Een uitleg van Aldus sprak Zarathoestra




I.20    Van kind en huwelijk

Voordat Zarathoestra afscheid neemt behandelt hij in twee hoofdstukken nog geboorte en dood. De lering is dat deze fundamentele gebeurtenissen in het leven een onderdeel dienen te zijn van het streven naar het hogere. Zo vraagt Zarathoestra in dit hoofdstuk aan degene die wil trouwen of hij het huwelijk wel waard is: "Ben jij een mens die een kind mag wensen?". Hij vraagt of men zijn instincten beheerst of er als een dier door beheerst wordt. Het huwelijk mag geen middel zijn om zijn eigen eenzaamheid kwijt te raken, of zijn eigen gebreken aan te vullen. Het gaat ook niet slechts om voortplanting, maar om het scheppen van het hogere: "een hoger lichaam moet jij scheppen." Het huwelijk is dus niet maar een privézaak, maar moet gezien worden als iets dat de mensheid en de toekomst dient.

Huwelijk ziet hij als "de wil om getweeën het ene te scheppen dat meer is dan wie het schiepen". Zarathoestra ziet veel huwelijken om zich heen die het woord niet waard zijn. Hij ziet niets in de leer dat een huwelijk voor het leven is en "in de hemel" gesloten wordt. Hij noemt mensen die hun mislukte huwelijken in stand houden vanwege de eis van de godsdienst "in het hemelse net verstrikte dieren". "Verre blijve mij de god die aan komt hinken om te zegenen wat hij niet heeft samengevoegd!" Dwz indien de praktijk uitmaakt dat het huwelijk niet werkt, laat men niet God laten opdraven om het huwelijk te laten voortzetten.


Zarathoestra gebiedt niet te lachen om huwelijken die op een circus lijken. Laat men dit in gedachten houden: "Welk kind had geen redenen om over zijn ouders te wenen?"


Veel korte dwaasheden -dat heet bij jullie 'liefde', en jullie huwelijk maakt aan veel korte dwaasheden een eind en maakt er één lange domheid van.
Jullie liefde voor de vrouw en de liefde van de vrouw voor de man: ach, ware zij toch een medelijden met lijdende en verhulde goden!


In bovenstaande zinsneden komt zowel de wetmatige praktijk van het leven -het ondergaan- naar voren, als de zich ver in het niet-bestaande ideale verschiet slingerende wens. Het woordje 'ach' laat zien dat Zarathoestra in de ideale relatie niet gelooft, maar begrip, inzicht, wijsheid, "eerbied voor elkaar" in de omgang met elkaar als goddelijke kenmerken beschouwt. Het woordje medelijden bekroont deze gedachtengang over menselijke liefdesrelaties: elders verwerpt Zarathoestra altijd het begrijp 'medelijden', maar op dit moeilijkste gebied helpt niets anders meer en heeft men het beslist nodig: "Bitterheid is er in de kelk van ook de beste liefde.".
Hoe zou hij ook over huwelijk kunnen onderrichten, het boven jezelf uit liefhebben, indien men de eerste basisregel van het leven nog niet eens begrijpt: Leert eerst liefhebben.
Maar als conclusie over het bittere en onmogelijke op het gebied van liefderelaties komt hij met de gedachte dat deze onvolmaaktheid in ieders huwelijk, dit fact of life, de mens het verlangen naar de Bovenmens geeft. Bitterheid schenkt ons dorst naar beter, het wekt het verlangen op naar de schepper van het hogere. Indien men -ondanks de wellicht minder flatterende praktijk van zijn huwelijk- zulk een grote dorst en wil in zichzelf ervaart, noemt Zarathoestra zo'n huwelijk heilig.