Een uitleg van Aldus sprak Zarathoestra




II.15    Van de onbevlekte kennis

Vele commentators hebben dit hoofdstuk niet begrepen. Men denkt dat Nietzsche hier de naar objektieve kennis zoekende wetenschappers aanspreekt. Dit hoofdstuk staat echter boordevol met religieuze zinssneden en beeldspraak. De titel van dit hoofdstuk laat ons meteen aan overtuigde religieuzen denken. (Het dogma van de onbevlekte ontvangenis is de lering die pas in de 19e eeuw door de Katholieke kerk werd uitgevonden, dat de moeder van Jezus, Maria, zonder erfzonde geboren werd. Voor religieuze 'denkers' was dit noodzakelijk voor het zondeloos zijn van Jezus, die ook al 'onbevlekt' geboren is.) Zarathoestra spreekt in dit hoofdstuk dus alle fundamentalisten aan, alle 'bijbelgetrouwe christenen' die 'onbevlekte kennis' (=ware en zekere kennis) van God en over het leven denken te hebben. Vandaar ook dat Zarathoestra -ongetwijfeld met een tikkeltje spot in zijn ogen- in de vorm van een gelijkenis predikt. Hij daagt de vroomgelovigen die zo gewend zijn in gelijkenissen toegesproken te worden (Jezus' manier van prediken) uit erachter te komen waar hij wel niet allemaal op doelt in de woorden van dit hoofdstuk. Dat dit hoofdstuk niet kan slaan op wetenschappers, maar juist op christenen, wordt vooral duidelijk uit de terminologie van seksualiteit die Nietzsche als zweep gebruikt. Walter Kaufmann noemt dit a mismatch of message and metaphor, want voor de wetenschappers slaat deze metafoor nergens op, maar het is geheel uitgesloten dat Nietzsche zoiets zelf ook niet zag. Weinig schijnen de meeste commentators over de wereld van de vroomgelovigen te weten, voor wie geen enkel woord van dit hoofdstuk onduidelijk blijft!


De hoofdaanklacht is dat de christenen de representanten van de Zon, dwz God, menen te zijn (in navolging van Paulus noemen christenen zich 'Ambassadeurs van/voor Christus'), maar in werkelijkheid het niet verder brengen dan een schimmig maanlicht te verspreiden. De maan doet alsof hij de zon is, maar hij is schuw, katachtig, werkt alleen 's nachts, dwz in het geheim, met een geweten dat het daglicht niet kan verdragen. De maan staat in het traditionele denken ook voor het vrouwelijke. In de beeldspraak van Zarathoestra ziet hij de maan hier opkomen alsof zij zwanger is, dwz op het punt stond de Zon, het goddelijke, te baren, maar in werkelijkheid was het een schijnzwangerschap, meer nog, het had niets te maken met het vrouwelijke. Eerder was de maan een schuw mannetje lopend op sokken. Als een geil mannetje is de maan geil en jaloers op de aarde, hij bespiedt de aarde heimelijk. De lering is dat christenen precies representanten van het omgekeerde zijn van wat ze zelf denken te zijn. Op dezelfde manier als de maan in deze gelijkenis worden gelovigen gefascineerd door het aardse, het genieten, het sensuele, het materiŽle, maar moeten ze er kwaad over spreken. Men hoort ze altijd spreken over het doden van het 'ik', het verzaken van de wereldse dingen, het stillen van de begeerte, het laten afsterven van de eigen wil en de vleselijke lust. Daar waar men zich nog inlaat met aardse zaken doet men het voorkomen alsof het slechts 'pure contemplatie', een afstandelijk benaderen van de zaken is, geheel ontdaan van menselijke passies. De werkelijkheid is precies het tegenovergestelde. Zarathoestra neemt niet voor niets het woordje 'geil' in de mond. Geil is juist iemand die nooit aan zijn trekken komt, en de seksualiteit is in het christelijk geloof altijd de meest verboden vrucht geweest, en staat daarom centraal in het leven van vele gelovigen, al doen ze er alles aan om het verborgen te houden. Zarathoestra klaagt deze mensen aan als oneerlijke lieden, vol 'ontmand scheelogen', sentimentele huichelaars. Het ontbreekt deze mensen aan onschuld in de begeerte, en daarom maken ze alle begeren zondig.


Waar is onschuld? Waar de wil is tot verwekken. En wie hoger dan zichzelf wil scheppen, die heeft voor mij de zuiverste wil.


De seksualiteit staat ook als gelijkenis, beeldspraak, voor het scheppen (=de wil tot verwekken). Net als de seksualiteit is ook het geestelijk scheppen de strengst verboden vrucht voor gelovigen. De gelovige komt per definitie nooit tot scheppen. De definitie van zijn leven is namelijk onderworpen zijn aan God, hetgeen in de praktijk betekent onderdanig zijn aan menselijke autoriteiten, eerbiedigen van wat het verleden oplegt, gehoorzamen aan 'de schrift', de eigen wil opgeven, nooit een eigen weg inslaan. Zowel de letterlijke als figuurlijke 'wil tot verwekken' wordt door gelovigen dus zondig en schuldig zijn genoemd. Zarathoestra predikt precies het tegenovergestelde. De gelovigen leven in de waan "op sterrentapijten te lopen" (= de goddelijke waarheid te kennen en te representeren), maar de werkelijkheid is geheel anders:


Slechte lucht hangt er steeds om jullie en je maaltijden: jullie geile gedachten, jullie leugens en heimelijkheden zweven immers in de lucht!


Aangezien de gehele wereld van de gelovige gebouwd is op het niet-luisteren naar zijn eigen persoon, het nooit honoreren van de eigen wil en gedachten, moet men wel uitkomen op oneerlijkheid, op bedompte lucht, op heimelijkheid, schijnheiligheid en leugens. De uiteindelijke reden voor het gelovig zijn is het niet-geloven in zichzelf. De godsdienst predikt altijd de verlossing, maar om dit met succes te kunnen doen moet zij tenminste evenzeer de hopeloosheid en zondigheid van de mens prediken. Mensen die van kinds af aan met het christelijk geloof zijn opgegroeid hebben een onuitputtelijke voorraad zelfhaat en zelfverachting, en een ongeŽvenaard gebrek aan zelfvertrouwen en vertrouwen in het aardse bestaan.


Durft toch in jezelf te geloven - in jullie en je ingewanden! Wie zichzelf niet gelooft, liegt immer!


Bovenstaande is de kernzaak die iedere gelovige onder ogen moet zien wil hij zich ooit bevrijden van de tirannie van de boekgodsdienst en bevrijd te worden van het uitblinken in heimelijkheid en zaken stiekem doen. Om tot dit inzicht te komen moet men allereerst de naakte waarheid over zijn eigen godsdienst zien:


Het masker van een god hebben jullie je voorgehangen, o 'zuiveren': in het masker van een god is jullie gruwelijke ringworm weggekropen.
Voorwaar, bedriegers zijn jullie, o 'bespiegelaars'! Ook Zarathoestra was eens de nar van jullie goddelijke huiden; ook hij had er eens geen idee van hoe ze waren volgepropt met slangengekronkel. De ziel van een god meende ik eens te zien spelen in jullie spelen, o belijders van de zuivere kennis! Geen betere kunst was er, zo dacht ik, dan jullie kunsten!


Zarathoestra geeft de meest krenkende benamingen aan de ware gelovigen. Maar in feite zijn de benamingen geheel identiek aan de termen die Jezus gebruikte tegen de FarizeeŽn. En het beledigende ervan weet Zarathoestra ook nog te temperen door ze te vertellen dat hijzelf ooit ook in hetzelfde badwater gezwommen heeft, en er geen erg in had. Ook hij leefde eens het leven van de gelovige dat hij nu bestempelt als het leven van de nar. En ook hij dacht eens dat het de meest verheven vorm van leven was!
Er is niets zo moeilijk voor iemand die zich geheel aan een ideologie heeft overgegeven dan de waarheid over zijn eigen ideologie te zien. En het is slechts de zeldzame ex-gelovige, ťťn die zowel als gelovige als daarna als ongelovige honderd procent oprecht is, die enige kans maakt om de overtuigde aanhanger van een ideologie iets van de keerzijden te laten zien. Hij kan ze aanspreken in hun eigen terminologie en weet ook de meest verborgen plekken aan te wijzen.


Zarathoestra laat weten hoezeer het nieuwe leven, het leven waarin hij zijn eigen 'ik' juist gevonden heeft en wil eren, de belichaming van de Zon is:


Waar is schoonheid? Waar ik met heel mijn wil moet willen, waar ik wil liefhebben en ten onder gaan, opdat een beeld niet slechts beeld blijft. Liefhebben en ten onder gaan: dat gaat sinds eeuwigheden samen.


De gloeiende zon, de belichaming van het goddelijke, is gelegen in de liefde voor -de volledige overgave aan- het aardse. Alle zonneliefde staat gelijk aan het zich met alle aandacht, alle lust en al het willen, in onschuld (dwz zonder gedachten aan zondig-zijn) op het aardse leven te werpen. En deze nieuwe manier van leven is groeiende in de wereld. Zij is als de dageraad van een nieuw tijdperk, en kondigt het einde aan van het tijdperk van het valse maanlicht.


Kijk eens! Betrapt en bleek staat zij daar - voor het morgenrood!


Het tijdperk van het christendom wordt hier weer bleek genoemd, verg. hoofdstuk I.6 Van de Bleke Misdadiger.