de Midianieten nu zo nodig uitgeroeid moesten worden. Waar we slechts zeker van kunnen zijn is dat het om iets onbeduidends ging, want dat hebben tenslotte alle andere gevallen -Adam, de zondvloed en de plassers tegen de stadsmuur- ons al laten zien. Wie weet had een Midianiet zijn schopje vergeten mee te nemen en haalde hij zo de narigheid op hun hals. Maar het doet er niet toe. De zaak waar het om gaat is die narigheid zelf en de moraal die soms uit één vaatje tapt en dan weer uit een geheel ander, want het gaat om wat men de christen in onze tijd leert en hoe men hem denkt te verheffen. God schreef op tafelen van steen: "Gij zult niet doden".
O ja, Hij schreef ook : "Gij zult geen echtbreuk plegen." Maar Paulus, die met de stem van God spreekt, adviseerde de seksuele gemeenschap maar helemaal weg te laten. Een hele verandering sinds de tijd van het incident met de Midianieten.




De elfde brief


De geschiedenis van alle tijden is rood van het bloed en verzadigd van bittere haat, en bevlekt met wreedheden. Maar slechts in Bijbelse tijden zijn deze dingen geheel zonder beperking. Zelfs de Kerk, die -vanaf de tijd dat ze heerste- de eer heeft meer onschuldig bloed verspild te hebben dan alle politieke oorlogen bij elkaar opgeteld voor elkaar kregen, heeft een vorm van beperking in acht genomen. Of tenminste iets wat er op lijkt. Maar wanneer de God van Hemel en Aarde, de vereerde Vader der Mensheid, zelf de oorlog ingaat, dan zijn er totaal geen beperkingen meer. Hij is volkomen zonder genade. Hij die ook de Bron van Genade wordt genoemd, Hij doodt, doodt, en doodt! Alle personen van het mannelijk geslacht, alle dieren, alle jongens, alle babies. Ook alle vrouwen en alle meisjes, behalve zij die nog niet ontmaagd zijn. Hij maakt geen onderscheid tussen schuldig en onschuldig. De zuigelingen waren natuurlijk onschuldig, evenzo het vee, zeker velen van de mannen, velen van de vrouwen, velen van de jongens en meisjes. Maar ze moesten allemaal de straf ondergaan. Wat deze krankzinnige Vader eiste was bloed en ellende, het was Hem om het even wie het bloed zou leveren.
De zwaarste straf ondergingen nog die meisjes die met geen mogelijkheid zulk een lot verdiend hadden: de 32.000 maagden. Hun naakte intieme delen werden bevoeld om vast te stellen dat ze maagd waren; na deze vernedering werden ze uit hun geboortestreek weggevoerd en als slaven verkocht om dienst te doen om het laagste slavenwerk te vervullen, de prostitutie. Bed-slavernij, om de lust op te wekken en die met hun lichamen te bevredigen. Als slaven werden ze verkocht aan de hoogste bieder, of die nu een gentleman was of een ruwe en vuile schoft. Het was de Vader die toestond deze onverdiende zware straf voor deze weeskinderen uit te voeren. Hun ouders waren voor hun ogen afgeslacht. Zullen ze Hem gesmeekt hebben om genade? Ongetwijfeld.
Deze maagden waren oorlogsbuit. God eiste ook Zijn deel op. Wat moest Hij met deze maagden? Lees hoe het verhaal verder gaat om er achter te komen.
Zijn priesters kregen ook hun aandeel. En wat moesten zij nu met maagden? Vraag het de intieme geschiedenis van de Rooms Katholieke biechtstoelen. Het grootste vermaak van alle biechtstoelen is in alle tijden altijd de verleiding geweest. Père Hyacinth getuigt dat van de honderd priesters die bij hem kwamen biechten, 99 opbiechtten de biechtstoel met succes te hebben gebruikt om vrouwen en jonge meisjes te verleiden. Één priester biechtte op dat van de negenhonderd meisjes en vrouwen waarover hij in zijn loopbaan herder was, er geen één aan zijn wellust ontsnapte, met uitzondering van de hoogbejaarden en allerlelijksten. Niet verwonderlijk, de officiële vragenlijst die de priester volgens de regels moet voorleggen zal met groot effect iedere vrouw die in betere conditie dan een verlamde verkeert, hitsig doen worden.

Er is niets te vinden in zowel barbaarse als in beschaafdere tijden dat zo gewetensloos en met zo'n uiterste grondigheid uitgevoerd werd als deze veldtocht van de Vader der Genade tegen de Midianieten. Het officiële verslag doet geen melding van voorvallen, episoden en kleine details. Ze spreekt slechts over de massa: alle maagden, alle mannen, alle zuigelingen, alle "schepselen die ademen", alle huizen, alle steden. Het geeft slechts één wijds landschap, zich uitstrekkend van de ene horizon naar de andere, zover het oog maar reikt, een landschap waarin alles verbrand is, tot puinhoop is gemaakt. Onze verbeelding voegt hieraan de beklemmende stilte toe, de stilte des doods. Maar natuurlijk waren er allemaal taferelen. Waar zullen we die vandaan halen?

Laten we slechts een stukje geschiedenis van gisteren ophalen. Een stukje geschiedenis van de amerikaanse indianen. De daden van God kunnen door hen ook uitgevoerd worden, in precies dezelfde geest van God. In 1862 kwamen de indianen van Minnesota -nadat de regering van de Verenigde Staten hen diep onrecht had aangedaan en men hen verraderlijk had behandeld- in opstand tegen de witte kolonisten. Ze slachtten alle blanken die ze maar in hun handen konden krijgen af, geen leeftijd of geslacht ontziend. Lees over dit voorval:

Twaalf indianen omsingelden een boerderij bij het krieken van de dag en namen het boerengezin gevangen. Het gezin bestond uit de boer met zijn vrouw en vier dochters, van wie de jongste veertien was en de oudste achttien. De ouders werden gekruisigd, dwz men hing hun naakte lichamen op aan de muur van hun huiskamer, met spijkers door hun handen. Daarna scheurden ze de kleren van de lichamen van hun dochters, deed hen voor hun ogen op hun knieën kruipen en verkrachtten hen meerdere malen. Daarna kruisigden ze ook de meisjes, op de muur tegenover de ouders. Ze sneden ook...maar ik zal ophouden. er is een limiet wat een mens kan verdragen. Er zijn zaken die zo weerzinwekkend zijn dat geen pen ze kan beschrijven. Één lid van het gezin, de vader, was nog in leven toen twee dagen later hulp kwam opdagen.
Ik heb nu slechts één incident beschreven. Ik zou er zo vijftig kunnen opnoemen en ze zouden ons het gehele arsenaal aan wreedheid dat het barbaarse menselijke talent ooit heeft uitgevonden, laten zien. En nu weten jullie wat er gebeurde toen onder de persoonlijke leiding van de Vader der Genade de veldtocht tegen de Midianieten uitgevoerd werd. Het drama in Minnesota was slechts een variant van deze veldtocht. Er gebeurde in de ene veldtocht niets wat niet ook tijdens de andere plaatsvond. Wel, het is natuurlijk op de keeper beschouwd niet helemaal waar. De indianen waren wat genadevoller dan de Vader der Genade. Zij verkochten maagden niet als seksslaven, om de lust van de moordenaars van hun ouders te bevredigen. De indianen verkrachtten hen enige malen en maakten vervolgens al spoedig een eind aan hun lijden, ze schonken hun het kostbare geschenk van de dood. Ze staken enkele huizen in brand, maar niet allemaal, ze steelden onschuldig vee, maar brachten geen enkel dier om.

Zouden jullie het nu raden dat deze zelfde gewetenloze God, dit moreel failliete Wezen, op een dag uitgroeit tot Leraar van moraal, barmhartigheid, zachtmoedigheid, rechtvaardigheid, zuiverheid? Het lijkt onmogelijk, buitensporig, maar hoor Hem aan in Zijn eigen woorden:


Gelukkig wie nederig van hart zijn,
want voor hen is het koninkrijk van de hemel.
Gelukkig de treurenden,
want zij zullen getroost worden.
Gelukkig de zachtmoedigen,
want zij zullen het land bezitten.
Gelukkig wie hongeren en dorsten naar gerechtigheid,
want zij zullen verzadigd worden.
Gelukkig de barmhartigen,
want zij zullen barmhartigheid ondervinden.
Gelukkig wie zuiver van hart zijn,
want zij zullen God zien.
Gelukkig de vredestichters,
want zij zullen kinderen van God genoemd worden.
Gelukkig wie vanwege de gerechtigheid vervolgd worden,
want voor hen is het koninkrijk van de hemel.


De mond die zulk onmetelijk sarcasme uitsprak, zulk een reuzenschijnheiligheid, is precies dezelfde die net de volledige uitroeiing van de Midianieten voorschreef; plus de volledige vernietiging van alle huizen, alle steden; en die alle maagden overgaf aan een leven in vuile slavernij. En het is dezelfde persoon die verantwoordelijk is voor de gebeurtenissen in Minnesota, achttien eeuwen later. Hij was in Zijn schik met de midianitische episode. En Hij is in Zijn schik met die episode in Minnesota, want anders had Hij het niet laten gebeuren.

De zaligsprekingen zouden op de kansel altijd vergezeld moeten worden van de hierboven genoemde passages uit Numeri en Deuteronomium. Pas wanneer men alle teksten leest krijgt men een afgerond beeld van Onze Vader in de Hemel. Maar ik heb het nog geen enkele keer meegemaakt dat een geestelijke dit ooit deed.















Uit het dagboek van Eva (de annalen van Adam)



...Liefde, vrede, gemak, eindeloze tevredenheid -dat alles was het leven in het paradijs. Het was heerlijk om te leven. Er was geen pijn, geen zwakheid, geen lichamelijke aftakeling, geen ziekte, geen zorgen, geen verdriet - zoiets zou men wellicht wel buiten de hof kunnen ervaren, maar niet in Eden. Op die plaats hadden ze geen vat, ze kwamen nooit op die plaats aan. Alle dagen waren eender en allemaal waren ze een zalige droom.


Er waren genoeg interessante dingen, want we waren maar kinderen en zó onwetend dat men dat tegenwoordig niet meer zou begrijpen. We wisten gewoon helemaal niets -eenvoudigweg niets. We begonnen helemaal bij het prille begin, het absolute begin. We moesten het alfabet van alle dingen leren. Tegenwoordig weet een vierjarig kind al dingen die wij op dertigjarige leeftijd nog niet wisten. We waren namelijk kinderen zonder opvoeders en leraren. Er wás niemand die ons ook maar iets zou kunnen vertellen. Er was ook geen woordenboek, zodat we niet eens wisten of we woorden goed of verkeerd gebruikten. We hadden een voorliefde voor lange woorden en tegenwoordig weet ik wel dat we die vaak gebruikten vanwege hun klank en waardigheid. En we gebruikten ze terwijl we niet eens de betekenis ervan wisten! En dan onze spelling - dat was pas iets om ons voor te schamen! Maar we bekommerden ons niet zo om deze flauwekul, en we verzamelden -zonder ons ook maar enige zorg te maken over de middelen en methoden- een uitgebreide en indrukwekkende woordenschat waar we best mee voor de dag konden komen.
Maar erachter te komen welke oorzaken alle verschijnselen hadden die op ons afkwamen, wat hun natuur was en het nut ervan, dát was onze grote passie, en met deze grootse en allesverslindende bezigheid waren we alle dagen bezig. Adam had het karakter van een wetenschapper. En niet onterecht mag ik mezelf ook best deze titel geven. We gebruikten graag deze voorname benaming voor onszelf. We hadden allebei de ambitie elkaar te overtroeven in wetenschappelijke vondsten. Deze sterke drang spoorde ons tot vriendschappelijke competitie aan en behoedde ons er effectief voor te vervallen in een leven van ijdelheid en lichtzinnig vertier.
De eerste gedenkwaardige wetenschappelijke uitvinding was de wet die stelt dat water en gelijksoortige vloeibare stoffen altijd neerwaarts stromen, en nooit opwaarts. Adam kwam er achter! Dagenlang had hij in het geheim allerlei proeven genomen en niets tegen mij gezegd; hij wilde er namelijk geheel zeker van zijn voordat hij van zijn bevindingen gewag gaf. Ik had wel door dat zijn uitzonderlijk intellect bezig was met een bijzonder belangrijke kwestie, want hij had moeite tot rust te komen en in zijn slaap maakte hij soms wilde bewegingen. Maar uiteindelijk was hij zeker van zijn zaak en toen kwam hij het mij vertellen. Ik geloofde er eerst niets van, want het leek me nogal vreemd, geheel onmogelijk zelfs. Mijn verwondering was zijn triomf, zijn beloning. Hij nam me mee van beek tot beek -er waren er tientallen- en telkens riep hij uit: "Zie je wel, ze stromen naar lagere gebieden, nooit bergopwaarts! Ik heb gelijk, het is nu bewezen, en opnieuw gecontroleerd. Er is niets dat mijn stelling twijfelachtig kan maken!"
En wat was het leuk hem zo uitbundig zijn grote uitvinding te zien vieren! De kinderen van tegenwoordig halen hun schouders er niet voor op wanneer ze opmerken dat water altijd naar beneden stroomt, en nooit eens naar boven, maar in díe tijd was het echt een verbazingwekkend feit, net zo moeilijk te geloven als alle andere feiten die zich aan ons voordeden. Stel je voor, dat feit stond vanaf de dag dat ik gemaakt werd voor mijn ogen, maar het was me nooit opgevallen! Het duurde een tijdje voordat ik het aanvaardde en me ernaar schikte. En nog lange tijd erna kon ik nooit stromend water bezien zonder me -of ik het nu wilde of niet- af te vragen hoe groot het verschil in hoogte dan wel niet is, en in mijn achterhoofd geloofde ik half dat ik de wet van Adam wel eens opgeheven zou kunnen zien. Maar uiteindelijk was ik er zeker van, en dat bleef ik. Vanaf die dag zou ik me erover verwonderd en verbaasd hebben, indien ik eens een waterval naar boven zou zien stromen. Dit soort kennis moet met noeste arbeid verkregen worden, geen kruimeltje kennis wordt gratis aan ons hoofd gegeven.
Deze wet was de eerste waarmee Adam de wetenschap bevorderde, en de wet droeg wel meer dan driehonderd jaar lang zijn naam -Adams wet van neerwaartsstromende vloeistoffen. Zijn hart verzachtte altijd wanneer hij in het voorbijgaan iemand er zijn bewondering over hoorde uitspreken. Hij was nogal vol van zichzelf, dat zal ik niet proberen te verdoezelen, maar hij was toch niet over het paard getild. Niets kon hem ooit verpesten, hij bleef altijd een goede, oprechte borst. Altijd maakte hij een gebaar om het te bagatelliseren en maakte hij zich er vlug van af door te zeggen dat het niets te betekenen had en dat iedere andere wetenschapper het op den duur ontdekt zou hebben. Maar toch, wanneer een vreemde gast met hem erover in gesprek raakte en niet de takt had zijn naam erbij te vermelden, dan wist je dat die gast nooit meer een uitnodiging voor een bezoekje kreeg. Een paar honderd jaar later ontstond er een twist over wie de uitvinder van de wet was. De wetenschappelijke groeperingen bleven er wel honderd jaar over ruzieën, en uiteindelijk werd de eer gegeven aan een persoon uit latere tijd. Dat was een gemene tegenslag. Adam is daar nooit helemaal bovenop gekomen. Hij droeg dit verdriet zeshonderd jaar lang in zijn hart en ik heb altijd gedacht dat het zijn leven verkort heeft. Natuurlijk, zo lang hij leefde had hij als Eerste man een waardigheid die die van koningen en van de gehele mensheid overtrof, en hij placht ook te genieten van de eerbetuigingen die deze eretitel met zich meebracht, maar deze eerbetuigingen konden toch niet het knagende verlies compenseren waaronder hij leed, want in zijn hart was hij een echte wetenschapsman, en wel de Eerste. En meerdere malen zei hij mij dat hij best tevreden geweest zou zijn met de titel van zijn zoon, de Tweede man, indien hij maar zijn faam als briljante uitvinder van de wet aangaande neerwaartsstromende vloeistoffen had mogen behouden. Ik deed alles wat ik kon doen om hem maar te troosten. Ik zei hem dat zijn faam als Eerste man voor alle tijden gewaarborgd was, terwijl over een lange tijd de naam van de persoon die vermeend de wet van neerwaarstromende vloeistoffen had uitgevonden vast wel verbleken zou en uiteindelijk vergeten zou worden op aarde. Daar geloof ik echt in. En ik heb nooit dit geloof opgegeven. Die dag zal nog eens komen dat men die andere naam vergeet.

De volgende triomf voor de wetenschap kwam op mijn eigen naam te staan: een volledige verklaring voor het ontstaan van de melk in de koe. We hadden lange tijd ons hoofd over dit raadsel gebroken. we hadden de koeien jarenlang overdags gevolgd, maar hadden hen nooit betrapt op het drinken van witte vloeistof. Uiteindelijk concludeerden we dat ze het ongetwijfeld 's nachts deden. We hielden vervolgens om beurten 's nachts de wacht, maar ook dat leverde niets op -het bleef een raadsel. Dit soort methoden kan men natuurlijk verwachten bij beginnelingen, en tegenwoordig weet ik dat onze onderzoekingen niet wetenschappelijk waren. Er kwam een tijd waarin we uit ervaring betere methoden geleerd hadden. Op een nacht, toen ik in gedachten bezig was en naar de sterren staarde, schoot mij opeens een geweldig idee te binnen. Opeens zag ik hoe we het moesten aanpakken! Mijn eerste opwelling was Adam wakker te maken om het hem te vertellen, maar ik kon me nog net inhouden en hield het geheim. De rest van de nacht lag ik maar te woelen zonder een oog dicht te doen. En meteen toen het eerste bleke straaltje licht verscheen ging ik er als een dief vandoor. Diep in het bos koos ik een kleine met gras begroeide plek, waaromheen ik een betrouwbare omheining bouwde. Ik koos een goed exemplaar koe uit en bracht de koe binnen de omheining. Ik melkte de koe geheel leeg, en liet haar geheel alleen achter. Er was daar helemaal niets te drinken -ze moest dus óf droog blijven óf haar melk op één of andere geheime alchemische manier verkrijgen.
De hele dag was ik nerveus en kon ik niets redelijks uitkramen. Ik was de hele tijd in gedachten. Maar Adam was net vlijtig bezig met het uitvinden van een vermenigvuldigingstafel en hij merkte niets op. Vlak voor het ondergaan van de zon was hij inmiddels gevorderd tot zes maal negen is 27, en terwijl hij helemaal in een blijde roes verkeerde vanwege zijn succes, en daarom volledig doof en blind was voor mijn aanwezigheid, nam ik van de gelegenheid gebruik om naar mijn koe te gaan. Mijn handen beefden van opwinding en van de vrees dat het weer op een mislukking uit zou lopen, zodat ik eerst niet goed vat kreeg op de uiers. Maar toen gebeurde het! Er kwam melk uit! Wel tien liter. Tien liter, en niets om het te maken! Ik begreep het nu meteen: de melk was niet door de mond naar binnen gekomen, het werd uit de lucht opgenomen met behulp van de vacht van de koe. Ik rende naar Adam toe om het hem te vertellen, en zijn blijdschap hierover was net zo groot als de mijne. Hij was onbeschrijfelijk trots op mij. Daarna zei hij: "Zal ik je eens wat zeggen? Je hebt vandaag niet één, maar wel twee verstrekkende diensten aan de wetenschap bewezen." En hij had gelijk. Één serie proeven had ons namelijk al lang geleden doen besluiten dat de lucht bestond uit water, dat er een onzichtbaar onderdeel van uitmaakte, en ook dat water bestond uit waterstof en zuurstof. Van het eerste onderdeel twee delen en het laatsgenoemde één deel, zodat men het kan uitdrukken in de vorm H2O. Mijn uitvinding bevestigde nu dít feit, namelijk dat lucht ook nog een derde onderdeel bevat: melk. We breidden de chemische uitdrukking uit tot H2OM.



De tweede uitvinding.


Op een dag bemerkte ik dat William McKinley er slecht uitzag. William McKinley is de originele eerste leeuw; hij is vanaf het eerste begin één van mijn troeteldieren geweest. Ik onderzocht hem om erachter te komen wat hem scheelde, en merkte op dat het uiteinde van een koolstronk in zijn keel was blijven steken. Ik kon het er niet uit peuteren, maar nam een bezemsteel waarmee ik het naar beneden werkte. Dat was een hele opluchting voor William McKinley. Maar terwijl ik bezig was met hulpverlening en zijn kaken ver uiteen had geduwd om er binnen in te kunnen kijken, was me iets bijzonders aan zijn tanden opgevallen. Ik stelde hem nu bloot aan een gedegen en wetenschappelijk onderzoek, en het resultaat was een adembenemende verrassing: de leeuw was geen planteneter, maar een vleeseter! Of tenminste, voor zoiets was hij geschapen.
Ik rende naar Adam toe en vertelde hem het, maar hij dreef natuurlijk meteen de spot met me en zei: "Waar zou hij het vlees vandaan moeten halen?"
Ik moest toegeven dat ik dat niet wist.
"Nou, dan zie je toch ook zelf wel dat jouw idee onzin is. Hij is niet geschapen om vlees te eten, anders zou er ook voor vlees gezorgd zijn. En omdat er geen vlees voorhanden is, volgt hier noodzakelijkerwijs uit dat vleeseters niet tot het algemene plan behoren. Is dit nu logisch of niet?
"Ja, dat is het".
"Klopt er iets niet in deze redenering?"
"Nee."
"Welnu, wat heb je daarop dan nog te zeggen?"
"Dat er nog iets bestaat dat beter is dan logica."
"Echt waar? Wat zou dat dan wel kunnen zijn?"
"Een feit."

Ik riep een leeuw naar me toe en vroeg hem zijn mond open te doen.
"Kijk nu eens, die linkse bovenkaak", zei ik. "Heet deze lange spitse tand niet dens caninus?
Adam verwonderde zich en zei op verzekerende toon: "Inderdaad, bij alles wat me heilig is!"
"En wat zijn die vier die erachter zitten?"
"Dat zijn premolaren, of anders ben ik niet goed snik."
"En die twee die daar achter zitten?"
"Molaren, voor zover ik een molaarkies van een participium perfectum kan onderscheiden wanneer ik er één tegenkom. Ik heb hier niets meer tegenin te brengen. De statistieken liegen niet. Dit dier is geen graseter.
Kijk, zo was hij nou; nooit kleinzielig, nooit jaloers, altijd rechtvaardig, altijd grootlijnig; bewijs hem iets en hij zal het meteen toegeven, op zijn edele, hoogwaardige wijze. Ben ik hem, deze geweldige jongen, dit prachtige wezen, deze edele geest, wel waardig?
Dat gebeurde nu een week geleden. We hebben daarna het ene na de andere dier onderzocht en hebben opgemerkt dat er zich een groot aantal vleeseters op onze landerijen bevinden, waarvan we vroeger helemaal geen weet hadden. Nu achteraf is het echt aandoenlijk om een schitterende bengaalse tijger aardbeien en uien naar binnen zien te verwerken. Vroeger had ik dat gevoel nooit.

[Later] Vandaag hoorden we de Stem in het bos. We achtervolgden het, maar vonden niets. Adam zei dat hij de Stem wel eens eerder had gehoord, maar hij had nooit wat gezien, hoewel hij er toch dichtbij geweest was. Hij was er daarom zeker van dat het net zoiets is als lucht, dat het onzichtbaar is. Ik vroeg hem alles te vertellen wat hij maar over de Stem wist, maar dat was bitter weinig. Hij zei dat het de Heer van het paradijs was, en dat het de opdracht gegeven had het paradijs te bewerken en te onderhouden. Het had ook nog gezegd dat we niet mochten eten van de vrucht van één of andere boom, en indien we dat toch zouden doen, zouden we voorzeker de dood sterven. We zouden dan dus heel zeker sterven. Dat was alles wat Adam wist. Ik had er wel zin in om die boom te gaan bekijken, en dus maakten we een verkwikkende wandeling naar een afgelegen en prachtige plek, waar de boom geheel alleen groeide. We gingen er lekker zitten en bekeken de boom lang en met grote interesse, en spraken erover. Adam legde uit dat het de boom van de kennis van goed en kwaad was.
"Van goed en kwaad?"
"Precies."
"Wat is dat?"
"Wat is wat?"
"Nou, die dingen. Wat is goed?"
"Geen idee. Hoe zou ik het kunnen weten?"
"Nou, wat is dan kwaad?"
"Het zal wel één of andere naam zijn, maar ik weet niet waarvan."
"Maar Adam toch, je moet toch wel één of ander idee hebben wat het zou kunnen zijn."
"Waarom zou ik dat nu moeten hebben? Ik heb dat ding nooit gezien, hoe zou ik er een begrip van kunnen vormen? Wat denk je er zelf van?"
Ik had er natuurlijk ook geen flauw idee van, en zag in dat het onredelijk was dit van Adam te verlangen. Geen van ons beiden kon raden wat het zou kunnen zijn. Het waren nieuwe woorden; we hadden ze nooit eerder gehoord, en ze hadden geen betekenis voor ons. Ik was de hele tijd maar in gedachten met deze zaak bezig, en opeens zei ik:
"Adam, en dan zijn er nog die andere twee nieuwe woorden, sterven en de dood. Wat zouden die betekenen?"
"Geen flauw idee."
"Ja, goed, maar wat denk je dat ze betekenen?"
"M'n lieve kind, kun je dan niet begrijpen dat het voor mij onmogelijk is er zelfs naar te raden indien ik geen enkel idee heb waarover we het hebben? Een mens kan niet denken als hij voor het denken geen ingrediënten heeft. Dat zie je toch wel in?"
"Ja, dat is waar, maar ik vind het niet leuk. Juist omdat ik iets niet kan weten, wil ik er meer van weten.

We zaten een ogenblik geheel stil het raadsel in onze gedachten door te nemen. Toen opeens schoot me te binnen hoe ik erachter zou kunnen komen. Ik verwonderde me erover dat ik het niet meteen al had bedacht, zo eenvoudig was het. Ik veerde op en zei:
"Hoe stom van ons! Laten we ervan eten; dan sterven we en weten we wat het is en hoeven we ons er niet druk meer over te maken."
Adam zag meteen in dat dit de juiste oplossing was, en ging staan. Hij strekte zich uit om een appeltje te plukken, maar juist op dat moment ging er een buitengewoon schepsel voorbij, één die we nog nooit gezien hadden, en we lieten daarom een onbenullige zaak die geen enkele wetenschappelijke waarde had, voor gezien, en richtten onze aandacht op iets dat dat wél had. We achtervolgden mijlenver die vreemde kruipende, fladderende, springerige vogelverschrikker, door heuvels en dalen, totdat we ons na een lange tocht op een westelijke helling bevonden, waar een grote banianboom groeide op een enorme zuil, en daar kregen we hem eindelijk te pakken. Wat een vreugde, wat een feest: het was een Pterodactylus! Ach wat is het een schat, wat een heerlijke lelijkerd! En zo vurig van karakter, hij kan zo afschuwelijk krijsen. We riepen een paar tijgers en reden op hun rug terug naar huis met onze vondst onder onze armen. Nu heb ik hem in huis, het is al laat, maar ik heb geen zin om naar bed te gaan; het is zo'n lekker monster en zo'n grote aanwinst voor de wetenschap. Ik weet dat ik toch geen slaap krijg, ik denk de hele tijd maar aan hem, en kan niet wachten tot het morgen is en ik hem kan onderzoeken en al zijn geheimen kan ontdekken en kan besluiten hoeveel ervan vogel is en hoeveel kruiper, en of hij geschikt is om het te kunnen overleven. Ik denk van niet, vanwege zijn uiterlijk. O Wetenschap, waar jij bent verbleken en verdwijnen alle andere hobbies!
Adam wordt wakker. Vraagt of ik er om denk die vier nieuwe woorden op te schrijven. Ik merk er uit op dat hij ze zelf al vergeten is. Maar ik niet. Ik weet dat ik er altijd om moet denken en heb ze al opgeschreven. Hij is degene die een Woordenboek opbouwt -tenminste, dat denkt hij- maar ik heb allang opgemerkt dat ik het werk moet doen. Maar wat geeft het, ik doe graag alles wat hij van me verlangt, en mijn zorgen voor het Woordenboek geeft me extra vreugde, omdat het hem, arme stakker, voor een vernedering behoedt. De manier waarop hij spelt is wel zeer onwetenschappelijk. Hij schrijft kat met een k, maar catastrofe met een c, terwijl ze toch allebei dezelfde wortel hebben.

[Drie dagen later]
We hebben hem de naam Terry gegeven, vanwege zijn geringe lengte. En wat is het toch een lekker ding! Al drie dagen zijn we volledig in de ban van dit schepsel. Adam vraagt zich af hoe de wetenschap het al die tijd zonder hem heeft kunnen doen, en ik heb hetzelfde gevoel. De kat werd nijdig toen hij opmerkte dat er een vreemdeling in ons huis vertoefde, maar dat kwam hem duur te staan. Terry gaf hem van voren en achteren een oplawaai, zodat z'n vacht er nu nogal gehavend uitziet; Thomas trok zich verbaasd terug en vraagt zich nu af hoe de rollen zo volledig omgekeerd kunnen worden. Terry is echt fantastisch, met niets te vergelijken. Adam heeft hem grondig onderzocht en denkt met zekerheid te kunnen zeggen dat hij tot de geschikste overlevenden behoort. Volgens mij denkt Thomas er anders over.

In het jaar drie
Begin juli ontdekte Adam dat er in de vijver een vis zat die probeerde poten voor zichzelf te ontwikkelen. Het is een vis die tot het specie walvissen behoort, hoewel geen echte walvis, want het is nog bezig zich te ontwikkelen. Het was een kikkertje. We sloegen hem met grote interesse gade, want onze bedoeling is te zien of de poten rijp worden om echt gebruikt te kunnen worden. We zouden dan ook poten in andere vissen kunnen ontwikkelen, zodat ze uit het water zouden kunnen klimmen en wat meer vrijheid krijgen. We hebben namelijk al zo lang te doen gehad met deze stakkers, ze zijn altijd maar nat en moeten altijd maar in dat water blijven, terwijl alle anderen heerlijk tussen de bloemen mogen spelen en lol hebben. De poten waren al gauw klaar, en de vis veranderde in een kikker. Hij kwam meteen aan land, sprong vrolijk rond en zong, vooral 's avonds, en zijn tevredenheid was grenzeloos. Er kwamen in hoog tempo een hoop anderen achteraan, en spoedig kregen we 's nachts muziek te horen. Dat was een hele verbetering in vergelijking tot de stilte die tot die tijd had geheerst.

We haalden een hoop vissen op het land en lieten ze los op de weide, maar ze leverden ons slechts teleurstelling op. Er verschenen geen poten. We begrepen er niets van, het was bijzonder vreemd. Binnen een week waren ze allemaal weer naar het water vertrokken, en ze leken het daar meer naar hun zin te hebben dan op het land. We concludeerden hieruit dat vissen in het algemeen niet om land geven, en dat slechts walvissen enige interesse hieraan aan de dag leggen.

In het dal, wel driehonderd mijl ver, was een aardig groot meer waar een paar grote walvissen in zwommen. Adam ging daarheen om ze verder te ontwikkelen en hun wat meer comfort te geven. Toen hij een week weg was geweest werd kleine Kaïn geboren. Dat was nog eens een verrassing voor mij! Ik begreep er niets van wat er nu allemaal gebeurde. Maar zoals Adam altijd placht te zeggen: "Dat wat je niet verwacht, gebeurt." Ik wist helemaal niet wat ik ermee aan moest. Eerst hield ik het voor een dier. Maar bij nadere beschouwing zag het er toch niet zo uit. Hij had namelijk geen tanden en ook geen noemenswaardige vacht. Hij was bovendien een buitengewoon hulpeloos ding. Hij had wel een paar menselijke details, maar toch niet zoveel dat ik hem wetenschappelijk tot het menselijk geslacht zou kunnen rekenen. Ik noemde hem dus eerst maar lusus naturae -een gril van de natuur. Hij moest hier eerst maar voor doorgaan en we konden voorlopig niets anders doen dan de toekomstige ontwikkeling maar afwachten. Maar het duurde niet lang voordat ik er in geïnteresseerd raakte, en mijn interesse groeide van dag tot dag. Al gauw kreeg ik een warm gevoel, en dat groeide uit tot gehechtheid, daarna tot liefde, daarna tot aanbidding. Ik hield met mijn hele ziel van dit wezen, en een gloed van dankbaarheid en geluk brandde in mij. Het leven was veranderd in zaligheid, vervoering, feest, en van dag tot dag, uur tot uur, minuut tot minuut, verlangde ik ernaar dat Adam terug zou komen en mijn overstelpende geluk met me zou delen.

De jaren 4 en 5
Eindelijk kwam hij thuis, maar hij geloofde niet dat het een kind was. Hij bedoelde het goed natuurlijk, en was aardig en lief, maar hij was toch in de eerste plaats een wetenschapper, en pas daarna een mens -zo was hij nou eenmaal- en hij kon echt niets aanvaarden voordat het wetenschappelijk bewezen was. De schrik, die ik als gevolg van de proeven die deze onderzoeker bedacht, te doorstaan had, is met geen pen te beschrijven. Hij stelde het kind bloot aan de meest vreemde en lastige proeven, om maar te kunnen bepalen of het een vogel, kruiper of vierpotig dier was, en waar het toe diende. Ik moest hem dag en nacht op alle plaatsen volgen, vermoeid en wanhopig. Ik moest het kleine verdriet van de arme jongen maar steeds tot rust brengen en hielp hem zo goed als hij er maar toe in staat was alles te doorstaan. Adam dacht dat ik hem in het bos gevonden had. Ik liet hem maar al te graag in deze waan, want het verlokte hem af en toe het bos in te gaan, om er nog een exemplaar van te vinden, zodat ik dan lekker alleen kon zijn met het kind en gezegende momenten van rust en vrede kon ervaren. Niemand zal ooit begrijpen wat een opluchting het voor me was telkens wanneer hij ophield met zijn treurige proeven, en met zijn val en lokaas het bos inging. Hij was nog maar amper verdwenen of ik klemde mijn schat al tegen mijn borst, bedolf het onder knuffels, en huilde van vreugde. Die arme kleine scheen te begrijpen dat er iets gelukkigs gebeurd was en hij begon dan altijd meteen te trappelen en keuvelen. Zijn tandenloze mond glimlachte tot aan zijn hersenen, of wat er daarbinnen ook moge zijn.

Het jaar 10
De volgende was klein Abeltje. Ik geloof dat we anderhalf waren, of twee, toen Kaïn geboren werd, en ongeveer drie of drie-en-een-half toen we Abeltje kregen. Toen begon Adam het ook door te krijgen. Zijn proeven werden langzaamaan zeldzamer en steeds minder lastig, en uiteindelijk hield hij er helemaal mee op, zo ongeveer een jaar nadat Gladys en Edwina waren geboren -in het jaar vijf en zes. Nadat hij ze wetenschappelijk had ingedeeld leerde hij hoe ze met liefdevolle tederheid behandeld moesten worden, en vanaf die tijd tot op de dag van vandaag is de gelukzaligheid van Eden volkomen geweest.
We hebben nu negen kinderen, de helft jongens en de helft meisjes. Kaïn en Abel beginnen al te leren. Kaïn kan al net zo goed optellen als ik, en ook een beetje vermenigvuldigen en aftreksommen. Abel is niet zo bijdehand als zijn broertje, geestelijk gesproken, maar hij heeft doorzettingsvermogen, en dat schijnt een kompensatie te zijn voor schranderheid. Abel leert in drie uur ongeveer evenveel als Kaïn, maar Kaïn houdt in die tijd twee uur over voor spelletjes. Abel is dus altijd lang onderweg, maar, zoals Adam altijd zegt "komt toch altijd volgens eigen tijdstabel aan". Adam heeft geconcludeerd dat doorzettingsvermogen een vorm van talent is, en heeft het in het woordenboek daaronder ingedeeld. De kunst om te spellen is volgens mij ook zeker een talent. En hoe schrander Kaïn ook is, hij leert het maar niet. Hij is net als zijn vader, die van ons allen de schranderste is, maar wiens spelling hopeloos is. Ik kan spellen en Abel ook. Deze feiten bewijzen natuurlijk niets, want uit zo weinige voorbeelden kun je geen algemene principes afleiden, maar ze schijnen erop te wijzen dat de kunst om te spellen ook een heus talent is, en dat het in eenieder aangeboren is, en wijst op intellectueel zwakbegaafdheid. Gebrek aan dit talent is daarentegen een teken van grote geestelijke begaafdheid. Soms, wanneer Adam een enorm lang woord door zijn molen heeft gedraaid, zoiets als Rationalisering, en hij, gebogen over het resultaat, het zweet van zijn voorhoofd veegt, kan ik hem wel aanbidden zoveel als hij dan intellectuele grootheid, macht en verhevenheid uitstraalt. Hij kan het woord Phfysicka zelfs op meer manieren schrijven dan die er bestaan.

Kaïn en Abel zijn zulke lieve kereltjes, en ze zorgen zo goed voor hun kleine broertjes en zusjes. De vier oudsten gaan vaak samen op pad, waarheen hun lust ze ook maar naartoe stuurt, en soms zien we ze twee, drie dagen helemaal niet. Een keer verloren ze Gladys en kwamen ze zonder haar terug. Ze konden zich niet herinneren waar en wanneer ze haar kwijtgeraakt waren. Het was ergens ver weg gebeurd, zeiden ze, maar ze wisten helemaal niet precies hoever. Het gebied was nieuw voor hen. Er groeiden veel bessen daar die de naam Nachtschaduw hebben, ook wel Dodebes -waarom, dat weten we ook niet. Het betekent helemaal niets, maar zo kunnen we weer een van de woorden gebruiken die we lang geleden van de Stem gehoord hebben. We brengen graag nieuwe woorden in de praktijk, altijd wanneer we er maar de gelegenheid toe hebben. Zo maken we ze nuttig en handig. De kinderen houden van die bessen, en ze waren lange tijd aan het zwerven om die bessen maar te eten. Toen ze dan eindelijk klaar waren om ergens anders naartoe te gaan, was Gladys verdwenen en kwam er op roepen geen antwoord. De volgende dag was ze ook niet op komen dagen, ook de volgende dag niet. Daarna verstreken er nog drie dagen, maar ze kwam maar niet. Het was heel vreemd, zoiets was nog nooit eerder gebeurd. Onze nieuwsgierigheid werd steeds groter. Adam was van mening dat indien ze morgen of overmorgen niet kwam opdagen wij Kaïn en Abel er maar op uit moesten sturen om haar te vinden. Zo deden we ook. Ze waren wel drie dagen onderweg, maar vonden haar. Ze had een hoop avonturen gehad. De eerste nacht was ze in het donker in een rivier gevallen. De rivier had haar een eind meegesleurd en haar uiteindelijk op een zandstrand doen belanden. Daarna was ze bij een kangoeroefamilie ingetrokken, waar ze met gastvrijheid onthaald was, en waar het het gezelschapsleven maar druk was. Moeder kangoeroe was heel lief en moederlijk. Ze had als gewoonte af en toe haar kinderen uit haar zak te halen, de heuvels en dalen alleen door te hoppen, om weer terug te komen met een zak vol prachtig fruit en lekkere nootjes. Bijna iedere avond was er bezoek -beren, muizenvalken, konijntjes, vossen, kuikentjes, hyena's, marters en andere soorten- en dartelde alles maar doorelkaar in een toffe bende. Alle dieren hadden met het kind te doen, omdat het geen vacht had. Iedere nacht hadden ze haar bij het slapengaan bedekt met mos en een bladerdek. Zó vonden de jongens haar uiteindelijk ook. De eerste nacht had ze last gehad van heimwee, maar dat ging al gauw over. Precies, dat woord gebruikte ze om het uit te leggen. We hebben het woord inmiddels al opgeschreven in het Woordenboek en we zullen er straks over delibereren wat de juiste betekenis ervan is. Het is opgemaakt uit twee verschillende woorden die ons al eerder bekend zijn geweest en een duidelijke betekenis hebben, maar nu ze aaneengelijmd zijn betekenen ze helemaal niets. Het maken van het Woordenboek is geweldig interessant, maar wel zwaar werk; zoals Adam placht te zeggen...

















Het vervloekte menselijk geslacht



Is de wereld gemaakt ten behoeve van de mens?

De door Alfred Russell Wallace opnieuw gelanceerde theorie dat deze wereld het centrum van het heelal en de enige bewoonbare plaats in het universum is, is overal in de wereld het gesprek van de dag. (Literary Digest)

Wat ons betreft geloven we met volle overtuiging dat de mens, precies zoals hij hier op deze kleine aarde leeft, gezien zijn eigenschappen en mogelijkheden, het meest superieure wezen is van alle niet-goddelijke schepsels. De mens is Gods grootste liefde en vreugde. (Chicago Interior, presbyteriaanse krant)



Ik ben, naar het schijnt, de enige wetenschapper en theoloog die zich nog bezig houdt met de wezenlijke vraag of de wereld ten behoeve van de mens gemaakt is, of niet. En ik denk dat het nu de hoogste tijd is om mijn gedachten hierover te laten gaan.
Ik ben bijna dezelfde mening toegedaan als alle anderen. Ieder ander gelooft dat de wereld ten behoeve van de mens gemaakt is, maar ik denk dat de wereld hoogstwaarschijnlijk ten behoeve van de mens gemaakt is. Alle anderen zijn van mening dat de stelling hoofdzakelijk met behulp van sterrenkunde bewezen kan worden, ikzelf ben van mening dat het bewijsmateriaal inderdaad nopend is, doch niet geheel te bewijzen is. Het is nog te vroeg ons oordeel hierover definitief te vellen, we beschikken nog niet over al het bewijsmateriaal. Maar wanneer het bewijsmateriaal eenmaal volledig is, denk ik dat ze zal laten zien dat de wereld ten behoeve van de mens gemaakt is. Maar laten we toch vooral niet overhaast te werk gaan; we moeten geduldig wachten op de laatste details.

Tot nu toe heeft de sterrenkunde dus aan onze kant gestaan, dat heeft de heer Wallace duidelijk aangetoond. Hij heeft zelfs twee dingen overtuigend aangetoond: dat de wereld ten behoeve van de mens gemaakt is, en dat de ruimte ten behoeve van de wereld gemaakt is - opdat de zaken in evenwicht blijven, zoals u zult begrijpen. De sterrenkunde is helder en niettegenspreekbaar.

Laten we nu de geologische aspecten bekijken. Hier is het gebied waar men nog niet over al het bewijsmateriaal beschikt. Maar toch maakt men ook hier van uur tot uur en van dag tot dag vorderingen; het bewijsmateriaal druppelt gestadig binnen. Maar hierbij wordt natuurlijk een geologische precizie en omslachtigheid gebruikt. We mogen niet ongeduldig zijn, ons vooral niet opwinden; we moeten ten alle tijden ons hoofd koel houden en maar wachten. Met onrust bespoedigen wij de geologie in het geheel niet; er is namelijk niets dat de geologie bespoedigt.
Het de wereld toebereiden ten behoeve van de mens is een zaak die nu eenmaal veel tijd vergt, zoiets doet men niet in één dag. Enige zeer grote wetenschappers hebben vakkundig het door de geologie aangeboden bewijsmateriaal onderzocht, en zijn tot de conclusie gekomen dat de wereld buitengewoon oud is. Het kan zijn dat ze gelijk hebben, maar Lord Kelvin is toch niet dezelfde mening toegedaan. Hij voelt meer voor een voorzichtige, konservatieve stellingname, om aan de zekere kant te staan, en denkt daarom te kunnen geloven dat de wereld niet zó oud is als ze denken. Aangezien Lord Kelvin de grootste authoriteit is onder de levende onderzoekers, zullen wij maar voor hem buigen en zijn inzichten aanvaarden. Welnu, hij staat er niet voor in te zeggen dat de wereld meer dan honderd miljoen jaar oud is. Tot honderd miljoen wil hij nog wel gaan, maar dan ook geen jaar meer. Lyell geloofde dat de mens zo'n 31.000 jaar geleden op de wereld zijn intrede deed, Herbert Spencer denkt dat het 32.000 jaar geleden was. En Lord Kelvin geeft Spencer gelijk.

Dit zijn dus de feiten. Volgens deze cijfers duurde het toebereiden van de wereld om het voor de mens geschikt te maken dus 99.968.000 jaar, ondanks het feit dat de Schepper natuurlijk de hele tijd ongeduldig op de mens wachtte om die maar te kunnen gadeslaan en bewonderen. Maar een dergelijk enorm karwei moet met de grootste voorzichtigheid gedaan worden, niets mag aan de aandacht ontsnappen en alles moet goed gepland. Van tevoren stond al vast dat de mens oesters nodig had. Vandaar dat de eerste voorbereidselen gemaakt werden ten behoeve van de oesters. Maar goed, oesters haal je natuurlijk niet zomaar uit de schuur, eerst moesten de voorouders van de oesters gemaakt worden. En ook dat doe je niet in één dag. Eerst moest er een enorme hoeveelheid aan ongewervelden gemaakt worden -belemnieten, trilobieten, jebusieten, amalekieten en meer van dat soort volk- en ze daarna in een oersoep inweken en dan maar wachten wat eruit tevoorschijn zou komen. Sommigen leverden teleurstelling op -de belemnieten en ammonieten en dergelijke- ze mislukten, stierven uit, gedurende de negen miljoen jaar dat het experiment duurde. Maar hiermee was alles nog niet verloren, want de amalekieten bereikten de finish. Ze ontwikkelden zich in fasen tot enkrinieten, stalachtieten, en wat heb je al niet, volgens de zich traag voortslepende opeenvolging van machtige tijdsbestekken, en het opstapelen van hoge rotsen boven op de oersoep, gedurende de archeïsche en cambrische perioden. En eindelijk komt aan dit eerste hoofddeel in het toebereiden van de wereld ten behoeve van de mens een einde; de oester is er.

De gave om te denken is in de oester nauwelijks beter ontwikkeld dan in wetenschappers, zodat we mogen veronderstellen dat de oester dacht dat al die negen miljoen jaar van toebereidingen allemaal voor hem gedaan was; zoiets zou nou typisch oesters zijn, de oester is namelijk op de mens na het dier dat het meest met zichzelf ingenomen is. Hoe het ook zij, de oester uit die verre tijd kon natuurlijk onmogelijk weten dat ze slechts een detail was van een groter plan, waartoe ook nog andere zaken behoorden.

Nu de oester er eenmaal was, kon de volgende stap genomen worden in het toebereiden van de wereld ten behoeve van de mens. Zo kwam de vis er. De vis en natuurlijk steenkool, om de vis te kunnen bakken. Hiertoe werden de oude siluurzeeën opengezet, zodat de vissen gekweekt konden worden. Tezelfdertijd werd begonnen aan een enorme bouwklus, het bouwen van tachtigduizend voet hoge rode zandsteenbergen voor het invriezen van visfossielen. Dit laatste was volstrekt noodzakelijk, want het zou weer oneindig vaak op mislukken uitlopen en op uitstervende dieren -bij de miljoenen- en het was goedkoper en minder werk ze in te vriezen in gesteenten dan de boekhouding ervan bij te houden. Lagen steenkool en tachtigduizend voet hoge steile rode zandsteen bouw je natuurlijk niet in een korte tijd - nee, dat duurde wel twintig miljoen jaar. Om te beginnen was het construeren van een laag kool al een langzame, lastige en vermoeiende klus. Er moest een onmogelijke hoeveelheid bossen met varens, riet, bosmieten en dergelijke, gekweekt worden op moerasachtige bodem. Daarna moesten ze worden ondergedompeld, zodat ze geheel uit zicht waren, en moesten ze rustig verrotten, en dan moest er bovenop nog een overstroming op worden losgelaten, zodat ze onder een metersdikke sedimentlaag begraven zouden worden, en die sedimenten moesten nog de gelegenheid hebben om op te drogen om in steen te kunnen veranderen. En bovenop dit alles moest dan weer een nieuw bos komen, dat alweer ondergedompeld en boven op de vorige laag gelegd moest worden, en dat moest alweer verstenen. En dan nog meer bos, nog meer rotsen, laag op laag, wel drie mijl dik -och heden, wat is dat toch een vervelend saaie bedoening, zo'n koolgebergte op te bouwen, wanneer je het echt goed wil doen!

De miljoenen jaren sleepten zich zo voort; en de viskweek verwaterde en werd uiteindelijk zo saai dat het iedereen de keel begon uit te hangen. Je had nu dus uit de oester tienduizend soorten vis ontwikkeld, en wat bleek nu, je zat met allemaal fossielen, allemaal uitstervende soorten. Wat levends en iets waarmee je voor de dag kunt komen waren slechts een paar overgebleven ganoïden en misschien een half dozijn asteroïden. Voor zoiets zou zelfs de kat z'n neus ophalen.


Maar goed, zo ernstig is de situatie nu ook weer niet, er is nog een overvloed aan tijd, en uit die soorten kan nog best wat lekkers tevoorschijn komen voordat de mens verschijnt. Vooral wat de ganoïden betreft kan men daar zeker van zijn, want hun diensten worden tenslotte pas over 60 miljoen jaar verwacht. Toen dan eindelijk de paleozoïsche periode besloten werd, moest er voor de toebereiding van de wereld ten behoeve van de mens weer een nieuwe tijd worden geopend, namelijk de mesozoïsche, inclusief de aanmaak van een paar amfibieën en reptielen. Want de mens zou die ook nog nodig hebben. Niet om ze op te eten, maar om eruit te ontwikkelen. Dat was het belangrijkste detail in het plan, zodat hier ruimschoots tijd aan werd besteed, zo'n 30 miljoen jaar! En wat een wonderen geschiedden er wel niet! De overgebleven ganoïden, asteroïden en alkalinen werden op langzame, gestadige en vlijtige kweek gezet, en zo ontstonden de afschrikwekkende reptielen die in dat mistige oerverleden de hele wereld afstruinden naar prooi. Reptielen met koppen op slangachtige staarten van meer dan tien meter lang, een twintig meter lang achterlijf met zich meeslepend, met nog een lange zwiepende staart er achteraan. Jammergenoeg zijn die nu allemaal uitgestorven, op een paar hagedisjes na, die als weeskindertjes verloren in onze tijd rondlopen.
Er waren dus dertig miljoen jaar en twee-en-dertig miljoen reptielen nodig, voordat er eindelijk een broedsel verscheen dat in iets anders ontwikkeld zou kunnen worden, om het Grote Plan in de volgende fase te brengen. Op dat moment deed de Pterodactylus op aarde zijn intrede, een imposante en schitterende verschijning. De natuur begreep meteen dat de kenozoïsche grens was overschreden en een nieuw tijdsbestek voor nieuwe ondernemers was geopend, om de wereld maar voor de mens toe te bereiden. Misschien dacht de Pterodactylus dat die dertig miljoen jaar allemaal nodig waren voor het ontwikkelen van hem. Zeer wel mogelijk, aangezien er niets zo dom is of de Pterodactylus zou het zich wel kunnen voorstellen. Maar hij had het toch bij het verkeerde eind, alle toebereidingen betroffen namelijk de mens. Maar de Pterodactylus wekte natuurlijk zeer de aandacht op, want zelfs zij die met de slechtste zintuigen uitgerust waren begrepen dat er wel wat van een vogel in zat. En inderdaad, zulke kwaliteiten bezat hij. Zelfs kwaliteiten tot zoogdier. Op zijn tijd natuurlijk.

Hierna maakten de voorbereidingen snelle vorderingen, zo ongeveer dertig miljoen jaar lang. Uit de Pterodactylus kwam een vogel, uit de vogel de kangoeroe, uit de kangoeroe de andere buideldieren, hieruit de mammoet, de reuzenlippenbeer, de megatherium, de reuzeneland, en alle andere soorten die nuttig zijn voor het onderwijzen van fossielen. En toen kwam de eerste ijstijd. Alles moest wijken voor de gletschers die maar traag voortschoven, de Beringse Straat over, naar Europa en Azië, totdat ze eindelijk smolten. Op een paar na die dienden voor de voortzetting van de toebereidingen. Er waren wel zes ijstijden, met steeds een paar miljoen jaar ertussendoor. De ijstijden zaten die dieren de hele tijd maar op hun hielen, zodat ze de hele wereld moesten doortrekken, van het ene klimaat naar het andere, van de arctische gebieden tot aan de tropische gebieden rond de evenaar, en dan maar weer terug, van hot naar her. Nooit wist je waar je aan toe was en wat voor weer het zou worden. En in die gevallen dat ze eindelijk een vaste plek hadden gevonden, ging opeens, zonder enige waarschuwing vooraf, de grond onder hen open, en braken hele continenten af. Af en toe moesten ze met de vissen van plaats verwisselen, dan weer kruipen naar land waar eens de zee heerste. En op die momenten dat er helemaal niets te doen was, barstte er altijd wel één of andere vulkaan open die ze dan vanuit hun schuilplaatsen de lucht in schoot, en van her naar der verplaatste. Dit onstabiele en nerveuze leven zette zich wel vijf-en-twintig miljoen jaar voort, de helft ervan onderspoeld door water, de andere helft weer op een stuk land aangezwalkt, terwijl iedereen zich de hele tijd maar afvroeg waartoe het allemaal diende. Want ze konden natuurlijk niet weten dat dit alles voorbereidingen waren ten behoeve van de mens, en dat alles precies zo geschieden moest, anders zou de mens geen behoorlijke en gerieflijke woonplaats hebben wanneer hij eindelijk verschijnen zou.

En eindelijk kwam de aap er, en nu zag iedereen dat het geen grote stap meer was om bij de mens aan te komen. En inderdaad, zo verliep het dan ook precies. De aap ontwikkelde zich nog een jaar of vijf miljoen en veranderde in een mens - en hiermee was het karwei af.
Zo zit het dus met de geschiedenis. De mens is hier nu 32.000 jaar geweest. Dat er honderd miljoen jaar nodig is geweest om alle voorbereidingen te treffen voor zijn verschijning is wel het meest treffende bewijs dat alles ten behoeve van hem gemaakt is. Tenminste, zo schijnt het mij toe. Want dat is toch logisch? Als de ouderdom van de aarde de Eiffeltoren was, dan zou de geschiedenis van de mens gelijk staan aan de verflaag op het hoogste puntje van de toren. En iedereen met een beetje verstand zal begrijpen dat de toren ten behoeve van die verflaag aan de top gemaakt is. Logisch toch?

















Kleine Bessie en de Voorzienigheid


-In Zijn wijsheid en genade gaf de Here ons bezoekingen om ons te kastijden en tot inkeer te doen komen. Geen van deze bezoekingen komt per ongeluk; slechts Hij alleen stuurt ze, en altijd uit liefde voor ons, om ons beter te maken, mijn kind.

-Gaf hij de tyfus aan Billy Norris, mamma?

-Ja.

-Waavoor?

-Wel, om hem te kastijden en hem een beter kind te maken.

-Maar hij ging toch dood, mamma, en het kon hem dus niet beter maken.

-Nou, dan zal het wel een andere reden gehad hebben. We weten dat er een goede reden voor was, wat de reden ook geweest moge zijn.

(Na een pauze)
-Zorgde God ervoor dat het dak op die vreemdeling instortte, toen hij die invalide vrouw uit het brandende huis probeerde te redden, mamma?

-Ja, kind, maar vraag me niet waarom, want ik weet niet waarom. Ik weet alleen maar om iemand te kastijden, als straf voor iemand of om zijn heerlijkheid te laten zien.

-Die dronken man die die pook stak in de baby van mevrouw Welch, toen die...

-Hou alsjeblieft daarover op; en je hoeft er al helemaal geen details bij te vertellen. Het was om het kind te kastijden, zoveel is zeker.

-Mamma, de dominee zei in zijn preek dat er miljarden kleine beestjes zijn die naar ons lichaam gezonden worden om ons cholera, tyfus, mondklem en nog meer dan duizend andere ziekten te geven. Stuurt Hij ons al die beestjes, mamma?

-Jazeker, mijn kind, natuurlijk.

-Waarom doet ie dat?

-Om ons te kastijden, hoevaak moet ik je dat nog zeggen?

-Maar het is vreselijk lelijk van Hem, mamma, en bovendien stom. En als ik...

-Hou je brutale mond! Wil je door de bliksem geslagen worden?

-Maar u weet toch dat de bliksem vorige week insloeg. En die sloeg juist op de pasgebouwde kerk in, en brandde hem af. Was dat om de kerk te kastijden?

(met een zucht)
-Nou, wie weet was het daarom.

-Maar het doodde ook een varken dat helemaal niets deed. Moest dat varken ook gekastijd worden, mamma?

-Lieverd, wordt het geen tijd nu eens lekker buiten te spelen? Als je wil mag je...

-Mamma, meneer Hollister zegt dat er geen vogel, vis, reptiel of wat voor ander beest dan ook te bekennen is die het ontbreekt aan door de Voorzienigheid gestuurde vijanden. Die jagen hen op en maken hun leven zuur, zuigen hun bloed en kastijden hen om ze goed en godsdienstig te maken. Is dat waar, mamma, omdat als het waar is, waarom lachte meneer Hollister er dan zo om?

-Die meneer Hollister is een hele slechte man. Ik wil niet dat je ook maar een moment naar hem luistert.

-Maar mamma, wat hij zegt is altijd zo interessant, en ik geloof dat hij zijn best doet om goed te zijn. Hij zegt dat wespen spinnen beetpakken en die levend begraven in hun nesten onder de grond. Levend, mamma! En daar leven ze dan en lijden ze dagenlang, en dan komen er hongerige kleine babywespen die aan hun poten beginnen te knabbelen en in hun buik bijten om ze goed te maken en godsdienstig en God gaan prijzen voor zijn oneindige genade. Ik vind meneer Hollister een geweldige man, en hij is altijd zo aardig. Toen ik hem eens vroeg of hij een spin zó zou behandelen, zei hij dat de duivel hem zou mogen halen als hij het zou doen. En toen zei hij...

-O lief kind toch, kun je nu in 's hemelsnaam niet...

-En weet je mamma, hij zei ook dat de spin precies gebouwd is om vliegen te vangen, en zijn slagtandjes in het lichaam van de vlieg te zetten, en het bloed eruit te zuigen; en dan zuigt hij en zuigt hij en zuigt hij al het bloed, om de vlieg beter te maken en een goede christen. En wanneer de vlieg dan verwoed met zijn vleugels zoemt vanwege de pijn en zijn lijden, kun je aan de ogen van de spin zien dat hij de Gever van Al het Goede ervoor bedankt, dan zegt hij als het ware zijn tafelgebedje, zegt meneer Hollister, en ook zegt ie...

-Word je nu nooit moe van al dat gebabbel!? Als je naar buiten wil ...

-Mamma, hij zegt echt zelf dat alle moeite en zorg, pijn en vervloekte ziekten en plagen en gemeenheden ons gestuurd worden uit genade en liefdevolle zorg, om ons te kastijden. En hij zegt dat het de plicht van iedere vader en moeder is de Voorzienigheid overal waar maar mogelijk is te helpen. En hij zegt dat ze dat niet kunnen doen door maar wat te mopperen, of een pak slaag te geven. Want dat help allemaal niet, het is te zachtzinnig en nergens goed voor. De uitvinding die de Voorzienigheid uitgevonden heeft om ons en de dieren te kastijden is de beste uitvinding van alle tijden. Mamma, kleine broertje Eddie heeft nu meteen discipline nodig. Ik weet wel waar je de pokken kunt krijgen, en waar schurft, difterie, bottenziekte, en hartziekten, tuberculosis en ...lieve mamma, ben je flauwgevallen?
















Brief verzonden naar de aarde


Afz. Engelensecretariaat
Afd. Verzoeken
20 januari


Aan Abner Scofield
Handelaar in antraciet
Buffalo, New York



Ik heb hierbij de eer U van hogerhand te mogen mededelen dat uw recentelijk uitgevoerde daad van barmhartigheid en zelfopoffering opgetekend is in het boek dat de titel draagt De Gouden Daden der Mensheid. Laat mij zo vrij zijn op te mogen merken dat dit niet alleen een uitzonderlijke, maar zelfs een unieke eerbetuiging is.

Wat betreft uw gebeden van de week eindigende op de 19e, heb ik de eer U het volgende mede te delen:
1. Smeekbede om weersituatie die de prijs van antraciet met vijftien cent per ton zal verhogen. Verhoord.
2. Smeekbede om overschot aan arbeiders, waardoor loon met tien procent verlaagd kan worden. Verhoord.
3. Smeekbede om inzakking van prijs op concurrerende steenkoolmarkt. Verhoord.
4. Smeekbede om bezoeking voor de man of zijn familie, die groothandelbedrijf in antraciet in Rochester heeft opgezet. Verhoord als volgt: kinkhoest, twee stuks, waarvan één dodelijk; roodvonk, één geval, inclusief de gevolgen doofheid en zwakzinnigheid. N.B. Deze smeekbede had eigenlijk gericht moeten worden tot hoofdkantoor, oftewel New York Central Station Inc.
5. Smeekbede verlost te worden van ergerlijke vleierij en voortdurende verzoeken om werk, via doorzending naar hel. Verzoek in overweging genomen, maar behandeling vertraagd vanwege tegenstrijd met een op dezelfde dag verzonden bede, hieronder nader vermeld.
6. Smeekbede om geweldadige dood van buurman die de huiskat met steen bekogelde, terwijl deze slechts de nachtelijke serenade zong. Uitgesteld met oog op bemiddelingspoging, vanwege tegenstrijdigheid met een hieronder nader vermelde, op dezelfde dag uitgesproken, bede.
7. Bede 'Naar de duivel met jullie zendingswerk'. Uitgesteld, gelijk hierboven.
8. Smeekbede dat de winst van december, zijnde 22.230 dollar, in januari uit moge groeien tot 45.000 dollar, en hierna maandelijks in gelijke bedragen moge toenemen, met kanttekening dat 'wederdienst zeer zeker bewezen zal worden'. Verhoord. Kanttekening met korreltje zout genomen.
9. Smeekbede om een tornado ter vernietiging van fabrieken en instorten van mijnschachten in Noord-Pennsylvania. N.B.! Tornado's gedurende de wintermaanden niet in voorraad. Effectieve hoeveelheid mijngas kan op verzoek geleverd worden.
Bovenstaande verzoeken zijn vanwege duidelijk omschreven karakter afzonderlijk behandeld. Overige 298 verzoeken gedurende de week eindigende op de 19e behoren tot de A-tabel van Speciale Voorzienigheid. Zij zijn en bloc verhoord, met uitzondering van drie van de 32 gevallen waarin onmiddellijke dood gewenst wordt. Genoemde gevallen zijn afgezwakt tot ongeneesbare ziekte.

Tot zover de verzoeken van genoemde week; verzoeken die op dit secretariaat bekend staan onder de technische benaming Verborgen Hartstochten. Om rede die geen uitleg behoeft worden deze altijd eerst door ons behandeld.

Rest ons nog de verzoeken die onder de naam Openbare Gebeden resorteren, waartoe behoren gebedsdiensten, zondagsscholen, luid opgezegde gebeden in de klas of in familiekring ed. De waarde van deze gebeden hangt af van de status van de gelovige door wie ze worden geuit. Op dit secretariaat wordt een tweedeling gehanteerd, namelijk 1) Belijdende christenen en 2) Professionele christenen. Deze hoofdklassen worden vervolgens in verscheidene subklassen nader gespecificeerd, geheel volgens grootte, soort en groep; tenslotte wordt het gehalte uitgedrukt in karaat, waarbij de minimum status 1 karaat is en het maximum 1000. Wat betreft het laatste kwartaal van het jaar 1847 was uw tussenrekening de volgende:
Hoofdklasse: Belijdend Christen
Grootte: 1/4 deel van het maximum
Soort: Menselijk-spirituele ziel
Groep: Uitverkorenen, groep A, afdeling 16
Status: 322 karaat
De tussenrekening van het afgelopen kwartaal, in andere woorden van 40 jaar later, is de volgende:
Hoofdklasse: Professionele Christen
Grootte: 6/100 deel van het maximum
Soort: Menselijk-dierlijke ziel
Groep: Uitverkorenen, groep W, afdeling 1547
Status: 3 karaat
Ik ben zo vrij U erop attent te maken dat U blijkbaar achteruit bent gegaan.

Ik vervolg nu met het rapport inzake de Openbare Gebeden. Als kanttekening zou ik willen opmerken dat ons secretariaat de gewoonte heeft de verzoeken van christenen van Uw niveau ter bemoediging veelvuldig in te willigen, hetgeen hoger niveau christenen niet vaak gegund wordt - ten dele omdat dezen er ook niet om vragen.

Gebed om genadige weersituatie ten behoeve van armen en naakten. Niet verhoord. Gebed werd uitgesproken in gebedsdienst. In strijd met paragraaf 1 van dit rapport aangaande Verborgen Hartstochten. In dit secretariaat wordt een strikte regel gehanteerd die absoluut verbiedt de door Professionele Christenen in het openbaar uitgesproken gebeden voorrang te verlenen aan de Verborgen Hartstochten.
Gebed om voorspoediger tijden en meer eten voor "de man met eelt op zijn vingers, die met zijn noeste arbeid het leven van de beter toebedeelden zo geduldig dient, en die het verdiend heeft op onze bescherming tegen uitbuiting en tegenstand te kunnen rekenen, en in ons hart dankbaar voorwerp van onze vurige voorbeden te zijn." Openbare gebedsdienst. Niet verhoord. In strijd met Verborgen Hartstocht no 2.
Gebed "dat zij die ons op deze en gene wijze inperken, overvloedig gezegend mogen worden, zowel zijzelf als hun families, want ons hart zij getuige, dat hun aardse voorspoed ons geestelijk ten zegen zal zijn, en onze blijdschap volmaakt zal doen zijn." Gebedsdienst. Niet verhoord. In strijd met Verborgen Hartstochten no 3 en 4.
"O, dat nochthans niemand wegens onze woorden of daden op de weg der verdoemenis geraken zal." Gebed in familiekring. Verzonden 15 minuten vóór Verborgen Hartstocht no 5, waarmee het in grove tegenstrijd is. Verzoeke één van tweeën in te trekken of beide uitspraken af te zwakken.
"Wendt uw mededogen toch op hen, die het op ons lichaam of onze goederen gemunt hebben." Betreft onder andere de man die de kat met een straatsteen bekogelde. Gebed in familiekring. Verzonden enkele minuten vóór Verborgen Hartstocht no 6. Afzwakking verzocht ter opheffing van tegenstrijdigheid.
"Geef dat de edele zaak van de zending, de duurste taak die aan ons mensen toevertrouwd is, voortgang moge maken en geen grenzen zal kennen, in alle heidense gebieden waar duisternis heerst." Gebed op eigen initiatief, uitgesproken op bijeenkomst van het Amerikaanse Genootschap voor Buitenlandzending. Gebed ontvangen halve dag vóór Verborgen Hartstocht no 7. Dit secretariaat is niet geïnteresseerd in zendelingen, en heeft ook geen enkele bindingen met het Amerikaanse Genootschap voor Buitenlandzending. Met genoegen verhoren wij één van twee gebeden, maar beiden kunnen niet verhoord worden. Het secretariaat stelt voor het openbaar uitgesproken gebed in te trekken.
Het secretariaat verzoekt met betrekking tot smeekbede no 8, voor de 20ste keer met klem de uitgesproken kanttekening in gedachtenis te houden. Het begint tijd te worden de belofte in te lossen.

Wat de 464 niet-genoemde paragrafen uit de in het openbaar uitgesproken gebeden betreft, verhoord worden er twee, en niet verhoord de rest. De volgende verzoeken zijn ingewilligd: 1) "dat de wolken hun diensten zullen blijven bewijzen" en 2) "dat de zon haar taak vervulle". Dit kwam toevallig overeen met het hemelse voornemen. Het zal U wellicht een genoegen zijn te horen dat U het hemelse voornemen in generlei wijze hebt gehinderd. Van de niet-verhoorde 462 paragrafen waren er 61 op de zondagschool uitgesproken. In dit verband moet ik er nogmaals op wijzen dat we niet ingaan op verzoeken die Professionele christenen op zondagscholen indienen. Die worden beschouwd als van lopende-band-kwaliteit. De gebeden worden slechts opgetekend als 'woordenvloed' en op gezette tijden worden die op rekening van de bidder vergoed al naar gelang de hoeveelheid gebeden. De minimum eis is 3000 gebeden per kwartier. Voor minder worden geen punten toegekend. 4200 uit het maximum 5000 dat behaald is, is onder zondagschoolspecialisten een zeer veel voorkomende hoeveelheid. Deze hoeveelheid heeft dezelfde waarde als twee geestelijke liederen en een bos bloemen, overhandigd door jongedames in de cel van terdoodveroordeelden, op de morgen van hun executie.
De overige 401 paragrafen kunnen niet anders dan als verplaatsing van wind beschouwd worden. We bundelen ze samen en zullen er tegenwind van maken, waarmee we de schepen van zedelozen zullen vertragen. Maar om effect te hebben, hebben we er zoveel van nodig dat we geen vergoeding kunnen verlenen voor het gebruik ervan.

Ik wil graag nog een persoonlijke noot aan dit rapport toevoegen. Wanneer bepaalde lieden een goede daad van enige betekenis uitvoeren, vergoeden wij dit duizendmaal meer als wanneer goede mensen dit doen - omrede van de inspanning die het van die eerstgenoemden vereist. U staat hier veel hoger in aanzien dan uw classificering zou doen vermoeden, vanwege bepaalde daden van opoffering, die hetgeen van U redelijkerwijs verwacht mag worden, verre overschrijden. Jaren geleden, toen Uw vermogen slechts 100.000 dollar was, en U twee dollar aan de weduwe van Uw overleden arme neef zond, die bij U had aangeklopt om hulp, waren er in de hemel velen die dit niet konden geloven, en vele anderen die dachten dat het geld vervalst was. Uw status rees aanzienlijk toen bleek dat deze aantijgingen geheel onjuist bleken. Een jaar of twee later toen U andermaal op verzoek van de arme vrouw te hulp schoot en wel 4 dollar opstuurde, geloofde iedereen het, en was U hier dagenlang het gesprek van de dag. Weer twee jaar later, toen het jongste kind van de arme vrouw overleden was, stuurde U op haar verzoek 6 dollar, en deze daad vergulde Uw reputatie. Overal in de hemel sprak men: "Heb je al gehoord over Abner?" U wordt tegenwoordig zelfs 'onze Ab' genoemd. Uw donaties iedere twee, drie jaar enigszins te vergroten heeft ervoor gezorgd dat Uw naam op ieders lippen blijft en een warme plaats heeft gekregen in ieders hart. De gehele hemel slaat U gade op zondag, wanneer U met uw dure auto naar de kerk gaat. En wanneer Uw hand uit de collectezak komt, hoort men tot aan de roodgloeiende poorten van de hel de blijde roep: "Alweer een stuiver van Abner!"
Maar dit alles werd een paar dagen geleden overtroffen, toen de weduwe U schreef dat zij misschien onderwijzeres in een klein dorpje kon worden, indien ze maar zou beschikken over 50 dollar om de reis ernaartoe voor zichzelf en haar twee nog in leven zijnde kinderen te kunnen bekostigen. U berekende de netto winst van de opbrengst van Uw drie kolenmijnen van de vorige maand - 22.230 dollar-, voegde hieraan de welhaast zeker zijnde winst van deze maand aan toe - 45.000 dollar of zelfs meer dan 50.000 dollar-, en nam daarna Uw pen en schreef een cheque van wel 15 dollar!
De hemel zegene U en behoede U, nu en in alle eeuwigheid, gij bewogen ziel! In het koninkrijk der zaligen was geen enkel oog onbetraand. Overal schudde men elkaar de hand, en lof en prijs rolde de berg der verheerlijkten af, tesamen met de verklaring dat deze daad alle ooit eerder door mensen of engelen uitgevoerde zelfopofferingen ten schande stelde, en beslist op een afzonderlijke bladzijde opgetekend diende te worden, omdat dit van U een zwaardere opoffering vergde dan het offer van tienduizend martelaren op de brandstapel. Iedereen zei: "Wat is het opgeven van het leven van een edele ziel of van tienduizend edele zielen in vergelijking tot wat het vraagt van een gulzige en inhalige blanke vrek, om 15 dollar weg te geven."

En daar had men gelijk in. Abraham schudde met tranen in zijn ogen zijn schoot schoon, en plakte op de zomen van zijn kleed een briefje: gereserveerd; en Petrus zei er met tranen in zijn ogen achteraan: "Hij zal met een fakkeloptocht worden verwelkomd, wanneer hij komt." En de gehele hemel was verblijd. Ja, zelfs de hel verblijdde zich over dit alles.



[ondergetekende]
scribentengel
[zegel]



Op Uw wenken





Vertaling: Albert Vollbehr, 2005