Alweer wijst Zarathoestra de weg naar eenzaamheid. Ditmaal om niet geplaagd te worden door mensen die stekelen en hekelen, mensen die afgunstig zijn en de scheppende, zelfstandige mens niet uit kunnen staan, maar hem op allerlei manieren proberen te dwarsbomen. De weg naar eenzaamheid dient ook om te leren dat grootsheid slechts in eenzaamheid tot stand kan komen. 'Grote mannen van de wereld' zijn veelal toneelspelers die geleerd hebben hoe men het volk kan paaien en hoe men door flink lawaai te maken naam, eer en roem kan verkrijgen. Het gaat hen niet om grote zaken, maar om streling van zichzelf. In de oproep tot afzondering zien we opnieuw dat het Zarathoestra niet te doen is om oorlog en vechten, maar om in alles de weg van individuele onafhankelijkheid te bewandelen en om het nastreven van de hoogste vorm van het menszijn. Het hoogste menszijn wordt gevonden in het scheppen, en het scheppen gebeurt in volkomen stilte, in totale onafhankelijkheid van de behoeften van de markt en de behoeften van zelfbevrediging. Tot het scheppen en het grootse behoort ook een fijne neus voor subtiele verschillen, de oneindige nuances en het omarmen van de veelzijdige waarheid. Tot diepzinnigheid behoort traagheid, lang overdenken, nooit af zijn, soms het antwoord in gebreke blijven.
De 'vliegen van de markt' kunnen er voor zorgen dat iemands krachten nodeloos verspild worden. Men moet zich de gehele tijd maar bezighouden met zaken van ondergeschikt belang. Men is voortdurend bezig met als vliegenmepper op te treden. Zoiets heeft geen zin, want al slaat men er duizend van dood, dan blijven er nog honderdduizenden over. Ook het tegendeel, de vleiers, houden de schepper slechts af van zijn taak.
Ze omzoemen jou ook met hun lof: opdringerigheid is al hun loven. Ze willen de nabijheid van jouw huid en bloed. Ze vleien jou als een god of een duivel; ze janken tegen jou als tegen een god of een duivel. Wat doet het ertoe! Vleiers zijn het en jankers en meer niet. ook doen ze zich vaak beminnelijk aan je voor. Maar dat was altijd al de listigheid van lafhartigen. Ja, de lafhartigen zijn listig! Ze denken veel over jou met hun bekrompen ziel -bedenkelijk ben jij steeds voor hen! Al wat veel wordt bedacht, wordt bedenkelijk.
Bedenkelijk is ieder mens die in een christelijke wereld soms eens een vleugje
eigen denken laat zien. Het christelijke denken is in de regel zwart-wit. Al meer dan een eeuw
lang hebben christenen Nietzsche afgeschilderd
als iemand die eenvoudig
in alles de omkering van alle
christelijke waarden belichaamt. Zo roept de godsdienst op tot beminnelijkheid, en valt Nietzsche die aan,
beveelt de godsdienst nederigheid aan, maar roept Nietzsche op tot trots, roept de godsdienst op
tot gemeenschapszin, maar spreekt Nietzsche zich uit voor afzondering enz, enz. Het is jammer dat Nietzsche
zo vaak gelezen wordt met een bril die slechts zwarte kleuren doet zien. We lezen hier
in overduidelijke bewoordingen
dat hijzelf een gruwelijke hekel heeft aan mensen die alles vereenvoudigen tot slechts
een keuze tussen ja en nee. "Nog nooit liep de
waarheid gearmd met een onvoorwaardelijk voor of tegen. Traag is het beleven van alle diepe bronnen."
De teksten van
Zarathoestra wemelen van de nuances.
Nietzsche moet men in de eerste plaats lezen als een reactie op het vrome christelijke
leven van de 19e eeuw. Zijn schrijven roept op gezapigheid te doorbreken, niet op om een
arrogante egoïst te worden. Het gaat hem altijd om het hoogste menszijn, daarom moet men leren inzien dat
beminnelijkheid soms een masker is waaronder lafhartigheid zich verbergt (dus beminnelijkheid op zich
niet iets verachtelijks), deugd vaak een
synoniem voor conformisme (dus deugd op zich niet iets verachtelijks;
Zarathoestra looft in dit hoofdstuk bijvoorbeeld milddadigheid en rechtvaardigheidszin),
en gemeenschapszin een synoniem voor slaapziekte en kuddegeest.
Omdat ons menszijn op zovele manieren beneden de maat is, moet men zich zoveel mogelijk inspannen
om er bovenuit
te stijgen. Daarom móet men lef hebben, móet men meer nadenken, móet men zich afscheiden van de massa,
móet men zijn eigen pad durven bewandelen. Afzondering gebeurt dus niet vanwege een gevoel van
elitisme en arrogantie, maar als noodzaak om het doel te bereiken. Voor een ieder die Zarathoestra
wil volgen is het van het hoogste belang hierin inzicht te hebben. Bij het lezen van de volgende tekst
moet men bijvoorbeeld niet de gedachte voelen opkomen: "Precies, zó is het! Eindelijk iemand
die mij begrijpt." (=ressentimentgevoelens), maar "Moge mijn
oprecht zoeken naar menselijke grootsheid, naar waardige mensheid, de enige reden zijn voor de
weerstand die ik in het leven ontmoet. En moge ik nooit mijn krachten verspillen aan onbenulligheden,
of mij moeten schamen voor mezelf door arrogantie in mezelf op te merken" (=beheerst worden door
een streven naar de ideale verschijning van zichzelf):
Tegenover jou voelen ze zich klein, en hun laagheid glimt en gloeit tegen jou in onzichtbare wraak!
Zarathoestra heeft het hier over grootse mensen als tegenhanger van de 'vliegen van de markt'. Van de eerste groep zijn er maar weinigen, van de tweede groep blijkbaar ontelbaar veel. Precies dezelfde kijk op het leven die Jezus had: "Ga door de nauwe poort naar binnen. Want de brede weg, die velen volgen, en de ruime poort, waar velen door naar binnen gaan, leiden naar de ondergang. Nauw is de poort naar het leven, en smal de weg ernaartoe, en slechts weinigen weten die te vinden." (Matth. 7: 13-14) Maar voor beide leraren kan in principe een ieder voor zichzelf uitmaken tot welke groep hij wil behoren. Het is nooit een kwestie van schoolopleidingen en maatschappelijke positie, maar slechts van karakter.
Ze bestraffen jou voor al je deugden. Ze vergeven jou in de grond
van hun hart enkel -je misstappen.
Omdat je mild van hart bent en rechtvaardig van zin, zeg jij: 'Onschuldig zijn zij aan hun klein bestaan'
Maar hun bekrompen ziel denkt: 'Schuldig is al het groot bestaan.' Ook als je hen mild bejegend, voelen ze zich nog veracht; en
ze betalen je jouw weldaad met verborgen smartendaden.
Het interessante van dit hoofdstuk is dat het een uitstekende preek zou zijn in een christelijke kerk. Zarathoestra's 'vliegen van de markt' zijn een variant op 'de wolven in schaapskleren' waar Jezus het over heeft. En de laatste zin van Zarathoestra is als een commentaar op de Farizeeën die maar om Jezus zoemden om hem te laten struikelen:
Jouw naasten zullen altijd giftige vliegen zijn; wat groot is aan jou, - juist dat moet hen giftiger maken en almaar vliegachtiger.
Maar in tegenstelling tot Jezus, die zich bij voorkeur op het eenvoudige volk richtte, gelooft Zarathoestra niet in de verheffing van 'het volk'. Hij heeft zo zijn ervaringen met de massa en heeft ondervonden dat de massa hem niet begrijpt en de dingen waar het om gaat nooit zal begrijpen. Zelfs het goede wat Nietzsche in Jezus ziet, is volgens hem door zijn latere aanhangers vertrapt en vuil gemaakt. Ieder waardevol denken wordt verkracht zodra het in de handen van de massa terecht komt:
Ik doe het relaas van de ware geschiedenis van het christendom. Het woord
'christendom' alleen al is een misverstand; in wezen is er maar één christen geweest,
en die stierf aan het kruis. Het 'evangelie' stierf aan het kruis.
Wat vanaf dat ogenblik 'evangelie' werd
genoemd was het tegendeel van wat hij geleefd had, namelijk een 'slechte boodschap', een
dysangelie. Het is verkeerd op het onzinnige af om een geloof, bijvoorbeeld een geloof aan
de verlossing door Christus, als het onderscheidingsteken van de christen te beschouwen.. Alleen de praktijk, een leven zoals
hij die aan het kruis stierf geleefd heeft, is christelijk...Niet een geloof, maar een doen, vóór alles
een niet-doen van veel dingen, een alternatieve manier van zijn.
Een bewustzijnstoestand,
een geloof, een voor-waar-houden, -iedere psycholoog weet dat dit onbelangrijk en vijfderangs is in
vergelijking met de waarde van de instincten...Het christelijk zijn, het christelijke reduceren
tot het voor waar houden van van iets, tot een louter bewustzijnsfenomeen, dat betekent het
christelijke negeren. In feite zijn er nooit christenen geweest. Dat wat
al 2000 jaar christen heet is louter een psychologisch zichzelf misverstaan. Bij nader beschouwing zien we dat
in christenen -alle geloof ten spijt- uitsluitend de instincten
overheerst hebben. En wat voor instincten! Het geloof is door de eeuwen heen, bijvoorbeeld
bij Luther, slechts een dekmantel geweest, een voorwendsel, een gordijn waarachter de instincten hun vrij spel
speelden, een slimme vorm van blindheid ten aanzien van de heerschappij van bepaalde instincten. Men sprak altijd van geloof, maar men
handelde altijd vanuit het instinct. De enige stuwende kracht aan de wortel van het christendom is de instinctieve
haat jegens elke werkelijkheid. (de Antichrist, 39)
Het beste wat een
mens kan doen is zich onttrekken aan de massa. Nietzsche verafschuwt alle ideologieën met
kuddes: het christendom, het communisme en het nationalisme. Dit hoofdstuk is in de eerste
plaats een ontboezeming van de eenzame ervaring van Nietzsche's eigen leven. Honderdvijfentwintig jaar
later kunnen we erover nadenken of hij misschien toch nog aan het langste eind trekt: alle massa-ideologieën
sterven uit, vergaand individualisme is de weg voor ieder ontwikkeld mens. Voor hen die zich niet
wensen steeds verder te ontwikkelen blijft er een anonieme massa-ideologie over die men de maatschappij
van de Laatste Mens kan noemen. Een maatschappij die consumeren en zich amuseren als hoogste
levenswaarden uitroept. De Laatste
Mens heeft zelfs de voor dood verklaarde God weer opgewekt. Men laat Hem nu functioneren als
een nederige dienaar van de mens, vervuller van menselijke wensdromen die voor onszelf
te vermoeiend zijn om te bewerkstelligen, en leverancier van extasebelevenissen.
Bij het lezen van
de tekst van dit hoofdstuk voel ik me ongemakkelijk. Aan de ene kant sterk aangesproken door
de woorden die gericht
zijn aan 'mijn vriend' en het scheppen loven
-ik heb tenslotte geheel letterlijk het eenzame land van de bossen en rotsen opgezocht en heb
er leren scheppen-, maar
aan de andere kant voel ik
sterk dat ik het leven anders ervaar. De gedachte komt op of de tekst van dit hoofdstuk
wellicht uitgesproken is
door een gekwetst mens. Ik kom zelden of nooit vliegen tegen, meestal mensen die veel
beter waren dan je zou verwachten. Ongetwijfeld zou Nietzsche degene die zo'n opmerking maakt
vragen
of dit gezegd kan worden omdat men zelf volkomen 'reukloos' is, de gemakkelijkste weg verkiest
en vooral niemand in de
weg staat. En dat men zo'n opmerking
kan maken omdat men
wellicht nog nooit iets groots geschapen heeft en ook geen grootse visie heeft.
Dit weerwoord van Nietzsche maakt mij voorzichtig met oordelen en veroordelen.
Het lijkt me toe
dat het leven beide ervaringen moet bevatten
om iemand wijs te maken: de grootse visie, geboren uit onvrede en verachting voor het
ellendige menszijn, én de liefde, het zicht op de volmaaktheid van alles, de tevredenheid met
wat je hebt. De
Bovenmens kan niet bereikt worden door
eenzijdig het individualisme
tot het uiterste te beklemtonen; de verheffing van 'de massa' is een essentiële voorwaarde voor de komst
van de Bovenmens. Dit is een overtuiging die naar mijn mening diep geworteld zit bij de moderne mens,
en juist krachten die als antipolen van Nietzsche's denken beschouwd
kunnen worden, ons moderne mensen geleerd hebben.
Maar hoe groter men is, des te meer vliegen men om zich heen zal horen zoemen; en Nietzsche was als denker
één van de grootsten. Bij het lezen van hem moeten we dit in gedachten houden. De doorsnee mens is in
de regel zo doof,
zo verstrikt in sukkelen, het grauw en de alledaagse beslommeringen, dat het voor hem bijna
onmogelijk is om uitzonderlijke personen te verstaan, mensen die er
ver bovenuit steken, die iets volkomen anders zien, zich bewust zijn van het wezenlijke. De
mens die tot de kudde behoort, hoort dan slechts arrogant
lawaai; hij vangt niets waardevols op, want het grootse gaat hem volkomen te boven. Wellicht moeten we
ons niet beledigd voelen vanwege
de taal en stijl die hij gebruikt, maar ons juist gaan verbazen dat Nietzsche ondanks de
onverbeterlijke hardhorigheid van de mens ons, de overtolligen, de veel-te-velen, de vliegachtigen,
maar steeds blijft aanspreken.
Misschien moet het anders gezegd worden: wij zouden ons niet zozeer het harde oordeel van
Nietzsche over het gewone volk moeten aantrekken, en hem daarvan gaan beschuldigen, maar eens
een volkomen tegengestelde gedachte moeten overwegen: vanuit
het oogpunt van Nietzsche is het juist de doorsnee mens die het grootse veracht, die er totaal
niet om geeft en er totaal niets voor doet om met deze dingen bezig te zijn en zoiets te bereiken. Iedere
lezer van Nietzsche zou zich kunnen afvragen in hoeverre hij wat onszelf betreft gelijk heeft.
Nietzsche was een bijzonder hoog begaafd mens, en dit bracht hem geheel automatisch tot isolement.
Hij werd op 24-jarige leeftijd al hoogleraar aan de universiteit. Na er drie (!) maanden geweest
te zijn schreef hij aan zijn vriend Erwin Rohde (juli 1869):
Nu zit ik hier in Bazel en weet niet waarom ik [vanwege de vakantie] op reis zou gaan: ik vind immers toch nergens zo'n waarachtige, innerlijk heilzame en sterkende ontspanning. Met 'collega's' maak ik iets raars mee: ik voel me tussen hen zoals ik me voorheen tussen studenten voelde: over het geheel genomen zonder behoefte me nader met ze in te laten, maar ook zonder enige afgunst. Strikt genomen bespeur ik in me een tikkeltje verachting voor ze, dat echter heel goed te verenigen is met een heel hoffelijke en vriendelijke omgang. Mijn voorganger Kiesling was overigens, wat ik uit de verhalen kan opmaken, een heel ander mens, toegankelijk en sanguinisch, steeds op de been om een groep mensen bijeen te trommelen enz., terwijl ik niets van zulke gezamenlijke wandelingen van 6 tot 8 collega's moet hebben; ik wandel oneindig veel liever eenzaam en ongestoord, helemaal op mezelf. Gaandeweg raken de mensen er ook aan gewend me alleen te laten, niet zonder een gevoel van spijt - want ze denken dat ik me in Bazel niet op mijn gemak voel en me niet amuseer - die brave borsten.