Aldus sprak Zarathoestra




I.7    Van lezen en schrijven

In deze toespraak beschrijft Zarathoestra zichzelf. We hebben net een geval achter de rug waarin de hartstochten niet gezond bestuurd konden worden, en daarvr gevallen van mensen die al hun hartstochten opsloten en tot zwijgen brachten. Zarathoestra geeft hier zijn alternatief, gezonde eigenschappen: moedig, onbekommerd, spottend, gewelddadig. Iedereen met de traditionele wijsheid in zijn hoofd zal hier vraagtekens bij plaatsen. We moeten echter begrijpen dat Zarathoestra een filosoof is, en geen soldaat, en indien soldaat, dan een aristocratische ridder: het gaat om de strijd tegen de Geest der Zwaarte, hier voor het eerst gentroduceerd als benoeming voor de ziekte waaraan de christelijke maatschappij lijdt. Om deze ziekte te overwinnen heeft een mens moed, spot, onbezorgd zijn en agressiviteit nodig en moet hij overal boven gaan staan:


Ik gevoel niet meer met jullie: deze wolk die ik onder me zie, deze zwartheid en zwaarte waar ik om lach, - juist dat is jullie donderwolk.
Jullie kijken omhoog wanneer jullie verlangen naar verheffing. Ik kijk omlaag omdat ik verheven ben.


Zarathoestra noemt de Geest der Zwaarte zijn duivel, dwz zijn grootste vijand. De Geest der Zwaarte is het tegendeel van vlinders en zeepbellen en dansende goden. Zij maakt alles ernstig, degelijk, diep en plechtig. Tezelfdertijd laat hij weten dat hij het betreurt dat er zo weinig diepzinnigheid meer is, dat de wereld overstelpt wordt door oppervlakkigheid en onbenulligheid:


Eens was de geest God, toen werd hij mens, en nu wordt hij zowaar nog plebs.


Dit laatste is iets wat sinds Nietzsches tijd nog vele malen is versterkt en iedereen tegenwoordig kent als Amerikaans evangelisch christendom dat als junk food overal uitgestrooid wordt. Zarathoestra wil nieuwe zingeving schenken aan het leven, en daarvoor dient diepzinnigheid en ernst opnieuw gevonden te worden. Opdat we deze ernst, diepte en plechtigheid niet moeten verwarren met de ernst en diepzinnigheid van de Geest der Zwaarte, wordt dit laatste begrip nog talloze malen in andere beelden uitgelegd. In IV.16 wordt het z beschreven:


Het boze spel van jagende wolken, klamme zwaarmoedigheid, betrokken luchten, gestolen zonnen, huilende herfstwinden...veel avond, veel wolken, veel bedompte lucht.


Men zou de Geest der Zwaarte kort en bondig kunnen omschrijven door het de Geest van het Christendom te noemen, ware het niet dat de moderne mens dit christendom van voorbije eeuwen niet meer zal begrijpen, omdat de Laatste Mens ook van het christelijk geloof een consumptieartikel gemaakt heeft ter verstrooiing en erbarmelijk welbehagen. Op de moderne wereld ligt een stempel van oude christelijke waarden -de Geest der Zwaarte-, en van de Laatste Mens, de mens die zich eraan wil ontworstelen maar eindigt in een soort oppervlakkigheid, een aanvaarding van zinloosheid en een zich richten op vertier en verstrooiing. Tesamen vormen ze een vreemd mengsel van decadentie; beide vormen van leven zijn symptomen van een afstervende cultuur.

Het alternatief van Zarathoestra -de brandstof om een nieuwe levenskrachtige cultuur te scheppen- omschrijft hij als een volwassen worden van de mens, en een zich bewust richten op een hogere, een waardevoller invulling van het aardse leven. Zarathoestra heeft geleerd zijn eigen geest te vinden, te waarderen, te vormen en te kastijden, hij heeft geleerd zelf te rennen en zelfs te vliegen. Hij somt zijn innerlijke staat zo op:


Nu ben ik licht, nu vlieg ik, nu zie ik mezelf onder mij, nu danst door mij heen een god.


Ook de lichtheid en onbekommerdheid van Zarathoestra moet men goed begrijpen: Licht, sierlijkheid, dansend moet men zijn omdat "vlinders en zeepbellen en wat van hun aard is het meeste van geluk schijnen te weten". Maar dit dansen heeft weer niets te maken met de disco's van de Laatste Mens, dus met verdoving en ontsnapping aan de werkelijkheid, maar met het innerlijk beheersen en besturen van het bestaan. Men moet het bijvoorbeeld niet verwarren met teerhartigheid:


Jullie zeggen mij: 'Het leven is zwaar te dragen.' Maar waarom zouden jullie 's morgens je trots hebben en 's avonds je berusting? Het leven is zwaar te dragen: maar doen jullie toch niet zo teerhartig! Wij allen zijn aardige pakezels en -ezelinnen! Wat hebben wij gemeen met de rozenknop die trilt omdat er een druppeltje dauw op valt?


Hoe het vederlicht-zijn van Zarathoestra zich onderscheidt van hen die met de Geest der Zwaarte omkleed zijn komt het best tot uiting in n van de meest sublieme uitspraken die ooit iemand maar gemaakt heeft: "Niet door toorn, maar door lachen doodt men." Alle religieuze geesten worden gekenmerkt door 'heilige toorn' en verontwaardiging. In hun denksystemen staat altijd goddelijke wraak centraal en dreiging met goddelijke wraak. Veelal uiten deze diepgewortelde haatgevoelens zich ook in daadwerkelijk geweld. Hoeveel heilzamer en doeltreffender is het optreden van de niet-religeuze mens die slechts lacht? Op het weblog van Elsevier schrijft Leon de Winter onder de titel "God is mans genoeg" deze tekst die het duidelijk maakt:


Rond het RVU-programma van Rob Muntz en Paul Jan van de Wint is iets heel eigenaardigs gaande. Op de Elsevier-site is ook Gerry van der List kritisch over de heren (lees het commentaar van Elsevier), maar wie het programma bekijkt, zoals ik, ziet een redelijk voorzichtig programma over een zeer beschaafde wetenschapper, Dick Swaab, die nuchter en uitermate ongelovig met Van de Wint over de mens en zijn hersenen praat. Dat herengesprek wordt gelardeerd met korte Monty Python-achtige intermezzi van Muntz. Zijn de makers kritisch over gelovigen? Jazeker. Maar ze doen dat niet onder het aanroepen van geweld tegen gelovigen. Zij dreigen gelovigen niet met de brandstapel of een eeuwigheid in de hel. Kom daar eens om bij veel gelovigen, die op basis van hun heilige boeken de ongelovigen vaak beloven dat zij na hun dood met teer en pek worden overgoten. Velen van ons kennen de bijbelpassages waarin de ongelovigen het nodige wordt beloofd. De Elsevier-site schrijft: 'Beide partijen [de christelijke] verwijzen naar het normen- en waardendebat waarin minister-president Jan Peter Balkenende (CDA) en minister Piet Hein Donner (CDA) van Justitie opriepen tot een respectvolle houding tussen bevolkingsgroepen, iets waar de RVU-serie absoluut niet aan bijdraagt, vinden zij.'

Respectvol!
Maar hoe zit dat met de manier waarop in de bijbel en de koran over anders- en ongelovigen wordt gesproken? Is daar ook sprake van 'een respectvolle houding'? Het toeval wil dat ik tegenwoordig vaak de koran onder handbereik heb, en hier komen een paar citaten:
'Wij hebben boeien gelegd aan hun nekken [die van ongelovigen] die reiken tot hun kinnen zodat zij verstijfd zijn.' (soera 36:8)
'Zij die ongelovig zijn en onrecht doen, God zal hen niet vergeven, noch zal Hij hun een andere weg wijzen. Maar de weg der hel, waarin zij voor een lange tijd zullen vertoeven, dat is voor God gemakkelijk.' (soera 4: 168-9)
Dit zijn er slechts twee; de koran wemelt van dergelijke uitspraken. Als de heilige teksten iets nalaten, dan is het wel dat zij mensen oproepen respectvol met anders- en ongelovigen om te gaan. De God van de heilige teksten roept gelovigen op de ongelovigen te haten. Ik heb een ambivalente houding ten opzichte van het geloof en ben er zelfs van overtuigd dat, mits met mate en met integriteit beleden, geloof heilvol kan werken, en vaak kom ik uitermate fatsoenlijke en bijzondere mensen tegen die zeer gelovig blijken te zijn, maar het is echt bespottelijk van de SGP om zo woedend te reageren. Het was een informatief programma en de - zeer schaars aanwezige - spot was gelijkelijk over de geloven verdeeld.

Mans genoeg!
Verder vind ik God altijd mans genoeg om Zelf met Muntz en Van de Wint korte metten te maken. Als iemand mijn kinderen grieft, moet ik voor hen optreden want zij zijn zwak en kunnen zich niet verdedigen wanneer een volwassene iets onaardigs zegt. Maar waarom zou ik optreden wanneer God zich gegriefd voelt? Het is een peuleschil voor de Almachtige God om Muntz een hartverzakking te bezorgen, en het feit dat Muntz nog vrolijk rondloopt, al of niet met puberale grappen, betekent dat God zich niks van Muntz aantrekt; misschien heeft Hij zelfs wel een beetje zitten grinniken. Als God die uitzending van de RVU heeft laten doorgaan door niet het elektromagnetische veld boven de masten van Lopik te verstoren, dan moet ook de SGP Muntz met rust laten. Beter zou het zijn wanneer SGP'ers de komende dagen hard voor Muntz bidden opdat Muntz komend weekend Het Licht ziet en maandag de RVU kan melden dat hij zijn programma's intrekt.


En hier de reactie van een gelovige:


Je stukjes lees ik over het algemeen met instemming en ik heb bewondering voor je scherpe en vaardige pen. Waar ik me aan stoor, is de manier waarop je meent het geloof belachelijk te moeten maken. Je mag het best niet eens zijn met de SGP, maar schrijf niet zo kleinerend als je iemands uitgangspunten niet deelt. Dat is een teken van zwakte. Je steekt nogal eens de draak met het geloof en schrijft daar soms zeer kwetsend over. Niet echt sterk. Willens en wetens kwets je mensen in hun overtuiging. Blijf gewoon zakelijk Leon als je het niet met iemand eens bent. Iemand of iemands overtuiging belachelijk maken is niet zo'n kunst. Het getuigt niet van volwassenheid en intelligentie om zaken en personen zo te benaderen.


Deze 'volwassen, intelligente en zakelijke' gelovige mensen zouden in hun leven eens slechts eenmaal moeten overdenken van welk niveau en gewicht hun overtuiging en manier van optreden is: de andersdenkende wordt bedreigd met goddelijke straf en verdoemenis. Dit is de kerngedachte die de Winter naar voren wil brengen, maar die de gelovige alweer volkomen overslaat. Ik heb me lange tijd en veelvuldig afgevraagd hoe het komt dat gelovigen deze kritiek van ongelovigen altijd zo voor honderd procent kunnen negeren. Ik ben tot de conclusie gekomen dat dit het beslissende scharnier is waar het geloof aan hangt: iemand die toegeeft dat goddelijke verdoemenis een onwaardig denkbeeld is, en iemand die voor het eerst serieus moet gaan geloven in wat hij gelooft (namelijk dat God mans genoeg is voor zichzelf op te komen) staat gelijk aan iemand die zijn geloof opgeeft. Maar dit geef ik de gelovige mee: bovenstaande conclusie van mij is de moeite van het overdenken waard, en de beloning van dit nieuwe inzicht zal zijn dat uw leven eindelijk vederlicht wordt. Een verademing weer mens te worden! God hoeft men daarbij niet noodzakelijkerwijs op te geven. Ook bij vederlicht zijn kan men best nog n of meer goden verzinnen:


"Nu danst door mij heen een god" geeft Nietzsche's denken in een notendop weer. Het is het tegengif tegen de Geest der Zwaarte, de duivel.
God bestaat niet voor Nietzsche, maar wel goden. Om dit te begrijpen moet men zich net zoals hijzelf verdiepen in de antieke Griekse cultuur. Nietzsche bewonderde de oude Griekse wereld (die van vr Socrates en Plato), of misschien beter gezegd: Nietzsche liet die wereld er in zijn beschouwingen precies zo uitzien als hij als ideaalbeeld voor ogen wilde zien: een topmodel voor filosofie en religie. "De Grieken zagen de Homerische goden niet als meesters, ver boven hen verheven, noch zagen ze zichzelf zoals de Joden dat deden, als dienstknechten, ver beneden de goden. Ze zagen in de goden als het ware de weerkaatsing van de beste exemplaren van hun eigen groep, oftewel hun eigen wezen in ideaalstaat, niet een tegenbeeld van hun eigen natuur." (Menselijk, al te menselijk, 114)

De Griekse goden kunnen ondergebracht worden in twee categorien, het goddelijke dat de 'drang tot leven' verbeeldt (Dionysos) en 'het principe van orde, schoonheid, grenzen' (Apollo). Tot de eerste behoren aspecten zoals extase, hartstochten, grenzeloosheid, verandering, en tot de tweede juist het stellen van grenzen, zoeken naar harmonie, kennis en blijvends. Hun relatie zou men volgens Nietzsche niet als een gevecht tussen tegengestelde krachten moeten zien, maar als een samengaan en in balans houden van het geheel van het bestaan. Het christendom noemt hij monotono-thesme: een eenzijdige belichting van het bestaan en het beletten van een voortdurend nieuw scheppen. Het probleem is volgens Nietzsche dat sinds Socrates (die leerde dat 'rede, deugd en geluk' een soort drie-eenheid zijn: deugd is kennis, zonde komt voort uit gebrek aan kennis, de deugdzame is gelukkig), Plato en het christendom, het Apollonische principe alleenrecht heeft verkregen. Alles wat met de Dionysische kant van het leven te maken heeft werd daarna verworpen, verboden, veracht. Dit is funest voor de cultuur, omdat hoogstaande cultuur juist ontstaat uit een gezonde strijd tussen Dionysos en Apollo, uit de erkenning dat beide noodzakelijk zijn en de erkenning dat het leven niet eenzijdig uitgelegd kan worden, maar een uitleg eenvoudig niet bestaat en ons altoos zal ontglippen. Nietzsche wordt vaak als voorvechter van Dionysos gezien ("een god die danst" is de beeldspraak die hier bijhoort), maar beter is het op te merken dat hij voor 'meergodendom' opkomt, die in harmonie moeten zijn. Hij wil het dualisme opheffen. Hij is slechts voorvechter voor Dionysos omdat een Apollonische god het alleenrecht heeft in zijn maatschappij en dus aangevuld moet worden om tot een betere harmonie te komen.
Wat 'goden' betreft moeten we begrijpen dat we het nu over iets heel anders hebben dan waar we vanwege 2000 jaar christendom mee bekend zijn. Een godheid is voor Nietzsche de onpersoonlijke natuur zelf, of anders gezegd, de mens in al zijn facetten, de mens als perfecte weergave van de natuur, n die gezocht moet worden in vr-bijbelse of na-christelijke tijden. Zij moeten zowel het mannelijke als het vrouwelijke in zich bergen, volkomen aards zijn, geen absolute moraal kennen, opbouwend bezig zijn met de mensheid en eer doen aan wetenschap, volkomen voldoen aan intellectuele eerlijkheid van de mens. Kortom het is de mens die zijn eigen goden 'ervaart' (zelf schept).


Volgens de titel van het hoofdstuk moeten we het over 'lezen en schrijven' hebben! In feite gaan slechts de aanvangszinnen van dit hoofdstuk over het lezen en schrijven. Maar we begrijpen natuurlijk wel dat voor Zarathoestra-Nietzsche het leven gelijk staat aan schrijven en het alles opsomt van de persoon Nietzsche: zijn leven was schrijven om eens door miljoenen gelezen te worden. En niet om maar n van de duizenden boeken te zijn die 'men' leest! Zarathoestra laat weten dat lezen op zich onbenullig tijdverdrijf is. Lezen is niet belangrijk maar het weinige dat van waarde is opnieuw en opnieuw lezen! Alle boeken van Nietzsche zijn in aforistische stijl geschreven. Men zou er elke dag een klein op zichzelf staand stukje van kunnen lezen en het de gehele dag nakauwen, omdat alles afzonderlijk van elkaar staat en veel tot nadenken stemt. Zelfs enkele zinnen (zoals de wereldberoemde eerste zinnen van dit hoofdstuk) zijn vaak al genoeg voor een gehele maaltijd. Nietzsche's schrijven bestaat voor het grootste gedeelte uit 'invallen' die hij opschreef tijdens zijn ellenlange wandeltochten (die hij wegens doktervoorschrift moest maken). Hij laat nu weten dat hij bewust zo schreef, omdat hij uit het hoofd geleerd wil worden! Men zou zo iemand van opscheppen kunnen beschuldigen, maar Nietzsche laat weten dat zijn opmerking niet zomaar uit de lucht komt vallen. Het is niet de vrucht van een opgeblazen persoon, maar hij "schrijft met zijn bloed". Niemand die zijn teksten leest zal uitleg behoeven over de betekenis van deze uitspraak en het ontkennen. Iemand die zich in Nietzsche gaat verdiepen raakt tenminste voor een tijd verslaafd aan Nietzsche-lezen. En mocht je je ooit willen ontworstelen aan zijn gedachten dan is een zeer sterke geest vereist, een geest die tenminste zo sterk is als de in het christelijk geloof ondergedompelde geest die in staat is zich aan dt zielleleven te onttrekken. De christelijke lezer zal het niet ontgaan waarom Nietzsche hier de beeldspraak van het bloed gebruikt.


Uit de brieven van Nietzsche kunnen we veel opmaken over de innerlijke worstelingen waarmee hij te kampen heeft gehad voordat hij zover kwam om de woorden van dit hoofdstuk te schrijven. Twee brieven geschreven negen en vijf jaar vr Zarathoestra geven een buitengewoon goed inkijkje aan wat vooraf is gegaan:


Als je eens wist hoe depressief en moedeloos ik mezelf in het diepst van mijn ziel als scheppend persoon ervaar! Ik zoek niets anders dan een beetje vrijheid, een beetje echte levenslucht en ik verzet me, ja kom in opstand tegen het vele, onbeschrijflijk vele onvrije dat me aankleeft. Van een werkelijk scheppen kan helemaal geen sprake zijn zolang men zich nog niet heeft ontdaan van het onvrije, van het leed en de zwaarte van de bevangenheid: zal ik me er ooit aan ontworstelen? Twijfel en nog eens twijfel. Het doel ligt zo veraf, en heb je het met veel moeite bereikt, dan heb je met het langdurig zoeken en vechten meestal je energie verbruikt: eindelijk ben je vrij, maar je bent zo afgemat als een eendagsvlieg bij avond. Daarvoor ben ik zo bang. Het is een ramp je zozeer bewust te worden van je strijd, op zo'n jonge leeftijd al! Ik kan er geen daden tegenover stellen, zoals de kunstenaar of de asceet. Hoe ellendig en afschuwelijk doet me dat roerdompachtige geklaag vaak aan! - Op dit moment ben ik het allemaal zo zat. Met mijn gezondheid gaat het overigens goed nu, maar ik neem het de natuur kwalijk dat ze me niet met wat meer verstand en een voller hart heeft toegerust - het beste kom ik altijd te kort. Dat te weten is de grootste kwelling die een mens kan overkomen. (Brief aan Carl von Gersdorff, 1 april 1874)


De metafysische verdraaiing van alle waarheid en eenvoud, de strijd met de rede tegen de rede, een strijd die in alles en iedereen een wonder en een onding wil zien, en daar bovenop nog een daarmee overeenkomende kunst van overspannenheid en verheerlijkte mateloosheid -ik bedoel de kunst van Wagner- deze twee dingen waren het die me tenslotte ziek en nog zieker hebben gemaakt. Probeer eens na te voelen in welk een zuivere berglucht, in welk een milde stemming tegenover de mensen die nog in de dampige dalen wonen, ik tegenwoordig leef, meer dan ooit van zins alleen het goede en gedurfde te doen, honderd passen dichter bij de Grieken dan voorheen: tegenwoordig -tot in de kleinste details naar wijsheid strevend- leef ik zelf het leven van wijzen die ik vroeger slechts bewonderde en waar ik toen mee dweepte...Nu schud ik van mij af wat niet bij mij hoort, mensen, zowel vrienden als vijanden, gewoontes, handelingen uit gemakzucht, boeken; ik leef in eenzaamheid, en dat zal de komende jaren wel zo blijven, totdat ik weer als filosoof van het leven, rijp geworden en voltooid, onder de mensen mag (en dan waarschijnlijk moet) komen. (Brief aan Mathilde Maier, 15 juli 1878)