Aldus sprak Zarathoestra




I.19    Van de Beet der Adder

Het hoofdstuk Van de Beet van de Adder heeft zijn parallel in Handelingen 28: 3-6: "Paulus sprokkelde een grote bos dor hout en legde die op het vuur, maar door de hitte kwam er een adder uit kruipen, die zich in zijn hand vastbeet. Toen de Maltezers het beest aan zijn hand zagen hangen, zeiden ze tegen elkaar: 'Die man is vast een moordenaar. Hij is aan de zee ontsnapt, maar Dikè wil niet dat hij blijft leven.' Paulus schudde de slang echter van zich af in het vuur en bleef volstrekt ongedeerd. De Maltezers verwachtten dat zijn hand zou opzwellen of dat hij plotseling dood zou neervallen. Maar toen ze na geruime tijd zagen dat hem nog steeds niets mankeerde, veranderden ze van mening en zeiden dat hij een god was."


Op dezelfde manier als deze 'boodschapper van de godmens', is Zarathoestra, de verkondiger van de Bovenmens, immuun voor slangen. Wanneer hij in zijn slaap door een adder gebeten wordt roept hij uit: "Sinds wanneer is een draak ooit dood gegaan aan het gif van een slang?" De draak staat hier voor de absolute zelfheerschappij die Zarathoestra bereikt heeft en de adder voor aanvallen op hem vanuit het oude christelijke denken. Zarathoestra staat zo ver boven de adder dat hij niet eens meer de behoefte voelt hem aan te vallen, maar het gif aan de adder terugschenkt, met de opmerking erbij: "Bedankt dat je me hebt wakker gemaakt. Het was juist tijd aan het worden op te staan. En hier, neem je gif terug, want je bent niet rijk genoeg om het mij te kunnen schenken", dwz jouw kracht berust geheel en al op gif, je hebt geen andere middelen meer om te kunnen overleven. Dat de adder hem ook nog gehoorzaamt laat zien dat Zarathoestra speelt met zijn vijanden.

Wanneer Zarathoestra's discipelen (voor het eerst wordt deze benaming gebezigd) hem vragen wat de lering is van zijn verhaal, legt hij uit dat zijn leer door de 'goeden en rechtvaardigen' (=christenen) verworpen wordt en men hem de 'vernietiger van de moraal' noemt. Zijn reaktie op de adder was een voorbeeld van hoe je hierop moet reageren. De oude christelijke leer leerde dat men kwaad met goed moet beantwoorden. Eén van de beroemdste leringen van Jezus is de aansporing de andere wang toe te keren wanneer iemand je op de ene wang slaat. Zarathoestra verwerpt deze manier van doen, omdat je zo van jezelf een heilige maakt, en het menszijn van de tegenpartij tot beschaming maakt. Het getuigt van meer respect voor de tegenstander wanneer men hem niet zo beledigt, maar de tegenstander laat zien dat zijn aanvallen werken als dienstbewijzen! Zonder dat hij het merkt zal hij ophouden een tegenstander van je te zijn, en zelfs het gevoel hebben dat zijn status gegroeid is. Zelfs boos worden op iemand is nog beter dan niks doen of slechts schande over iemand uitroepen.
Zarathoestra gaat dus regelrecht tegen de leer van het Nieuwe Testament in: "Zegent hen die u vervloeken, doe goed aan hen die u haten" (Matth. 6:44). Zarathoestra leert: "En vervloekt men u, dan zint het mij niet dat jullie daarna willen zegenen. Vloekt liever wat terug!" Op die manier blijf je de gelijke en vergroot je de haat niet. Hij probeert geen einde aan de vijandigheid te maken, maar stookt de zaak liever nog wat op door de vijand zelfs te bewapenen, of op een groot onrecht er zelf nog vijf kleine aan toe te voegen. Voor hem is het afzichtelijkste namelijk wanneer iemand slechts gelaten zucht onder onrecht.
Het waarom van dit handelen is duidelijk wanneer men tot het inzicht komt dat het niet bepaald een uitgemaakte zaak is wie gelijk heeft, wie 'goed' en wie 'kwaad' representeert. Zarathoestra stelt dat het nutteloos is te streven naar volmaakte rechtvaardigheid. Zoiets is ten ene male onmogelijk. "Wie ten volle rechtvaardig wil zijn, zal vanwege zijn menslievendheid ook nog de leugen aanwenden." Bovendien: "Hoe zou ik een ieder het zijne kúnnen geven?" Hij kiest liever voor dit motto: "Ik geef een ieder het mijne", dwz de kwaliteiten die tot de Bovenmens behoren, waartoe ook de onverbloemde waarheid behoort die een mens te horen zal krijgen wanneer hij trekken van de Laatste Mens laat zien. Zarathoestra is dus niet geïnteresseerd in vrede als een deugd op zich, maar laat alles ondergeschikt zijn aan het verre doel.

Zarathoestra's leer is opzienbarend en moeilijk te verteren, maar hij brengt een perspectief dat te gemakkelijk onder het vloerkleed is geveegd in eeuwenlange christelijke prediking: er huist een verborgen egoïsme en arrogantie in zogenaamde heiligen en 'nederigen van geest'. Ze zijn één en al verachting, één en al zekerheid van hun gelijk en hun superieure goedheid, zozeer zelfs dat je niet eens hun boosheid waardig bent. De prediking goed te doen als reactie op kwaad klinkt verheven en diepzinnig, maar kweekt automatisch arrogantie, zonder dat men er erg in heeft mondt ze uit in een geest die geniet van het zich boven de andere verheven voelen. Zarathoestra is de eerste die het gif in de alomgeroemde leer van vergeving opmerkt. 'Ik vergeef jou' is de beste manier om vijandschap te laten groeien, want het getuigt ervan dat je je eigen waarde hebt opgeblazen en voor de waarde van de ander totaal geen oog hebt! Zarathoestra geeft niets om al die vrome uitspraken. Voor hem is het zelfs een uitgemaakte zaak dat Jezus op deze manier zelf zijn eigen dood uitgelokt heeft. En de christelijke geschiedenis ziet hij als een lang verhaal met als thema verholen egoïsme, altijd beter-weten en zelfingenomenheid. Laat men een manier vinden om daadwerkelijk een eind te maken aan vijandschap.


Het is nobeler zichzelf te beschuldigen dan zichzelf als volkomen onschuldige te beschouwen, vooral wanneer men onschuldig is. Alleen moet men daar rijk genoeg voor zijn.


Een sublieme uitspraak. Wanneer je lijdt, loop niet te jammeren, anderen te beschuldigen en te beleren, maar ruim je eigen rommel op. Je bent er zelf verantwoordelijk voor. Erken het en als gevolg zul je anderen in hun waarde laten; bovendien zal je eigenwaarde toenemen: slechts een innerlijk rijk persoon is tot zo'n reactie in staat.


Het hoofdstuk eindigt door een onderscheid te maken tussen het beledigen van een kudde en het onrecht aandoen aan een kluizenaar. De kudde vergeet snel en trekt het zich ook niet zo aan, maar een aanval op een kluizenaar kan fataal zijn, want zijn vergelding kent geen grenzen. De kluizenaar is het beeld van de persoon die een geheel persoonlijke overtuiging heeft, iemand die er jarenlang over gedaan heeft om zijn positie te bepalen en er dus alle redenen toe heeft te staan waar hij staat. Zo iemand te beledigen of onrecht aan te doen is hem tot in het diepst van zijn persoon te raken. Hij zal dit nooit vergeten en een oorlog op leven en dood met je aangaan. Zarathoestra adviseert aan zo'n geestelijke krachtmeting pas te beginnen als men heel zeker is van de overwinning, dwz hij zal jouw ondergang worden indien je hem niet finaal verslaat. Een hieraan verwante uitspraak, maar met als onderwerp 'lasteraars', werd gezegd door de in de Franse Revolutie gestorven aforismenschrijver Chamfort (door Nietzsche genoemd in De Vrolijke Wetenschap): "Laster is als een lastige wesp waar je alleen naar dient te slaan als je er zeker van bent dat je hem doodt. Anders valt hij je opnieuw aan, agressiever dan ooit."