Aldus sprak Zarathoestra




I.16    Van de naastenliefde

In dit hoofdstuk houdt Nietzsche zich bezig met een kritiek op de naastenliefde. Het gaat dus spannend worden, want de naastenliefde is de kroon op het christelijk geloof. De oproep tot naastenliefde is zo sterk en spreekt de mens zo diep aan, dat we kunnen stellen dat dit wel het allerlaatste is waar de mens, of hij zich nu in of buiten het christelijk geloof bevindt, kritiek op zal hebben. Alle andere christelijke leringen kunnen overboord gegooid worden, de heiligheid van de Bijbel, de wonderen, de wereld van engelen en demonen, de wederkomst van Jezus, de verzoening via een bloedoffer, de persoonlijke God die aktief optreedt, helpt en luistert, de hoop op een leven na dit leven, het laatste oordeel...noem maar christelijke leringen en denkbeelden op en ze kunnen altijd wel verworpen worden door de mens die aan zijn godsdienst begint te sleutelen. Ze zíjn in de loop van de tijd dan ook allemaal door de meerderheid in de Europese maatschappij opgegeven. Maar de naastenliefde is het laatste dat overeind blijft van het christelijk geloof, zelfs nog honderden jaren nadat het christelijk geloof al door de mand is gevallen. De oproep tot naastenliefde is het enige wat een modern theoloog (neem als voorbeeld Kuitert) nog als reden blijft zien om zich toch Christen te blijven noemen.
Hoe haalt Nietzsche het in zijn hoofd om ook deze lering aan te vallen? Hoe zou het zelfs mogelijk zijn voor hem om in alle redelijkheid iets wat geheel aan de basis van ons leven staat naar de kroon te steken?


Jullie drommen samen rond je naaste en hebt er fraaie woorden voor. Maar ik zeg jullie: jullie naastenliefde is slechte eigenliefde.


Nietzsche's woorden zijn bewust in dezelfde vlammende en autoratieve stijl geschreven als de woorden van Jezus in de Bergrede: "Jullie hebben gehoord dat er geschreven staat..., maar Ik zeg jullie..." En precies als Jezus dringt hij door tot de kern van aloude regels en wetten: de naastenliefde is slechts een woord om erbarmelijk menszijn te verdoezelen; het heeft niet zozeer te maken met het goede zoeken in de naaste, maar met het vluchten voor zichzelf. Men is niet in staat zichzelf lief te hebben, men houdt het met zichzelf niet uit, men haat zich zelfs, men is bang voor zichzelf. Naastenliefde is niets anders dan het instinct van de primitieve mens, de mens die genot vindt in de kudde. Nietzsche geeft het denigrerende woord 'kudde' aan wat men liever als iets verhevens ziet: de gemeenschapszin. De gemeenschap overstijgt het individu, de mens als soort overstijgt de mens als individu. Feuerbach in zijn de Essentie van het christelijk geloof legde al veertig jaar tevoren uit dat religieus denken niets anders is dan het denken over de mens zelf. Theologie is de uitdrukking van wat de mens ziet als zijnde de natuur van zijn soort. God is alles wat de mens als de hoogste expressie van zijn soort ziet. Men wordt vervolgens gedwongen van dit begrip een werkelijkheid buiten zichzelf te maken, omdat men er voor terug deinst daadwerkelijk als individu te zijn zoals men zich ziet in de ideaalstaat. Nietzsche noemt het bangheid:


Dit spook dat voor je uitloopt, mijn broeder, is schoner dan jij; waarom geef je hem niet jouw vlees en botten? Maar je bent bang en rent naar je naaste.


Het is niet alleen bangheid om woorden en gedachten niet in daden om te zetten, maar op z'n minst evenveel gemakzucht. Hoeveel gemakkelijker is het voor de mens maar te geloven in Jezus, veel gemakkelijker dan om eensgelijk te zijn aan hem. In vroeger tijden werden mensen die de laatste lering verkondigden zelfs als ketter gedood, zozeer moest een mens ellendig en in zelfhaat gehouden worden. Men richt zich op naastenliefde om de naaste tot liefde voor zichzelf te verleiden. Het is gemakkelijk het verband te zien tussen naastenliefde en de christelijke nadruk op de prediking van 's mensen zondig zijn; het laatste resulteert in een voortdurende aankweek van zelfhaat en mondt logischerwijl uit in de behoefte om hiervan enigszins verlichting te krijgen, en daarvoor dient het begrip 'naastenliefde'.


Jullie vragen een getuige als jullie van jezelf goed willen spreken; en als jullie hem verleid hebben om goed van je te denken, denken jullie zelf goed van je.


Naastenliefde is dus een mooi woord om te vermommen dat het hier gaat om lamlendig menszijn, een mooi woord om maar zoveel mogelijk moeite en inspanning te vermijden. In naastenliefde gaat het dus eigenlijk om het dienen van onszelf, het najagen van ons eigen voordeel. Ons optreden is in werkelijkheid dus het bedriegen van de naaste, het hem naar onze pijpen te doen laten dansen.


Aanvallen van de traditionele leer lukt Nietzsche zoals we hier zien aardig, maar hoe zou hij (net als Jezus) ooit iets kunnen uitvinden dat groter is dan deze beproefde lering? Het antwoord van Nietzsche is ingenieus:


Mijn broeders, niet tot naastenliefde spoor ik jullie aan: ik spoor jullie aan tot versten-liefde. Het zijn de verderen die voor jullie liefde tot de naaste betalen.


Naastenliefde staat in nauw verband met medelijden, een begrip dat Nietzsche ook regelmatig aanklaagt als ondeugd. Zoals naastenliefde eigenlijk het in stand houden van ons erbarmelijk eigen menszijn is, het bedelen om maar geaccepteerd te worden, zo is medelijden ook iets dat erbarmelijk menszijn altoos in stand houdt. Medelijden is neerkijken op de naaste, hem een pleister aanbieden in plaats van beter te maken. Medelijden behoedt zich er vaak voor de ander vooral nooit voorbij te laten gaan. Nietzsche probeert telkens te laten zien dat wat traditioneel tot de grootste deugden behoord heeft, in werkelijkheid de mensheid eeuwig in dezelfde flauwe soep laat gaarkoken. Vandaar dat hij zegt dat de toekomstige mens onder deze 'deugden' juist te lijden heeft. In plaats daarvan zou de mens zich moeten richten op versten-liefde, dwz op de mens van de toekomst, de mens die er nu nog niet is. Zúlk een liefde zou pas daadwerkelijk naastenliefde zijn. Hij legt vervolgens uit dat dit inhoudt dat men beter verteerd kan worden door het gevoel het niet te kunnen uithouden met de naaste, je buren. De verachting van het huidige menszijn is de enige motor die ons aanzet de wereld tot een betere plaats te maken. Vandaar dat Zarathoestra de feesten van de mensen ook niet mag: teveel toneelspelers trof hij bij de feesten aan; want in werkelijkheid is er niet zoveel te feesten als men doet voorkomen. Naastenliefde is toneelspelen, medelijden is toneelspelen, feesten is toneelspelen: "jullie houden het met jezelf niet uit en nu willen jullie je naaste tot liefde verleiden en met zijn dwaling jezelf versieren". Ik noemde Nietzsche's alternatief daarnet ingenieus, maar strikt genomen is het heel eenvoudig de enige logische consequentie van het ideaal van de Bovenmens. Naastenliefde moet wel aangevallen worden om het toekomstige ideaal ooit te bereiken. Dit in te zien laat ook meteen zien dat er wel degelijk een vorm van naastenliefde overblijft, en dat is de Bovenmens in de vriend te zoeken en ook zélf te zijn als prikkel tot de Bovenmens. Om dit te bereiken zal men een vriend voor zichzelf moeten worden, dwz het hogere, schone en volmaakte daadwerkelijk gestalte moeten geven, zodat het hart gaat overstromen. Men zal moeten opgroeien tot iemand die in zichzelf 'een gerijpte wereld is, een schaal van het goede, een schepper die altijd een rijpe wereld te vergeven heeft'.


Moge voor jou de toekomst en het verste de oorzaak van jouw heden zijn: in jouw vriend moet je de Bovenmens als jouw oorzaak liefhebben.


Nietzsche komt hier uit op het bovenmenselijke ideaal van een totaal zelfgenoegzaam, geperfectioneerd, onafhankelijk mens, een wereld op zichzelf te zijn. Dit ideaal maakt de grond rijp voor het volgende hoofdstuk: de mens als schepper van waarden.


Het is alweer interessant te zien hoe Nietzsche in dit hoofdstuk heel dicht bij de kern van het christelijk geloof staat. Jezus is de mens die tot nu toe het meeste aan versten-liefde en zelfgenoegzaam leven heeft gedaan: zijn leven heeft 2000 jaar mensen geďnspireerd. Hij was iemand die volkomen met zichzelf in harmonie was, die zich vereenzelvigde met het spook dat voor hem uit liep en zo uitgroeit tot een autoriteit waarin Gods woord en zijn eigen woord synoniemen van elkaar zijn: "ik leer jullie te zijn als de vriend in wie de wereld gerijpt is, een schaal van het goede, de scheppende vriend die altijd een gerijpte wereld te vergeven heeft". Nietzsche verkondigt als het ware dezelfde leer die in de gnostiek van de eerste christelijke eeuwen ook verkondigd werd en tegenwoordig (als gevolg van het afsterven van de bovennatuurlijke wereld van vroeger en de invloed van het moderne denken van Nietzsche) opnieuw opbloeit. De leer die oproept zelf te worden tot een manifestatie van het goddelijke, te worden tot eenzelfde mens als Jezus was. Deze leer staat lijnrecht tegenover het traditionele christendom dat deze gnostiek altijd heeft geprobeerd uit te roeien, en de mens heeft willen kleinhouden en doen vertrouwen op passiviteit, het verkrijgen van zaligheid door middel van het aannemen van bijgeloof. Traditioneel geloof behoort tot het stadium van de mens als kuddedier. Tot de kudde behoren namelijk de herders, dwz machthebbers. De machthebbers dulden het opgroeien van de individuele mens niet en verzetten zich altijd tegen de opkomst van de mondige mens.