Aldus sprak Zarathoestra




I.9    Van de predikers des doods

De predikers des doods zijn alle mensen die met de Geest der Zwaarte rondlopen. We hebben ze al ontmoet als 'hiernamaalsgangers' en als 'verachters van het lichaam'. Predikers des doods lopen overal rond omdat er zoveel oren zijn die er naar willen luisteren. Deze mensen, die blijkbaar geen levenslust hebben, noemt Zarathoestra 'de overtolligen', de 'veel-te-velen'. Hij klaagt ze aan de bedervers van het leven te zijn.
Predikers des doods worden in de volksmond 'gelen' genoemd, of ook wel 'zwarten'. Zarathoestra laat ze nog in andere kleuren zien:
-Mensen die slechts twee alternatieven hebben. Voor hen is het leven f roofdier zijn en vleselijke lusten botvieren, f zelfverscheuring, strenge zelfverloochening. Zarathoestra zegt dat deze mensen nooit mens zijn geworden.
-De teringachtigen van ziel: nauwelijks geboren of ze beginnen al met sterven en hunkeren naar leringen van matheid en berusting. Deze zin doet me denken aan een tekst die ik las van Robert Ingersoll; in Amerika geschreven twee jaar vr Nietzsche's tekst:


Sommige vrome lieden ontdekken af en toe een jongeman met religieuze neigingen, met een lichaam niet ziekelijk genoeg om te sterven en niet gezond genoeg om een vlieg kwaad te doen. Bij hen komt dan de gedachte op dat hij een zeer geschikt orthodox predikant zou kunnen worden. Ze houden dan onderling een collecte en sturen deze jongeman naar een theologische hogeschool, waar hij geleerd wordt een geloofsbelijdenis uit zijn hoofd op te dreunen en het gebruik van het verstand te verachten. (Some mistakes of Moses)


-Mensen die een vreemd samenraapsel zijn van kinderlijk geloven in zoete metafysische onzin, en er tegelijkertijd de draak mee steken. Ze klampen zich vast aan een strohalm, maar spotten met zichzelf dat ze zo dom zijn zich aan een strohalm vast te houden.
-Mensen die letterlijk prediken dat het leven louter lijden is. Indien het geen leugen is adviseert Zarathoestra hen hun leer in de praktijk te brengen door zelfmoord te doen.
-"Hun pad kruist een zieke, een grijsaard, een lijk; en meteen zeggen zij:'Het leven is weerlegd!'" is een zinspeling op het verhaal over Boeddha.
-'Wellust is zonde' (Jakobus 1:14,15) is ook een tak van predikers des doods. Varianten hiervan zijn de kreten 'baren is moeizaam, waartoe nog baren', en 'men baart slechts ongelukkigen'.
-'Mededogen is nodig', dwz men moet berusten in het lot, het leven passief aanvaarden zoals het is. 'Men moet zich niet hechten aan het leven' is de begeleidende kreet die men voor wijs wil laten doorgaan. Zarathoestra geeft hierop als commentaar: 'Slecht zijn - dat zou voor hun ware goedheid zijn.'
-Er is nog een vorm van prediking des doods, n die moderne mensen bekender in de oren zal klinken: mensen die opgaan in arbeid, het snelle, nieuwe en vreemde. Het zijn mensen die geen raad met het leven weten en zichzelf verdrinken in deze uiterlijke zaken. Mensen die vluchten voor het leven en zichzelf niet willen ontmoeten.


Overal klinkt de stem van hen die de dood prediken: en de aarde is vol van hen aan wie de dood gepredikt moet worden. Of 'het eeuwige leven': dat is mij om het even - als ze maar snel opkrassen!


Dit is Zarathoestra's bijtende eindcommentaar. De prediking des Doods is een synoniem voor het evangelie, want het evangelie heeft vanaf het begin 'het eeuwige leven' verkondigd (bijv. Joh. 10: 27, 28, Rom. 6: 23) en leer van het eeuwige leven ontstaat uit haat tegen het aardse leven. De toevoeging dat ze maar moeten opkrassen doet wellicht zeer agressief aan. Om het te begrijpen moet men zich verdiepen in de Victoriaanse maatschappij waar Nietzsche in leefde. Lees weer een tekst van Ingersoll, waarin hij zijn tijd beschrijft:


Er zijn enkele geestelijken die in staat zijn onafhankelijk te denken en zich als vrije mensen te handhaven, maar dit zijn uitzonderingen. De meesten zijn gedwongen zich aan de voorschriften van de orthodoxie en de overledenen te onderwerpen. Ze bekleden immers geen ambt om hun eigen gedachten te spuien, maar moeten slechts de gedachten van anderen herhalen. Zij mogen twijfels die bij hen opkomen nooit uitspreken. Men eist van hen dat ze op het dorre pad dat het verleden eens in onwetendheid insloeg, blijven doorlopen. De bossen, de velden aan elke kant van de weg hebben geheel niets voor hen te betekenen. Zij mogen niet kijken naar de purperen heuvels in de verte, zij mogen niet stilstaan om naar het murmelen van het beekje te luisteren. Ze moeten blijven lopen op de stoffige weg waarlangs allerlei verkeersborden staan. Hiertoe behoren richtingwijzers zoals "de zondeval", "uitdrijving uit de hof van Eden", "het schema der zaligmaking", "de wedergeboorte" "de boetedoening", "de zaligheid der verlosten", en "de ellende der verlorenen". Ze moeten er zeer voor oppassen ooit zelf een richtingaanwijzer te plaatsen. Voor de zekerheid kan men het beste altijd de uitspraken van reeds lang gestorvenen aanhalen. Hoe levendiger zij het lijden beschrijven van hen die nog niet tot het geloof behoren, van hen die schouwburgen bezoeken of dansgelegenheden, of wijn drinken in zomertuinen op zondag, van hen die aan priesters ongehoorzaam zijn, des te geslaagdere predikanten ze zullen zijn. Zij moeten aantonen dat ellende de goeden geschikt maakt voor de hemel en voorspoed de slechten voor de hel voorbereidt; dat de bozen hier al het goede en de goeden hier al het kwade krijgen; dat God op aarde slechts hen kastijdt, die Hij liefheeft, en in het hiernamaals degenen die Hij haat; dat het geluk ons hier, maar niet in de hemel slecht maakt; dat pijn ons hier, maar niet in de hel goed maakt. Het komt er niet op aan hoe tegenstrijdig dit alles aan ons verstand moge toeschijnen, het moet slechts gepredikt en geloofd worden. Indien het geloof redelijk zou zijn zou er immers geen deugd om te geloven bestaan! Afpersers en zondaars geloven tenslotte ook in het redelijke. Het wordt de vrome en oprechte christen dus als verdienste aangerekend geheel losstaand van bewijs te geloven.
De geestelijken moeten vanwege hun ambt afstand doen van alle verstandelijke vermogens en aantonen dat wij God nooit welgevallig kunnen zijn, dan met de bekentenis dat wij arme, door zonde bedorvene, nietige aardwormen zijn, dat wij nooit geboren hadden moeten worden en dat wij het eigenlijk verdienen verdoemd te worden; dat onze zucht ons te vermaken schandelijk is, dat het liefhebben van onze vrouw en kinderen meer dan God al even schandelijk is; dat onze eventuele eerlijkheid slechts gebaseerd is op de slechtste beweegredenen en dat wanneer we het lef hebben te twijfelen aan de inspiratie van de Joodse Geschriften, we wel heel diep gevallen zijn. Kortom, zij moeten afstand doen van alle prettige wegen waarlangs schaduwrijke bomen groeien, ze moeten de velden en bloemen vervloeken en het kaf en het onkruid verheerlijken. Zij moeten zoveel mogelijk kwaadspreken over dat boze volk dat in groene valleien woont, bij opwellende bronnen zit, dat lacht en maar zijn gang gaat zoals het hun goeddunkt. Ze moeten steeds wijzen op de gevaren van vrijheid van gedachten, ze moeten de zekerheid van absolute gehoorzaamheid ophemelen, de ondeugd van filosofie en de deugd van geloof, de arrogantie van de wetenschap en de reinheid van de onwetenden altijd aantonen. (Some mistakes of Mozes, hoofdstuk 1)