Een uitleg van Aldus sprak Zarathoestra




I.6    Van de bleke misdadiger

Dit is het eerste hoofdstuk dat de lezer hoofdbrekens berokkent. De tekst heeft als onderwerp een rechtzitting en het is alsof we de televisie aanzetten en midden in de behandeling van een of andere misdaad terecht komen waar Zarathoestra commentaar op geeft. Nietzsche doet net alsof we met het geval bekend zijn. Aan de ene kant voelt het ook vaag zo aan, maar aan de andere kant zien we onszelf enigszins in het duister tasten. Nietzsche schijnt het opzettelijk zo te schrijven en van het raadselachtige te genieten. De laatste zin van het hoofdstuk is namelijk:


Ik ben een leuning langs de stroom: vat mij wie mij vatten kan! Jullie kruk echter ben ik niet.


Zarathoestra spreekt alleen voor intelligente mensen, en doet opzettelijk zijn best om door de rest maar niet gelezen te worden. Hij heeft nu vier toespraken gehouden over deugd en hartstochten, over innerlijk gezond en ziek zijn, en geeft hier een illustratie van zijn leer in de praktijk. De lezer kan zich nu afvragen of hij zijn leer begrepen heeft. Aangezien zijn leer een omkering was van de oude leer, wordt hier tevens verondersteld dat men vertrouwd is met die oude leer, dwz met de bijbel.


Zarathoestra heeft het over het zieke lichaam gehad en over passies die als wilde honden in de kelder kunnen zitten. Een bleke misdadiger wordt nu berecht en het oordeel volgens de oude leer is dat hij zijn passies niet kon bedwingen. Blijkbaar heeft hij een moord en een roof begaan. De moord wordt uitgelegd alsof het het gevolg was van de hartstocht te roven. Zarathoestra laat weten dat het menselijk denken en handelen veel dieper gezocht moet worden. Volgens hem was het de misdadiger er in de eerste plaats om te doen te doden, en was de roof slechts een bijkomstigheid. Aangezien de drang tot doden onbegrijpelijk is (het lichaam doet en beveelt het verstand) maakt hij zijn optreden begrijpelijk door zijn verstand voor een logische uitleg te laten zorgen. Een mens wil niet voor dol en dwaas uitgemaakt worden. Zelfs voor zichzelf moet hij de waarheid verbergen om niet beschaamd te zijn. De obsessieve gedachte tot doden is de waanzin vóór de daad. En wanneer de daad eenmaal verricht is, kan men aan niets anders meer denken vanwege de schuld vanwege het doden: de waanzin ná de daad. Het gaat hier dus niet om iets rationeels, maar om de zieke mens. De mens is als een kluwen wilde slangen die zelden rust bij elkander vinden.


De moraal is dat men daarom iemand vijand mag noemen, maar geen booswicht, zieke maar geen schurk, dwaas maar geen zondaar. Men moet namelijk begrijpen dat deze bleke misdadiger gelijk is aan een ieder van ons. In Menselijk, al te menselijk legt hij het zó uit: "Onze misdaad tegen misdadigers bestaat hierin, dat wij hen als schoften behandelen." (1.66) Zou de rode (=doodstraffen uitdelende) rechter alles hardop zeggen wat hij reeds in gedachten heeft gedaan, dan zou iedereen schreeuwen: Weg met die smeerlap en giftige worm! Het enige verschil tussen mensen is dat de één het bij losse gedachten laat, de ander er een fantasiegebeurtenis van maakt, en weer een ander een daad ook werkelijk begaat. Maar het één gaat niet noodzakelijkerwijs over op het ander.
Aangezien het om ziekte gaat moet ons straffen geen wraak zijn, maar mededogen. En het eventueel doden moet een rechtvaardiging van het leven zijn, een streven naar het bereiken van de Bovenmens, niet een soort genoegdoening. De misdadiger heeft iets belangrijks begrepen van het leven, namelijk dezelfde wijsheid die Zarathoestra verkondigt: de mens is iets om overwonnen te worden; hij heeft verachting voor erbarmelijk menszijn. Hij heeft zijn passie alleen niet weten te sublimeren door het in dienst van de Bovenmens te stellen, maar liet de ziekte zegevieren.


En nu het raadselachtige: wie is deze bleke misdadiger?


Wat is deze mens? Een hoop ziekten die door de geest naar de wereld overslaan: daar willen zij hun buit veroveren.


Jezus is in dit hoofdstuk gebruikt als inspiratie voor de bewoording van dit hoofdstuk.
-"Zie de bleke misdadiger heeft de nek gebogen". Jezus werd als misdadiger veroordeeld en ging met gebogen nek naar het kruis.
-"Mijn Ik is iets dat overwonnen moet worden: mijn Ik is de grote verachting van de mens". Jezus is de man die in alles de mens wilde overwinnen. Zijn eigen leven moest daarvan het grote voorbeeld zijn: hij maakte zich gelijk aan God en wordt daarom in de ogen van andere mensen 'de moordenaar van God'. Dezelfde hartstocht ligt ook aan de basis van het optreden van Zarathoestra.
-"Dat hij zichzelf oordeelde was zijn hoogste ogenblik". Nietzsche duidt hier op het moment dat Jezus berecht werd en zich voor zijn berechters tot Zoon van God uitriep. Hiervoor heeft hij grote bewondering, want op dit moment bereikte zijn deugd en eigen wil het hoogtepunt.
-"Een voorstelling deed deze bleke mens verbleken. Steeds nu zag hij zich als de dader van één daad. Ach jullie kropen me niet diep genoeg in deze ziel! Ik zeg jullie: zijn ziel wilde bloed, niet roof: hij dorstte naar het geluk van het mes!" Hier scheiden de wegen van Jezus en Zarathoestra zich. De voorstelling waar Jezus mee leefde was geheel metafysisch. Hij leed onder het bestaan en als gevolg daarvan verviel hij in het willen doen lijden. Jezus richtte deze drang tot lijden op zichzelf. Men kan zoiets zien als een soort extreme verklaring van het Zelf niet voor het lijden in de wereld verantwoordelijk te zijn. Volgens de evangeliën had het gehele optreden van Jezus als doel uiteindelijk als onschuldige te sterven.
-"Maar zijn arm verstand begreep de waanzin niet en overreedde hem. 'Wat is er gelegen aan bloed?', sprak het, 'wil jij niet minstens een roof hierbij begaan? Wraak uitoefenen?'" Zijn lijden moest rationele zin hebben, de wereld verlossen. Slechts te sterven was niet genoeg; de wilde slangen van de geest van deze mens moesten daarna de wereld in om buit te veroveren (=wilde de hele wereld tot volgelingen maken).


Nog enige aanvullende uitspraken van Nietzsche die laten zien hoe hij over Jezus dacht, en als passende stukjes in de puzzel gelegd kunnen worden:


Deze heilige anarchist, die het mindere volk, de uitgestotenen en 'zondaars', de paria's binnen het jodendom opriep tot verzet tegen de gevestigde orde - met een taalgebruik dat als je de evangeliën mag geloven iemand ook vandaag de dag nog in Siberië zou doen belanden-, was een politieke misdadiger, voorzover politieke misdadigers tenminste mogelijk waren in een absurd-onpolitieke gemeenschap.
Het is een volkomen andere vraag of hij zich van een dergelijke oppositie zelfs maar bewust was, -of hij niet enkel ervaren werd als zo'n oppositie. En hiermee raak ik voor het eerst aan het probleem van de psychologie van de Verlosser. (de Antichrist, 27,28)

Wat mij bezighoudt, is het psychologische type van de Verlosser. De heer Renan, deze hansworst in psychologicis, heeft voor zijn verklaring van het type Jezus de twee onbehoorlijkste begrippen aangedragen die maar denkbaar zijn: het begrip genie en het begrip held. Maar als er iets onevangelisch is, dan is het wel het begrip held. Juist de tegenstelling tot elke worsteling, tot elke strijdbaarheid is hier instinct geworden: het onvermogen tot weerstand wordt hier tot moraal verheven. 'Bied geen weerstand aan de boze' is de diepzinnigste uitspraak in de evangeliën, in zekere zin hun sleutel. Het evangelie is welbehagen in vrede, in zachtmoedigheid, in de onmacht tot vijandschap... (de Antichrist, 29)

Deze 'blijde boodschapper' stierf zoals hij geleefd, zoals hij geleerd had -niet om 'de mensen te verlossen', maar om te laten zien hoe men moet leven. Wat hij de mensheid naliet is de praktijk: zijn gedrag ten overstaan van rechters, gerechtsdienaars, van aanklagers en van allerlei laster en hoon, zijn gedrag aan het kruis. Hij biedt geen weerstand, komt niet op voor zijn recht, hij zet geen stap ten behoeve van zelfbehoud, sterker nog, hij lokt het uit... (de Antichrist, 35)

Strikt genomen kon Jezus met zijn dood niets anders willen dan openlijk het sterkste staaltje, het bewijs van zijn leer te geven.(de Antichrist, 41)

Voorwaar, te vroeg stierf de Hebreeër die de predikers van de langzame dood vereren: en velen is het sedertdien noodlottig geworden dat hij te vroeg stierf. Nog kende hij enkel de tranen en zwaarmoedigheid van de Hebreeër, alsook de haat van de goeden en rechtvaardigen, -de Hebreeër Jezus: toen overviel hem het verlangen naar de dood. (Van de Zelfgekozen Dood, I.21)

Hoe is het mogelijk dat men vandaag de dag nog zo ver meegaat met de simpelheid der christelijke theologen dat men met hen stelt dat de ontwikkeling van het godsbegrip van de 'God van Israël', van de volksgod, tot de christelijke God, tot een God die al het goede in zich verenigt, een vooruitgang zou zijn? Het tegendeel springt juist in het oog! Als de voorwaarden tot een stijgende lijn in het leven, als al het sterke, dappere, heerszuchtige, trotse uit het godsbegrip geëlimineerd wordt, als hij stap voor stap afzakt tot het symbool van de stut voor vermoeiden, een reddingsboei voor alle drenkelingen, als hij een armeluisgod, een god van zondaren en zieken par excellence wordt en het predikaat 'Heiland', 'Verlosser' als het ware overblijft als het goddelijk predikaat bij uitstek: waarvan getuigt dan een dergelijke gedaanteverwisseling, een dergelijke reduktie van het goddelijke? Zeker, het rijk Gods is daarmee wel groter geworden. Voorheen had hij alleen maar zijn volk, zijn 'uitverkoren' volk. Intussen is hij, net als zijn volk zelf, op stap gegaan, gaan rondzwerven in den vreemde, en sindsdien heeft hij nooit meer ergens stilgezeten: tot hij zich uiteindelijk overal thuisvoelde, de grote kosmopoliet, tot hij de meerderheid en de halve aarde voor zich gewonnen had. Maar de god van de meerderheid, de democraat onder de goden, is desondanks geen trotse god van heidenen geworden: hij bleef jood, hij is de god van de schuilplaatsengeworden, de god van alle duistere hoeken en gaten, van alle ongezonde contreien over heel de wereld!...Zijn wereldrijk is nog altijd een rijk van de onderwereld, een hospitaal, een rijk van het souterrain, van het getto...En hij zelf, zo bleek, zo zwak, zo decadent... (de Antichrist, 17)

Dat de sterke rassen van het noordelijke Europa de christelijke God niet van zich afgestoten hebben zegt waarlijk niet veel goeds over hun religieuze begaafdheid, om over hun smaak nog maar te zwijgen. Met een dergelijke ziekelijke en seniele misgeboorte van de decadentie hadden zij korte metten moeten maken. Nu rust er een vloek op hen omdat zij daarmee geen korte metten hebben gemaakt: zij hebben de ziekte, de tegenspraak opgenomen in al hun instincten." (de Antichrist, 19)

Het type van de misdadiger is het type van een sterk mens onder ongunstige omstandigheden: een sterk mens dat ziek gemaakt wordt. (Afgodenschemering)


Zarathoestra laat tenslotte weten dat het menselijk ziekzijn (misdadiger worden) in verschillende tijden op verschillende manieren tot uiting komt. Het kenmerk van de misdadiger van alle tijden is: "pijnigen wil hij met wat hem pijnigt. Hij lijdt en wil daarom doen lijden". Dit lijden en pijndoen kan hij anderen of zichzelf aandoen.
Het wordt nu nog interessanter wanneer we opmerken dat ook het gehele leven van Nietzsche zelf kan worden begrepen als de uiting van dit pijnlijden. Nietzsche lijdt aan dezelfde ziekte van Jezus, maar onderkent die en gaat er als gevolg daarvan als een razende tegen tekeer. Als een sint joris wil hij de draak verslaan, terwijl hij weet dat hij eraan ten onder zal gaan:


Niemand heeft zo diep het wezen van het pathologische in Nietzsche begrepen als Lou Salomé. In haar boek ‘Friedrich Nietzsche in seinen Werken’ (Wien 1894), zet zij uiteen hoe de periodiek terugkerende ziekteverschijnselen telkens bij de overgang van de ene levens- en denkperiode naar de andere optreden. ‘Slechts uit het folterendste verlangen naar genezing wordt hem het nieuwe inzicht geboren. Nauwelijks echter is hij daar volledig in opgegaan, nauwelijks heeft hij er zijn rust in gevonden en het aan zijn eigen kracht geassimileerd, of er komt weer een nieuwe koorts over hem, een soort onrustig voortstuwend overschot van innerlijke energie, dat ten slotte zijn prikkel tegen hem zelf keert en hem ziek maakt aan zichzelf.’ Hij geselt zichzelf om de koortsen en verwondingen op te wekken die hij nodig heeft. De behoefte aan pijn vergezelt Nietzsche's hele ontwikkelingsgeschiedenis als de eigenlijke geestesbron. Lou Salomé spreekt van de nauwe samenhang tussen gedachte- en zieleleven bij Nietzsche, ze schildert de afhankelijkheid van zijn geest van de emotionele toestand (Erregungen) van zijn ziel en het daaruit voortvloeiend lijden. Nietzsche wil zijn lijdensgeschiedenis als een genezingsgeschiedenis opgevat zien, zegt zij. Maar de gezondheid is niet het dominerende, dat het pathologische tot zijn werktuig omschept: beide zijn onverbrekelijk met elkaar verbonden, tezamen drukken ze een eigenaardige splijting in het geestesleven uit. Hoe komt het, vraagt ze, dat voor Nietzsche uit deze splijting zo'n als verlossing werkende bevrediging voortvloeit? En ze voegt er aan toe: ‘Met deze vraag staan wij voor het eigenlijke Nietzsche-probleem’.
Volgens Lou Salomé beleeft Nietzsche in zijn persoonlijkheids-splijting een religieuze exaltatie. Hij brengt een deel van zichzelf ten offer aan een ander deel, dat hij als hoger ervaart. Nietzsches verschillende filosofieën zijn, volgens haar, even zovele God-surrogaten, die hem moeten helpen het mystieke Godsideaal buiten hem te kunnen ontberen. Zijn laatste leringen bevatten de bekentenis dat hij dit niet vermag. Juist daarom vinden we in zijn laatste werken zo'n hartstochtelijke bestrijding van godsdienst, godsgeloof en verlossingsbehoefte, omdat hij zo gevaarlijk dicht ertoe nadert. Door zelfbedrog lost Nietzsche het tragische conflict van zijn leven op, een conflict daaruit bestaande, dat hij God nodig heeft en hem toch moet verloochenen. Ten slotte loopt zijn filosofie uit op een apotheose van het noodlot dat zijn geest bedreigt en waaraan hij een goddelijke betekenis moet geven om het te kunnen verdragen.
Ik geloof dat Lou Salomé's analyse in grote trekken juist is. Het pathologische in Nietzsche hangt ten nauwste samen met zijn geperverteerde religieuze belevingen, zijn worsteling met de dood-verklaarde God, zijn krampachtige pogingen uit zichzelf een nieuwe God voort te brengen, zijn geëxalteerd geloof aan mensheids- en wereldondergang, en het is onmogelijk tot de diepste kern van zijn filosofie door te dringen zonder het godsdienst-psychologische aspect in het onderzoek te betrekken. (Josine W.L. Meyer )


Mensen die Zarathoestra's toespraak begrijpen, en zeker christenen die de zinspelingen begrijpen, komen aan met de opmerking: "Het zal het goede in ons schaden", dwz indien misdadigers, ketters en heksen 'verheven' moeten worden tot mensen zoals wij allemaal, indien zelfs Jezus als een uiting van 's mensen ziekzijn gezien moet worden, waar blijven we dan? Dan zijn we allemaal als ziek te beschouwen en de wereld een gekkenhuis! Zarathoestra antwoordt hierop: Waren jullie maar als deze waanzinnigen! Zij hadden tenminste begrepen dat je verteerd moet worden door je hartstocht en aan je deugd ten onder moet gaan. Waren jullie zogenaamde deugden 'waarheid te vinden', 'gerechtigheid na te streven', 'trouw te zijn', maar een waanzin. Dan hadden jullie tenminste wat gemaakt van jullie leven. In plaats daarvan is jullie hoogste deugd 'lang te leven in erbarmelijk welbehagen'.


We zien hier dat Nietzsche in de eerste plaats geïnteresseerd is in de vraag wat de sterkte van de kracht is waaruit men leeft; het gaat er in de eerste plaats om een uniek persoon te zijn met sterke contouren, niet een naamloze, passieve, vormeloze vlek of kopie van iets anders. Zarathoestra behoort in deze zin tot de waanzinnigen en beschouwt het als een compliment -hij weet maar al te goed tot dezelfde soort te behoren: hij prefereert de waanzin die resulteert uit absolute intellectuele eerlijkheid boven een leven dat zijn best doet een toneelspel van schijn te zijn. Men moet dan ook goed begrijpen dat bovenstaande analyse van Nietzsches leven die Salomé en Meyer geven wellicht correct zijn, maar dat de conclusies die ze eruit trekken gekleurd zijn vanwege hun eigen gebrek evenzo eerlijk te worden in het leven. Om hun eigen evenwicht in het leven te behouden moeten zij wel gebruik maken van woorden als "pathologisch", "geperverteerd", "krampachtig", "zelfbedrog". In het dagelijks leven wordt zelfs alles wat maar een beetje afwijkt van het gedrag van de kudde altijd aangeklaagd als zot en raar en af te raden. De doorsnee mens is nooit bereid eerlijk te worden over het leven en over zichzelf, maar heeft altijd 'erbarmelijk welbehagen' als hoogste doel. Bijgevolg noemt hij alles wat tegen de heersende gedachte "zo lang mogelijk leven in erbarmelijk welbehagen" ingaat, pervers. Dit levert bij Zarathoestra dan ook regelmatig de verzuchting op dat hij niet eens meer wil praten met de kuddemens. (zie III.5)

"Vat wie mij vatten kan, maar jullie kruk ben ik niet" is op al deze bespiegelingen een hardnodige slotzin: het is een waarschuwing dat men niet zo dom moet zijn Zarathoestra's uitspraken te verdraaien alsof hij een vrijbrief geeft voor elk crimineel gedrag. Het is belangrijk Nietzsches gedachten grondig te leren kennen alvorens we haastige conclusies trekken. Dit geldt ook voor zijn kijk op Jezus. Jezus zal nog meerdere malen terugkomen in latere hoofdstukken, en het is mogelijk tot de conclusie te komen dat Nietzsches gedachten over Jezus tegenstrijdig zijn. Maar de tegenstrijdigheden lossen zich grotendeels op wanneer we begrijpen dat voor Nietzsche het begrip 'vijand' altijd betekent een tegenstander waar je respect voor kan opbrengen. Zó iemand bestrijd je, dwz je klaagt zijn foute denkbeelden aan, maar je kunt er tezelfdertijd ook vriendschappelijk mee omgaan, of zelfs complimenten aan geven, vooral als je ziet dat je vijand oprecht en consequent is (-en je zelfs aan dezelfde ziekte lijdt!). Zo keuvelt Zarathoestra vriendschappelijk met de kluizenaar in de voorrede, maakt hij er zelfs grapjes mee en laat hij hem vervolgens goedmoedig met rust. Wat de persoon van Jezus betreft ziet Nietzsche zich voor onmogelijke tegenstrijdigheden geplaatst in de evangeliën. Hij bespeurt in de verhalen een oorspronkelijke persoon die als grootste kenmerk "een extreme gevoeligheid voor lijden en prikkels heeft, die elke tegenstand, elke noodzaak daartoe reeds ondergaat als onverdraaglijke onlust (dus nadelig, door het instinct tot zelfbehoud ontraden) en welbehagen of lust uitsluitend vindt in de vorm dat er niet meer, aan niemand meer, aan nadeel noch kwaad, weerstand geboden wordt- de liefde als enige en als laatste levensmogelijkheid."
Zijn ingenieuze conclusie is: "Ik noem dit een sublieme verdere ontwikkeling van het hedonisme op door en door morbide grondslag".
Jezus is een persoon die uitsluitend oog heeft voor het diepste innerlijk en de realiteit volledig onderwerpt aan de innerlijke fantasie. Het hele aardse leven werd voor hem tot een gelijkenis. "Alle historie, alle natuurwetenschap, alle psychologie, alle boeken, alle kunst - zijn 'weten' is niets anders dan reine dwaasheid ten aanzien van het feit dat er zoiets bestaat." Hij is niet geïnteresseerd in cultuur, in staat, in economie. "Zo iemand begrijpt niet eens dat er andere leerstelsels kunnen, zijn. Wanneer hij zulks aantreft zal hij uit innig mededogen over 'blindheid' treuren, - want hij is het 'licht'." In Jezus is "een diep instinct voor de wijze waarop men leven moet om zich 'in de hemel' te wanen, om zich 'eeuwig' te voelen". Hij noemt Jezus dan ook 'een grote symbolist', dwz iemand die alleen innerlijke realiteiten laat doorgaan voor realiteit (=waarheid). Voor deze Jezus heeft Nietzsche begrip en respect. De uitdrukking reine dwaasheid geeft zijn houding voortreffelijk weer: zij is een compliment voor oprechtheid en een afwijzing van de inhoud.


Maar deze 'oorspronkelijke Jezus' hebben de evangelieschrijvers (heeft de Kerk) aangevuld met allerlei andere lagen, die Nietzsche aanvalt als onbeschaamdheden en vulgarisering van de oorspronkelijke leer, een gevolg van de verbreiding onder primitieve massa's, zoals het scheppen van het zaligheidsgevoel (uitverkoren zijn) en van wraaknemen op de tegenstanders (via hel-, wederkomst- en laatste oordeelprediking), en het centraal stellen van dogma's waarin geloofd moet worden (in plaats van de praktijk van het leven centraal te stellen). Hier spreekt het egoïsme en lage in de mens. Zo roept hij uit dat er in de hele geschiedenis maar één christen is geweest, Jezus zelf, en de rest christelijk geloof slechts gebruikt heeft als dekmantel om zijn eigen lage instincten maar uit te leven, waarin 'haat jegens elke werkelijkheid' de stuwende kracht is. "Christelijk is een bepaalde neiging tot wreedheid jegens zichzelf en anderen; de haat tegen andersdenkenden; de wil om te vervolgen. Christelijk is de dodelijke vijandschap tegen de heren der aarde, tegen de voornamen. Christelijk is de haat tegen de geest, tegen trots, moed, vrijheid, vrijheid van geest. Christelijk is de haat tegen de zintuigen, tegen het genot van de zintuigen, tegen genot in het algemeen."

De allerergste uitwas van het christendom -en nu komt Nietzsche pas met het woord 'verachting'- ziet hij in het moderne christendom, zoals het wordt verkondigd door geschoolde mensen, omdat het tegenwoordig gaat om mensen die tegen beter weten in leugens blijven verkondigen. Bovenstaande is ontleend aan en kan men uitgebreider lezen in de Antichrist (1888), een boek dat begint met deze opmerkelijke zinnen:


Woord Vooraf:
Dit boek is voor zeer weinigen. Misschien is nog niemand van hen zelfs maar geboren. Wellicht zijn het diegenen die mijn Zarathoestra begrijpen: hoe zou ik mijzelf mogen verwisselen met hen, bij wie reeds vandaag oren aan het hoofd groeien? Eerst de dag na morgen behoort mij toe. Sommigen worden posthuum geboren.


Deze 'dag na morgen' is met de komst van de 21ste eeuw die ingeluid werd met het uitbreken van een nieuwe koortsaanval van de waanzin van fundamentalistische godsdienst, nu in alle heftigheid aangebroken. Deze eeuw zal de eeuw van Nietzsche worden. Hij is het aambeeld waar alle religieuze waanideeën op stukbreken.