Een uitleg van Aldus sprak Zarathoestra




II.12    Van de zelfoverwinning

De drie vorige hoofdstukken van introspectie brachten Zarathoestra op de donkerste plekken in zijn eigen innerlijk. Uiteindelijk overwon hij zichzelf, namelijk
1) met behulp van het ingrijpen van het leven zelf, alsof het Leven een onafhankelijke eigen wil heeft; hij werd automatisch uit de oceaan waarin hij steeds dieper wegzonk opgehengeld met een gouden hengel in hoofdstuk II.10; en
2) in hoofdstuk II.11 ontdekte hij de individuele wil die de motor is van al het menselijk leven.
Pas nu hij deze nieuwe inzichten heeft gekregen kan hij zich tot de grootste wijzen richten om ze te beleren. Wie die grootste wijzen zijn zullen we later overpeinzen.


De grootste wijzen zeggen allemaal geïnspireerd te worden door 'de wil tot waarheid'. De waarheid te vinden, daar gaat het om, hoor je ze allemaal zeggen. Zarathoestra lacht hierom: in werkelijkheid heeft hun bezigheid weinig of niets met waarheid van doen, maar is hun gehele optreden slechts 'een wil tot macht' (over anderen) in vermomming. Zij gaan daarbij als volgt te werk: iedere zaak, ieder probleem wordt bij wijze van spreken van dertig kanten bekeken, dwz de waarheid wordt eerst op alle mogelijke manieren denkbaar gemaakt. Dit dient om de intelligentie van de grootste wijzen uit te stallen. Vervolgens worden 29 geopperde zienswijzen met redenaties die alweer de intelligentie van de grote wijze ten toon stelt, geschrapt, en wel om juist uit te komen op datgene wat voor de wijze al waarheid was voordat hij aan de gehele onderneming begon. Waar de grootste wijze mee bezig was, was heel eenvoudig het gladstrijken van alles om het overeenkomstig zijn eigen geest te laten zijn, het onderdanig maken van alles aan zijn eigen geest. Waarheid is dat wat de menselijke geest weerspiegelt, wat men voor waar wíl houden. De grootste wijzen scheppen zich hun wereld zó, dat die te vereren is, zij er zelf voor knielen kunnen. Tenslotte wordt deze wil van de sterksten aan de minder sterken opgelegd. Het volk dient slechts als stroom waarop het bootje van de wijsten drijft. Het volk doet niets anders dan het bootje laten drijven en het in de tijd verder brengen, terwijl de grootste wijzen in het bootje elkander praal en pracht en fiere namen geven. Wat het volk meent te moeten verstaan onder 'goed en kwaad' is niets anders dan een oude sterke wil die ooit eens opgelegd is aan het volk. De stroom kan weinig of niets doen wat gevaar voor het bootje oplevert; haar golfslag, zelfs schuimkoppen of zelfs een storm, kan het bootje niet deren. Het enige dat een bootje met de opgelegde wil kan laten zinken is de menselijke wil zelf, namelijk een sterkere wil dan de opgelegde wil. Zo zal ieder mens gehoorzamen aan de wil die door een sterkere wordt opgelegd, totdat zijn eigen wil zich sterker voelt, of totdat zijn leven erdoor bedreigd wordt. Dan rijst opeens een tegenwil op die de opgelegde wil tracht te overtreffen of omverwerpen. De waarheid over het leven is dus dat het helemaal niet gaat om de waarheid, maar slechts om een strijd tussen uiteenlopende willen.


Om het nog beter uit te leggen geeft Zarathoestra vervolgens drie levenswetten:
1. Overal waar leven is, is sprake van gehoorzaamheid.
2. Hij die niet zichzelf kan gehoorzamen, zal door anderen bevolen worden.
3. Bevelen is zwaarder dan gehoorzamen.
De laatste levenswet kan men beargumenteren via verschillende redeneringen: bevelen staat gelijk aan het op de schouders nemen van de last van allen die eraan gehoorzamen, en hieraan kan men gemakkelijk bezwijken; bevelen is ook een proef, een waagstuk, iets waar grote risico's aan kleven, men stelt zichzelf ermee in de waagschaal. De derde levenswet bevat nog een bijkomende levenswet: Zelfs wanneer men zichzelf beveelt zal men nog voor zijn eigen bevelen moeten boeten. Zo zal een getrouwd man wanneer hij verliefd wordt op een ander zichzelf kunnen bevelen om er niet aan toe te geven (als gevolg van een hem opgelegde wil die hij gehoorzaamt), waarna zijn innerlijk hem dáárvoor de bittere rekening zal presenteren, óf hij zal ervoor zwichten en dan het slachtoffer van zijn eigen wet worden. Van zijn eigen wet wordt men dus dan weer rechter, dan weer wreker en dan weer slachtoffer. Zo komt Zarathoestra op de volgende allesoverkoepelende levenswet:


Hoe komt dit toch! zo vroeg ik me af. Wat noopt het levende te gehoorzamen en te bevelen en terwijl het beveelt nog gehoorzaamheid te betrachten?
Hoort mij nu aan, o grootste wijzen! Weegt ernstig af of ik in het hart van het leven gekropen ben, en tot op de bodem van zijn hart!
Waar ik een levend schepsel vond, daar vond ik een wil tot macht; en ook in de wil van de dienaar nog vond ik de wil tot heersen.


In het leven gaat het dus niet om de waarheid, maar om heersen. Voor zover men ergens de baas over kan zijn beveelt men, voor zover men niet de baas kan zijn gehoorzaamt men. Het sterkere overreedt het zwakkere altijd tot dienen, en het zwakkere zoekt nóg zwakker om over te heersen. De lust van het heersen is groter dan alle andere lusten. Het kleinere geeft zich over aan het grotere, opdat het grotere bevrediging van zijn lust beleeft. En zelfs het allergrootste geeft zich nog ergens aan over, namelijk zet zijn eigen leven op het spel. Het grootste geeft zich over aan een spel met de dood, dwz het beveelt zo veel, treedt met zoveel macht op, dat het een waagstuk en gevaar is dat men veelal met de dood zal moeten bekopen.


En waar opoffering en diensten en liefdesblikken zijn: daar is ook de wil tot heersen. Daar dringt langs sluipwegen de zwakkere de burcht en zelfs het hart binnen van wie machtiger is - en steelt macht.


Deze laatste gedachte spreekt niet alleen over liefdesrelaties, maar is ongetwijfeld ook een opmerking aan het adres van Jezus en de dienaars van het christelijk geloof. Het 'ik dien, jij dient, wij dienen' legt Zarathoestra in deel 4 uit als de slimme maar verachtelijke manier van macht uitoefenen die in het christelijk geloof hoogtij viert. De aaneenschakeling van gradaties in wilssterkte maakt uiteindelijk een cirkel, waarin de zwakste weer een bepaalde wil tot macht heeft die de sterkste wil weer kan overtroeven: hij doet het via een heimelijke, verborgen wil tot macht. De zwakste wil gehoorzaamt ogenschijnlijk aan al het andere, maar weet in zijn innerlijk wegen te vinden om zich de grootste heerser te wanen. Het is bovenal de religie die zich er uitstekend voor leent om het instrument van de zwakke te zijn waarmee hij of zij de gehele realiteit kan omkeren.


We kunnen nu de 'grootste wijzen' identificeren: zij die hun eigen waarden aan alle anderen willen opleggen en zover gaan daar zelfs hun leven voor in de waagschaal te stellen. En welke mensen zijn het die zover zullen gaan?


Voorwaar, waar ondergang is en het vallen van bladeren, zie, daar offert leven zich op - voor macht!


Waar het diepste lijden is ontstaat de sterkste wil. Waar het meest zieke is, daar zijn de grootste hartstochten. Waar men zich het meest bedreigd voelt ontstaat de sterkste wil om de omgeving de baas te zijn. Men leze voor dit alles opnieuw I.6.


Het gaat hierbij niet zozeer om te overleven, want er is veel dat men hoger acht dan het leven. En het gaat ook niet altijd om de sterkere wil van een ander die men gebroken wil zien: zelfs dat wat wijzelf eens voor waarheid hebben uitgeroepen wordt door onze wil uiteindelijk weer tot vijand uitgeroepen. Het gaat in het leven uitsluitend om vermeerdering van macht. Er is aan de ene kant dus een individuele wil tot macht, één die Zarathoestra aan het eind van het Graflied deed uitroepen dat hij niet klein te krijgen is. En er is aan de andere kant een universele levenskracht, de "kosmische wil tot macht", waaraan ieder individu onbewust gehoorzaamt. De definitie van het Leven is "dat wat altijd zichzelf overwinnen moet". Deze kosmische wil tot macht is het automatisch ingrijpen van het leven, de gouden hengel waarmee Zarathoestra in het Danslied opgeheven werd; vandaar dat de mens soms zijn eigen kromme wegen niet kan volgen en het leven ondoorgrondelijk noemt:


Dat ik strijd en worden en doel en tegenspraak van doelen moet zijn: ach, wie mijn wil raadt, raadt ook wellicht welke kromme wegen hij moet bewandelen! Wat ik ook schep en hoe innig ik het ook liefheb, -alras moet ik tegenstander hiervan en van mijn liefde zijn: zo wenst het mijn wil.


Het gaat in het leven niet om waarheid, maar om eindeloos stromen, en het eindeloos opvoeren van macht. Waarheid wordt niet 'ontdekt', maar gecreëerd door de wil tot macht. Waarheid en kennis zijn slechts een pad, een voetafdruk, in dienst van de vermeerdering van macht. Dit is de oplossing van het raadsel van het hart van zelfs de grootste wijze. Een altoos vaststaande waarheid bestaat niet, eeuwig goed en kwaad bestaat niet, het zijn allemaal slechts instrumenten waarmee wij macht uitoefenen. En de wet van het leven zegt dat alles altoos zal blijven verder stromen, nooit wordt de absolute waarheid, het absolute goed en kwaad uitgevonden. Er is een eeuwige drang tot vermeerdering en perfectie van macht. Daarom zijn alle waarden tijdelijk en veranderlijk. Iedere sterkste macht zal eens weer gebroken worden door een nog sterkere scheppende macht. Dus iedere hoogste waarde heeft ooit eens een andere hoogste waarde omver gegooid. Dus ieder hoogste goed is ooit eens een hoogste kwaad geweest! Het hoogste scheppende goed is altijd het hoogste kwaad gezien vanuit het oude hoogste goed, daarom is strijd onvermijdelijk. Aan de andere kant zou men kracht en troost kunnen putten uit de gedachte dat het verdriet van gebroken dromen omgezet kan worden in het scheppen van iets wat de vroegere dromen overschaduwt. Dromen gaan onvermijdelijk stuk, maar even onvermijdelijk is het ontstaan van nieuwe gezichten.


Wanneer Zarathoestra de grootste wijzen neerzet als de mensen met de grootste wil tot macht, beseft hij natuurlijk wel degelijk dat hijzelf hierbij aan de top staat. Hij wil de gehele wereld een nieuw denken opleggen! Het is daarom geen wonder dat Nietzsche op het eind van zijn leven uiteindelijk gekweld werd door grootheidswaanzin. In zijn "de Antichrist" ging hij zelfs zover een nieuwe jaartelling in te voeren: het jaar van de publikatie van zijn boek zou het nieuwe jaar 1 zijn! Zijn ziekte deed gedachten die hij diep in zijn binnenste jarenlang gevoeld en onderkend had en zoveel mogelijk zorgvuldig geweerd had, opeens openlijk tevoorschijn komen.
Natuurlijk herkent ook de schrijver van Volwassen Geloof zich in deze beschrijving van zichzelf als 'wil tot macht', en staat hij er elke dag bij stil om zich te bezinnen op wat hij ziek en wat gezond moet noemen in zichzelf. Hoewel de waarheid die Nietzsche hier aanbiedt niet bepaald flatteert, is blind te zijn voor de wil tot macht erger: alle verzwegen waarheden worden giftig. Het is niet gemakkelijk om mens te zijn.

Bij "de Wil tot Macht" moet men in geen geval eenzijdig aan (politieke) machtswellust denken. Het begrip is eenvoudig de definitie van de kern van alles wat leeft. In "Voorbij Goed en Kwaad" geeft Nietzsche een korte maar zeer heldere definitie van deze term: "Boven al het andere wil iets levends zijn kracht ontladen - het leven is de wil tot macht" (§ 13). In de Wil tot Macht geeft Nietzsche in § 657 een andere zeer verhelderende definitie van dit begrip: "Wat is passief? - verhinderd worden op de weg vooruit te gaan; dus een kwestie van weerstand en reactie. Wat is aktief? - het trachten te verkrijgen van macht". In § 656 lezen we: "De wil tot macht kan zichzelf slechts laten zien waar weerstand bestaat; het zoekt daarom dat wat weerstand biedt", en vervolgt met het geven van een voorbeeld via oerleven: "dit is wat een protoplasma doet wanneer het haar pseudopodia uitstrekt en daarmee de omgeving bevoelt [zie link]. Aan zich toeëigenen en in zich opnemen is bovenal het streven naar beheersing van de omgeving, het vormen en hervormen ervan, totdat uiteindelijk dat wat men beheersen wil geheel is overgegaan tot de machtssfeer van de agressor en het de agressor heeft vermeerdert..." Anders gezegd: wil tot macht is het streven van al wat leeft naar maximale ontplooiing. De kern van wat Nietzsche wil zeggen is dat het in het leven ten diepste niet om zelfbehoud gaat (zoals velen hebben opgemerkt), maar bovenal om het streven naar groter, krachtiger, hoger, meer. Zelfbehoud is slechts één van de consequenties van de wil tot macht, dus een afgeleide grootte, evenals voortplanting.