Aldus sprak Zarathoestra




I.8    Van de boom tegen de berg

Zarathoestra zoekt een jongeman op die aandachtig naar hem heeft zitten luisteren maar hem later ontweek. Hij raadt wat de jongen scheelt en heeft een gesprek met hem. De jongeman is als de doorsnee jonge mens: iemand die aan het begin van zijn volwassen leven staat en een geweldig sterke drang heeft het goede te doen, bergen te beklimmen en de hoogte te bereiken. Maar sinds hij deze drang heeft verandert hij zo snel dat hij zichzelf niet meer begrijpt. Hij wil geestelijke grootsheid bereiken, en was zeer onder de indruk van de toespraken van Zarathoestra. Maar nu ontdekt hij in zichzelf kwalijke eigenschappen en gevoelens zoals treden overslaan, eenzaam boven in de kou staan, struikelen en afgunst op Zarathoestra, die op onbereikbare hoogte staat. Hij vraagt zich nu af of het wel zin heeft om naar boven te streven: 'Wat wil ik toch in de hoogte? Wat wil die man toch in de hoogte!'. Hij merkt in zichzelf op dat hij Zarathoestra steeds meer begint te verachten. (Let op hoe Nietzsche zo weer de gedachte van 'ressentiment' uitlegt). Zarathoestra legt weer opnieuw uit hoe de mens in elkaar zit:


Als ik deze boom hier wilde schudden met mijn handen, ik zou er niet toe in staat zijn. Maar de wind, die wij niet zien, pijnigt en buigt hem waarheen hij wil. Wij worden het ergst gepijnigd en gebogen door onzichtbare handen.


Het lichaam als geheel is het evenbeeld van de natuur. Wij zien allerlei onderdelen, maar hebben geen vat op ons geheel. Ons eigen denken en handelen blijft enigmatisch. Daar komt nog het volgende bij:


Hoe meer de boom opwaarts wil in de hoogte en het licht, des te krachtiger streven zijn wortels aardwaarts, neerwaarts, in het duister en de diepte, -in het kwaad.


'Ja, in het kwaad', roept de jongman. 'Hoe is het mogelijk dat jij mijn ziel zo doorgrondt?' Hierop glimlacht Zarathoestra en spreekt hij uit: 'Menige ziel zal men nooit ontdekken, tenzij men haar eerst vindt.' De jongeman wil omhoog, maar begrijpt nog niet dat de sleutel is het doorgronden van zichzelf in al zijn facetten. Een jong mens wil 'het goede', en denkt niets anders dan het goede na te streven. Zijn wereld stort meteen in wanneer hij dan dit kwaad in zichzelf opmerkt. Dan ziet hij zich opeens als geheel kwaad of geheel onbekwaam. De jongeman is al hoog opgeklommen, maar geeft toe dat het hem niet baat. Hij heeft zelfs last van zelfverachting, alsof hij hoog opgeklommen is om de bliksem op te vangen die hem zal vernietigen. (Zarathoestra's leer van het pijn willen veroorzaken uit frustratie, hoofdstuk I.6). Zarathoestra slaat zijn arm om de jongen heen. Ze lopen een tijd stil verder, en daarna probeert Zarathoestra uit te leggen hoe men zichzelf moet leren kennen, men moet inzien dat men is als een boom met takken die tot in de hemel reiken en wortels tot in de hel. Maar de jongeman heeft nog geen vat op zijn hartstochten. Zijn passies zijn nog als de wilde honden in de kelder, als de kluwen slangen. Hij zoekt naar vrijheid, maar is nog niet vrij. Hij is als de leeuw, maar moet nog een lange weg bewandelen voordat hij tot kind wordt. Iedere kameel die zich gevangen weet en in een leeuw verandert staat oog in oog met een groot gevaar: het schrander worden gaat hand in hand met sluwheid en slechtheid. Het navolgen van verheven waarden doet een mens al gauw zich verheven voelen boven een ander. En men ervaart al gauw jaloersheid op iedereen die boven hem uit vliegt. Ook eisen boze driften gehoord te worden, en ze zijn zo slim dit te verpakken onder het mom van recht doen aan vrijheid.


Reinigen moet zich ook nog de bevrijde van geest. Veel gevangenis en slijk is in hem nog achtergebleven: rein moet zijn oog nog worden.


Zarathoestra geeft hem vervolgens een waardevol advies:


Ik ken jouw gevaar. Maar bij mijn liefde en hoop bezweer ik je: vergooi toch niet jouw liefde en hoop! Vergooi toch niet de held in jouw ziel! Hou heilig jouw hoogste hoop!


Hij legt uit dat de jongeman moet blijven geloven in het ideaalbeeld van zichzelf: hij is edel. Een edel mens onderscheidt zich als volgt van de goede mens:


De edele staat ook de goeden in de weg: en zelfs al noemen zij de nobele een goed man, zij willen hem daarmee terzijde dringen. Iets nieuws wil de edele scheppen en een nieuwe deugd. Iets ouds wil de goede man, en dat het oude behouden zal blijven.


Zarathoestra legt uit dat het gevaar voor de edele niet is in een goed mens te veranderen, dwz zijn scheppend vermogen op te geven, maar de hoogste hoop te verliezen vanwege frustratie en wanhoop. De idealen en inspiratie te verliezen en langzamerhand te veranderen in cynisme: een schaamteloos, honend mens. Zo iemand is een vernietiger van alle waarden geworden. Hij leeft ten behoeve van wellust, weet het nog te verdedigen met een kreet "Geest is ook wellust", en verder dan de dag van vandaag weet hij geen doelen meer na te streven. Van zulke mensen zijn alle vleugels van geest afgebroken; zo iemand kruipt slechts bezoedelend rond. Gramschap en gruwel is zijn held.


In hoofdstuk I.10 wordt afgunst nog een keer belicht in een toespraak voor een groep.