Aldus sprak Zarathoestra




I.17    Van de weg des scheppers

Deel 1 komt in dit hoofdstuk tot zijn eigenlijke conclusie: om tot volwassen mens op te groeien, om wegbereider voor de Bovenmens te worden, moet de mens de kudde, de manier van leven die tot de voorbije fase van het menszijn behoort, verlaten. De individuele mens moet tot een op zichzelf staande wereld worden, hij groeit uit tot een uit zichzelf voortbewegend rad, een eerste beweging, tot een schepper van waarden. Hij moet dus alleen durven te staan, alleen in het donker durven te lopen, alleen in de ijzige ledige ruimte. De boodschap spreekt wellicht aan vanwege het manmoedige, maar zich afscheiden van de kudde is een enorme klus, iets veel zwaarders dan alle beladers van kamelen, de godsdiensten met hun ontelbare eisen, ooit van de mens hebben verlangd. In de godsdiensten ging het tenslotte uiteindelijk om zalige rust, om redding, verlossing, het passief ontvangen, het slapen. Zarathoestra laat nu een ernstige waarschuwing horen voor hen die zich door hem aangesproken voelen:


Wil jij de eenzaamheid opzoeken? Wil jij de weg naar jezelf zoeken? Draal dan nog even en hoor mij eerst aan. 'Wie zoekt gaat licht zelf verloren. Alle vereenzaming is schuld', zo spreekt de kudde. En jij hebt lang tot de kudde behoord. De stem van de kudde zal ook in jou nog klinken. En wanneer je zegt: 'Ik heb niet meer met jullie samen één geweten', dan zal het een klacht en een kreet van smart zijn. Zie, deze smartekreet zelf werd nog door het ene geweten gebaard, en een laatste vonk van dit geweten gloeit nog op jouw droefenis.


Hoe raak zijn deze woorden! Hoezeer zal iedereen die ooit zijn oude godsdienst heeft opgegeven de smartekreet kennen en het spook dat hem blijft achtervolgen. Hoezeer zal hij de gezelligheid en geborgenheid van de groep gelijkgezinden missen. Hoe vaak zal hij te horen krijgen dat ze voor hem bidden, dat ze hopen dat je eindelijk weer ophoudt met je opstandig leven en je dwaasheid zal inzien. Hoe vaak zal hij zichzelf zien als de onwijze, de domme, degene die afgedwaald is. Georganiseerde godsdienst is het meesterwerk van geestelijke manipulatie. De manipulatie om mensen ervan te weerhouden om het christelijk geloof de rug toe te keren gaat op de volgende manier in zijn werk: Iemand die tot een fundamentalistische christelijke groepering behoort zal dag in dag uit, week in week uit, horen over hoe het denken van niet-christenen (ook wel: "de wereld") vervuild is, volkomen gericht op zelfbevrediging en egoïsme en zonde. Wanneer iemand zo zijn twijfels krijgt (om welke reden dan ook) en 'afglijdt' van 'het ware geloof', door zich bijvoorbeeld uit de groep weg te trekken, zullen de achterblijvers hem of haar 'uitleggen' door schaamte als wapen te gebruiken:
-hij/zij is in de ban van duivelse machten die hem/haar 'in de wereld' trekken.
-Hij/zij geeft zich over aan vleselijke lusten.
-Hij/zij heeft nooit serieus de keuze voor het goede gemaakt.
-Hij/zij is nooit echt een christen geweest. Het evangelie is nooit tot hem/haar doorgedrongen.
-Hij/zij is hoogmoedig, arrogant; heeft nooit nederigheid in zijn/haar leven geleerd.
-Deze persoon is meer geïnteresseerd in het leven in zonde dan in het goede.
-Deze persoon zoekt slechts zichzelf.
De bijbelverzen die erover spreken zijn zo mogelijk nóg sterker -en dus nog beledigender- (parels voor zwijnen gegooid/hond die terugkeert naar zijn overgeefsel/de buik als afgod enz).
Dit soort opmerkingen zijn door gelovigen zo vaak aangehoord, dat ze zelfs lang nadat ze uit de groepering zijn gestapt nog blijven werken als 'geheim wapen' in hun eigen innerlijk. Het immorele van godsdienstige afval wordt in de gelovige wereld constant aangedikt en uit de doeken gedaan, zodat men het ook voor zichzelf automatisch zo gaat aanvoelen. Men kán nooit afvallen omdat men de schaamte over zichzelf niet zou kunnen verdragen.

Zarathoestra gaat verder door te laten zien dat er nog veel meer aan eenzaamheid vastkleeft. Je moet bijvoorbeeld niet denken dat er louter in het je vrij vechten van het juk waaronder je hebt gezeten iets glansrijks schuilt. "Menigeen wierp zijn laatste waarde af toen hij zijn knechtschap afwierp". Het doet er helemaal niet toe waar je je van hebt bevrijd, het heeft nog weinig of niets te betekenen. Zarathoestra is slechts geïnteresseerd in het waartoe.


Kun jij jezelf een eigen goed en kwaad geven, en jouw wil boven je hangen als een wet? En kun je jezelf oordelen en wreker zijn van jouw wet? Gruwelijk is het alleen-zijn met de rechter en wreker van eigen wet.


De mens die tot een leeuw geworden is, is veelal een snoever, al gauw geheel opgaand in een overwinningsroes; hij is vol hoopvolle verwachting en overmoed, maar het ontgaat hem dat hij met het eigenlijke denkwerk nog niet eens begonnen is.


Maar eens zul jij de eenzaamheid beu worden, jouw trots zich buigen en jouw moed kraken. Schreeuwen zul jij eens: 'Ik ben alleen!' Schreeuwen zul jij eens: 'Alles is vals!'


Als eenzame waarden scheppen levert altijd een crisis op, omdat men geen autoriteit heeft ander dan zichzelf. De kudde zal alles afkeuren en je zult zelfs bang worden voor het verhevene in jezelf dat als een spook te keer gaat. Het gevoel eenzame te zijn kan een mens volledig wurgen, doen laten stikken. Welnu, zegt Zarathoestra, dan moet je op een gegeven moment die gevoelens eenvoudigweg volledig aan de kant zetten, maar bedenk je nu eens: ben jij tot het tegendeel van teerhartigheid wel in staat? Weet je bovendien wel wat verachting echt inhoudt? En degene die hierop meteen antwoordt het te weten spoort Zarathoestra onmiddellijk aan om dieper te denken:


En ken jij de kwelling van je gerechtigheid om recht te doen aan hen die jou verachten? Jij dwingt velen ertoe anders over jou te leren denken; dat rekenen ze jou zwaar aan. Jij kwam hen te na en ging hun toch voorbij: dat vergeven ze jou nooit. Jij gaat boven hen uit: maar hoe hoger je stijgt, des te kleiner ziet jou het oog der afgunst. Het diepst wordt hij gehaat die vliegt.


De eenzame hoogvlieger moet er niet alleen op rekenen gehaat te worden, maar het zelfs willen als zijn rechtmatig aandeel en er niet boos om worden! "Ongerechtigheid en vuil werpen zij naar de eenzame: maar als jij, mijn broeder, een ster wilt zijn, moet je hen er niet minder om beschijnen!"
Als het uit het voorgaande nog niet duidelijk genoeg werd, merkt Zarathoestra nog eens op dat hij het hier eigenlijk heeft over het zich afscheiden van de kudde christenen:


En hoed je voor de goeden en rechtvaardigen! Zij kruisigen graag hen die hun eigen deugd uitdenken, zij haten de eenzame. Hoed je ook voor de heilige onnozelheid [= vrome fundamentalisten]! Alles is voor haar onheilig wat niet onnozel is; zij speelt ook graag met het vuur van brandstapels.


Tenslotte laat Zarathoestra weten dat de eenzame zichzelf uiteindelijk als grootste vijand zal hebben. Hoe moeilijk is het om vat op zichzelf te krijgen! Het gewicht van de oude 'zelf' zal bijvoorbeeld altijd knagen aan de nieuwe 'zelf'. Een mens heeft niet eens een vast omschreven 'zelf', maar is voortdurend ongrijpbaar, ook voor zichzelf; een mens bevindt zich in een nooit stilstaande stroom, hij vernieuwt zichzelf zonder ophouden en is nooit af, hij bouwt zichzelf voortdurend op en breekt het oude voortdurend af. De weg van de eenzame zal "aan jouw zeven duivelen voorbijgaan". De 'zeven duivelen' is een zinspeling op de zeven doodzonden, te weten begeerte, toorn, afgunst, vraatzucht, trots, sexuele lust en luiheid. Zarathoestra bedoelt er mee te zeggen dat men door eindelijk eerlijk te worden, eindelijk oog in oog met zichzelf te gaan staan en zichzelf onder handen te nemen, een zelfkennis op zal doen die alle menselijke zwakheden geheel open en bloot zal leggen, terwijl men er geen absolutie meer voor zal kunnen krijgen, zoals in de godsdienst. Het resultaat zal zijn dat je jezelf de vreselijkste benamingen zal geven. Je zult jezelf ketter noemen, heks, waarzegger, nar en twijfelaar, onheilige en booswicht. In feite komt het erop neer dat je moet accepteren dat je jezelf uiteindelijk zult verbranden in je eigen vlam. "Hoe zou je ook nieuw willen worden, als je niet eerst tot as werd" is Zarathoestra's ogenschijnlijk lakonieke commentaar. "Zie maar uit die zeven duivelen een god te creëren!", een tweede vooreerst ijzige opmerking, waar deel 2, 3 en 4 nog uitgebreid op terug zal komen om het te illustreren en om te zoeken naar een mogelijkheid dit onmogelijke waar te maken. Uiteindelijk is het gehele boek Zarathoestra een oproep en illustratie om tot goddelijk menszijn op te klimmen. De 'kluwen slangen', de 'zeven duivelen' die de mens is, moet de mens met een zichzelf scheppend proces transformeren tot een god, uit zijn zelf-haat moet hij liefde voor zichzelf weten te destilleren, van je grootste vijand moet je je vriend zien te maken. Oftewel de Leeuw moet tot Kind transformeren.


De bewoording van het hoofdstuk 'Van de weg des Scheppers' is aangrijpend. Het is na de voorrede het hoogtepunt van deel 1. Elke regel kan men opnieuw en opnieuw lezen, en men proeft dan wat Nietzsche later over zijn Zarathoestra schreef: iedere emmer die je naar boven haalt is als puur goud.


Eenzame, jij gaat de weg van hem die liefheeft: jouzelf heb je lief en daarom veracht jij jezelf zoals alleen zij die liefhebben verachten.


Wat weet een mens van liefde indien hij niet weet dat hij juist verachten moet wat hij liefheeft, is de diepzinnigste gedachte van deel 1. "Ik heb de mensen lief", waren de eerste woorden van Zarathoestra toen hij de berg afging, en nu beginnen we het te begrijpen. Het streven naar de Bovenmens bevat de verachting van het huidige menszijn, de Laatste Mens; en omgekeerd: Liefde voor de Laatste Mens is verborgen in de verachting, ook in de zelf-verachting, want het is de enige weg naar de Bovenmens.


Zoek met mijn tranen je eenzaamheid op, mijn broeder. Hem heb ik lief die boven zichzelf uit wil scheppen en zo te gronde gaat.


Zarathoestra geeft hier een aanvulling op zijn voorrede met de zaligsprekingen. Beter gezegd, de zaligsprekingen uit de voorrede kunnen worden opgesomd door het 'boven zichzelf uit willen scheppen' te noemen, iets wat altijd begeleid wordt door de begrippen eenzaamheid en ondergang. Deze hoofdbegrippen in Zarathoestra's denken zullen via de uitleg in dit hoofdstuk nu eindelijk begrepen kunnen worden...totdat we de volgende delen van Zarathoestra gaan lezen en dan zien dat de helft ons nog niet was aangezegd.