Aldus sprak Zarathoestra




I.10    Van krijg en het krijgsvolk

Mijn broeders in de krijg! Innig heb ik jullie lief, ik ben en was jullie gelijke. En ik ben ook jullie beste vijand. Zo laat mij jullie de waarheid zeggen!


Zarathoestra spreekt hier 'broeders in de krijg' aan, dwz de metgezellen die hij langzamerhand heeft verkregen. Hij is van plan zijn metgezellen de waarheid over henzelf te vertellen, en bereidt ze voor het minder vleiende aan te kunnen horen door eerst op te merken dat hij hun gelijke is en zich niet boven hen waant. Maar mensen die elkaar innig liefhebben moeten de ongezouten waarheid tegen elkander kunnen zeggen.
Hij vertelt ze vervolgens dat hij zich ervan bewust is dat ze met haat en nijd in hun hart leven. Niet alleen jegens de vijanden, maar ook jegens Zarathoestra, iemand die geestelijk superieur is. Zijn metgezellen zijn nog niet groot genoeg om boven haat en nijd uit te stijgen, ze zijn tenslotte pas 'genezenden'. Hij stelt voor dat ze hun agressiviteit niet verbergen, maar in plaats daarvan die te gebruiken voor het goede doel. Indien men geen 'heilige van het inzicht' kan zijn, het predikaat van het hoogste menszijn, laat men dan een voorvechter en voorloper zijn voor de zaken waar deze heilige voor staat. Zarathoestra ziet veel huurlingen (dwz volgelingen die hun persoonlijke baat zoeken in het volgen van Zarathoestra), maar prefereert krijgslieden: mensen die zich uit oprechtheid van hart, onbaatzuchtig voor de goede zaak inzetten.


Jullie vijand moeten jullie zoeken, je krijg moeten jullie voeren, krijg voor jullie gedachten! En als jullie gedachte het onderspit delft, dan moet jullie oprechtheid nog zegevieren.


Zarathoestra gebruikt taal van oorlogsvoering, maar de tekst laat zien dat hij het over een geestelijke oorlog heeft, de oorlog van de vrijdenkers tegen de gevestigde machten. Het gaat hier om de geest van de leeuw die vecht tegen de draak, de belader van kamelen. Het is niet genoeg een afwijkende mening te hebben. Goede opinies dienen aktief te worden uitgedragen, en iedere goede zaak is een zaak waarvoor gevochten moet worden. Vechten voor je gedachten kan men vergelijken met het 'veroveren' van iemand wanneer je een relatie wil aangaan: je moet er wat voor doen, en niet maar eeuwig wachten op 'de enige ware liefde' die zich hopelijk ooit aan jou komt voordoen. Zo zegt Zarathoestra dat bij sommigen ook 'haat op het eerste gezicht bestaat', dwz iets waar je persoonlijk door geraakt wordt en je beslist oproept tot tegenaanval. Indien men niet bereid is voor zijn gedachten te vechten zijn het blijkbaar onbenullige gedachten en staan de gedachten dus gelijk aan zwetsen en kijven.


Krijg en moed hebben meer grootse daden verricht dan naastenliefde.


Dit is een wel zeer boude uitspraak die niet iedereen zal onderschrijven. Jezus sprak eens de woorden uit "Zalig zijn de vredestichters, want zij zullen kinderen van God genoemd worden"; zijn die woorden niet veel mooier? Het punt is dat het niet om mooie woorden gaat, maar om de praktijk van het leven. De leer van Zarathoestra moet men niet zien als een omverwerping van oude wijsheden -want slechts een idioot zal oorlog uitroepen tot hoogste vorm van menszijn-, maar als een gezonde aanvulling op Jezus leer en correctie op de praktijk van het christelijk geloof. Zarathoestra legt nog nader uit wat hij ermee bedoelt: "Niet jullie mededogen, maar jullie dapperheid redde tot dusver de slachtoffers." Slachtoffers -neem als voorbeeld de mijnwerkers en fabrieksarbeiders uit de 19e eeuw- worden niet geholpen met liefdadigheid en met het onderhouden van de lieve vrede, maar met aanpakken en aan banden leggen van de uitbuiters. Ook wanneer we ons slechts beperken tot vrijheid van uitdragen van gedachten -neem als voorbeeld religieuze gedachten- zien we dat deze vrijheid in de praktijk nooit zonder vechten bewerkstelligd kon worden en altijd grote dapperheid vereist. Daarom roept Zarathoestra de dapperheid uit tot goed.


Zarathoestra legt vervolgens de regels van fair-play uit: een vijand mag je hebben, maar veracht de vijand niet. Wees er eerder trots op want dan is jouw overwinning een waardevolle zaak.
Een goede vechter is er ťťn die gehoorzaamt, niet ťťn die uit noodweer handelt. Een mens kan niet zonder 'Gij zult'. Maar de bevelgever moet er ťťn zijn die de allerhoogste waarden aanhangt. Zarathoestra laat onverbloemd weten dat hij die bevelgever wil zijn. Zijn bevel luidt: de mens is iets om overwonnen te worden, dwz de mens moet uitgroeien tot de Bovenmens. De weg hiertoe is het volledig beheersen van de passies, iets wat de oude Grieken autarcheia noemden. Maar zoals vorige hoofdstukken lieten zien betekent dit voor Zarathoestra niet ascese en doden van passies, maar ze als een meester besturen en gebruiken om het verre doel te bereiken. Iemand die dit inziet is een strijder voor de hoogste hoop.


Ons modern denken heeft de kritiek van Nietzsche zo volledig overgenomen dat zelfs vele christenen uit onze tijd geen idee meer hebben van de ware aard van het christelijk geloof, dwz het karakter van het geloof van alle pre-moderne eeuwen. Lees hoe een 'strijder voor de ideeŽn van Nietzsche', Emma Goldman, bijna honderd jaar geleden over het christendom van haar tijd schreef:


Het falen van het christendom

Onze moderne tijd heeft geboorte gegeven aan twee intellectuele reuzen die alle dode sociale en morele waarden van het verleden aan de kaak hebben gesteld, in het bijzonder die welke inherent zijn aan het christelijk geloof. Friedrich Nietzsche en Max Stirner hebben slag op slag aan het adres van het christendom toegebracht, omdat ze het zagen als een taaie vorm van slaven-moraal, en de vernietiger van alles wat met kracht en karakter te maken heeft. Weliswaar stond Nietzsche een moraal voor waar slechts een kleine bovenlaag van de mensheid aan kan tippen, maar behoren tot deze elite had niets te doen met maatschappelijke positie, rijkdom of klasse. Hij spoorde aan de menselijke mogelijkheden tot het uiterste te benutten, tot heer en meester worden van de menselijke natuur om oude versleten waarden achter ons te laten en geheel nieuwe, schone dingen te scheppen.

Zowel Nietzsche als Stirner zagen het christelijk geloof als de nivelleerder van de mensheid, de tegenstander van menselijk durven en kunnen. Alle vormen van christelijke moraal en ethiek zijn pogingen om onderdanigheid te vereeuwigen, nooit pogingen om de mens te emanciperen. Vandaar dat ze zich zo verzetten tegen christelijk denken.

Hoewel ik niet geheel overeenstem met deze intrappers van heilige huisjes, ben ik van mening dat ze groot gelijk hadden te stellen dat christelijk geloof bij uitstek het middel is voor de aankweek van slaven en de vereeuwiging van de slavenmaatschappij, oftewel verantwoordelijk is voor de conditie waarin de maatschappij van vandaag zich bevindt. De maatschappij zou nooit tot deze schandelijke staat vervallen zijn indien onderdanigheid niet door het christelijk geloof met zoveel verve uitgedragen was. De heersers der aarde hebben altijd geweten welk gif er in het christelijk geloof schuilt. Juist daarom doen ze er alles aan om het geloof maar in het bloed van de onderdanen te laten voortstromen. Ze weten maar al te goed dat de geraffineerde christelijke leringen hun beter beschermen tegen opstand en onvrede dan de knuppel of het geweer.

Ongetwijfeld zal iemand zeggen dat dit waar moge wezen, en dat geÔnstitutionaliseerd christendom de grootste vijand is van vooruitgang en vrijheid, maar dat christelijk geloof 'op zichzelf' toch goed is. Men stelt dat de leer van Christus en het oudste christendom iets geheel anders is, namelijk de geest van humaan denken, van recht en rechtvaardigheid. Juist deze veel gehoorde opmerking zet mij ertoe aan dit artikel te schrijven. Want alle christelijke wandaden, net als alle slechte vormen van regering, zijn in het christelijk geloof zelf verankerd, juist niet in de aanhangers van dat geloof. Christus en zijn leringen zijn equivalent aan onderwerping, status quo, de ontkenning van het leven. De leer zelf is verantwoordelijk voor alle wanzaken die in haar naam gedaan werden.

Wat de theologische Christus betreft heb ik weinig te zeggen. Briljante geesten zoals Bauer, Strauss, Renan, Thomas Paine en anderen maakten al lang geleden korte metten met de mythen. Bovendien is de theologische Christus niet half zo gevaarlijk als de ethische en sociale Christus. De theologie zal zijn greep op de mensen in dezelfde mate verliezen als wetenschappelijk denken zal toenemen. Maar ons leven is zo doorweekt van de ethische en poŽtische Christus-mythe dat zelfs de meest ontwikkelde geesten er moeite mee hebben zich te emanciperen van dit opgelegde juk. Men heeft zich van de letter van het geloof bevrijd maar heeft de geest ervan behouden. En het is dezelfde geest die verantwoordelijk is voor alle terreur en misdaden die door het orthodoxe christendom zijn uitgevoerd. Het christelijk geloof kan door alle kerkleiders met gerust hart gepredikt worden, het bevat geen spikkeltje gevaarlijks voor welk regime en buitensporige rijkdom dan ook. Christelijk geloof staat voor ascese, zichzelf opgeven, boete en spijt, en is totaal inert tegenover schanddaden en elke brute behandeling waar de mensheid onder lijdt.

Het is ongelooflijk hoe bepaalde ideeŽn en woorden zo verdraaid kunnen worden dat ze het tegendeel opleveren. Zovelen die in alle eerlijkheid tegenstanders van slavernij zijn en voorstanders van sociale en economische emancipatie, verbinden de leringen van Christus aan hun ideeŽn. In werkelijkheid zouden de twee niet tegengestelder van elkaar kunnen zijn. Het ťťn roept moed, durf, verzet en kracht uit tot noodzakelijkheden, het ander predikt het evangelie van verzetsloosheid, van zich neerleggen bij de wil van anderen. Het evangelie is de volkomen verachting van opkomen voor jezelf en van zelfvertrouwen, en bijgevolg de vijand van vrijheid en voorspoed. Eenieder die oprecht de maatschappij wil veranderen, die de mensheid wil bevrijden van de gesel van afhankelijkheid en ellende, moet het christelijk geloof de rug toekeren, zowel het orthodoxe als het moderne christelijk geloof. Vanaf het allereerste begin heeft het christelijk geloof de wereld altijd veranderd in een tranendal, altijd heeft zij van het leven een lage, verdorven zaak gemaakt, altijd heeft zij de mensheid vrees aangejaagd; het heeft de individuele mens in tweeŽn gesplitst en laat hem altoos voortsukkelen in een strijd tussen de twee helften -lichaam en ziel. Het lichaam heeft men afgeschreven als iets verdorvens, het vlees is de verleider tot alle zonde. De gelovige mens heeft zijn persoonlijkheid mishandeld: om zijn ziel puur te houden heeft hij zijn lichaam laten wegrotten of het altoos gepijnigd.

Het christelijk geloof richt zich op het hiernamaals en is daarom onverschillig tegenover alle ellende op aarde. Het gaat zelfs zover zelfverloochening, pijn en treurnis als een test te zien om de waarde van een mens te bepalen; van die dingen maakt het geloof dus het paspoort dat toegang tot de hemel verschaft.

De armen mogen de hemel in, de rijken zullen de hel in gaan. Geen wonder dat de rijken er alles aan doen om dan maar te genieten zolang het mogelijk is, en zoveel rijkdom bijeen te vergaren als ze maar kunnen. Geen wonder dat ze de armen haten, hun geboorterechten ontzeggen en hen op ieder moment maar uitbuiten en onteren. Wie kan ze veroordelen zich te wreken, want dit is tenslotte de tijd dat zij het mogen doen. En de armen? Ze klampen zich aan de belofte van de hemel vast alsof het om een bejaardentehuis gaat, een sanatorium voor gehandicapte lichamen en zwakken van geest. Ze verdragen maar en ondergaan maar, ze lijden en wachten, totdat iedere druppel zelfrespect eruit geperst is, totdat hun lichamen uitgehongerd en verdroogd zijn en hun geest van het wachten gebroken is, van het oneindige wachten op de christelijke hemel. (gedeelte uit Mother Earth journal, 1913)