Een uitleg van Aldus sprak Zarathoestra




I.5    Van de verheugeningen en hartstochten

Onder deugd heeft men vanouds verstaan het aan banden leggen van passies, het zoveel mogelijk afzwakken van hartstochten. Volgens Zarathoestra levert dit een uitgebluste, gedresseerde en tamme verschijning op, het equivalent van middelmatigheid en de Laatste Mens. De oude leer van de deugd is eigenlijk bezig zijn met het doden van wat werkelijke deugd is, en de wereld vullen met nep-deugden. Zarathoestra legt nu uit dat passies niets met zonde en slechtheid te maken hebben, maar juist met onze liefde, en dat men er juist gebruik van moet maken. Deugd dient bovendien een veel verhevener begrip te zijn dan die zaken die men in de regel als deugden opsomt, iets zo groot dat men het niet kan benoemen. Een grootse deugd die ons doet stamelen om het aan anderen uit te leggen. Zodra men het een naam geeft is deugd iets kleins, een eigenschap van de kudde.


Zie hoe elk van jouw deugden begerig is naar het hoogste: zij wil heel jouw geest, opdat deze haar heraut is, zij wil heel haar kracht in toorn, haat en liefde.


Vanwege de foutieve indeling van de mens in lichaam, ziel en geest, ervaart Paulus 's mensen innerlijke passies als een gevecht tussen tegenstrijdige begeerten en wil tot zonde, waar een mens geen vat op heeft: "Door mijn natuur ben ik uitgeleverd aan de zonde. Wat ik doe doorzie ik niet, want ik doe niet wat ik wil, ik doe juist wat ik haat" (Romeinen 7:15). Zarathoestra leert dat een mens moet inzien dat onze passies ons ware Zelf zijn en erop aandringen het onderste uit de kan te halen. De passies hebben niets met zonde te maken, maar dienen gereedschap te zijn, behoren in dienst te staan van 'het hoogste', dwz het streven naar de Bovenmens. Passies die in hun primitieve stadium gezien kunnen worden als 'wilde honden in de kelder' kunnen uiteindelijk veranderd worden in 'vogels en lieftallige zangeressen'. Uit vergif moet men balsem brouwen. Uit duivels moet men engelen scheppen. Uit de koe Droefenis moet men zoete melk zien te melken. Zarathoestra gebruikt het woord 'uiteindelijk', en laat vooreerst in het midden op welke manier men de hartstochten zou kunnen leren beheersen, maar aangezien de oude leer in de eerste plaats slapen, aanvaarden, ingestudeerde regels en nee-zeggen onderwijst, zal men kunnen aanvoelen dat Zarathoestra's antwoord juist de tegenovergestelde middelen zijn: je ogen openen voor de realiteit, je geen rust gunnen, je tot het uiterste inspannen, bezig zijn met scheppen; ja-zeggen tegen je passies, maar ze aan de leiband van jouw wil leggen. Zonder strijd zal het niet lukken: "Geen kwaad ontspruit voortaan nog uit jou, tenzij het kwaad dat ontspruit uit de strijd van jouw deugden." Zarathoestra geeft toe dat alle deugden met elkaar wedijveren en ijverzucht (fanatisme) iets vreselijks is, want de deugden kunnen eraan ten gronde gaan (zoals bijvoorbeeld de christelijke geschiedenis zo vaak heeft laten zien). Maar de juiste levenshouding is geheel en al geïnspireerd te worden door de allerhoogste deugden en daaraan ten onder gaan.


Wat die hoogste deugden betreft merkt hij op dat het zaken zijn die een mens boven alles liefheeft. Zarathoestra geeft de raad liever één deugd te hebben dan vele, want menigeen nam een last van vele deugden op zich en ging de woestijn in waar hij omkwam, moe van het strijden. Dit doet denken aan hoofdstuk I.1, de drie gedaanteverwisselingen. Voor ogen komt nu een kameel die het niet klaarspeelt in een leeuw te veranderen, maar gehoorzaam zijn lasten draagt totdat hij er bij neervalt.
Een deugd moet zó innig tot ons wezen behoren dat we kunnen uitspreken dat de deugd tot ons kwam en niet omgekeerd:


Deze vogel bouwde bij mij een nest, daarom heb ik hem lief en koester hem; hij zit bij mij op zijn gouden eieren.


Omdat deze deugd gebaseerd is op hartstocht, op vurige liefde, is hij niet uit te spreken als een goddelijke (van boven opgelegde) wet, of als noodzakelijkheid, dus als deugd die voor iedereen moet gelden. Om dezelfde reden kunnen deugden niet afgeleid worden van logica of allemansverstand. De deugden van jan-en-alleman zijn juist de allerkleinsten die er op aarde te vinden zijn. Maar liefde, hartstocht, is de ware bron van deugden en staat overal boven; het is de inspiratie die aan de basis staat van alle grootse dingen. Wat wél van deugden gezegd kan worden is dat ze nooit met 'de gindse wereld' te maken hebben, maar aards dienen te zijn. Zoals het prediken van het hiernamaals gifmengen is, is het aanhangen van deugden die met het hiernamaals te maken hebben hetzelfde als het lasteren van de aarde en het aardse leven.


In De Vrolijke Wetenschap (304) legt Nietzsche op een andere manier uit wat hij onder hartstochtelijke deugd verstaat:


Ik ben tegen alle vormen van moraal die spreken in de zin van: 'Gij zult niet! Doe er niet aan mee! Luister niet naar jezelf!' Opbouwende moraal is wat aanspoort tot doen en aanspoort het opnieuw te doen, van morgen tot avond, ja zelfs nog 's nachts erover te dromen, en wat het gehele denken in beslag neemt, en wel zo: hoe kan ik het het beste uitvoeren, en ook: alleen ik zal het zo kunnen doen. Wanneer men op deze manier leeft, bemerkt men al gauw dat het één na het ander wegvalt wat niet tot zo'n leven behoort. Zonder haat en weerzin te voelen laat men al het andere gaan, men merkt het niet eens op, zo strak is de blik gericht op het doel, op het vooruitzien zonder naar opzij te kijken....Maar ik houd niet van negatieve deugden, deugden die als kenmerk verbod en onthouding hebben.