Aldus sprak Zarathoestra




I.15    Van duizend-en-één-doel

In dit hoofdstuk worden alle vorige hoofdstukken opgesomd als strijd van de Leeuw, en worden Zarathoestra's volgelingen voorbereid op de gedaanteverwisseling tot Kind, het scheppen van het nieuwe (zie hoofdstuk I.1).

Iedereen is altijd en overal bezig met 'goed en kwaad'. Vroeger waren het volken die hun eigenschappen vastlegden (en aan iedereen die tot het volk behoorde oplegden); het was de basis voor hun bestaan. Tegenwoordig is het de individuele mens die de kleuren van zijn menszijn veelal zelf ontwerpt. De wereld wemelt dus van duizend-en-één-doelen. Zarathoestra heeft de gehele wereld doorkruist en ervan geleerd dat niets het menszijn zo karakteriseert als het bezig zijn met goed en kwaad. Kenmerkend voor wat 'men' goed beschouwt is dat het altijd zwaar is en als onmisbaar gezien wordt. De wereld wemelt van de kamelen die zich bezig houden met het dragen van zware zaken. Zwaar is lovenswaardig, onmisbaar nog beter, "en wat in de hoogste nood nog redding brengt, het zeldzaamste, het zwaarste, -dat prijst het heilig." Goed is ook altijd dat wat een volk doet schitteren, heersen en buurvolken tot afgunst opwekt. De maatstaf van het goede kan men zelfs aflezen uit de mate van afgunst van de buurvolkeren! Goed en kwaad zijn dus niet "als een stem uit de hemel op hen neergedaald", maar is de stem van de wil tot macht (waarover Nietzsche later veel meer te zeggen heeft). Het religieuze denkbeeld dat goed en kwaad door God geopenbaard zijn legt Nietzsche in de Antichrist (57) zo uit:


Op een zeker ogenblik in de ontwikkeling van een volk verklaart de bedachtzaamste bevolkingslaag, die dus het meest terug- en vooruitblikt, de ervaring volgens welke geleefd moet worden voor afgesloten. Haar doel is een zo overvloedig en compleet mogelijke oogst binnen te halen uit de periode van experiment en slechte ervaringen. Wat daarom vooral nu voorkomen moet worden is het doorgaan met experimenteren, het voortduren van de zwevende toestand der waarden, het in infinitum onderzoeken, kiezen, kritiek uitoefenen op de waarden. Hiertegen werpt men een dubbele wal op: ten eerste de openbaring, dwz de bewering dat de rede in die bewuste wetten niet van menselijke oorsprong is, niet geleidelijk aan en via talrijke misgrepen gezocht en gevonden is, maar van goddelijke oorsprong, volmaakt, zonder voorgeschiedenis, een geschenk, een wonder -iets wat gewoon is meegedeeld. En vervolgens de traditie, dwz de bewering dat de wet al sinds oeroude tijden bestaan zou hebben, dat het een gemis aan piëteit, een misdaad tegen de voorouders zou zijn hem in twijfel te trekken. De autoriteit van de wet krijgt haar fundament met de thesen: God heeft de wet gegeven, de voorouders hebben volgens die wet geleefd. Het doel van zo'n procedure is dat iemands eigen bewustzijn verdrongen wordt, en een volslagen automatisme van het instinct bereikt wordt. Dit noemt men meesterschap, volmaaktheid in de kunst van het leven. Om meesterschap te bereiken moet men dus onbewust gemaakt worden. Dit is het doel van elke heilige leugen.


Zarathoestra noemt vier volken met hun karakteristieken (allemaal uitingen van de Wil tot Macht): de Grieken ('Steeds moet jij de eerste zijn en alle anderen overtreffen', Homerus), de Perzen ('Waarheid spreken en goed met pijl en boog kunnen omgaan', genoemd door de geschiedschrijver Herodotus), de Joden ('Eert uw vader en uw moeder tot in de wortels van de ziel', de Bijbel) en de Romeinen ('Trouw betrachten en moedig zijn', Vergilius). Al dit goed en kwaad is door mensen zelf bedacht. De definitie van 'mens' zou zelfs kunnen zijn: bepaler van waarden. Waarden bepalen is scheppen, het behoort zelfs tot de hoogste invulling van scheppen. Zonder de bezigheid van het waarden-bepalen zou het bestaan hol en leeg zijn.

Iemand die waarden schept vernietigt ook altijd andere, tegengestelde waarden. Een schepper is dus ook altijd een vernietiger. In de schepper zien we daarom altijd een brandend vuur van liefde en toorn.

Zarathoestra geeft als conclusie:


Voorwaar, monsterlijk is de macht van dit loven en laken. Zegt mij, broeders, wie zal het monster bedwingen? Zegt mij, wie werpt dit beest de toom om de duizend nekken?
Duizend doelen waren er tot dusver, want er waren duizend volkeren. Alleen de toom om de duizend nekken ontbreekt nog, het ene doel ontbreekt. Nog heeft de mensheid geen doel.


Om tot het stadium van het Kind te komen moet men inzien dat het nu tijd wordt om volkeren, zelfs individueel denken, achter ons te laten en voor het eerst in de geschiedenis van de mens een doel te stellen dat voor de gehele mensheid geldig is: het streven naar de Bovenmens. Dit is noodzakelijk, omdat het achterwege laten van een doel voor de mensheid als geheel betekent dat we niet eens van 'mensheid' kunnen spreken, maar we in een monsterachtige wereld terechtkomen. Het streven naar de Bovenmens (de superieure toekomst) is ook noodzakelijk omdat wij waarden niet meer kunnen aanhangen met een beroep op het verleden (onze eigen tijd overstijgt veruit de 'grandeur' van het verleden) en op zogenaamde goddelijke openbaringen (die door de mand zijn gevallen). De moderne mens overziet alle tijden en alle volkeren, en staat dus in het leven met een veel zwaardere verantwoordelijkheid dan alle vorige generaties. De moderne mens wordt gedwongen te gaan zoeken naar mondiale waarden, naar het uitstippelen van de route voor de wereld van de toekomst. Dit is een formidabele taak, want tezelfdertijd wordt de moderne tijd gekenmerkt door het meest individualistische denken wat de mensheid ooit gekend heeft. Het eindresultaat zal dus zoiets moeten zijn als het uitroepen van pluralisme, relativisme en tolerantie van tegenstrijdige waarden als een basiswaarde die boven andere waarden staat. De wereld die op weg is naar de Bovenmens kent steeds minder in steen gebijtelde wetten, en zal inzien dat 'een zo'n overvloedig mogelijke oogst binnenhalen' identiek is aan het onophoudelijk nieuwe waarden scheppen, dus juist het omgekeerde van vroegere statische maatschappijen. Juist het stimuleren van "de zwevende toestand der waarden, het in infinitum onderzoeken, kiezen, kritiek uitoefenen op de waarden" levert de wereld van de Bovenmens op.