Een uitleg van Aldus sprak Zarathoestra




II.14    Van het land der beschaving

In de hoofdstukken II.14-18 wordt de veelkleurige wijsheid van de moderne wereld nader onder de loep genomen. Achtereenvolgens worden 'culturelen' (dit hoofdstuk), 'fundamentalistische gelovigen' (II.15), 'geleerden' (II.16), 'dichters' (II.17), en 'revolutionairen' (II.18) ten toon gesteld, een bont gezelschap dat op weg is naar de Nachtmerrie van het Nihilisme (II.19). Het daaropvolgende hoofdstuk (II.20) houdt zich bezig met de vraagstelling of er verlossing mogelijk is. In dat hoofdstuk komt Zarathoestra tot de ontdekking dat hijzelf ook midden in dit nihilisme zit, en niet verlost is.


Aangezien Zarathoestra het probleem ook in zichzelf onderkent is hij in deze hoofdstukken niet in de eerste plaats bezig ze de les te leren, dus de leraren te beleren, maar vooral met het stellen van de diagnose van hun ziekte. Hij laat zien wat er aan hen mankeert. Zijn redevoeringen zijn geen aanval op scholing, wetenschap en streven naar wijsheid op zich, maar het aanduiden van gebreken aan en misvattingen omtrent deze zaken.


Dit hoofdstuk begint met de opmerking dat Zarathoestra in zijn geest zover de toekomst ingegaan is (=zijn tijd vooruit is) dat hij geen enkele binding meer heeft met de tegenwoordige wereld waarin hij eigenlijk leeft. Hij moet daarom bewust 'teruggaan' om zelfs door de meest progressieve mensen begrepen te kunnen worden. In Ecce Homo merkt Nietzsche over zijn boek Voorbij goed en kwaad op dat het met dezelfde gedachte geschreven is: Zarathoestra kijkt zover vooruit dat hij gedwongen moet worden weer terug te keren om te bezien wat er om hem heen zich allemaal afspeelt. En wanneer hij dat doet schiet hij in de lach, op dezelfde manier als wij dat zouden doen wanneer we ons opeens onder middeleeuwers zouden bevinden. Het komische van de vroegere tijden is dat men altijd alles met zekerheid dacht te weten, maar in werkelijkheid helemaal niets wist. Men had van 'geloven' een synoniem van 'zeker weten' gemaakt. Het komische van de moderne tijd is precies het omgekeerde: dat men zoveel echte wetenschap heeft opgedaan en als gevolg daarvan juist niets meer weet en nergens meer in gelooft. Alle voorbije eeuwen, alle culturen, tijdperken, landen, volkeren, zeden en godsdiensten, gaan aan ons voorbij en worden door ons gadegeslagen, bestudeerd en gemeten en gewogen. Het resultaat is dat we eruit zien als een schilderspalet met alle kleuren (verg. de stadsnaam 'De Bonte Koe' uit deel 1). We zijn overladen met allerlei verfklodders, maar het ontbreekt ons aan onze eigen kleur, ons eigen gezicht. Onze moderne wijsheid leert ons dat er helemaal geen wijsheid bestaat, dat alles slechts relatief is, tijdelijk, voortkomend uit onweten en waanideeën, sleur en gewoonte, irrationaliteit, angst en wensdromen. Er bestaan geen absolute waarheden. En dat wat wij 'werkelijkheid' noemen staat gelijk aan 'geen geloof en geen bijgeloof', het staat gelijk aan dit geloof: "Alles is waard dat het te gronde gaat". We noemen ons Realisten, en zijn er trots op, maar daar is totaal niets groots en moois aan. Men heeft een zeer hoge dunk van zichzelf, maar merkt in het geheel niet op hoe schraal, leeg en steriel dit bestaan zonder geloof, zonder idealen is.


Onvruchtbaren zijn jullie, daarom ontbreekt het jullie aan geloof. Wandelende weerleggingen zijn jullie van het geloof zelf.


De moderne mens is niets anders dan een omverwerper van alle geloven. Het staat gelijk aan iemand die van beroep sloper is, en nog nooit van bouwen heeft gehoord. En voor zover hij nog ergens in gelooft is het lachwekkend. Menigeen van de moderne beschaafde mensen ziet maar al te goed hoe mager zijn ribbenkast is en merkt op:


'Zou een god me niet stiekem iets ontvreemd kunnen hebben toen ik sliep? Welzeker, precies genoeg om er een vrouwtje mee te boetseren! Wonderbaarlijk is de armoe van mijn ribbenkast!'


Zarathoestra neemt hier de dominees van zijn tijd op de korrel die in alle ernst nog het tweede scheppingsverhaal uit de bijbel voor waarheid lieten doorgaan. Maar in onze tijd hebben velen nieuwe naieve manieren gevonden om aan het onderwijs van de bijbel of de godsdienst op zich vast te kunnen houden. 'Gnostiek' is het toverwoord voor de postmoderne mens dat allerlei godsdienstige waan een air van geloofwaardigheid geeft.


Lachwekkend vind ik jullie, o mannen van het heden! En vooral wanneer jullie over jezelf verwonderd zijn!


Zarathoestra geeft als alternatief weer zijn stokpaardje: het gaat om scheppen, en de schepper moet altijd in iets geloven, hij moet aan geloven geloven! Zarathoestra heeft verder weinig tegen de modern geschoolde mens te zeggen: "Wat maakt het me uit als zelfs kevers en waterjuffers nog op mijn bundel neerstrijken! Hij zal daardoor beslist niet zwaarder worden!" Het enige waar Zarathoestra moeite mee heeft is zijn eenzaamheid:


Waarheen moet ik nu nog klimmen met mijn verlangen [naar de Bovenmens]? Van alle bergtoppen kijk ik uit naar vader- en moederlanden. Maar een thuis vond ik nergens. Vreemd en bespottelijk zijn voor mij de mannen van het heden, naar wie zo kort geleden nog mijn hart me dreef; en verdreven ben ik uit vader- en moederlanden.


Zarathoestra maakte slechts enkele jaren tevoren als filoloog nog deel uit van het gewichtige universitaire leven. Hij trok zich er zelf uit terug, maar nu schrijft hij dat het voelt alsof hij eruit verdreven is. Zijn gedachten pasten niet in het voorgeschreven stramien. Op zijn eenzaamheid vindt Zarathoestra slechts één antwoord: hij moet zich richten op de toekomst, op het land van zijn kinderen, dwz op zijn eigen denken en optreden. Zarathoestra is er heilig van overtuigd dat de gehele toekomst op zijn denkbeelden zal berusten en de wereld hem ooit eens zal begrijpen en navolgen.


Aan mijn kinderen wil ik goedmaken dat ik het kind van mijn vaderen ben.


Deze uitspraak laat zien hoezeer Zarathoestra zich schaamt voor de mensheid waarin hij geboren is, en zich schaamt voor zijn eigen voorvaderen, gecultiveerde dominees, die alles predikten waar hij zich voor schaamt, die alles voorstonden wat hem tegen de borst stuit. Het enige wat hij kan doen is zoveel mogelijk goed te maken wat zijn voorvaderen verkeerd deden, zich volkomen inzetten om van de mensenwereld iets totaal anders te maken. En voor zover hij in zijn eigen tijd moet leven, leeft hij (in zijn geest) het heden van de toekomst. Nietzsche komt hier met gedachten die in hun grootsheid niet te overtreffen zijn. Gedachten die slechts in het brein van een uitzonderlijk genie of van een echte gek kunnen leven. In religieuze termen gesproken staat dit denken gelijk aan het besef een Profeet te zijn. Maar nog verder zullen deze gedachten zich ontwikkelen. In de volgende hoofdstukken zullen ze nóg vergroot worden, of -vanuit een ander gezichtspunt bekeken-, nóg godslasterlijker worden, namelijk door Zarathoestra neer te zetten als de Eersteling die over de brug naar de toekomst gaat, die de Brug naar de toekomst zelf bouwt en daarbij als Offer ten behoeve van de gehele wereld ten onder gaat. Dit hoofdstuk laat al de eerste glimp zien van de parallel die Nietzsche op het oog heeft met het verhaal over Jezus: zoals Jezus de verschrikking van de dingen die komen moesten in Gethsemané intens voorvoelde, zo kijkt Zarathoestra in de openingszin een verre toekomst in en wordt hij bevangen door afgrijzen.