Een uitleg van Aldus sprak Zarathoestra




II.16    Van de geleerden

Dat het vorige hoofdstuk niet sloeg op de wetenschappers blijkt ook uit dit hoofdstuk, want nu neemt Zarathoestra pas de wereldlijke kennis, dus de wereld van de wetenschappelijke geleerden, op de korrel. Dit hoofdstuk is een kostelijke satire op de universitaire wereld die Nietzsche zo goed kende, en waaruit hij zich teruggetrokken had. Het hoofdstuk begint door te verhalen hoe een schaap (=een kuddedier, aanhanger van het christelijk geloof, wellicht iemand die zich in het vorige hoofdstuk op zijn tenen getrapt voelde worden) aan de krans van een klimop (=beeld voor universitaire bekwaamheid) zat te vreten, een krans om het hoofd van Zarathoestra, die geleund tegen een muur waarlangs die klimop groeide, een dutje zat te doen. Zarathoestra ontwaakt en hoort het schaap zeggen: 'Zarathoestra is geen geleerde meer!' (=men hoeft zo iemand niet serieus te nemen). Ongetwijfeld had Nietzsche dergelijke opmerkingen gehoord uit de richting van de geleerde wereld. Zijn reaktie hierop is dat hij er blij om is geen 'geleerde' meer te zijn! Hij zat zelfs nog te lang in dat benauwende universitaire wereldje, en toen hij zich eruit bevrijdde en ervan wegtrok, sloeg hij de deur ook nog met een klap achter zich dicht! Voor hem is de wereld van de geleerden al even muf als de lucht die men in kerken inademt. Geleerden zijn volgens Zarathoestra bezig met kennis alsof het gaat om het kraken van noten, en het platwalsen van graankorrels. Zij hebben geen grootse doelen, spannen zich nooit in tot het uiterste, maar ze zijn in de eerste plaats ge´nteresseerd in fatsoen en hun waardigheid. Ze zijn vooral daaraan te herkennen dat ze gapend de gedachten van anderen nakauwen, herkauwen en opzeggen. Wat hun eigen mening is komt zelden of nooit naar voren, dat vinden ze te vermoeiend en het vereist teveel moed. En houden ze zich voor wijs, dan kan Zarathoestra zich er slechts over verbazen dat hun wijsheid zo klein is: hun wijsheid ruikt naar moeras en klinkt als kikkergekwaak.


Goede klokken zijn het: alleen moet men opletten dat men ze goed opwindt! Dan geven ze zonder mankeren het uur aan en maken daarbij een bescheiden kabaal.


Zarathoestra heeft nog andere grieven tegen het universitaire wereldje: meer dan over kennis beschikken de geleerden in hun argumentaties over behendigheid; zo weten ze goed hun veelvoud tegenover de eenvoud van Zarathoestra te stellen. Ze weten alles af van rijgen en weven, maar hun eindprodukten zijn altijd slechts 'kousen van de geest'. Bovendien heerst er een onderlinge sfeer van wantrouwen tussen de geleerde collega's. Ze kijken elkaar scherp op de vingers, en vertrouwen de ander nooit. Ze zijn bekwaam om behoedzaam allerlei gif uit te denken waar ze de ander mee kunnen bestoken, en weten gewiekst zelf alle stormen en slagen te ontwijken. Bovenal zijn ze jaloers op de persoon die grotere kennis en talenten heeft dan zij:


Toen ik bij hen woonde, toen woonde ik boven hen. Dat wekte hun gramschap. Zij willen er niets van horen dat iemand boven hun hoofden loopt; en dus legden ze hout en aarde en rommel tussen mij en hun hoofden. Zo dempten zij het geluid van mijn schreden: en het slechtst werd ik tot dusver gehoord door de grootste geleerden.


Zarathoestra legt uit dat hij geen geleerde is, omdat hij ver boven hun hoofden loopt met zijn gedachten. Hij merkt op dat zelfs indien zijn gedachten niet juist blijken, hij nog steeds boven hen verheven staat.

Men moet dit hoofdstuk niet lezen alsof Nietzsche tegen de wetenschap op zich is. De ervaring van Nietzsche komt eerder overeen met de ervaring van een grote componist of geniale musicus die op het conservatorium of de muziekschool rondloopt en totaal niet begrepen wordt. Om iets van het elitaire universitaire wereldje van Nietzsches tijd te kunnen begrijpen behoeft men slechts de titels te horen aan wie Abraham Kuyper een redevoering aflevert in 1892:


Hoogeerzame Heeren Directeuren onzer Vereeniging,
Hoogachtbare Heeren Curatoren deer Hoogeschool,
Hooggeleerde Heeren Hoogleeraren,
Zeergeleerde Heeren Doctoren in onderscheidene wetenschappen,
Weleerwaarde Heeren Bedienaren des Woords,
WelEdele Heeren Studenten,
En voorts gij allen, die van wat naam of rang ook herwaarts opkwaamt, om deze plechtigheid met uwe tegenwoordigheid te vereeren...