Een uitleg van Aldus sprak Zarathoestra




I.4    Van de verachters van het lichaam

Perspektivisme is de leer dat alle kennis gebaseerd is op een bepaalde kijk op de zaken, bekeken vanuit een bepaalde gezichtshoek. Alles wat zich aan de mens voordoet wordt door de mens geïnterpreteerd. De interpretatie is altijd gekleurd volgens onze behoeften en doelstellingen.


Er bestaat allen maar een perspectivisch zien, alleen maar een perspectivisch 'kennen'. (Genealogie van de moraal 3 § 12)


'Waarheid' is dus altijd gekleurd, anders gezegd: aan de basis van waarheid ligt een motivatie. Deze motivatie noemt Nietzsche 'de wil tot macht', ook wel 'de wil tot boven zichzelf uit scheppen'. Dus de wil tot macht staat aan de basis van iedere interpretatie van waarheden. Deze opvatting verwerpt het bestaan van 'absolute waarheden'. Nietzsche ziet deze wil tot macht niet als een één-voudig begrip, maar als een conglomeraat waartoe talloze willen behoren. Al die wil-onderdelen komen tot een overeenkomst om gezamelijk een toename in macht te verkrijgen, en dit ervaart men in zichzelf als een eenheid, als de wil van ons bewustzijn. Ons bewustzijn rangschikt al die onderdelen naar verschillend belang, al naar gelang de behoeften van het lichaam. Overtuigingen komen dus voort uit de behoeften van het lichaam. Het lichaam in al zijn aspecten noemt Nietzsche 'het Zelf'. Het 'Ik' en 'de geest' zijn onderdelen van het Zelf, maar niet op de manier van de oude leer die stelt dat een mens een ziel en een geest en een lichaam heeft, als twee of drie geheel onafhankelijke entiteiten. Een geest, een ziel, die kan bestaan zonder lichaam is onzin, een gedachtenspinsel van de mens, slechts uitgevonden om het mogelijk te maken het lichaam te verachten. In werkelijkheid is mens geheel en al lichaam, en tot dit lichaam behoort al het menselijke, 'de veelheid met één zin'. Zo is het verstand slechts een werktuig van het lichaam net zoals onze wijsvinger. Strikt gesproken zou je ook het lichaam een onderdeel van het Zelf moeten noemen, of je zou het ook andersom kunnen zeggen: "Het lichaam is één groot verstand", dus het lichaam zien als het zichtbare deel van het verstand, of beter nog, als het instrument van de levensgeest, maar Zarathoestra beklemtoont opzettelijk het lichaam in deze toespraak, omdat dit alle tijden door veracht is, alsof het van ondergeschikt belang is, onderdrukt moet worden. Volgens Nietzsche is de waarheid over ons doen en laten juist omgekeerd aan waar wij gewend zijn aan te denken: niet de geest heerst over het lichaam (bijvoorbeeld door discipline te geven, door ascese te beoefenen), maar het lichaam beheerst onze gedachten: een ziek lichaam eist bijvoorbeeld een hiernamaals, het produceert pijn, waarop onze geest een manier moet uitdokteren om het te verlossen van pijn; het wekt lustgevoelens op en onze gedachten die er op volgen houden zich slechts bezig met de vraag hoe we nog meer lust kunnen krijgen of hoe we de lust kunnen inperken. Wanneer we dus bijvoorbeeld lichamelijk genot afwijzen is juist het lichaam hier verantwoordelijk voor, niet ons verstand. Ons bewustzijn, ook wel onze 'geest' noemt Zarathoestra ijdel: zij wil ons altijd overreden dat ze het einde aller dingen is. Maar dat wat we onze geest noemen, ons 'Ik', is slechts een werktuig en speeltuig van een groter geheel, namelijk het gehele lichaam. Dit lichaam als geheel is het Zelf, en kan als een machtige onbekende gebieder en onbekende wijze worden beschouwd. Nietzsche komt hier dichtbij het begrip 'het onderbewuste', waar in het begin van de vorige eeuw veel over gesproken zou worden, maar in zijn tijd nog geen ingeburgerd begrip was.


Het scheppende lichaam schiep zich de geest als een hand van zijn wil


is een ingenieuze uitdrukking. Verachters van het lichaam (asceten) gehoorzamen hun lichaam ook nog: ze gehoorzamen het Zelf dat wil sterven, dat het leven haat. Men is vertoornd op de aarde en veracht het leven. Deze haat en levensmoeheid komt voort uit het doden van wat het Zelf het liefst doet: het boven zichzelf uit scheppen. "Dat wil het Zelf het liefst, dat is heel zijn innerlijke drang." Mensen die in een religieus geloof zitten verstrikt dat de mens als zondig bestempelt, het aardse leven als vuilnis, en het hiernamaals als datgene waar alles eigenlijk om gaat, hebben het levensprincipe uitgeschakeld, en voor hen is er dan ook eigenlijk maar één oplossing: ze zouden moeten doen wat ze prediken, en hun eigen lichaam maar voorgoed vaarwel moeten zeggen. Niet leuk gezegd natuurlijk, maar wel logisch. Vreemd genoeg praktiseren gelovigen tot op de dag van vandaag juist het tegengestelde: het leven zo lang mogelijk redden en accepteren in welke mismaakte vorm dan ook (verwerping van euthanasie en abortus). Dit doet men met een beroep op 'Gods wil'. Natuurlijk mag je dit weer niet toeschrijven aan Gods aktieve wil. Wanneer je zou opmerken 'Dus God wil al dit lijden en wil dat de mens zoveel mogelijk lijdt', komt men meteen met de tegenopmerking dat het niet Gods aktieve wil is, maar een gevolg van de zondeval, dus de schuld van de mensheid zelf. Hier komt weer de lijdzaamheid, de slaafse gehoorzaamheid en onderwerping van de gelovige mens naar voren. Het beknotte en gedwarsboomde, dus gefrustreerde, Zelf gaat zichzelf haten. Eigenlijk eist het zelfmoord, maar dit wordt weer ervaren als een te gemakkelijke oplossing voor het probleem. Het Zelf eist eerst nog zoveel mogelijk straf en lijden.
En waarom is dit Zelf van mening dat het nu te laat is om nog wat 'boven zichzelf uit te scheppen'? Het antwoord wordt in de één na laatste zin van de toespraak gegeven, en heet: afgunst. Afgunst bloeit op in het leven van de persoon die niet meer in staat is zelf te scheppen. Hij is voortdurend jaloers op sterke, superieure personen zodat de mens als gemakkelijkste tegenreactie en verdedigingsmiddel steeds het tegendeel tot hoogste waarheid uitroept. In de eerste plaats wraak, haat en jaloersheid tegen mensen die wél boven zichzelf uit scheppen, en hun eigen wetten scheppen, maar ook het eisen van straf voor ieder ander mens die zich aan straf en lijden wil onttrekken. Dit noemt Nietzsche ressentiment, een basiskenmerk van alle boekgelovigen, maar ook een basiskenmerk van ieder mens: op wraakgevoelens komt Zarathoestra nog uitgebreid terug in deel twee, hij is zelfs zo eerlijk het ook in zichzelf op te merken! De verachters van het lichaam beseffen deze werking niet, zij leven zelfs vaak met het idee hiervan gevrijwaard te zijn. Zarathoestra speelt het dus klaar om met behulp van doortastend psychologisch inzicht dat wat altijd als deugd beschouwd is te ontmaskeren als ondeugd! Hij concludeert:


Ik ga niet jullie weg, o verachters van het leven! Jullie zijn geen bruggen naar de Bovenmens!