Aldus sprak Zarathoestra




I.21    Van de zelfgekozen dood

Dit hoofdstuk laat goed zien dat Nietzsche zijn tijd meer dan honderd jaar vooruit was. Pas de laatste jaren begint men de wijsheid van de leer te zien dat de kroon op een autonoom, individueel leven dat tevens gericht is op de toekomst en op het hogere, het recht op zelfbeschikking over eigen dood is. De dood is pas overwonnen en de mens pas vrij, wanneer men niet meer voor de dood buigt, en daar maar eindeloos op moet wachten, maar het besluit om het tijdstip van eigen dood zelf bepaalt. De dood moet men zelfs zien als "een volbrengende triomf", het afscheid nemen als een feestelijke gelegenheid "die voor de levenden tot prikkel en gelofte wordt." De nabestaanden kunnen aan het doodsbed van hun voorouder de eed afleggen hun leven in dienst van de Bovenmens te zullen stellen, een volgend onderdeel te zijn in het koord over de afgrond naar de toekomst. Op deze manier wordt zelfs de dood van iemand nog een onderdeel van het streven naar de Bovenmens. Zarathoestra laat weten dat hijzelf ook zo wil sterven.
De leer van Zarathoestra -"sterf te rechter tijd"- is volkomen nieuw, en moet 120 jaar geleden tesamen met de uitspraak dat God dood is als de meest schokkerende lering aangevoeld zijn.


Zarathoestra spreekt de leer dan ook uit voor zijn volgelingen. Voor de massa heeft hij deze woorden: "Natuurlijk, wie nimmer leeft op de juiste tijd, hoe zou hij ooit op de juiste tijd sterven? Was hij maar nooit geboren! -Zulke raad geef ik de overtolligen." (De 'overtolligen' zijn de mensen die het leven minachten en hun hoop vestigen op het hiernamaals).


Wanneer deze laatste lering afgeleverd is, is het eigenlijke werk van Zarathoestra gedaan. "Voorwaar, een doel had Zarathoestra, hij wierp zijn bal: nu zijn jullie, o vrienden, de erfgenamen van mijn doel, jullie werp ik de gouden bal toe." Hoewel Zarathoestra's taak volbracht is zegt hij nog wat langer te willen leven: "Het allerliefst, vrienden, zie ik jullie de gouden bal werpen! En dus verwijl ik nog een weinig op aarde: vergeeft het mij!"
Zoals men weet moest Nietzsche het volkomen tegendeel ondergaan van wat hij hoopte en wilde: vrijwel niemand kocht zijn boeken in de resterende 6 jaar van zijn aktieve leven, en tien jaar lang werd zijn lichaam na zijn geestelijk instorten nog uitgerekt. Nietzsche's eigen wil "Laat jullie sterven geen belastering zijn van mens en aarde", had voor zijn naasten geen enkel gewicht in vergelijking tot de wil van de godsdienstdraak die het rekken van elk leven tot het uiterste eist.
De woorden: "Vergeeft het mij!" zijn overigens zeer veelzeggend. Zarathoestra is van begin tot eind een mens zoals wij, en wil niet gezien worden als unieke hemelse boodschapper, goddelijk voorbeeld, of zelfs 'meester', zoals alle godsdiensten die kennen.