Aldus sprak Zarathoestra




I.14    Van de vriend

Dit is wat de kluizenaar Zarathoestra over zichzelf leerde: Een kluizenaar is het extreme voorbeeld van iemand die voornamelijk bezig is met zichzelf, zelfs zozeer dat hij als het ware voortdurend twee personen in zichzelf opmerkt. "Ik en Mij zijn steeds te naarstig in gesprek", zodat de kluizenaar op den duur naar een vriend smacht. De vriend is dan eigenlijk om hem boven water te houden en hem niet in de diepte te doen verzinken. Zarathoestra concludeert dat ieders vriend in de regel een uiting is van een bepaalde behoefte in onszelf. Wij verlangen naar zijn hoogte. Net zoals onze liefde niet altijd schenkend is, maar bijvoorbeeld enkel in de kleuren van de jaloersheid (behoefte tot bezitten) tot uiting kan komen, en dan ons fragiel innerlijk verraadt.


Een hogere vorm van vriendschap is vriendschap die bereid is om oorlog te voeren voor de vriend, en zelfs een oorlog waarin de vriend de tegenstander is. "Jij moet hem met het hart het naast staan wanneer je hem weerstreeft". Hierin volgt Zarathoestra een ontwikkeling naar individualiteit die sinds de Reformatie in de westerse cultuur is beklemtoond: een mens mag zich niet onvoorwaardelijk aan iemand anders overgeven, maar staat in laatste instantie 'alleen voor God'. In Zarathoestra's gedachten 'slechts ten dienste van de Bovenmens'. In beide gevallen moet men bovenal het individuele geweten gehoorzamen. ook de vriend staat hieraan ondergeschikt.

Vriendschap is dus niet een op zichzelf staande waarde, bestaat in feite niet eens, maar is enkel een middel tot een doel, een middel tot 'het overwinnen van de mens' om op de Bovenmens te komen. Zarathoestra gooit de doorsnee gedachtengang om die wij aan vriendschap verbinden. Men is gewoon te denken dat men in vriendschap eerlijk moet zijn tegen elkaar, maar Zarathoestra zegt:


Denk je dat je vriend er blij mee is dat je jezelf aan hem geeft zoals je bent? Maar hij wenst jou daarvoor naar de duivel! Wie zichzelf niet verheelt, geeft aanstoot. Alleen wanneer je god was zou je je mogen schamen voor je kleren!


Zo komt hij in prachtige bewoordingen met de volgende leer:


Je kunt je voor jouw vriend niet fraai genoeg uitdossen: want je moet voor hem pijl en verlangen naar de Bovenmens wezen.


Want in werkelijkheid is de naaste niet 'een hoogte'; wanneer je je vriend zou zien slapen dan ziet hij er namelijk heel anders uit, net zo ruw en onvolmaakt als jijzelf. Omdat de mens iets is waar je van schrikt als je hem naakt ziet, en de mens dus overwonnen moet worden, moet je leren tegen je vriend te zwijgen, en moet je in je vriend juist niet alles willen zien. Je moet niet de naakte waarheid over je vriend willen hebben, en je moet van jezelf aan je vriend een ideaalbeeld laten zien. Jouw ingebeelde droom moet gestalte geven aan wat de vriend voor jou is, dwz jij maakt van hem of haar een 'pijl en verlangen naar de Bovenmens', en jouw uitdossen van jezelf in de mooiste kleuren maakt van jezelf een 'pijl en verlangen naar de Bovenmens' voor de vriend. Hier zien we weer hoe Zarathoestra verder borduurt op de oude religie: het is het voortzetten van de soort vriendschapsband die de christen altijd heeft gehad met Jezus. De evangelische christen die zingt 'Welk een vriend is onze Jezus' doet niet anders dan in zijn fantasie een ideaalbeeld te scheppen. Dit ideaalbeeld dat wij zo van onze denkbeeldige Jezus maken heeft geen enkele betrekking op de werkelijkheid, maar is een fantasie dat ons eigen leven dient; het spoort ons voortdurend aan er zelf zo uit te zien, anders gezegd, het idool is de projectie van ons eigen 'ik' dat in die kleuren gezien wil worden. Wat we de vriend dus in werkelijkheid willen aanbieden is het ideaalbeeld van onszelf, zodat het deze persoon aanspoort om er juist in diezelfde kleuren uit te zien. "Menigeen kan zich niet bevrijden van zijn eigen ketenen en toch is hij voor zijn vriend een verlosser".

Met medelijden moet je voorzichtig zijn. Eerst moet je weten of je vriend wel medelijden wenst. Misschien heeft hij in jou heel andere dingen lief, zoals "een ongebroken oog en de blik der eeuwigheid". Men dient voor een vriend zuivere lucht te zijn en eenzaamheid, brood en medicijn.


In de brieven van Nietzsche komen we nog meer prachtige gedachten tegen die Nietzsche had over vriendschap en het bovenstaande illustreren. Hier een greep daaruit:


Je hebt geen idee, beste vriend, hoezeer je laatste brief me ontroerd heeft en hoe duidelijk ik voelde dat we bij elkaar horen. Midden uit die pijnlijke voorbereiding op je examen, uit het gewoel van een wereldstad, klonk jouw stem voor me op, als die van een ernstig persoon, een mens die het beste en waardigste nastreeft, die op grote afstand van zijn leeftijds- en beroepsgenoten zijn eigen weg gaat, en die zich alleen thuis voelt in de uiterst kleine kring van uitverkorenen, terwijl hij zijn tijd doorbrengt met het overdenken van de meest wezenlijke levenszaken. Wees ervan overtuigd dat ook mij die geestelijke sferen waarin jij vertoeft altijd het naast aan mijn hart liggen, dat ik me beslist niet door mijn filologische beroep er van laat vervreemden, maar dat ik een brug probeer te bouwen die de innerlijke wens en het uiterlijke 'moeten' met elkaar verbindt. (Brief aan Carl von Gersdorff, 4 augustus 1869)


[Na opsomming van de namen van zijn vrienden] Dat is toch een imposante rij namen, zou ik zo denken, waarmee ik wel degelijk blij mag zijn, temeer omdat ik heel zuinig en economisch omspring met het predicaat 'vriend' en er helemaal niet op uit ben met wie ook maar nader kennis te maken. Zo'n lijst is in elk geval leerzaam, en menige beschouwing dringt zich als vanzelf op. Zo'n lijst van vrienden is als het ware een projektie van ons innerlijk naar buiten toe, een soort toonladder waarop alle tonen van onze eigen natuur tot uitdrukking komen. Het stemt tot nadenken. Ik maak er meteen uit op dat ik niet voor geluk en vrolijkheid ben geboren.
Het wonderlijkste is dat men zich nooit echt in staat voelt om zichzelf te beoordelen en dat men bij de poging daartoe net zo vreemd tegen zichzelf aankijkt, van zichzelf net zozeer een beeld bouwt, als wanneer men met een ander persoon bezig is. Daarom zijn uiterlijke maatstaven zo nuttig, zoals bijvoorbeeld de bovengenoemde lijst van vrienden. Feit blijft dat men ervoor terugschrikt of zich schaamt om er zelf de consequenties uit te trekken en dat liever aan anderen overlaat: zo laat ik het hier dus aan jou over, beste vriend, je gedachten over deze lijst te laten gaan en ze me bij gelegenheid mee te delen. (Brief aan Paul Deussen, 25 augustus 1869)


(Slotopmerking van een lange brief aan Carl von Gersdorff, waarin Nietzsche sterk van mening verschilt over het door zijn vriend aangehangen vegetarisme, 28 september 1869) Ach, had ik al deze woorden maar niet hoeven schrijven! Alle warme gevoelens die men niet in woorden kan omzetten, alle energie van het gevoel gaat helemaal verloren zodra het woord in inkt op papier staat. Maar toch geloof ik ook in de waarde van de brief. Of geef ik er teveel gewicht aan?


Nu wil ik je één ding op het hart binden. Denk eraan dat je op je terugreis [uit Rome] een tijd bij mij blijft logeren. Weet je, het kon wel eens voor lange tijd de laatste keer zijn. Ik mis je ontzettend, schenk me dus het plezier van je aanwezigheid en zorg ervoor dat deze niet van te korte duur is. Het is voor mij namelijk een nieuwe ervaring om helemaal niemand in de buurt te hebben aan wie men het beste en het zwaarste van het leven kan vertellen. Ik heb zelfs niet eens een werkelijk sympathieke vakgenoot. Mijn vriendschap krijgt onder zulke kluizenaarsachtige omstandigheden op zo'n jonge en moeilijke leeftijd werkelijk iets pathologisch. Ik smeek je dus zoals een zieke smeekt: 'Kom naar Bazel!'. (Eind januari 1870, aan Erwin Rohde)