Een uitleg van Aldus sprak Zarathoestra




I.3    Van de hiernamaalsgangers

Eens wierp ook Zarathoestra, als alle hiernamaalsgangers, zijn waan aan gene zijde van de mens. Het werk van een lijdende en geplaagde god scheen mij de wereld toe. Een droom scheen mij de wereld toe, en verdichtsel van een god; kleurige rook voor de ogen van een goddelijk ontevredene...De blik afwenden van zichzelf wilde de schepper -en hij schiep de wereld. Dronken lust is het voor de lijdende om de blik af te wenden van zijn lijden en zich te verliezen.


Zarathoestra laat hier weten eens ook religieus te zijn geweest. Als kind werd hij door vriendjes zelfs 'de kleine dominee' genoemd! Nietzsche schreef bijvoorbeeld al op dertien-jarige leeftijd een verhandeling over het christelijk geloof. Lees hier hoe voortreffelijk hij al vr zijn 14e verjaardag de christelijke waarheid uit de doeken kon doen:


God heeft ons muziek geschonken opdat we erdoor opgebouwd kunnen worden...de belangrijkste functie van muziek is dat het onze gedachten tot hogere dingen kan aanzetten, dat het ons sticht, zelfs ons aangrijpt. Dit is vooral het doel van kerkmuziek...Wie voelt bij het horen van de eenvoudige melodien van Haydn niet hoe rustige, heldere vrede al sluipend beslag op hem legt? Muziek kan ons vaak dieper beroeren dan pozie in woord...Maar als muziek slechts gebruikt wordt als genot of om indruk te maken, is het zondig en schadelijk. Jammergenoeg bevat veel, zo niet bijna alle moderne muziek kenmerken hiervan...Vooral de zogenaamde muziek-van-de-toekomst van Liszt en Berlioz blinken in deze buitensporigheden uit.


Een jaar later (februari 1859) schreef hij een 'biografie' aan zijn vriend Wilhelm Pinder, waarin de volgende woorden staan over zijn eerste aankomst op het gerenommeerde gymnasium Pforta, waar Nietzsche zijn tienertijd zou doorbrengen:


Toen ik Pforta zag opdoemen, meende ik er meer een gevangenis dan een alma mater in te herkennen. Ik reed door de poort. Mijn hart stroomde over van heilige gevoelens, ik werd in stil gebed tot God opgeheven en een diepe rust kwam over mijn gemoed. Ja Heer, wil mijn binnenkomen zegenen en mij lijfelijk en geestelijk behoeden, ook in deze broedplaats van de Heilige Geest. Wil mij Uw engel zenden, dat hij me in triomf door de aanvechtingen leidt die ik tegemoet ga, en laat mij dit oord tot ware zegen strekken, voor eeuwige tijden. Leen mij Uw hand, Heer! Amen. -


Zarathoestra's godgeloof was dankzij het lezen van diverse filosofische boeken al gauw problematisch. Epicurus bijvoorbeeld had al duizenden jaren geleden een uitspraak die alle toekomende eeuwen zou doorstaan, omdat hij door niemand te pareren was. De uitspraak heeft sindsdien tot de lijfspreuken van iedere scepticus en athest uit alle tijden behoord:


Indien er een God bestaat dan houdt de aanwezigheid van het kwaad automatisch in dat hij ofwel niet volmaakt goed is ofwel niet volmaakt almachtig, ofwel onwetend.


Het christelijk geloof heeft deze kritiek altijd geprobeerd op te lossen door de Satan op te laten treden en de mens vrije wil te geven. Maar men hoeft geen diepe denker te zijn om in te zien dat beide oplossingen niet erg bevredigend zijn, want God is tenslotte de oorsprong van zowel Satan als mens. Het samengaan van religiositeit en intelligentie resulteerde bij Nietzsche op een gegeven moment in een ingenieuze inval: De wereld is het produkt van een God die lijdt aan zichzelf en verstrooiing en genezing nodig heeft! De wereld is het produkt van God in een dronken bui. De wereld is een produkt van God die zijn volmaaktheid beu was. In Ecce Homo schrijft hij nog een variant van deze gedachte:


Theologisch gesproken -lees het goed, want ik spreek zelden als een theoloog- was het God zelf die, nadat hij alles geschapen had, zich in de vorm van een slang neerstreek onder de boom van de kennis: het was zijn manier om zich te herstellen van het godzijn... Hij had alles t mooi gemaakt...de duivel is slechts de verveling van God op de zevende dag.


Tegenwoordig zou hij gezegd kunnen hebben: de wereld is de Hollywoodfilm die God wilde zien om de vermoeiende eentonigheid van het perfekte goddelijke bestaan te kunnen verdragen, of: de Hollywoodfilm die God op zondag als vertrooiing nodig had om zich van de vermoeiende saaie perfektie van alle scheppingsdagen te herstellen. Op het weblog Strangeworld kan men een fantasievolle variant lezen op dit gedachtenspel.

Dat Nietzsche ook als jong volwassene nog zeer ernst maakte met het geloof kan men in het volgende fragment uit een brief lezen, die hij op 21-jarige leeftijd schreef aan zijn moeder en zuster (5 november 1865):


Vatten jullie het werkelijk zo licht op, dat hele tegenstrijdige bestaan van ons, waaraan niets duidelijk is behalve dat het onduidelijk is? Het lijkt wel alsof jullie je er met een grap van afmaken...Er zijn slechts twee wegen, lieve familie. Ofwel men doet zijn best zichzelf zo klein mogelijk te maken en zich zo weinig mogelijk in te spannen, zijn geestelijk vlammetje zo klein mogelijk te laten flikkeren, in welk geval men zich dan richt op rijkdom en de geneugten van deze wereld; of men realiseert zich dat het leven verdorven is, men realiseert zich dat hoe meer we ervan willen genieten, des te meer we slaven van het leven worden; in dat geval geeft men de geneugten op, beoefent men onthouding, is men sober en matig tegenover zichzelf en vrijgevig tegenover anderen - en wel omdat we medelijden voelen met de deelgenoten van de ellende- om kort te zijn, men moet leven volgens de strenge eisen van het vroege christendom en niet volgens de tegenwoordige zoetsappige, verdunde vorm ervan. Christelijk geloof is niet iets wat en passant er ook even bijhoort, of omdat het nu eenmaal in de mode is.


De reactie van Nietzsche's moeder op allerlei filosofische vraagtekens die Nietzsche zette, is typerend voor het vrome christendom. Het is precies de manier waarop men het beste olie op de frustratie van intelligente mensen kan gooien. Langs deze weg zijn dan ook miljoenen mensen van hun christelijk geloof afgevallen:


Geef je hart toch over aan de ware en liefdevolle God en Heer, en alle wereldse wijsheden die je misschien uit dikke boeken haalt zullen tot vuilnis worden.


Het volgende gedeelte uit een brief die hij op 21-jarige leeftijd schreef (7 april 1866, nadat hij kennis had gemaakt met Schopenhauer) geeft een goed beeld van allerlei nieuwe gedachten en ook ernstige bedenkingen aangaande het christelijk geloof die hij had gekregen:


Gisteren dreigde er een imposant onweer. Het onweer kwam onder storm en hagel tot uitbarsting. Ik raakte in een bijzonder soort extase en het was me opeens duidelijk dat we de natuur pas dan echt begrijpen wanneer we bij haar onze zorgen en bekommernissen willen ontvluchten. Wat ging mij de mens en zijn rusteloze willen aan! Wat had het eeuwige 'gij zult' en 'gij zult niet' nog te betekenen! Hoe anders waren daarmee vergeleken de bliksem, de storm, de hagel, vrije machten, zonder ethiek. Hoe gelukkig zijn ze, hoe krachtig, wat een zuivere wil, zo zonder de vertroebelingen van het intellect!
Daartegenover heb ik vaak genoeg ervaren hoe troebel het intellect bij mensen is. Onlangs nog sprak ik met iemand die binnenkort als missionaris uitgezonden wil worden -naar Indi. Ik probeerde hem uit te horen; hij had niet n Indisch boek gelezen, kende de Upanishads zelfs niet van naam en was van plan zich niet in te laten met de brahmanen -omdat ze te doorkneed waren in de filosofie! Heilige Ganges!
Vandaag hoorde ik een geestrijke preek van Wenkel [dominee te Naumburg] over het christendom, 'het geloof dat de wereld overwonnen heeft'; het getuigde van een onverdraaglijke hoogmoed jegens alle andere volkeren die toevallig niet christelijk zijn, maar aan de andere kant ook van een grote slinksheid...Betekent christendom 'het geloof in een historische gebeurtenis of een historische figuur' dan heb ik met dit christendom niets te maken. Betekent het kort en bondig 'behoefte aan verlossing' dan kan ik er alleen maar respect voor hebben.


Uiteindelijk werd het Nietzsche duidelijk, hij kwam tot dezelfde conclusie als Feuerbach vr hem:


Zo wierp ook ik eens mijn waan aan gene zijde van de mens, als alle hiernamaalsgangers. Werkelijk aan gene zijde van de mens?
Ach, broeders, deze god die ik schiep, was 's mensen werk en waanzin, als alle goden!


God is niet slechts mensenwerk, maar bovendien nog waanzin, dwz komt voort uit het innerlijk ziek zijn van de mens, uit zijn talloze innerlijke kwellingen. Zarathoestra zegt opgemerkt te hebben dat zijn menszijn slechts as was, dwz het stempel droeg van lijden, moeite, mislukken en verdriet, en dat daaruit het spook God groeide. Het is opvallend hoe aan alle traditionele godsbeelden niet alleen menselijkheid kleeft, maar vooral ook primitieve mensheid: God eist bloed, straft of beloont zijn eigen schepselen, heeft vijanden, is boos, jaloers, dan weer liefdevol en zegenend, is af en toe een oorlogsgod en op andere momenten weer God des vredes, heeft vrienden en gunstelingen, berouwt zich af en toe, maakt zich af en toe bijzonder kwaad, doet beloftes voor de toekomst enz enz. Hij verandert nooit, en hij verandert voortdurend, zijn beloftes komen altijd uit, en komen nooit uit. Hij verhoort gebeden en is stokdoof. Hij ziet alles en bekommert zich over niets. God is alles wat de mens is, maar dan vooral het menszijn waar we niet echt trots op kunnen wezen: "de tegenspraak en warboel van het Ik".


Wat gebeurde er met mij? Ik overwon mijzelf, de lijdende, ik droeg mijn eigen as bergop, een helderder vlam dacht ik uit. En zie! Toen week het spook van mij!


Zarathoestra geeft hier, net als in het hoofdstuk hiervoor, het inzicht van een psycholoog die doorgedrongen is tot de verborgen werkelijkheid achter de schijn: men schept zich een god en klampt zich eraan vast vanwege lijden, vanwege het niet opgewassen zijn tegen het aardse bestaan, vanwege menselijk onvermogen, vanwege de diepe, maar onuitgesproken overtuiging dat het leven zinloos is. Maar wanneer men eenmaal inziet dat alle godsbeelden het equivalent zijn van menselijke waanideen en ziekte, is er maar n gezonde oplossing: zichzelf opkrikken, zichzelf af te helpen van de allesdoordringende gedachte dat het leven lijden is, door op te groeien, door zichzelf hard aan te pakken, door zichzelf te overwinnen, door volwassen te worden. Men moet uitkomen op precies de tegengestelde gedachte over het leven: het aardse leven is de zin van het bestaan. Dit is de enige gezonde remedie tegen alle spoken die voortkomen uit de zieke geest. Indien de mens zijn eigen as bergop draagt en een helderder vlam uitdenkt, dwz eer gaat doen aan dit leven (en dus aan zichzelf), verdwijnt het spook God automatisch. En daarna is alles omgekeerd: ooit nog in god, hemel en hel te geloven staat dan gelijk aan het zich overgeven aan lijden en het zich vernederen, het zichzelf verliezen, ziek worden.

Godsdienstig geluk wordt alleen ervaren door de mensen die het diepst lijden, dus door de geestelijk ongezondste mensen. Hun God, Hemel en Hel zijn projekties van de lijdende geest. Het geloof in het hiernamaals is uiting van uiterste vermoeidheid: met n gemakkelijke sprong - een gedachtentruc - wil men volkomenheid ervaren, omdat men zelfs niet meer de wil heeft tot willen in het leven. Zarathoestra legt geloof in hiernamaals en verlossing en andere werelden uit als een uiting van het lichaam dat wanhoopt aan zichzelf. "Het lichaam tastte met de vingers van de verdwaasde geest aan laatste muren." Het lichaam wanhoopt aan zichzelf en aan het aardse bestaan, en daarom schept het zich een 'gindse wereld'.


Zarathoestra merkt op dat hoe eerlijker men wordt, des te meer men inziet hoe alle gedachten spreken van het lichaam.


Steeds oprechter leert het spreken, het Ik: en hoe meer het leert, des te meer vindt het woorden en eerbetoon voor lichaam en aarde.


Zo leerde Zarathoestra een nieuwe trots:


Niet meer de kop in het zand van hemelse dingen steken, maar hem vrijuit dragen, een aard-kop die de aarde zin geeft!
Een nieuwe wil leer ik de mensen: deze weg te willen die de mens blind is gegaan, en hem goed te noemen en niet meer ervan weg te sluipen, als de zieken en afstervenden!


Voor het eerst noemt Nietzsche 'de wil' als het alternatief voor het geloof. De wil van de mens is het instrument waarmee iemand zijn visie, zijn geloof, uiteindelijk zelf in werkelijkheid omzet. Mensen die in een hiernamaals geloven worden door Zarathoestra als willozen, krachtelozen, wegvluchters, zieken en afstervenden beschouwd:


Hun jammer wilden zij ontlopen, en de sterren waren hun te ver. Toen zuchtten ze: 'Och, waren er toch hemelse wegen om in een ander Zijn en ander geluk te sluipen!' - toen vonden zij hun listen en bloedige drankjes uit!


'Bloedige drankjes' is het geloof in het bloedoffer van Christus dat toegang verschaft tot het zalige hiernamaals.

Hoewel Zarathoestra hier flinke klappen uitdeelt aan gelovigen voegt hij er deze woorden aan toe:


Milddadig is Zarathoestra voor de zieken. Voorwaar, hij is niet vertoornd op hun soorten van troost en ondank. Mogen zij genezenden en zichzelf-overwinnenden worden en zich een hoger lichaam scheppen! Evenmin vertoornd op de genezende is Zarathoestra wanneer hij teder naar zijn waan omziet en te middernacht rond het graf van zijn god sluipt: maar een ziekte en ziek lichaam blijven ook zijn tranen nog.


Ongetwijfeld vertellen deze woorden van de weg die Nietzsche zelf heeft afgelegd. Zijn vroeggestorven vader was dominee, zijn moeder diep gelovig, hijzelf was altijd geneigd tot religie, kunst, muziek en pozie. Maar Nietzsche werd verteerd door een allesdoordringende gedachte: zijn kijk op de werkelijkheid niet te laten dicteren door wensdromen, maar door de realiteit van het bestaan. De realiteit is dat de mens zelf de zin van het bestaan bepaalt. Zarathoestra roept als eerste de mensheid op om planmatig, zelfbewust, de toekomst van de mensheid uit te stippelen, zodat ons bestaan niet meer zoals tot nu toe als de weg van een blinde mol is. Hij maakte een lange worsteling door om op deze, betere gedachten te komen, maar uiteindelijk blijft hij in de gedaante van Zarathoestra op vele manieren verwant aan het religieuze en dichterlijke denken, iets wat hem tot mildheid ten opzichte van gelovigen doet stemmen. In zijn boek de Antichrist proeven we echter ook agressie tegen het oude geloof. Af en toe denkt de ex-gelovige met nostalgie aan zijn oude god en zijn oude geloof terug, en op andere tijden doemt het oude geloof weer als een tirannieke draak op, die men in felheid moet bestrijden om er niet zelf door verslonden te worden. Nietzsche is wellicht tot het einde van zijn leven een 'genezende' gebleven. Wellicht is dit met iedereen zo die zich eens een oprecht gelovige heeft genoemd en later tot andere inzichten kwam. 'Genezenden' is de naam voor diegenen die aan zijn leer gehoor geven, het Zarathoestra-equivalent van 'volgelingen', 'discipelen' (= 'kinderen in de leer') in het Nieuwe Testament.


Zarathoestra zegt het gelovige hart goed te kennen; het geloofsfanatisme komt voort uit wanhoop aan zichzelf. Zou het wereldbeeld van de gelovige mens niet waar zijn dan houdt deze mens niets over van het leven, van zichzelf:


Al te goed ken ik deze godegelijken: zij willen dat aan hen geloofd wordt, en twijfel zonde is. Al te goed weet ik ook waaraan zijzelf het innigst geloven. Waarlijk niet aan volgende werelden en verlossende druppels bloed, maar aan het lichaam.


En wel aan hun eigen lichaam dat zich ongelukkig voelt, dat voor hen een ziekelijk ding is, en waarvan ze verlost zouden willen worden. "Daarom luisteren ze naar de predikers des doods", dwz naar dominees en priesters. Zarathoestra heeft een advies voor alle hiernamaalsgangers:


Luister liever, mijn broeders, naar de stem van het gezonde lichaam: een oprechter en zuiverder stem is dit. Oprechter en zuiverder spreekt het gezonde, volmaakte en rechthoekige lichaam: en het spreekt van de zin der aarde.


Zarathoestra geeft hier een aanzet tot de gedachte die hij later nog uitgebreider bespreekt: het is niet het hoofd, de menselijke geest die tot de "buik van het Zijn" doordringt, dwz die op de diepste waarheden, geestelijke wijsheden en inzichten over het leven uitkomt, maar het fysieke lichaam van de mens dat alle gedachten dicteert. Dit kan men al zien aan de manier waarop het hoofd (ons denkvermogen) vaak gebruikt wordt: niet als instrument waarvoor het zou moeten dienen, voor rationeel, logisch, analytisch en helder denken, maar als een stormram die men in het wilde weg op muren laat beuken in de hoop op een metafysische 'andere wereld' terecht te komen.