Een uitleg van Aldus sprak Zarathoestra




II.10    Het Danslied

De volgende dag, bij wijze van spreken, loopt Zarathoestra weer opgewekt met zijn discipelen rond in het bos, tegen de avond stuit hij op een prachtige open plek in de natuur, en ziet hij een groep meisjes dansen in de wei. Zodra de meisjes hem aan zien komen staken ze de dans, er aan gewend zijnde dat heiligen het nooit zo op dansen hebben. Maar Zarathoestra gebiedt ze door te gaan, en zegt een vriend te zijn van lieftallige meisjes met schone enkels. Voor hem is juist lichtvoetig dansen goddelijk, en de Geest der Zwaarte de duivel. Hij geeft toe dat hij voor de meisjes een donker bos is en een nacht van donkere bomen. Nietzsche laat hier weten dat hij nooit echt een langdurige liefdesrelatie heeft kunnen opbouwen, aangezien niemand hem begrijpt. Maar onder de donkere bomen van Zarathoestra vindt men ook rozengaarden. Men moet zich niet laten afschrikken door de eerste indruk. In Zarathoestra's tuin ligt dicht bij de bron zelfs Cupido, de god van het verliefd worden, die de meisjes het liefst is. Bij Zarathoestra ligt hij echter lui te sluimeren, stil, met zijn ogen dicht. Hij heeft teveel gejaagd op vlinders, een zinspeling op de liefdesrelatie met Lou Salomé, die hij net achter de rug heeft.


Zarathoestra stelt voor dat de meisjes gaan dansen. Hij zal dan een spotlied op de Geest der Zwaarte improviseren, op "de vorst dezer wereld" (een uitdrukking die Jezus gebruikte om de duivel mee aan te duiden).


Het danslied is een amusant gesprek tussen hemzelf en zijn Grote Liefdes, het Leven en de Wijsheid. Er heerst een driehoeksverhouding, via het vorige hoofdstuk begrijpt Zarathoestra het. Toen hij gisteren zat te broeden op het leven, kwam hij er niet uit, zag hij -de hoogvlieger- zich uit de lucht vallen de diepe, donkere, koude oceaan in, waar hij steeds dieper in wegzonk. Maar de vreemde ervaring van het leven is dat op het moment dat men het leven ondoorgrondelijk noemt, en in depressiviteit verzinkt, het leven ingrijpt:


Maar jij haalde me op met een gouden hengel; spottend lachte je toen ik jou ondoorgrondelijk noemde.
'Zo praten alle vissen', sprak jij. 'Wat zij niet doorgronden is ondoorgrondelijk. Doch wispelturig ben ik slechts, en wild en in alles een vrouw, en bepaald geen deugdzame: ook al noemen jullie mannen mij 'diep', of 'trouw', 'eeuwig', 'geheimzinnig'. Jullie mannen bedenken ons altijd weer met jullie eigen deugden - ach, deugdzamen!'


Merk op dat Zarathoestra hier het leven als de vrouw omschrijft, en de persoon die het leven wil begrijpen als de man. Hij schijnt zich zelfs te vergissen door het leven 'ons' en niet 'mij' te laten zeggen, alsof hier alle vrouwen aan het woord zijn. Voor Nietzsche was de vergelijking tussen het leven en de vrouw wel zeer geknipt, aangezien zijn werk, de filosofie, het doorgronden van het leven, letterlijk zijn grootste liefde was. Zarathoestra geeft er meteen blijk van dat de uitspraak van het Leven over de man wat hem betreft juist is: hij zegt het niet te geloven wanneer het Leven kwaad over zichzelf spreekt en lacht over zichzelf. De man heeft Wijsheid uitgevonden om het leven te doorgronden, en kiest instinctief voor de Wijsheid (geboren uit eenzijdige klemtoon op Rationaliteit).
Opeens spreekt de Wijsheid van Zarathoestra onder vier ogen een woordje met hem. Ze is boos, omdat ze heeft opgemerkt dat Zarathoestra in werkelijkheid het Leven meer lief heeft dan de Wijsheid:


'Jij wilt, begeert, hebt lief, daarom alleen prijs je het leven!'


De Wijsheid wil de hoogste liefde hebben, volgens haar is het Leven de hoogste liefde niet waard. De Wijsheid is zelfs uitgevonden omdat het leven als zodanig het niet waard is de hoogste liefde te ontvangen.
De waarheid over het Leven is echter dit: Zarathoestra, net als ieder ander mens, heeft boven alles het Leven lief, dwz de allergrootste waarden voor de mens zijn het willen, begeren en beminnen, niet de Wijsheid. Wijsheid staat op het tweede plan. Wijsheid kan men af en toe zelfs onder de Geest der Zwaarte rangschikken. Zarathoestra laat weten dat hij haar bijna boos deze waarheid recht in het gezicht had gezegd, maar hij houdt zich in, dwz ziet in dat het geen nut heeft de Wijsheid die naakte waarheid over zichzelf te vertellen, want ze zal het toch niet begrijpen. In plaats daarvan verontschuldigt hij zich door op te merken dat Leven en Wijsheid zoveel op elkaar lijken; het is moeilijk ze altijd apart te houden. Ook de Wijsheid heeft een gouden hengel waarmee zij een mens omhoog kan vissen. Het verschil tussen Wijsheid en Leven is dat het eerste altijd bezig is kaf van koren te scheiden, maar het laatste begrip allesomvattend is. Het Leven maalt niet om Wijsheid. Ze vraagt zelfs guitig: leg eens uit wat Wijsheid is?, alsof ze er nooit over gehoord heeft. Zarathoestra probeert er uitleg van te geven, maar het lukt niet erg. Of ze mooi is weet hij niet, hij kan slechts zeggen dat de oudste karpers er nog voor warm lopen. Hij kan ook zeggen dat menigeen van verlangen ernaar in brand staat, maar dat het verlangen nooit bevredigd wordt. Soms denkt men de Wijsheid aan de haak geslagen te hebben, maar dan merkt men al spoedig op dat ze weer door het net weggeglipt is. Ook is de Wijsheid een vrouw die vanwege de realiteit van het Leven nogal vaak tegenslag te verwerken heeft en wier haren vaak tegen de vleug ingekamd worden. Dus wie weet is zij ook maar een gewone, niet-perfecte vrouw, wispelturig, boos en vals, wie weet behoort zij ook tot de Geest der Zwaarte, maar -zoals iedere man weet van vrouwen- zij is juist het verleidelijkst wanneer ze niet zo deugdzaam is, dwz wanneer Wijsheid sceptisch, zoekend is.


Het Leven wil niet van Wijsheid horen. Ze geeft plagend als commentaar dat Zarathoestra slechts over haarzelf sprak, en hij op zijn woorden moet passen: te zeggen dat het Leven boos en vals is, is niet zoals het hoort. Ze vraagt nu wel eens te willen weten wat Zarathoestra's persoonlijke Wijsheid is. Maar Zarathoestra's mond is gesnoerd. Hij heeft geen repliek meer, maar verzinkt in de gedachte dat het Leven ondoorgrondelijk is. En wanneer zijn lied uit is, de meisjes verdwenen zijn, en de zon ondergegaan, wordt hij weer bedroefd.


Iets onbekends omringt mij en kijkt me peinzend aan.


Zarathoestra moet nu erkennen dat er iets is wat hij nog niet onder de knie heeft, iets wat hij nog moet leren, iets wat hem tot nu toe ontgaan is, iets waar hij geen vat op heeft. Hij heeft zich tot nu toe slechts beziggehouden met Wijsheid, alsof alles daar om draait. Maar het leven is groter, anders, het blijft voor hem nog steeds ondoorgrondelijk. Wijsheid brengt een mens niet aan de eindstreep. Hij schaamt zich ervoor nog steeds met dit probleem te zitten:


Waarom? Waarvoor? Waardoor? Waarheen? Waar? Wat? Is het niet dwaasheid nog te leven?
Ach, mijn vrienden, het is de avond die mij zo doet vragen. Vergeeft me mijn droefheid!
Avond is het geworden: vergeeft mij dat het avond werd!


Net als in het vorige hoofdstuk brengt alweer de avond helder zicht tot op de bodem van het leven. Zarathoestra blijft nu zitten met vragen waar hij geen antwoord op heeft. Hij verontschuldigt zich ervoor, wellicht omdat hij er tenslotte tien jaar in eenzaamheid op een berg zijn best voor had gedaan om het allemaal te doorgronden en de antwoorden te vinden, en omdat hij de vermetelheid had daarna van die berg af te dalen en een prediker te worden die de mensheid de weg wilde wijzen. Hij zou het allemaal moeten weten nu, maar opeens staat hij in zijn zielige hemd: de illustratie dat het Leven hem -de volmaakte leermeester- doorweekt van het water van wanhoop, en te uitgeput om nog tegen te spartelen, met een gouden hengeltje opviste, is wellicht de enige humor die we in het gehele boek te lezen krijgen, maar daarom des te meer indruk makend.