Een uitleg van Aldus sprak Zarathoestra




II.13    Van de verhevenen

Dit hoofdstuk geeft een interessante aanvulling en draai aan het vorige. Uit het vorige hoofdstuk zou men gemakkelijk de conclusie kunnen trekken dat het in het leven dus om brute kracht gaat en de grootste heldhaftigheid. Maar Zarathoestra legt nu uit dat dit een misvatting is: er is zelfs voor de held een nog hogere traptrede die hij klimmen moet. Voor de held is het schone het allermoeilijkst. Schoonheid staat boven ruwe kracht. De hoogste macht is zelfs willoosheid, dwz volkomen te vertrouwen op het leven, het leven goed te durven noemen, het leven te willen zoals het is. Zoiets lukt juist niet voor de persoon die zijn zinnen steeds richt op het bewust vergroten van fysieke of geestelijke macht. Dit hoofdstuk brengt ons weer terug op de gedachte van 'tot kind worden' uit Zarathoestra's eerste redevoering, waarin hij de hoogste traptrede van het menselijk bestaan als volgt omschreef:


Onschuld is het kind, en vergeten, een nieuw beginnen, een spel, een uit zichzelf wentelend rad, een eerste beweging, een heilig ja-zeggen.
Ja, voor het spel van het scheppen, mijn broeders, is een heilig ja-zeggen van node: zijn willen wil de geest, zijn wereld verwerft zich de wereldverzaker. I.1


Zarathoestra begint dit hoofdstuk met een blik op één kant van zijn bestaan, de kant die dit bovenstaande juist tegenspreekt. Hij noemt deze kant van het bestaan, die ook ergens in de diepten van zijn eigen geest te vinden is, "een guitig gedrocht", dwz een lachwekkende wangestalte. Hij bekijkt dit gedrocht vanuit zijn ziel, dwz vanuit de kant van zijn bestaan dat zich op een veel hoger niveau bevindt. Hoewel Zarathoestra het gedrocht opmerkt als iets algemeen menselijks, iets wat men in iedereen in zekere mate aantreft, doet hij zijn best ervoor het in zichzelf niet te honoreren, het als een raadsel op de achtergrond te laten. Vandaag echter kwam hij het gedrocht in levende lijve tegen, dwz in de vorm van een persoon die dit gedrocht had gevoed en opgekweekt. Hij ontmoette 'een verhevene' en geeft hem deze kenmerken: een plechtig man, een boeteling van de geest. Dus tot de wijsten te behoren, staat in onze cultuur gelijk aan het opdoen van ernst, plechtstatigheid, gewichtigheid. En men verkrijgt juist deze attributen, omdat men 'geleerd zijn' en 'wijsheid opdoen' ziet als een woest gevecht met het leven. Geleerdheid en wijsheid zijn als een jachtbuit, en de jager, op zoek naar de hoogste wijsheid, kan men zien rondlopen met gerafelde kleren en zich aan hem vastgeprikte doornen. Boeteling van de geest doet ons meteen denken aan een vroom religieus mens en/of asceet. Dit wordt nog enigszins versterkt door de beeldspraak van de doornen, die meteen aan de lijdensgeschiedenis van Jezus doet denken. Maar het gaat wellicht tever wanneer men hieruit leest dat Nietzsche nu met name Jezus of de vroomsten op het oog heeft. Met een boeteling van de geest zou Nietzsche ook de grootste wetenschappers op het oog kunnen hebben, die in de loop van de eeuwen de overvolle fantasiewereld van het bijgeloof ontmaskerd hebben. Hoe seculier denken schrale wijsheid kan opleveren zullen de volgende hoofdstukken (II.14-19) duidelijker maken). De verhevenen worden in dit hoofdstuk niet wijs genoemd, maar ook niet afgebeeld als eigen roem zoekend. Blijkbaar gaat het hier om oprechte waarheidzoekers, en ook waarheidvinders, maar mensen die toch onvruchtbaar blijven. Zarathoestra moet er om lachen dat men zulke gestaltes 'verhevenen' noemt. De verhevene heeft nog nooit een enkele roos aan weten te bieden, hij heeft slechts somberheid opgedaan. Hij is dan wel als held uit de strijd tevoorschijn gekomen, maar wat is er nu zo verheven aan een onverslagen dier? Daar staat hij nu gehavend en op zijn hoede en klaar om als een woeste tijger de volgende sprong te maken. Zarathoestra zegt dat deze verschijning niet naar zijn smaak is. Weliswaar kan men tegenwerpen dat er over smaak niet te twisten valt, maar dit gezegde is volgens Zarathoestra de allergrootste onzin die men ooit bedacht heeft, want het leven is juist niets anders dan twisten over smaak, dwz alles draait om wegen, weegschaal en weger.


Pas wanneer de verhevene in zou zien dat hij zichzelf opgeblazen heeft en er niets werkelijk groots en verhevens aan zijn gestalte is, zou er enige schoonheid in hem opbloeien. Wanneer iemand zijn eigen kleinheid, zieligheid en zotheid inziet verdwijnen de schaduwen uit het leven en zal de zon voor hem gaan schijnen, dwz juist dan zal zijn eigen grootsheid tevoorschijn komen.

Maar nu laat de verhevene juist het tegengestelde beeld zien. Omdat hij voor zijn opgedane geleerdheid en wijsheid (lees: ernst en somberheid) ook nog hoog gerespecteerd wenst te worden, en hij nooit genoeg respect opmerkt, wordt hij ook gekenmerkt door de begrippen verachting en walging. De objecten van verachting en walging zijn voor de 'boeteling des geestes' altijd de mensenwereld en het leven. 'Het bestaan is verdorven', 'de mens is gevallen' is eeuwenlang de hoogste wijsheid geweest en godsdienstige axioma's. Zarathoestra noemt dit de Geest der Zwaarte, ook wel de erfzonde.


Het is Zarathoestra er niet om te doen deze (waarheids)strijders als negatief af te schilderen. Hij zegt zelfs de nek van een stier lief te hebben, en prees de strijder ook al in I.10. Maar het gaat niet om vechten, het gaat om het opgedane resultaat. Het vechten moet niet slechts tot doel hebben raadsels op te lossen, maar ook om te verlossen, om hemelse kinderen te baren. De hoogste traptrede van wijsheid ligt in het zonder naijver zijn (dus geen vijanden meer hebben), in het glimlachen, in de schoonheid (de harmonie van alles).


Maar juist de held valt het schone het allerzwaarst. Onbereikbaar is het schone voor iedere heftige wil.
Stilstaan met slappe spieren en uitgespannen wil: dat valt jullie allen het zwaarst, o verhevenen!
Wanneer macht genadig wordt en afdaalt in het zichtbare: schoonheid noem ik zulk afdalen.
En van niemand wens ik zozeer als juist van jou schoonheid, o geweldenaar: laat je goedheid jouw laatste zelfoverweldiging zijn. Tot alle kwaad acht ik jou in staat: daarom wens ik van jou het goede.


Zarathoestra heeft bewondering voor de strijder in het leven, en verachting voor diegene die zich goed waant, maar een slappeling met lamme poten is. Het gaat Zarathoestra er hier dus niet om de verhevenen af te wijzen of zich er smalend om te vermaken, maar om ze aan te sporen nog één traptrede hoger te klimmen: ja-zegger tegen het leven te worden, op het punt te komen waarop een mens zegt dat zijn wil overeenkomt met zoals alles is. Het stilstaan, het willoos ervaren en overal de schoonheid op te merken is de hoogste traptrede van het bestaan, is de uiteindelijke verlossing van de mens. Het moge duidelijk zijn waarom: op dat punt heeft de mens het goddelijke geproefd, is de mens aan de goden gelijk geworden. Merk op hoe Nietzsche hier dicht bij het denken uit het verre oosten komt.


Dit hoofdstuk laat goed zien wat de juiste manier is om zichzelf te overwinnen. Kracht en kennis alleen is niet voldoende. 'Wil tot macht' zonder zicht op het allerhoogste levert slechts dieren, zelfs monsters op. Het gaat erom 'de wil van het kind', daadwerkelijke verlossing te vinden.