Een uitleg van Aldus sprak Zarathoestra




II.1    Het kind met de spiegel

Het eerste hoofdstuk van deel twee van Aldus sprak Zarathoestra bevat veel van de elementen waar deel 1 mee begon, oa vele toespelingen op het evangelieverhaal.
Zarathoestra zoekt alweer de eenzaamheid op en gaat weer terug naar het gebergte en zijn grot. Maanden en jaren trekken weer voorbij, maar deze keer valt het Zarathoestra niet mee te genieten van de eenzaamheid. Hij had zich voorgenomen om stil te wachten op het ontkiemen van het zaad dat hij uitgezaaid had, maar moet er grote moeite voor doen om zich aan die belofte te houden. Hij had nog zoveel te geven, maar had zijn discipelen niet alles kunnen geven omdat ze er nog niet aan toe waren (vgl. Johannes 16: 12: "Ik heb jullie nog veel meer te zeggen, maar jullie kunnen het nog niet verdragen."). Ondertussen loopt hij over van de passie nog veel meer van zijn wijsheid rond te strooien, zijn wijsheid die maar voortdurend groeit (een zinspeling op Lucas 2: 52: "Jezus groeide verder op en zijn wijsheid nam gestaag toe."). Zijn basisgevoelens kunnen in één frase beschreven worden: een overstelpend gevoel van geluk, een zaligheid mensen lief te hebben, zowel zijn volgelingen als zijn tegenstanders. Het is als een stroom van liefde die de berg afrolt en de wereld van de mensen wil bevochtigen (vgl. Johannes 4: 14: "Het water dat ik geef zal in hem die het drinkt een bron worden waaruit water opwelt dat eeuwig leven geeft.")


Nieuwe wegen ga ik, een nieuwe spraak komt over mij; als alle scheppers ben ik oude tongen moe geworden. Niet langer wil mijn geest op stukgelopen zolen lopen.


Zarathoestra impliceert verhuld de bron van levend water te zijn en de kracht van de heilige geest, die 'in onbekende talen' doet spreken (Marcus 16: 17, Hand. 2: 1-4). Hij staat te popelen om deze nieuwe geest te laten zien, om de wereld te bestormen met ongekende kracht: "machtig zal zij haar storm over de bergen blazen" (een toespeling op Johannes 20: 21, 22: "Na deze woorden gesproken te hebben blies hij over hen en zei: Ontvang de heilige Geest"). Misschien aarzelt Zarathoestra om zijn nieuwe wijsheden rond te strooien ten dele omdat hij inziet dat zijn nieuwe gedachten nog jong zijn, en dus gemakkelijk als dwaas zullen overkomen.


Mijn wilde wijsheid werd drachtig op eenzame bergen, op ruwe stenen baarde zij haar jong, haar jongste. Nu loopt zij doldwaas door de barre woestijn en zoekt en zoekt naar zachte weidegrond. Op de zachte weidegrond van jullie harten, mijn vrienden!


Zarathoestra's tegenstanders, dwz de christenen, zullen denken dat de Boze over hun hoofden raast. Hij moet geduld betrachten totdat hij precies weet hoe hij aan zijn gedachten vorm zal geven. Al zijn gedachten hebben niets met het kwaad te maken maar vinden juist hun inspiratie in eigen 'donderbuien van smart'. Juist al het lijden om zich heen is de arts geweest die hem genezing schonk. Dezelfde verlossing die hij nu proeft wil hij iedereen aanbieden.


In deel 1 verliet Zarathoestra het meer van zijn geboortestreek, en zocht hij de oneindige zee van het denken. Nu merkt hij op dat zijn nieuwe wijsheid weer tot een meer geworden is, dwz geheel rond één basisgedachte cirkelt -"een meer dat zichzelf genoeg is", dwz de gedachte aan de autonome mens, de mens die zich niet meer overgeeft aan metafysisch geloof en niet meer passief wacht op verlossing van boven, maar die zelf door scheppen en willen de Bovenmens bereikt.


Waar hij in deel 2 het meest mee bezig is, is het probleem van het lijden en de verlossing ervan. In deel 1 is het probleem van het lijden niet veel aan bod gekomen. Voor het merendeel liet Zarathoestra een beeld zien dat de mens zélf al zijn lijden uitvindt, en dat men er van bevrijd wordt door metafysica maar weg te doen uit het leven:


Wat gebeurde er met mij? Ik overwon mijzelf, de lijdende, ik droeg mijn eigen as bergop, een helderder vlam dacht ik uit. En zie! Toen week het spook van mij! (I.3)


Later in I.7 schrijft hij alsof al dit lijden al ver achter hem ligt, en hij er huizenhoog boven staat:


Wie de hoogste bergen bestijgt, lacht om alle treur-spel en treur-ernst.


In hetzelfde hoofdstuk kijkt hij neer op mensen die tegen geen enkel stootje kunnen. En in I.9, het hoofdstuk Van de predikers des doods, hekelt hij alle leringen die het leven zien als lijden, zwaar en zorgelijk. Hij gaf als oordeel dat deze mensen als zwakkelingen te beschouwen zijn. In deel twee komt er echter een grote verandering in toon. De deur van Zarathoestra's eigen lijden gaat wijd open. Maar de gedachte blijft dat uit het overwinnen van eigen lijden de grootste gelukzaligheid komt. En door dit overstelpende gevoel van geluk wordt Zarathoestra nu opgezweept. "Ik wil mijn wildste paard bestijgen". De zee waar hij nu naar verlangt is de mensenmassa om zich heen. Zijn allesdoordringende gedachte -het overwinnen van de erbarmelijke mens- eist een prediking ervan voor de gehele wereld ("Ga op weg en maak alle volken tot mijn discipelen", Mt. 28: 19). Zarathoestra heeft er moeite mee dat alles in de wereld zich maar zo traag ontwikkelt. Hoe graag zou hij veranderingen in het denken van mensen willen versnellen.


Uiteindelijk doet zich aan Zarathoestra een voorwendsel voor als gevolg waarvan hij kan besluiten dat het nu tijd is om opnieuw naar de mensen af te dalen. In deel 1 was het de uitbundig schenkende zon, die hem ertoe deed besluiten, maar ditmaal is de aanleiding het tegendeel: een nachtmerrie. Op een morgen ontwaakt Zarathoestra uit een nare droom. In de droom loopt een kind op hem af dat hem een spiegel voorhoudt. Kijkend in de spiegel ziet hij een duivelse, honend lachende tronie. Zonder er lang bij na te denken is de betekenis van deze droom voor hem duidelijk: zijn leer onder de mensen is verdraaid en verkracht. "Onkruid wil tarwe heten" (toespeling op Matth. 13: 24-30: "Het is met het koninkrijk van de hemel als met een mens die goed zaad op zijn akker uitzaaide. Terwijl de mensen sliepen, kwam zijn vijand onkruid tussen het graan zaaien en vertrok weer."). Vanwege het werk van zijn vijanden schamen zijn discipelen zich nu voor zijn leer. Honderdvijfentwintig jaar na deze uitspraak kan men moeilijk de gedachte vermijden dat Nietzsche de komende Nazileer -voornamelijk een grove ongenuanceerde interpretatie van deel 1- voorzag, en nu in deel twee en drie opnieuw moet optreden, in een naoorlogse wereld die geen geloof meer heeft in de Bovenmens. "Verloren gingen mijn vrienden; het uur is gekomen om mijn verlorenen te zoeken!" (vgl. Lucas 19: 10: "Want de Mensenzoon is gekomen om te zoeken en te redden wat verloren was").


Ik schrijf dat Zarathoestra een voorwendsel vindt, want zijn uitleg van de droom is toch ook enigszins verdacht. De meest voor de hand liggende uitleg zou natuurlijk geweest zijn dat het kind in de droom het beeld is voor waarheid spreken, dwz de droom riep Zarathoestra op de waarheid over zichzelf te zien. Zijn uitleg is des te meer verdacht omdat het eerste deel eindigde met Zarathoestra's oproep om hem maar te vergeten, en het uitdagen van zijn discipelen om hun eigen waarheid uit te vinden, zelfs hem tegen te spreken. Later in deel 2 zullen we zien dat Nietzsche het beeld van 'tronie' (of 'masker') steeds terug laat komen, en Zarathoestra wel degelijk ook de andere betekenis van de droom onderkent (zie II.19). Vanaf hoofdstuk 9 zullen steeds meer de vragen centraal staan Wat is wijsheid? Wat staat aan de basis voor ieders denken? en uiteindelijk Wie is toch Zarathoestra? Deel 2 en vooral deel 3 is dan ook steeds meer een inkijk in de worstelende persoon van Zarathoestra zelf dan een serie nieuwe leringen die een hoogverheven Zarathoestra aan welwillende luisteraars onderwijst.