Een uitleg van Aldus sprak Zarathoestra




I.1    Van de drie gedaanteverwisselingen

Zarathoestra's eerste preek reikt één van de twee kerngedachten aan in het denken van Nietzsche, één van de twee sleutels tot het begrijpen van het gehele boek (voor de andere sleutel zie II.18). De eerste sleutel is de komst van de Volwassen Mens (de Soevereine Mens, de Individuele Mens, de Mondige Mens, de Autonome Mens), dwz een mens die na eindeloze ervaring en kennis opgedaan te hebben uiteindelijk uitkomt op onafhankelijkheid, een wet voor zichzelf te zijn; niet uit zelfzucht, arrogantie en ijdelheid, maar omdat hij het uiterste van zijn geest verlangt ("Hem heb ik lief die niet een druppel geest voor zichzelf achterhoudt"). De volwassen geest kent geen hogere autoriteit meer dan zijn eigen persoon, zijn eigen wil, en staat als schepper van zijn eigen wereld in het leven. De individualiteit van de ontwikkelde volwassen mens strekt zich tegenwoordig uit tot alle levensgebieden en omvat de gehele mensheid (in tegenstelling tot bepaalde vroegere perioden waarin we soms elementen van volwassen individueel denken kunnen waarnemen, bijvoorbeeld bij de oude Grieken). De komst van de moderne mondige mens is vanwege deze totaliteit een unieke gebeurtenis in de geschiedenis van de mens. Kort en bondig gezegd: deze mens neemt nu de plaats in die men vanouds aan God toeschreef.

Een mens bereikt volwassenheid van geest geleidelijk, door in zijn leven verschillende stadia te doorleven (zie ook Voorwoord tot Menselijk, al te menselijk) Zarathoestra legt een algemeen principe uit waar ieder gezond mens in zijn leven mee te maken heeft. Een zich ontwikkelend mens maakt in zijn leven geestelijke gedaanteverwisselingen door. Er zijn er drie van beslissende waarde. De eerste is het worden tot kameel. Wanneer een mens die "een sterke, draagzame geest" in zich heeft, opgroeit, laat hij zich van nature steeds maar zwaarder beladen. Het is voor de mens die eerbied voor het leven heeft zelfs een drang zich steeds af te vragen hoe hij het zwaarst beladen kan worden. De eeuwen door heeft dit altijd geleid tot zelfkastijding en de allergrootste discipline. Wanneer een mens hoogmoed in zichzelf opmerkt, roept hij nederigheid uit tot hoogste deugd, wanneer hij zich wijs waant, komt er een drang op om met zijn wijsheid te spotten. Een mens komt vaak uit op extreme vormen van zijn streven: het voor zichzelf veroorzaken van pijn, kwelling en het volkomen tegengestelde van wat hij van nature is of eigenlijk zou willen. Hij doet dit blijkbaar omdat een mens de grootste bevrediging verkrijgt uit het overwinnen van wat door hem als de vreselijkste vijand (de sterkste drang) gezien wordt. Zo kan hij zichzelf bijvoorbeeld kwellen met honger en ascese, celibatie, denkt hij soms dat ziekte en lijden zonder vertroosting te doorstaan iets heldhaftigs is, denkt hij vriendschap te moeten sluiten met doven, of haters te moeten liefhebben. En telkens heeft hij de neiging er nog een schepje zwaarders bovenop te moeten doen. Hij is nooit tevreden met zijn resultaten.


Al dit zwaarste neemt de draagzame geest op zich: gelijk de kameel die beladen de woestijn in snelt, zo snelt hij zijn woestijn in."


Merk op dat Zarathoestra dit pad niet afkeurt, en hij niet leert dat het er slechts om gaat op de laatste gedaanteverwisseling uit te komen, waarna de vorige stadia veracht kunnen worden. Eerder ziet hij alle fases van een mensenleven als natuurlijke onderdelen van een mensenleven, als noodzakelijkheid. Voor de mens is het noodzakelijk en natuurlijk een kameel te zijn en naar het zwaarste te hunkeren. In hoofdstuk I.7 zegt hij tegen mensen die klagen over het leven dat 'zwaar te dragen' is: "Maar doen jullie toch niet zo teerhartig! Wij allen zijn aardige pakezels en -ezelinnen." Zonder ooit kameel te zijn geweest is het volgende stadium van de leeuw niet mogelijk. De paradox van het leven is nu dat dit eerste stadium onvermijdelijk het volgende stadium in zich bergt. De zwaarst beladen kameel stevent onherroepelijk af op de dorste woestijn: een plaats waar hij beslist nooit had willen zijn.


Maar in de eenzaamste woestijn geschiedt de tweede gedaanteverwisseling: tot leeuw wordt de geest, vrijheid wil hij buitmaken en meester zijn in zijn eigen woestijn.


Het is interessant op te merken dat Zarathoestra de gedaanteverwisseling niet uitlegt met het argument dat voor de hand ligt, dat deze mens op een gegeven moment de perversie inziet van zijn zucht tot het zware, maar de volgende gedaanteverwisseling ziet als logisch gevolg van het menselijk streven: dat hij met het opvolgen van al het zware uiteindelijk nog maar één vijand heeft om te verslaan, juist het monster dat al dit zware belichaamt. Het gaat er bij deze mens dus niet om verlichting te krijgen van lasten, maar om "meester te zijn in zijn eigen woestijn". Zarathoestra laat hier al zien wat hij later uit zal leggen als het basisprincipe van het leven: de wil tot macht. In de eenzaamste woestijn gaat de mens een laatste gevecht aan om het allerzwaarste te overwinnen: het gevecht met de draak die honderd-en-een dingen beval met een autoritaire stem: "Jij zult". "Jij zult" (vroeger het bijbelse "Gij zult") staat de geest van de leeuw in de weg. Een mens komt automatisch terecht in een volgende fase van het leven, de fase die zegt: "Ik wil". De strijd die ontstaat is dramatisch, des te dramatischer naarmate de kameel zwaarder beladen is.


We horen dus nu dat de kameel beladen werd door een draak, dwz dat al die zware lasten met elkaar verbonden zijn en zo een niet te verslaan denksysteem vormen, een almachtig godsdienstig systeem. Aan de draak glinsteren goudfonkelende schubben, duizendjarige waarden. Hij weet zich de machtigste van alle draken te zijn, boogt zich op een alleenheerschappij van duizenden jaren, en lacht smalend om iedere geest die iets aan deze onoverwinnelijke waarden wil toevoegen of afnemen. Het zal duidelijk zijn dat Zarathoestra hier in de eerste plaats weer het christendom op het oog heeft. De boekgelovige mens is bij uitstek een kameel die met "gij zult" beladen is. Het boek Aldus sprak Zarathoestra is in de eerste plaats een boek geschreven om een maatschappij van christelijke kamelen tot het inzicht van leeuw en kind te laten komen.

Maar men kan natuurlijk ook op andere manieren beladen worden. Om een systeem tot draak te laten uitgroeien is slechts vereist dat men collectief een dualistische wereld schept waarin men alles uitlegt als een enge keus tussen twee volstrekt tegengestelde alternatieven in het mensendenken: 'liefde' (opoffering/toewijding ten behoeve van anderen, God, vaderland, de maatschappij, een ideologie, de Bovenmens) en 'angst' (voor God, voor straf, voor het concentratiekamp, voor wedergeboorte in ellende, voor 'thought crime', voor de Laatste Mens).

Het optreden van de leeuw in een mensenleven is onvermijdelijk omdat voor de mens de eisen oneindig in aantal zijn, oneindig hoog om te bereiken, en de draak de mens opslokt indien hij zich niet verweert. De zucht naar vrijheid om zélf te mogen bepalen wat hij wel of niet mee wil dragen, wel of niet wil geloven, wel of niet wil doen, is op een bepaald moment groter dan alle andere krachten en wapens van de draak die hem maar eerbiedig en in onderhorigheid deden gehoorzamen.


Zich de vrijheid scheppen en een heilig neen ook tegenover de plicht: daartoe is de leeuw van node. Zich het recht aanmatigen om nieuwe waarden te scheppen - voor een draagzame en eerbiedige geest is dat het vreselijkste nemen. Voorwaar, een roven is het voor hem en de zaak van een roofdier. Als het heiligste ding had hij eens het 'jij zult' lief: En nu moet hij waan en willekeur ook nog in het heiligste ding vinden, opdat hij vrijheid ontroven zal aan zijn liefde: de leeuw is voor deze roof van node.


Zarathoestra legt hier goed uit waarom deze gedaanteverwisseling er één is die bijzonder pijnlijk is. Het is als een aardbeving in een mensenleven, want het is de grond die hij eens van graniet achtte, die onverwachts begint af te brokkelen of te splijten. Voor de ware vrome gelovige is 'het beter denken te weten' de allergrootste zonde. Zoiets is teruggaan tot een primitiever stadium, dat van een roofdier. Maar de mens die in het leeuwenstadium komt ziet het precies tegengesteld: hij heeft een 'heilig neen', dwz het is niet slechts een 'ik wil mijn eigen weg gaan', (een weg die door de eerbiedige ware gelovigen altijd smalend afgedaan zal worden als het zoeken van eigenbelang en zelfbevrediging), maar een nieuwe weg te móeten volgen, omdat die naar iets hogers leidt. Alweer gaat het niet om verlichting, om water in de wijn te doen, maar om een grotere overwinning te behalen, om zich bezig te houden met waardevoller zaken. Men begint in te zien dat de kameel beladen werd met onnutte zaken, met overbodige zaken, zelfs met verkeerde zaken. De gelovige vindt waan en willekeur in die dingen die eens het heiligst waren en maakt daarom de allergrootste ontgoocheling mee. Veel van het verscheurende van de leeuw heeft er mee te maken dat hij zich er nu over schaamt zo dom te zijn geweest die vroegere waarden als het allerhoogste lief te hebben en voor het heiligste uit te roepen, zoals een jong volwassene zich kan schamen voor de domheid van zijn jeugd. Zijn agressiviteit is tenminste ten dele gericht tegen zijn eigen geest. Eerbiedigheid en draagzaamheid had hij in overvloed. Maar nu is het vrijheid die tot uiting wil komen. Tezelfdertijd moet het optreden van de leeuw constructief zijn, een hunkering naar het beter te willen doen, dwz inzien dat men nooit het woord 'heilig' moet weggooien. De fase van de leeuw is onvermijdelijk en nuttig, zoals een opstandige tienertijd volgt op de kinderjaren, maar desastreus indien het niet als doel heeft een overgang te zijn tot iets groters. De gedaanteverwisseling tot leeuw is dus als het geestelijk volwassen worden van een mens.


Maar wat vermag nog het kind dat ook de leeuw niet vermocht? Waarom moet ook de leeuw nog tot kind worden?


De mens bereikt zijn hoogste geestelijke stand wanneer hij zijn geest gebruikt om te scheppen. Voor het scheppend vermogen heeft de mens de geest van een kind nodig. Zarathoestra legt dit uit door zeven kenmerken van het kind op te sommen:


Onschuld is het kind en vergeten, een nieuw beginnen, een spel, een uit zichzelf wentelend rad, een eerste beweging, een heilig ja-zeggen.


Merk op dat de fase van het kind gekenmerkt wordt door ja-zeggen tegen het leven, precies het omgekeerde van het nee-zeggen waardoor zowel de fase van de kameel als die van de leeuw wordt gekenmerkt. Het ja-zeggen tegen het leven is mogelijk wanneer men, net zoals het kind, niet door het verleden met schuld wordt belast, of met bepaalde aangeleerde vooroordelen de toekomst bekijkt, maar met onschuld en vergeten in het leven staat.
Als mens deze drie gedaanteverwisselingen door te maken, generaties lang, levert uiteindelijk de Bovenmens op. Ook wanneer de kameel beladen is met goud en zilver moet de mens toch in een leeuw veranderen. Altijd moet gezocht worden naar het nog hogere.

De gedaanteverwisseling tot het kind is verrassend dezelfde wijsheid die we ook in de evangeliën tegenkomen. Maar pas op!, in het christelijk geloof staat dit kindzijn voor iets geheel anders dan wat Zarathoestra voor ogen heeft: in het Nieuwe Testament is het het geloven als een kind dat een ereplaats krijgt, dus goedgelovig in het leven te staan, zonder al te grote intellectuele behoeften, zonder lastige vragen, slechts een kinderlijk vertrouwen op een autoriteit, het prijzen van een naief onkritische geest die in staat is een woord van een autoriteit zonder twijfel aan te nemen. Geloven als een kind in de bijbel is het stadium dat vooraf gaat aan de kameel, en dus ver aan het andere uiterste verwijderd staat van volwassen geloof, het zelf waarden en werelden scheppende kind van Zarathoestra dat het bekronende stadium is in de geestelijke ontwikkeling van de mens.





De drie gedaanteverwisselingen kan men ook benaderen als een beschrijving van de ontwikkeling van het gehele menselijke ras van het vroegste stadium tot aan de verre toekomst. De kameel staat in deze interpretatie voor de fase in de ontwikkeling van de mensheid dat een mens zich goden (of uiteindelijk één God) creëert, de leeuw voor het stadium dat hij het allerzwaarste, dus de goden, voor dood verklaart en overwint, en het kind voor het nieuwe begin, de verre toekomst van de Bovenmens.

Deze interpretatie gaf Stanley Kubrick in zijn beroemde film 2001: A Space Odyssey, gemaakt in 1967. Deze ingenieuze film die men meerdere malen moet zien om al de symboliek ervan te begrijpen bevat onder andere veel verwijzingen naar Aldus sprak Zarathoestra. We zien er letterlijk de gedaanteverwisselingen van Aap tot Mens tot Bovenmens. Volgens Leonard Wheat is dit slechts één oppervlakkige gelijkenis, die we nog gemakkelijk kunnen aanvullen met wel 160 fascinerende verwijzingen naar het boek Aldus sprak Zarathoestra! Te noemen valt bijvoorbeeld het jaartal (2001, het aanbreken van "het Nieuwe Millennium"), de rijzende zon van opgang tot aan de hoogste stand, de staande stenen (symbolen voor "de Wil tot Macht"), een door de mens gecreëerde antropomorfische God (de computer HAL 9000); Frank Poole als koorddanser, gedood door de entiteit die het symbool is voor God; Bowman (de 'pijlenschieter' als symbool van de nieuwe Zarathoestra) die HAL 9000 (God) onschadelijk maakt; de woorden "Beyond the Infinite (te verstaan als "Na de Dood van God"), en Bowmans uiteindelijke ontwikkeling tot oude man en vervolgens "sterrenkind", dwz Bovenmens. Het laatste gedeelte van de film is een letterlijke visualisatie van "de Grote Middag" (waarover later meer).

Interessant is ook de rol die het bot speelt in de film. Zoals we weten creëert God in de bijbel uit een bot de vrouw, maar Kubrick draait het in samenwerking met Nietzsche om: God wordt door de mens gemaakt. Het bot is voor de mens een wapen, het instrument van de Wil tot Macht, die hij uiteindelijk de ruimte in gooit. In de film verandert dat bot dan in een ruimteschip (het symbool voor God). Net zoals God in de bijbel is het ruimteschip Discovery ook antropomorf, gemaakt naar het beeltenis van de mens.