Aldus sprak Zarathoestra




I.18    Van oude en jonge vrouwtjes

We zijn beland op het meest provocerende hoofdstuk van deel 1. Althans voor een moderne lezer zoals ik gaat de boodschap van dit hoofdstuk er niet gemakkelijk in. Nietzsche laat Zarathoestra het relaas vertellen van zijn ontmoeting met een oude vrouw die Zarathoestra's gedachten over de vrouw wel eens wil weten. Zarathoestra begint met een serie van bondige uitspraken die de vrouw, zo clichee-achtig als maar kan, kenschetsen:


Alles aan de vrouw is een raadsel, en alles aan de vrouw heeft één oplossing: en die heet zwangerschap. De man is voor de vrouw een middel: het doel is steeds het kind. Maar wat is de vrouw voor de man? Twee dingen wil de ware man: gevaar en spel. Daarom wil hij de vrouw als het gevaarlijkste speelgoed.


Aangezien in de moderne wereld 125 jaar ná Nietzsche nog steeds wel voorbeelden gevonden kunnen worden die als illustratie kunnen dienen van deze kijk op man en vrouw, kan men zich natuurlijk afvragen of er misschien toch enige blijvende waarheid schuilt in Nietzsche's woorden. Maar aan de andere kant is de maatschappij zozeer veranderd dat de uitspraken als flauwe opmerkingen toeschijnen. Ik woon zelf in Skandinavië, het deel van de wereld waar vrouwen het meest geëmancipeerd zijn, en denk dat de rest van de wereld uiteindelijk ook de weg van de Skandinaviërs zal volgen, vandaar dat ik met dit hoofdstuk zo'n moeite heb. In dit deel van de wereld is de positie van de vrouw al zo volkomen veranderd sinds de maatschappij waar Nietzsche in leefde, dat hier helemaal niemand zelfs meer over emancipatie zit te praten; dit stadium is allang achter de rug, men begint hier juist weer te zoeken naar een invulling voor het specifieke man- en vrouwzijn. Uiteindelijk wil de mens blijkbaar ook geen totale gelijkschakeling van de geslachten, maar een specifieke rol als man of als vrouw toebedeeld krijgen. En uiteindelijk blijft hét kenmerk van de vrouw de mogelijkheid om nageslacht voort te brengen en het verantwoordelijkheidsgevoel er voor te zorgen; dus wie weet komen we in de toekomst toch weer mooi uit op de uitspraak "Alles aan de vrouw heeft één oplossing: en die heet zwangerschap". Maar aan de andere kant is de wereld van de toekomst geheel anders dan alles wat de geschiedenis tevoren heeft laten zien, want voor het eerst in de geschiedenis kan het nageslacht ook kunstmatig worden voortgebracht, en dit zal slechts in toenemende mate gebeuren. Zo spreekt men op dit moment hier in Finland over de ethiek van mogelijke 'huurbaarmoeders', het recht van homoparen op kinderen enz. Het is dus nog maar de vraag of zelfs de ingebouwde natuurwet (vrouw zoekt man om eigen kind te krijgen) het menselijk denken van de toekomst zal bepalen.

Wat Zarathoestra's opvattingen over de man betreft, komen we ook al terecht in flauwe clichee's, alsof het oude Sparta de uitdrukking van de hoogste mensheid was:


De man moet worden opgevoed tot de krijg, en de vrouw tot verstrooiing van de krijgsman: al het andere is dwaasheid. Al te zoete vruchten -die lust de krijgsman niet. Daarom lust hij de vrouw; bitter is ook nog de zoetste vrouw. De vrouw begrijpt kinderen beter dan de man, maar de man is kinderlijker dan de vrouw. In de ware man schuilt een kind: dat wil spelen. Komaan, vrouwen, ontdekt toch het kind in de man!...Het geluk van de man heet: ik wil. Het geluk van de vrouw heet: hij wil.


De krijg is natuurlijk op te vatten als de oeroude waarheid dat de man op allerlei manieren aktief wil zijn, terwijl de vrouw de rol van passieve ontvangster en verzorgster heeft. Ach, het zal allemaal wel diep in ons menszijn verscholen zitten, maar waarlijk ontwikkeld menszijn, menszijn dat verwijst naar de Bovenmens, is dat de man er niet voor terugdeinst de rol en het innerlijk van de vrouw over te nemen, en omgekeerd, dat de vrouw in staat is de rol van de man te spelen en zijn innerlijk tot het hare maakt, dus het androgien zijn om het menszijn in zijn volheid te kunnen ervaren. Ik denk dat vele moderne mensen dit begrijpen, en vind het vreemd dat Nietzsche hier nog niet aan toekomt, zelfs niet ons ertoe aanspoort. Het komt gewoon niet in hem op. Dit laat wel mooi zien natuurlijk wat een kolossale veranderingen hebben plaatsgevonden in de westerse maatschappij in pakweg honderd jaar.
Nietzsche heeft wat de emancipatie van de vrouw betreft geen visie, maar is volledig gevangen in de knellende Victoriaanse maatschappij. Iets wat zijn denkbeelden goed uitlegt kwamen we al tegen in het hoofdstuk Van de Vriend (I.14), waarin hij schrijft:


Al te lang lag in de vrouw een slaaf en tiran verscholen. Daarom is de vrouw nog niet bekwaam tot vriendschap: zij kent enkel de liefde.


Hij vervolgt door ze te vergelijken met katten (dus als alternatieven poeslief of met gevaarlijke klauwen), vogels (dus nestenbouwers), op z'n best zijn het koeien (moeten we hier nu denken aan prima melkproducenten?).
Allemaal nogal zielige gedachten als je het mij vraagt. Hij komt zelfs niet tot het inzicht dat het de eeuwenlange dictatuur van de man is die verantwoordelijk is voor de karaktertrekken in de vrouw van zijn tijd die hem niet aanstaan. En Zarathoestra stapelt de beledigingen maar op: het geluk van de vrouw is uit liefde te gehoorzamen. Haar gemoed is oppervlakkig (niet diep maar stormachtig veranderlijk) en zij zoekt naar de diepte die de man belichaamt. De vrouw is helemaal weg van de diepzinnigheid van de man, maar ze begrijpt die eigenlijk nooit. En als klap op de vuurpijl laat Nietzsche de oude vrouw aan Zarathoestra ook nog een compliment geven: "Vreemd, Zarathoestra kent de vrouwen weinig, en toch heeft hij gelijk wat hen betreft!". Hij verzacht deze zelfingenomenheid door het oude vrouwtje erachteraan te laten zeggen: "Komt dit doordat bij de vrouw niets onmogelijk is?"; een ongelukkige uitspraak, want het komt erop neer dat uiteindelijk alles wat iemand over de vrouw zou zeggen wel voor sommige vrouwen opgaat, dus het hele hoofdstuk en alles wat over de vrouw gezegd is overbodig maakt. Tenslotte laat hij het oude vrouwtje (blijkbaar om te voorkomen dat iemand hem van deze overtuiging zou beschuldigen) de gevleugelde uitspraak die hem beroemd zou maken, zeggen: "Jij gaat naar de vrouwen? Vergeet de zweep dan niet!"


Iets wat belangrijk is bij het overdenken van dit hoofdstuk is dat Nietzsche maar één grote liefdesaffaire had, die dramatisch en traumatisch voor hem eindigde, een korte tijd voordat hij dit boek schreef. Al zijn uitspraken putten in de eerste plaats uit deze zeer persoonlijke ervaringen en doelen op deze ene vrouw: Lou Salomé. (Vandaar dat er in de titel van dit hoofdstuk ook over 'jonge vrouwtjes' gesproken wordt.) Lou Salomé was de mooie dochter van een Russische generaal uit Petersburg. Zij had (om maar wat te noemen) haar zomers doorgebracht in het Finse Karelië, een libertijnse scholing gehad van een Nederlandse dominee, en reisde als geëmancipeerde jonge vrouw door Zuid- en Midden-Europa. Nietzsche merkte haar begaafdheid op, maar hun kortstondige vriendschap droeg natuurlijk het stempel van wat men zou kunnen verwachten van een relatie tussen een man van 38 en een meisje van 21.

Het 'vergeet de zweep niet' moet trouwens beslist niet in alle ernst gelezen worden, alsof Nietzsche een patriarchale chauvinist was. Men moet het eerder zien als een tergende uitspraak van iemand die de vloer aanveegt met eerbiedwaardige overtuigingen die gemeengoed waren. Het is 'de kleine waarheid' die door het manvolk diep verborgen stiekem mee wordt gedragen. Nietzsche leed nog steeds aan de wond dat een verliefdheid hem helemaal ondersteboven haalde, een vrouw hem volledig bespeelde en na een tijdje dumpte. Zijn gevoelens dicteerden dat Lou een pak slaag verdiende. Het bewijs dat Nietzsche er een half jaar tevoren heel anders over dacht is de ludieke foto die Nietzsche van hem, Paul Ree (de andere aanbidder van Lou Salomé) en het jonge meisje liet maken. De twee heren worden daarop uitgebeeld als twee trekpaarden. De achtergrond wordt gevormd door de torenhoge Zwitserse bergen. De vrouw die op de kar zit heeft de teugels in haar hand, en een zweep! Zijn uitspraak kan dan ook gezien worden als een deels serieuze, deels guitige wraakneming die Nietzsche bewust schreef met in zijn hoofd dat Lou zijn boek eens zou lezen en dan meteen zou begrijpen waar deze opmerking op slaat. Wanneer men deze achtergrond begrijpt, begrijpt men ook het begin van dit hoofdstuk: de gedachte aan de zweep spookt in hem rond als 'een kleine waarheid', die als schat kan worden gezien (wees voorzichtig als je met de liefde speelt, bewapen je), maar ook als kind geboren werd, dwz de gedachte aan wraak die in een mens opwelt, wanneer het in een liefdesaffaire volledig foutloopt. Deze gedachten komen ongevraagd, men zou ze liever niet willen hebben. Daarom doet Zarathoestra zijn best om deze wraakgedachten de mond te snoeren en haar niet te luid laten schreeuwen.

Later krijgen we nog meer te horen over de symboliek van vrouw en zweep. In II.10 en II.12 wordt het Leven uitgebeeld als Vrouw. Zarathoestra doet zijn uiterste best om deze vrouw lief te hebben, maar heeft daarbij de zweep nodig (III.15), iets waar de vrouw hem voor berispt. Uiteindelijk bereikt het derde deel zijn climax in het grote verlangen van Zarathoestra naar het Leven als Eeuwigheid, een verlangen geboren uit extatische hartstocht, het doorgronden van het leven in zijn meest mystieke betekenis (III.16).


Als er in dit hoofdstuk mooie gedachten over de vrouw staan, dan zijn het de volgende:


De straal van een ster schittere in jullie liefde! Dat jullie blijde verwachting hete: 'Moge ik de Bovenmens baren!'

En dit zij jullie tot eer: altijd méér te beminnen dan jullie bemind worden, en nimmer de tweede te zijn.


Merk op hoe de eerste uitspraak bewust de beeldspraak van de ster gebruikt om ons aan het kerstverhaal te doen denken. Het motto voor de vrouw van de toekomst blijft dus nog steeds een Maria te mogen zijn, een Maria zonder connotaties van sexuele maagdelijkheid, maar als de Moeder van de Bovenmens. Dit geeft me de gedachte dat de eerdere uitspraak "want voor de vrouw is niets onmogelijk", die ik afkeurde, misschien ook bewust door Nietzsche gekozen is om ons te doen laten denken aan de uitspraak in het kerstverhaal. Wanneer de engel Gabriël aan Maria verschijnt en zij opmerkt dat maagd zijn en een kind krijgen niet goed samengaat, antwoordt de engel: 'want voor God is niets onmogelijk'. Aangezien Zarathoestra niet meer in deze God gelooft, schrijft hij de geboorte van de eerste Messias ook geheel aan de vrouw toe, dwz hij wil erop wijzen dat de vrouw het eerder zelfs klaargespeeld heeft een echtbreuk om te draaien tot godswonder!
Wat de tweede uitspraak betreft, het meest kenmerkende vrouwelijke, de overgave aan liefde, mag dan haar eer zijn, maar voor de man is die trek niet ongevaarlijk:


De man vreze de vrouw wanneer zij bemint: dan brengt zij elk offer, en elk ander ding acht zij zonder waarde.