Een uitleg van Aldus sprak Zarathoestra




II.11    Het Graflied

Het vorige lied had als optimistische titel 'Het Danslied', maar het bleek uiteindelijk een naargeestige dans te zijn. Het was de bedoeling van Zarathoestra een spotlied op de Geest der Zwaarte te maken, maar in plaats daarvan verviel hij zelf in de Geest der Zwaarte en spotte het Leven met hem. De Geest der Zwaarte in Zarathoestra's eigen leven moet hij in dit hoofdstuk nu recht in de ogen kijken. Hij moet erkennen hoe het haar stempel ook op zijn leven, zijn gehele denken en doen, legt.
Weer is Zarathoestra volkomen alleen. Hij blikt nu terug op zijn leven en het resultaat is een 'Graflied', net als het 'Nachtlied' een lied zonder andere luisteraars dan hijzelf. Hij overziet nu zijn jeugd, en merkt op hoe het gegaan is. Eens was zijn ziel liefde, zijn ziel hunkerde naar vrede, naar licht, naar schoonheid. Als klein kind was zijn gehele wezen vol van verwondering over het grootse en bijzondere van het leven. Zijn gedachten waren vol grootse en fantasievolle gezichten. Het was zalig te leven door de menselijke geest vrij te laten dartelen met het goddelijke, door het goddelijke overal te vinden waar hij maar mee bezig was, waar hij ook maar naar keek en over dacht. Zijn wezen was als een zangvogel, een wezen dat voortdurend in alle onschuld de mooiste klanken voortbracht.


Ach, wij waren voor elkander geschapen, o lieflijke vreemde wonderen; en niet als schuchtere vogels kwamen jullie tot mij en mijn begeerte - nee, als vertrouwenden tot een vertrouwende!


Terugkijkend naar deze vroege jeugd ziet Zarathoestra een wezen dat geschapen was voor trouw (aan het leven) en tedere eeuwigheden, en ziet hij goddelijke blikken en ogenblikken.
Maar met het opgroeien stierf dit alles. Al deze dingen werden hem ontrouw. Maar niet omdat dit levensgeluk van hem wegvluchtte, nee, zij werd hem afgenomen. Hier krijgen we de diepste reden te horen voor Zarathoestra's optreden, voor zijn gehele denken en persoon: het christelijk geloof dat men van kindsaf opgedrongen krijgt, schiet daarom zo sterk wortel omdat het onder de namen Goed, Schoon, Perfect, Edel, Juist, Waar opereert. Dwz zij doet het voorkomen alsof zij het logische equivalent is van de wonderwereld waarin een kind van nature wil leven, de uiting van alle grootse zaken waar een jong mens in al zijn onschuldigheid naar hunkert. Maar in werkelijkheid is de religie een instrument om te doden. In werkelijkheid komt de religie voort uit boosheid, wrok, depressiviteit en haat, en heeft zij tot doel alles wat mooi en onschuldig is te bezoedelen:


Om mij te doden wurgde men jullie, o zangvogels van mijn hoop! Ja, op jullie, o innigst geliefden, schoot de boosheid steeds haar pijlen af - om mijn hart te treffen!
En ze troffen doel! Jullie waren immers steeds mijn liefste ding, mijn bezit en mijn bezeten-zijn: daarom moesten jullie jong en al te vroeg sterven!
Op het kwetsbaarste dat ik bezat, schoot men zijn pijlen af: dat waren jullie, wier huid is als dons en méér nog als de glimlach die sterft voor een blik!


Het kind staat met een glimlach in de wereld, maar de godsdienst vertelt met strenge blik dat het kind zondig is. Als jong mens had Zarathoestra een grootse kijk op het leven. In zijn reinheid had hij gezegd: 'Goddelijk zullen alle schepselen voor mij zijn!' De christelijke godsdienst vertrapte dit mooie denkbeeld en veegde er de vloer mee aan. "Toen overvielen jullie mij met vuige spoken", dwz vertelde men hem dat de wereld geregeerd wordt door satan, en vol zit met duivelen en demonen. 'Alle dagen zullen heilig voor mij zijn', had hij eens gezegd, dwz het hele leven wilde hij zien als een feest. Niets daarvan! En men vertelde hem zoveel schaduwkanten van het leven dat hij er 's nachts niet door kon slapen. En wanneer voor de godsdienst een dag heilig is mag men helemaal niets doen, die dag wordt juist tot een kwelling gemaakt in plaats van een feest. 'Alle walging beloofde ik eens te verzaken'. Toen hij opgroeide probeerde Zarathoestra met het gebruik van zijn verstand, met eigen denken antwoorden te vinden, om toch steeds maar te trachten het leven te blijven omhelsen en lief te hebben. Maar toen zorgde de godsdienst er meteen voor hen die hem na en het naast stonden in etterbuilen te veranderen, dwz toen zijn familieleden (zuster en moeder) dit opmerkten, moesten ze er niets van hebben. Omdat zijn denken niet volgens de overgeleverde religie was, veranderden zij in etterbuilen. Zijn eigen weg gaan was een worsteling, een krachtsinspanning die alles van hem vroeg. "Toen ik mijn zwaarste taak volbracht en de triomf van mijn overwinningen vierde: toen lieten jullie hen die mij liefhadden uitroepen dat ik hen het meest pijnigde." De religie die zich opwerpt de Enige Ware en Unieke Godsdienst te zijn maakt het onmogelijk universele eenheid en liefde en harmonie in de wereld te ervaren. De uitkomst is precies het tegengestelde: fanatisme, tegenstellingen, verdeeldheid, verbittering, onbegrip. 'Ach, waarheen is toen mijn edelste belofte [walging uit te bannen] gevloden?'
Zarathoestra zei als blinde zijn weg te begaan in het leven, dwz zonder uiteindelijke antwoorden, zonder overtuigingen van 'dit is de waarheid'. Zo'n overtuiging wordt niet geboren uit verlangen ernaar, uit arrogantie of zelfzucht. Het is namelijk bepaald niet wat een mens het liefst zou willen. Het wordt een mens slechts aangedaan: een ontwikkeld mens wordt er in het leven toe gedwongen door zijn intellect. Maar de godsdienst gooide drek op zijn weg: "Hier is de Unieke Enige Waarheid, je moet erin geloven of je gaat verloren". Zo werd het leven van Zarathoestra hem tot walging. Zo deed de godsdienst steeds maar weer: Zarathoestra's beste honing en de vlijt van zijn beste bijen werd door haar voortdurend vergald. In hem leefde milddadigheid, maar de christelijke godsdienst buitte deze eigenschap van mensen brutaal uit. Medelijden werd door haar uitgeroepen tot hoogste deugd, en het resultaat is dat alle ongeneeslijk schaamtelozen eeuwig hun lusten kunnen botvieren en het geloof in milddadigheid zonder ophouden kunnen kwetsen. Zo werkt de godsdienst er aan mee dat de mooiste overtuigingen op een gegeven moment omkeren in haat ertegen.


En legde ik mijn heiligste bezit als offer neer: dadelijk plaatste jullie vroomheid daarnaast haar vettere gaven: zodat in de walm van jullie vet nog smoorde wat mij het heiligst was.


Hier wordt geduid op een aspect van het geloof dat iedere gelovige kent: men mag zich totaal nergens op beroemen. Wij mensen zijn alleen, niets anders dan, en totaal zondig. Zelfs wanneer we het heiligste wat we hebben opgeven als offergave, wordt hierover tevreden te zijn nog afgedaan als zonde van arrogantie en eigendunk. Op dezelfde manier wordt alle blijdschap in het christelijk geloof meteen omlaag getrokken: "En eens wilde ik dansen zoals ik nog nooit had gedanst: over alle hemelen heen wilde ik dansen." Zoiets mag niet, wanneer de mens zich opwerkt tot de hoogste regionen van extase heeft hij de verlossing van het goddelijke bloedoffer niet meer nodig, zoiets moet dus altijd ontraden worden: "Toen lokten jullie mijn liefste zanger weg. En hij hief een naargeestige doffe melodie aan; ach, hij toeterde als een sombere hoorn in mijn oren!" Waarschijnlijk verwijst Nietzsche in deze beeldspraak naar Wagner, de kunstenaar die hij boven alle anderen waardeerde, maar die zich op zijn oude dag tot het christelijk geloof aangetrokken voelde (waaruit Parsifal ontstond), en zo een streep trok door alles wat Nietzsche zo hoog had gewaardeerd in hem. Voor Nietzsche was enkel de kunst (hij noemt het hier 'de dans') het middel om het leven ten diepste te verstaan. "En nu is mijn hoogste gelijkenis ongesproken in mijn leden blijven steken! Ongesproken en onbevrijd bleef mijn hoogste hoop!"

In het voorgaande heb ik als boosdoener steeds de godsdienst aangeduid. Zarathoestra spreekt echter van 'jullie', dwz van de aanhangers van de godsdienst die hij om zich heen heeft gehad. Ik heb deze 'jullie' echter expres door 'de godsdienst' vervangen, omdat wij in een tijd leven waarin op alle mogelijke manieren de christelijke godsdienst verdedigd wordt door alles wat eraan mankeert in de schoenen van de aanhangers te schuiven, alsof de aanhangers niet in de eerste plaats geďnspireerd worden door de leer van de godsdienst, en alsof de godsdienst op zichzelf iets geheel anders is. Het is een waangedachte te denken dat de leer van het christendom iets anders is dan wat de godsdienst van alle eeuwen in de praktijk heeft opgeleverd. De christelijke godsdienst leert ook zelf dat de kerk het werk van de Heilige Geest is en dat je de boom herkent aan zijn vruchten.


Zarathoestra's klacht in dit hoofdstuk is opmerkelijk aangezien het de eerste keer is dat hij over zijn vijanden bitter klaagt, terwijl hij eerder klagen in de regel neerzette als laf, zielig en beneden de maat. Klagen past in het geheel niet bij zijn eerdere rol als held en bij zijn heldhaftig optreden en zijn overal boven staan. Zijn klagen laat duidelijk niet slechts de verdorvenheid van zijn vijanden (of zijn vijand godsdienst) zien, maar vooral ook hoe gevoelig en broos hijzelf als kind was. Hij was vroeger bepaald niet zelfgenoegzaam (autonoom) en sterk. Hij was een breekbaar mens zoals wij allemaal zijn op jonge leeftijd, terwijl de godsdienst voor ons als kinderen optreedt als onoverwinnelijke draak. In een confrontatie van twee zó ongelijken is het geen wonder dat een mens later bitter en boos hierover is.


Als conclusie schrijft Zarathoestra:


Gestorven zijn alle gezichten en vertroostingen van mijn jeugd!


De gevoelens die Nietzsche hier weergeeft hebben miljoenen mensen in hun eigen leven op talloze manieren ondervonden. Ikzelf beschreef deze gevoelens (voordat ik Nietzsche ooit gelezen had) op deze manier in hoofdstuk 13:


De uitspraak "De Bijbel is het enige boek dat hem wijst hoe de mens zichzelf in overeenstemming met zijn persoonlijkheid vervullen kan" [uitgesproken door een evangelist], slaat me nu ik boven de 40 ben in het gezicht. Hoe kan iemand het je volledig overgeven en laten inpakken door een boek dat duizend antieke leerstellingen opdringt in overeenstemming laten zijn met de vervulling van je eigen persoonlijkheid? Er is niets dat ik in mijn leven zo sterk gevoeld heb als dit: mijn persoonlijkheid is volkomen tegenovergesteld aan de godsdienst die mij opgedrongen is. Zoals evangeliepredikers altijd weer laten zien begint het christelijk geloof met 'hoe iemand van zijn schuld bevrijd kan worden'. Er is niets dat zó indruist tegen mijn eigen persoonlijkheid als dit basisgegeven. Er vált namelijk niets te verzoenen tussen mij en God. Ik heb de God die deze wereld gemaakt heeft lief, en wil in deze wereld liefdevol handelen en denken. En als ik daarbij een steekje laat vallen, dan doet dit helemaal niets af aan dit basisgegeven. Een mens houdt innig van zijn hond, terwijl hij best weet dat die hond af en toe kan bijten. En dan moeten we geloven dat God tot zo'n onvoorwaardelijke liefde niet in staat is? Dat wij bij God in schuld staan omdat wij als mens in de wereld zijn geboren? Deze gedachte dat liefde totaal geen voorwaarden stelt draag ik in me vanaf mijn allervroegste jeugd; het is mijn diepste innerlijk. Het licht schijnt in mijn eigen innerlijk, en de bijbel heeft in mijn leven niets anders gedaan dan het proberen uit te doven en vies te maken. Het christelijk geloof maakt van zowel God als de mens een afzichtelijk gedrocht, en verdraait het menselijk leven tot het toppunt van onnatuurlijkheid.


Hier een andere tekst die goed illustreert hoe de vrome godsdienst altijd slechts zwart-wit denken propageert, en op die manier altijd bezig is met viesmaken, het caricaturiseren van alles wat niet geheel in overeenstemming met haar eigen opvattingen is:


Eeuwenlang was de Jezus-gestalte gezaghebbend. Zijn leven van overgave aan God, van gebed, van opofferende en vergevende liefde, zijn wezen vol reinheid, edelmoedigheid en deemoed was een algemeen erkend ideaal. Maar nu -en dat is het nieuwe, het grote gebeuren van het laatste decennium [de zestiger jaren]- is een andere macht aan de horizon opgerezen, die Jezus en zijn overheersende invloed verdringt. Het is een macht waarvan de komst al 2000 jaar geleden voorzegd is voor de tijd van het einde van de wereld. Haar symbool is de gestalte van een vrouw: de 'grote hoer', de 'hoer van Babylon' genaamd. Wat is het kenmerk van deze gestalte? Zij draagt het tegenbeeld van de wezenstrekken van Jezus Christus, de samenvatting van al wat rein, edel en goed is. De hoer van Babylon geeft de mens het tegenovergestelde te drinken. "Zij had in haar hand een gouden beker, vol gruwelen en de onreinheid van haar hoererij". Daarmee brengt zij de mens in een roes en tot bezetenheid, vol hartstochtelijke begeerte naar onreine en schandelijke bevrediging van hun sexuele lusten.

... Zo wil men, ofschoon men zich nog christen noemt, een maatschappij opbouwen in de geest van Karl Marx, de godloochenaar en hater van God. Zonder het zelf te begrijpen baant men daarmee de weg voor de antichrist. (Uit "Voor het eerst sinds de kerk van Jezus Christus bestaat", Basilea-Schlink in 1970)


Zarathoestra bekijkt zijn achterliggende leven en ziet al zijn mooie dromen, gezichten en verschijningen van zijn jeugd viesgemaakt en in stukken en brokken op een dodeneiland liggen. Hij wil zijn schone onschuld gedenken, er van tijd tot tijd een altijdgroene krans des levens naartoe brengen. Wanneer hij eraan denkt snuift hij een zoete geur op, een geur die bevrijdt van eenzaamheid, tranen en droefheid van het hart. Hij vraagt zich af hoe hij de aanslag die de godsdienst op hem gepleegd heeft toch heeft overleefd, toch heeft verdragen. 'Hoe stond mijn ziel weer op uit deze graven?' Het antwoord dat hij vindt heet zijn wil. Zwijgzaam gaat de eigen wil onveranderd zijn eigen gang. De eigen wil van de mens is bikkelhard, het geeft nooit toe, het is onkwetsbaar, onvernietigbaar, ontembaar, het is zo sterk dat het rotsen doet springen (ook 'het huis dat op een rots gebouwd is'!). 'Onkwetsbaar ben ik enkel aan mijn hiel'. Weer een verwijzing naar Genesis 3:15, de beroemde uitspraak van God dat de mensheid de slang zijn kop zal vermorzelen, nadat de slang hen in de hiel zal bijten (zie Voorrede 6). Zarathoestra keert de uitspraak om: het boze leven beschadigt hem op alle mogelijke manieren, maar zijn hiel is iets dat nooit gebeten zal worden, dwz hij is volkomen immuun voor het venijn van het christelijk geloof. Zijn hiel is zijn eigen wil, en die is onkwetsbaar.


In jou (mijn wil) leeft ook nog het onbevrijde van mijn jeugd; en als leven en jeugd zit je vol hoop hier op vele grafruďnes.
Ja, jij bent de verbrijzelaar van alle graven: heil jou, mijn wil! En enkel waar graven zijn, daar zijn opstandingen.


We zien hier het omgekeerde van het Danslied: Het Danslied kondigde vreugde aan, maar eindigde in treurnis. Maar de toon van het lied met de donkerste titel komt juist op iets optimistisch uit. Uit het graf ontstaat de opstanding. Verlossing is niet iets dat via een offer van buitenaf gebracht wordt en moet worden aangenomen (christelijk denken), maar wat in een mens als geboorteschat aanwezig is: Zarathoestra vindt de wil van de mens als sleutel tot de geestelijke opstanding, dwz het voortdurend levenskracht vinden om het leven weer opnieuw tegemoet te gaan. Hij zal hier in het volgende hoofdstuk nog uitgebreider op in gaan.


De drie liederen in II.9-11 zijn een tocht naar het ware innerlijk van Zarathoestra. Ze laten onverwacht zien wat een hoop eraan vooraf ging voordat Zarathoestra een prediker werd. Zij laten zien dat de tocht naar zin en doel en antwoorden vooral een tocht is waar de mens op zoek is naar zijn eigenlijke ware ik. Men moet worden wie men in wezen is, dwz men moet de meest ondraaglijke realiteit onder ogen zien en op zijn schouders durven nemen: Zarathoestra erkent zijn eigen broosheid en imperfektie. Hij heeft verdriet en ervaart gevoelens van bitterheid, agressiviteit, wraak, wanhoop. Maar met behulp van zijn ijzeren wil, de eerste natuur van de mens, de natuur die aangeboren is en daarom onvervreembaar is, denkt hij hiervan verlost te zullen worden. De wijsheid die Zarathoestra via dit intermezzo van drie liederen opdeed is essentieel vóór hij het volgende hoofdstuk kan openen.