Een uitleg van Aldus sprak Zarathoestra




I.2    Van de kansels der deugd

Dit tweede hoofdstuk van deel 1 wijkt af van de andere redevoeringen omdat Zarathoestra hier niet aan het woord is, maar een geleerde, een wijze. Zarathoestra maakt net als de twaalf-jarige Jezus (Lukas 2:39-52) een episode mee dat hij aan de voeten van een wijze zit. Het woord 'kansels' doet aan kerk denken, maar het oorspronkelijke woord is 'leerstoel'. We kunnen dus ook aan docenten denken. Het gaat om iemand die hoog staat aangeschreven in de maatschappij. Een wijs persoon die jongeren wijsheid onderricht. In Nietzsches tijd liepen de kerkelijke en wereldlijke wijsheid keurig hand in hand. De wijsheid wordt dus verkondigd via zo ongeveer alle spreekbuizen en op bijna alle plaatsen, het zijn allemaal leringen die de grondpijlers vormen voor de maatschappij van kuddedieren waarin Zarathoestra nu optreedt. Tot aan de verschijning van Zarathoestra zijn alle wijzen altijd met dezelfde kenmerkende lering voor de dag gekomen: het doel van wijsheid is een mens zielsrust schenken. Men staat ten diepste negatief tegenover het leven. Het bestaan wordt beschouwd als vijandig, onberekenbaar, vreemd, en beangstigend. Niet geboren worden is het allerbeste, maar de slaap het op één na beste alternatief. De leringen kunnen we terugvinden in de christelijke godsdienst, het hindoeïsme en boeddhisme, en ook het oude griekse denken (bijv. stoïcijnen): de hoogste staat van geluk is apatheia, absolute kalmte, het uitschakelen van alle passies. Een mens ziet men als van nature spartelend, tegenstribbelend, vreemde capriolen makend, zinloos van hot naar her lopend, de verkeerde weg oplopend. Het is allemaal lijden, en het beste medicijn dat hiertegen is uitgevonden is slaap, beter nog: een slaap zonder dromen, dwz het zoveel mogelijk tot rust brengen van deze dolende, vragende en willende geest, het vermijden van actie, risico's en al te grote inspanningen, het je stipt houden aan regels, het lopen op vertrouwde paden, en vooral het op geloof aannemen van geruststellende leringen. De godsdienst werkt keurig volgens deze regels. De godsdienst predikt eerst het leven als lijden en de zondigheid van de mens, en dat er niets aan te veranderen valt (erfzonde). Daarna komt zij uit op de beroemde uitspraak van Augustinus: "De ziel doolt rusteloos rond totdat zij rust vindt in God". Neem het geloof slechts aan, (in de eerste plaats het geloof, dwz je hoeft er niets voor te doen, het doen staat op de tweede plaats) en je wordt behouden. In het kort kan men de leer van alle eeuwen omschrijven door te stellen dat alles draait om het verkrijgen van rust, geborgenheid, veiligheid. In de praktijk kan dit bereikt worden door de regels uit je hoofd te leren en er heel precies naar te leven.


Nietzsche laat nu een zeer sarcastische tekst volgen, waarin kostelijk geïllustreerd wordt hoe het in zijn werk gaat.


Geen geringe kunst is het slapen: daartoe is heel de dag waken van node.


Alle mensen hebben weet van de tien geboden, en 'de wijsheid van de eeuwen' borduurt hier gemakkelijk op verder. "Tienmaal moet je overdag jezelf overwinnen, en tienmaal moet je je met jezelf verzoenen". Let op hoe de wijze met de tweede leer leert hoe je de eerste niet al te serieus moet nemen. "Tien waarheden moet je overdag vinden, tienmaal moet je lachen overdag en vrolijk zijn". Alweer laat de tweede waarheid zien dat je het met de eerste waarheid niet zo nauw hoeft te nemen.


Weinigen weten dit: men moet echter alle deugden bezitten om goed te kunnen slapen. Zal ik valse getuigenis spreken? Zal ik echtbreken? Zal ik mijn naasten dienstmaagd begeren? Dit alles zou zich slecht verdragen met de goede slaap.


Hier leert de wijze dat een wijs mens niet zomaar klakkeloos de tien geboden naleeft, maar zijn deugd ontwikkelt door het overpeinzen van de mogelijkheid ertegenin te gaan. Men zal dan opmerken dat het niet de moeite loont, aangezien het de slaap zal verstoren. Op die manier houdt men zich wijselijk aan de tien geboden. (In werkelijkheid was dit 'overdenken' slechts schijn).
De wijze laat hier nog een overkoepelende wijsheid op volgen (een wijsheid die duizenden jaren van geschiedenis ons zo overduidelijk leert):


Zelfs al bezit men alle deugden, dan nog moet men van één ding verstand hebben: hoe men zelf de deugden op het juiste moment naar bed stuurt.


Op alle manieren onderwijst de wijsheid van de maatschappij het ontwijken van botsingen, het zoveel mogelijk vermijden van pijn en moeite, van problemen en lastige situaties. Sluit als het even kan ook nog vrede met de duivel van je naaste, anders heb je kans dat hij 's nachts bij jou komt spoken! En eer vooral de overheid (Romeinen 13:7), ook de kromme overheid (1 Petrus 2:18). Er is nu eenmaal niets aan te doen dat macht altijd gepaard gaat met buitensporigheden en corruptie. Christelijk geloof is de perfecte leer voor iedere machthebber, omdat het de slaap van onderdanen bevordert: de leer roept op tot onderwerping, boete doen, aanvaarding van het lijden, zelfverloochening, zelfs de vijand liefhebben, het als normaal te beschouwen niets van het aardse leven te mogen verwachten, maar in plaats daarvan je te richten op het hiernamaals. Het bevat niets dat daadwerkelijk gevaarlijk is voor de machthebbers, en geeft ze als het ware een vrijbrief voor elk beestachtig optreden. Hoogstens wordt er gemopperd, vooral indien de leider niet voor materiële zegeningen kan zorgen. De beste leider is hij die zijn schapen het malste gras voorschotelt (Psalm 23) (en dus niets eist: "Komt allen tot Mij, die vermoeid en belast zijt, Mijn juk is zacht en Mijn last is licht", Matth. 11: 28-30). Ontwijk veel eerbetoon en vergaar geen al te grote schatten (daar komen maar problemen van), maar blijf slechts onbesproken (Fil. 2: 14, 15; 1 Tim. 2:3), en zorg voor een kleine schat.


Graag ook mag ik de armen van geest: ze bevorderen de slaap. Zalig zijn dezen, vooral als men hen altijd gelijk geeft.


"Zalig zijn de armen van geest" is een ongelukkige uitspraak van Jezus die men vroeger in Mattheüs 5:3 kon vinden, maar die de nieuwe bijbelvertalers inmiddels verbeterd hebben.

Zo verloopt de dag in voorspoed, en wanneer dan eindelijk de nacht aanbreekt dan moet men de slaap niet forceren, maar slechts genoeglijk de deugden van de dag nog eens nagaan (een psalm spreekt over het overdenken van Gods wet in de nacht). Wat waren nog maar de tien zelfoverwinningen, de tien verzoeningen, de tien waarheden, de tien lachbuien? Tot de oude wijsheid heeft altijd het eindeloos herhalen van rituelen en handelingen gehoord, opdat in de mens een automatisme optreedt en hij als mak lammetje en gedresseerd door het leven gaat. En ja hoor, gesteund door 40 gedachten worden de oogleden al gauw zwaar.


Zarathoestra hoort de preek aan en moet goed lachen:


Een nar vind ik deze man met zijn veertig gedachten, maar verstand van slapen heeft hij! Voorwaar, had het leven geen zin en moest ik onzin kiezen, dan zou ook mij dit de verkieslijkste onzin wezen. Nu begrijp ik duidelijk wat men eens bovenal zocht wanneer men leraren der deugd zocht. Goede slaap en daarbij deugden die werken als opiumbloemen".


Nietzsche spreekt hier dezelfde wijsheid uit als Karl Marx: godsdienst is opium van het volk. Oude wijsheid leert altijd aanvaarding van de toestand, onderwerping aan machten, verdoving van het lichaam, en wegen van ontsnapping via geruststelling van de geest.
De leer van de wijze is de leer die de Laatste Mens opkweekt, de mens die passiviteit en middelmatigheid tot hoogste ontwikkeling uitroept, en bevat dus alles wat tegengesteld is aan de leer van Zarathoestra. Dat Nietzsche in de eerste plaats de prediking van het christelijk geloof op het oog heeft blijkt uit de laatste zin, een zin gemaakt op het patroon en als aanvulling van de zaligsprekingen in Mattheüs 5:


Zalig zijn de slaperigen: want weldra zullen zij indutten.


In de afgestoken preek komt de lering van de wijze als komisch over, maar in werkelijkheid is deze leer bijna onverslaanbaar: "Een toverkracht huist zelfs in zijn kansel." Velen hebben de theologie van het christendom de rug toegekeerd, maar vertonen nog steeds het gedweeë karakter dat het kweekt. Zarathoestra laat dan ook weten dat hij het de jongeren die er naar luisteren niet kwalijk neemt. Hoe zouden zij al zo wijs kunnen zijn om te zien wat Zarathoestra ziet: de werkelijke leer die deze zogenaamde leer van wijsheid onderwijst is dat het leven geen zin heeft. Slechts weinige christenen zien ooit de eigenlijke boodschap van hun godsdienst in. Slechts weinigen kunnen zich onttrekken aan de leer van de zalige slaap.