Aldus sprak Zarathoestra




I.22    Van de schenkende deugd

De mens is zieker, onzekerder, veranderlijker, onbepaalder dan welk ander dier ook, dat lijdt geen twijfel; hij is het zieke dier. Hoe dat komt? Hij heeft meer gewaagd, vernieuwd, getrotseerd, uitgedaagd dan alle andere dieren tesamen...Zal een dergelijk moedig, hoogstaand dier niet tegelijkertijd het meest bedreigde, het langst en meest zieke onder alle zieke dieren zijn?


Nietzsche maakt onderscheid tussen twee soorten van lijdenden: zij die lijden aan overvloed van leven, en zij die lijden aan verarming van het leven. Dus aan de ene kant zij die zich met overmoed verkwisten en ondergaan aan het leven en anderzijds zij die bang zijn voor het leven en zich opsluiten. Altijd loopt het uit op pijn en lijden. Het je tot in het oneindige vergroten -innerlijke expansie-, in de poging het alles te omvatten loopt uit op relativeren van alles, uitmondend in het verliezen van absolute waarheid; maar jezelf steeds kleiner maken, het kleine wereldje waarin je leeft dogmatisch uit te roepen tot de absolute waarheid -dus innerlijke beknotting van de geest- is evenzeer een om zeep helpen van de waarheid. Het leven is in beide gevallen een tragedie, maar het staat aan ons om er een grootse tragedie van te maken. Zelfverlossing van de vrije geest luidt een nieuw tijdperk in. Zelfverlossing is jezelf gezond maken, jezelf tot bouwsteen te maken van een 'hogere geschiedenis'. Het is jezelf eerst vrijmaken van oude, gevestigde waarden en metafysisch waandenken -negatieve vrijheid- maar jezelf daarna juist weer grenzen geven, dwz aan de beheersing en het sturen van jezelf werken, en aan de opbouw van positieve vrijheid beginnen. De sleutel hiertoe is "de schenkende deugd". Ons verlangen naar God is niets anders dan het verlangen naar 'de grote gezondheid'. Gezondheid is daar waar het leven zo wordt beleefd:


Ik zag als eerste de eigenlijke tegenstelling: enerzijds het decadente instinct, een gemoed dat zich met onderaards wraakgevoel voortdurend tegen het leven keert (-het christelijk geloof, het denken van Schopenhauer en zelfs het platonisme, al het denken gebaseerd op idealisme), en anderzijds de hoogste vorm van het omarmen van het leven, denken dat geboren is uit verzadigdheid, uit overstelpende volheid, uit grenzeloos ja-zeggen tegen het leven - ook tegen lijden, ook tegen schuldgevoelens, ook tegen alles in het bestaan wat gemengde gevoelens geeft of het leven tegenspreekt. Dit laatste, het blijde, uitbundige ja-zeggen tegen het leven, is niet slechts de hoogste invulling van het leven, maar ook het diepzinnigste inzicht, de diepste waarheid en het diepste weten. Niets van wat bestaat moet men weglaten, niets is nutteloos en overbodig - alle zaken in het bestaan die christenen en andere nihilisten onderdrukken staan oneindig veel hoger op de ladder van waarden dan die zaken die het decadente gemoed kan goedkeuren, die hij uitroept tot goed. Om dit zo te kunnen zeggen heeft men moed nodig, en deze moed zal men niet kunnen vinden zonder te beschikken over een overdosis aan kracht. Het is zelfs zo dat men kan stellen dat de mate van waarheid die men vindt afhankelijk is van de mate waarin men over moed en durf beschikt verder te denken. Kennis en ja-zeggen tegen het leven behoren net zo onafscheidelijk tot de sterke als bangheid en vlucht uit de werkelijkheid tot de zwakke. De zwakke mens beschikt niet over de vrijheid te weten; hij leeft van 'idealen', hij heeft behoefte aan de leugen, de leugen is de basis van zijn bestaan. De mens die niet slechts beseft wat 'dionysisch' betekent, maar er ook weet van heeft zelf 'dionysisch' te zijn, heeft er geen behoefte aan het platonisme of het christelijk geloof of Schopenhauer te ontzenuwen - hij ruikt al op grote afstand de verrotte stank....Dionysisch is het ja-zeggen tegen het leven in de meest vreemde en barre omstandigheden; de wil tot leven die de hoogste uitingen van zijn soort vrolijk opoffert met de gedachte dat zij onuitputtelijk is. Ik noem dit de brug tot de psychologie van de tragische dichter. Het ondergaan en de vernietiging erkennen is van beslissende betekenis in dionysische filosofie, het ja-zeggen tegen tegenstrijdigheden en oorlog, het proces van tot stand komen, zelfs het 'zijn' geheel verwerpen... (Ecce Homo)


Uit deze kijk op het leven ontstaat de Schenkende Deugd. Zarathoestra somt in deze woorden de kern van zijn eigen persoon op en van de persoon die hem begrijpt. Hij benoemt nu zijn hoogste deugd, hij legt uit waarvan hij tevoren zei dat het eigenlijk niet uit te leggen valt (in hoofdstuk I.5). De gezonde mens heeft niets gemeen met katten en wolven: hij hunkert ernaar de schenkende deugd te zijn, dwz zelf geschenk en offer te worden ter ere van het bestaan. De gezonde mens wil zijn innerlijk verzadigen met rijkdommen van de ziel. Hij wil alles tot zich laten komen, en aan hem onderwerpen, maar hij doet dit opdat het weer uit hem zal stromen als geschenk, als gave van de liefde. Dus een soort zelfzucht dat tůch heel en heilig genoemd kan worden, een gezonde zelfzucht. Ontaarding, decadentie, is daar waar de schenkende deugd ontbreekt, de zelfzucht die 'alles voor mij' in gedachten heeft, niet het verlangen in zich bergt opwaarts te klimmen van de soort naar de Bovensoort. De gezonde mens legt zijn wil als zijn stempel op het bestaan, maar zijn wil is als de wil van een minnaar; hij is weldoener en liefhebber van het leven. Deze deugd houdt altijd in het aangename en het zachte bed te verachten en nooit je bed naast het bed van wekelingen neer te leggen. Deugd is de heersende gedachte van iemand, een gedachte altijd geboren uit intelligentie: schenkende deugd is als een gouden zon waaromheen de slang der kennis ligt.


We zijn gekomen tot aan het laatste hoofdstuk van deel 1. Het hoofdstuk is uitermate belangrijk omdat het zo sterk laat zien dat Nietzsche's heersende gedachte geheel anders is dan de woorden "vertrouwen op zichzelf", "liefde voor zichzelf", "zelfverbetering", "individuele autonomie" enz. die zo voor de hand liggen. Zijn doelen liggen veel hoger, het doel is het individu zo boven zichzelf uit te laten groeien dat hij geheel boven gevoelens van het kleine ego, de gekrenkte eerzucht en niet-vervulde zelfzucht gaat staan.


Zarathoestra zegt de stad vaarwel en neemt afscheid van zijn discipelen. Hij zegt alleen verder te willen gaan, omdat hij een vriend van het alleen-gaan is. Zarathoestra krijgt van zijn discipelen een geschenk, een wandelstok met een gouden zon als handvat, waaromheen een slang kronkelt. Alweer vinden we de parallel in de bijbel: wanneer de IsraŽlieten in de woestijn weer eens mopperen verschijnen er opeens giftige slangen als straf. Nadat ze berouw tonen krijgt Mozes van God de opdracht een bronzen slang te maken en die op een spiets te binden. Het bronzen voorwerp dat natuurlijk blonk in het zonlicht, gaf de mensen die door slangen gebeten waren genezing (Numeri 21). Later gebruikt Jezus dit verhaal als beeld voor zijn optreden: "De Mensenzoon moet hoog verheven worden, zoals Mozes in de woestijn de slang omhooggeheven heeft, opdat iedereen die gelooft in hem eeuwig leven heeft" (Joh. 3:14, 15). Zarathoestra's stok lijkt op de staf van Asklepius, het symbool van de geneeskunst. Hij leert dat ieder mens de zon en de slang zelf moet zijn, hij roept iedereen op omhooggeheven te worden, zich op te offeren voor het hogere. Zarathoestra behoudt dus de hoogste ethische boodschap van de bijbel, maar verwerpt al het metafysische, de waan van de bijgelovige mens van het verleden.


De uitvoerige afscheidsrede van Zarathoestra heeft zijn parallel in de lange afscheidsrede van Jezus tot zijn discipelen in het Johannesevangelie (Joh. 13:31 tot het einde van hoofdstuk 17). In beide redevoeringen staat precies dezelfde thematiek -het zich opofferen en de liefde- centraal. Zelfs frases kan men vergelijken:

Jezus: "Laat hen allen ťťn zijn, Vader." (Joh. 17:21).
Zarathoestra: "Wanneer jullie welwillenden van ťťn enkele wil zijn..."

Jezus: "Aan jullie liefde voor elkaar zal iedereen zien dat jullie mijn leerlingen zijn." (Joh. 13: 35)
Zarathoestra: "Laat dit de beste hulp van de zieke zijn, dat hij met eigen ogen aanschouwt alwie zichzelf heelt."

-'Waarom kan ik u niet volgen, Heer? Ik wil mijn leven voor u geven!', zei Petrus. Maar Jezus zei: 'Jij je leven voor mij geven? Voorwaar, ik verzeker je: nog voor de haan kraait zul jij mij driemaal verloochenen." (Joh. 13: 37,38)
Zarathoestra: "Jullie zeggen dat jullie aan Zarathoestra geloven? Maar wat doet Zarathoestra ertoe! Jullie zijn mijn gelovigen? Maar wat doen alle gelovigen ertoe! Jullie hadden jezelf nog niet gezocht: toen vonden jullie mij. Zo doen alle gelovigen; daarom heeft alle geloof zo weinig om het lijf."

Let op het tegengestelde van de nieuwe leer:
Jezus: "Ik ben de weg, de waarheid en het leven. Niemand kan bij de Vader komen dan door mij." (Joh. 14: 6)
Zarathoestra: "Ik gebied jullie mij te verliezen en jezelf te vinden. Gaat van mij weg en stelt je tegen Zarathoestra teweer! Beter nog: schaamt je voor hem! Misschien heeft hij jullie wel bedrogen. Men vergeldt een leraar slecht als men altijd slechts de leerling blijft. Waarom willen jullie niet eerder plukken aan mijn krans?"

Jezus: "Dan zal ik de Vader vragen jullie een andere pleitbezorger te geven, die altijd bij je zal zijn: de Geest van de waarheid."
Zarathoestra: "Honderdvoudig tot dusver vervloog en tastte mis zowel geest als deugd. Ach, nog altijd woont in ons lichaam al deze waan en al dit mistasten: lichaam en wil zijn ze geworden."

Zarathoestra's redevoering bereikt zijn climax in de woorden:


Hier zweeg Zarathoestra een moment en zag zijn discipelen vol liefde aan. Toen vervolgde hij zijn rede aldus -en zijn stem klonk anders nu:
Blijft de aarde, mijn broeders, met de macht van jullie deugd trouw! Laat jullie schenkende liefde en jullie kennis de zin der aarde dienen! Zo smeek en bezweer ik jullie. Laat haar niet van de aarde wegvliegen en met de vleugels tegen eeuwige wanden slaan! Ach, altijd al was er zo veel vervlogen deugd! Voert, zoals ik, de vervlogen deugd terug naar de aarde -ja, terug naar lichaam en leven: opdat zij de aarde haar zin zal geven, een mensen-zin! Honderdvoudig tot dusver vervloog en tastte mis zowel geest als deugd. Ach, nog altijd woont in ons lichaam al deze waan en al dit mistasten: lichaam en wil zijn ze geworden. Honderdvoudig tot dusver poogde en verdoolde zowel geest als deugd. Ja, een poging was de mens. Ach, veel onwetendheid en dwaling is lichaam geworden aan ons! Niet alleen het verstand van millennia -ook hun waanzin breekt in ons los. Het is gevaarlijk erfgenaam te zijn.
Nog strijden wij stap voor stap met de reus Toeval, en over heel de mensheid heerste tot dusver nog de onzin, de zonder-zin. Laat jullie geest en deugd de zin der aarde dienen, en laat de waarde van alle dingen opnieuw door jullie worden vastgesteld! Daarom moeten jullie strijders zijn! Daarom moeten jullie scheppers zijn!


Deze woorden geven het hele streven van Zarathoestra in een notendop weer.
a) Resolute afwijzing van alle metafysische waan, waar de mensheid vanouds in ondergedompeld is.
b) Oproep tot vurig zoeken naar een nieuwe aardse inhoud van ons bestaan. De hoogste deugd is het in dienst staan van de mensheid, het wedijveren om een wereld van de toekomst gestalte te geven die de tegenwoordige veruit overstijgt. Het leven in de tegenwoordige wereld is slechts waardevol voorzover het als gave aan de wereld van de toekomst gegeven wordt.
"Laat jullie schenkende liefde en jullie kennis de zin der aarde dienen!" is Nietzsche's vijfde evangelie.


De rede eindigt met bemoedigende woorden die weer sterk aan de bijbel doen denken:


O eenzamen van heden, o uittredenden, eens zullen jullie een volk zijn: aan jullie, die jezelf hebt uitverkoren, zal een uitverkoren volk ontspruiten, en aan dit volk de Bovenmens.
Voorwaar, een oord van genezing zal de aarde ooit worden! En reeds hangt een nieuwe geur om haar, een heilbrengende geur, en een nieuwe hoop!


De taal doet denken aan 1 Petrus 2:9, 10: "Maar u bent een uitverkoren geslacht, een koninkrijk van priesters, een heilige natie, een volk dat God zich verworven heeft om de grote daden te verkondigen van hem die u uit de duisternis heeft geroepen naar zijn wonderbaarlijk licht. Eens was u geen volk, nu bent u Gods volk." En ook aan Titus 2: 11, 13: "Gods genade is openbaar geworden tot redding van alle mensen...in afwachting van het geluk waarop wij hopen: de verschijning van de majesteit van de grote God en van onze redder Jezus Christus."


Het eerste boek eindigt met verscheidene sleutelwoorden die de inhoud van het vervolg zullen worden: de reus Toeval waar wij 'stap voor stap nog mee strijden' wordt hier tussen neus en lippen genoemd, en krijgt later zijn volle aandacht. Een enigmatische zin: "Wanneer jullie mij allemaal hebben verloochend wil ik naar jullie terugkeren" (vergelijk het evangelieverhaal), en tenslotte een verwijzing naar 'de Grote Middag', hier uitgelegd als de periode "wanneer de mens midden in zijn baan tussen dier en Bovenmens staat en zijn gang naar de avond als zijn hoogste hoop viert, de gang naar een nieuwe morgen". Zarathoestra zal dan nog eenmaal terugkomen om met de mens de grote middag te vieren (vergelijk de wederkomst van Christus en zijn duizendjarig rijk).


Het eerste deel eindigt met de voorspelling van de toekomst:


'Dood zijn alle goden: nu willen wij dat de Bovenmens zal leven' -dit zij eens in de grote middag onze laatste wil.-
Aldus sprak Zarathoestra.


Nietzsche probeert in zijn autobiografie zijn filosofie nog zoveel mogelijk te verduidelijken:


Heeft men mij begrepen? Ik heb alles al vijf jaar geleden gezegd door de mond van Zarathoestra. Het doorzien van de christelijke moraal is een gebeurtenis die zijn weerga niet heeft, een catastrofe. Hij die de ontmanteling van het christelijk geloof uitvoert is een force majeure, een instrument van het lot: hij snijdt de menselijke geschiedenis in tweeŽn: de mensheid vůůr hem en nŠ hem. De bliksem van de waarheid sloeg daar in waar de hoogste waarden waren; degene die begrijpt wat hier kapot ging doet er goed aan te kijken of er Łberhaupt ook maar iets overeind blijft. Alles wat tot nu toe voor 'waar' gehouden werd is nu ontmaskerd als schadelijk, vals en een onderaardse leugen. De heilige schijn de wereld 'te genezen' is ontmaskerd als een middel om het leven leeg te zuigen. De moraal is ontmaskerd als een vampier. Hij die de moraal ontmaskert, ontmaskert ook al de waarden die aan de basis van die moraal liggen, waaraan men gelooft of die geloofd worden. Hij ziet in de meest gerespecteerde, in de tot de heiligsten uitgeroepen mensentypen ook niets respectabels meer, maar slechts noodlottige misgeboorten, noodlottig omdat we erdoor in de ban geraakten. Het begrip 'God' is altijd het equivalent geweest van het tegendeel van het leven, van alles wat schadelijk is, vergiftig, van wat vijandig staat tegenover het leven. Alles samengebonden tot verpletterende eenheid. Het begrip 'hiernamaals', 'de ware wereld' werd uitgevonden om de enige bestaande wereld zijn waarde te ontnemen, uitgevonden opdat onze aardse werkelijkheid zijn zin verliezen zou, ons verstand teniet zou worden gedaan, ons handelen nutteloos zou zijn. De begrippen 'ziel', 'geest' en tenslotte 'onsterfelijke ziel' uitgevonden om het lichaam te kunnen verachten, het ziek te maken. De metafysica is er de oorzaak van geweest dat men alle vragen aangaande voedsel, wonen, geestelijk voedsel, medische behandeling en hygiŽne beantwoordde met de meest ongelooflijke luchthartigheid. In plaats van aan gezondheid schonk men slechts aandacht aan 'verlossing van de ziel', oftewel creŽerde men geestelijk manisch-depressiviteit, een aaneenrijgen van aanvallen van berouw en boetedoening afgewisseld met hysterische buien van zich verlost voelen. Het begrip 'zonde' werd verzonnen, tesamen met haar onafscheidelijke metgezel, het foltermiddel 'vrije wil', opdat de menselijke natuur altijd in schaamte rond zou lopen, en opdat men van onnatuurlijkheid een tweede natuur zou maken. 'Onbaatzuchtigheid' en 'zelfverloochening' waren synoniem voor decadentie, vermoeidheid, men werd verleid, men was krachteloos zijn eigen voordeel na te streven, zichzelf in de goot trappen werd beloond, zoiets was onze 'verantwoordelijkheid', 'heilig' en 'goddelijk'. Tenslotte -en dit is het ergste- werd het begrip 'goed' mens synoniem voor alles wat zwak was, ziek, onnatuurlijk, lijdend aan zichzelf, synoniem voor alles wat men juist moet vermijden. Het ideaal werd gemaakt van alles wat het tegendeel was van de trotse, krachtige, ja-zeggende en moedig de toekomst inkijkende mens. Deze laatstgenoemden noemt men tegenwoordig slecht! En dit alles werd verkondigd in de naam van de moraal. Wat een schande!
Heeft men mij begrepen? Het is de keus tussen Dionysos en de gekruisigde. (Slot van Ecce Homo)




Albert Vollbehr, november 2005