Een uitleg van Aldus sprak Zarathoestra




II.17    Van de dichters

Zarathoestra is geen verhevene, één die als een woeste jager kennis vergaart en somber, gewichtig, trots en plechtstatig met de buit tevoorschijn komt (II.13), hij is geen 'cultureel persoon', één die overal weet van heeft, maar nergens meer in gelooft (II.14), hij is geen 'ware gelovige', één die de waarheid over God denkt in pacht te hebben, maar schijnheilig is (II.15), hij is ook geen wetenschappelijke geleerde, één die zich bezig houdt met het breien van de kousen van de geest, maar in wezen niets te zeggen heeft (II.16). Wat is hij dan wél?


Dit hoofdstuk houdt zich bezig met 'dichters'. Dichters zijn mensen die van de verbeelding leven. Eerder (II.2) gaf Zarathoestra op hen de kritiek dat ze veel te veel liegen. Hier legt hij deze uitspraak uit: alles waartoe 's mensen denken niet toereikend is vult de dichter op met dichten. Dichten is 'verzinnen', 'dromen', 'geloven'. Zo is God voor Zarathoestra het ultieme verdichtsel: de stoplap die alle gaten in ons denken opvult. Elders schrijft Nietzsche dat moderne kunst weinig anders aanbiedt dan versuffing of roes, in slaap sussen of bedwelmen. Feuerbach heeft uitgebreid laten zien hoe de mens dit met groot gevoel voor acrobatiek doet en er al zijn behoeften mee weet te bevredigen. Dichters (ruim opgevat, dus omvattend alle kunstenaars en religieuzen) zijn mensen die niet slechts wat spelen met de fantasie, maar het altijd doen voorkomen alsof hun kijk op de zaken blijk van een dieper begrip geeft, een waardevollere manier van kennis. Vooral in de 19e eeuw (tijd van de Romantiek), maar ook in de vorige eeuw, deden kunstenaars het vaak voorkomen alsof kunst een 'Boom des Levens' was, en wetenschap de Dood symboliseerde! Mystiek is ook een gewichtig woord waarmee men het ontbreken van echte kennis (van de fysische realiteit) kan omzetten in winst. Dichters verafgoden hun gevoelens. Wanneer ze iets ervaren maken ze er God van, of menen ze dat de Natuur op hen verliefd is (=om hen draait). Dichters zijn altijd en overal in de eerste plaats bezig met zich 'omhooggetrokken te voelen'. Vandaar dat ze gemakkelijk een rijk der wolken creëren waar goden en Bovenmensen bestaan!


Zarathoestra zegt nu geheel beu te zijn van deze zoete en arrogante praters. Hij heeft opgemerkt dat het de dichters meestal te doen is om het strelen van hun eigen gevoelens en begeren. Bovendien is "hun geest zelf de pauw der pauwen en een zee van ijdelheid". Ze zijn vooral gericht op het verkrijgen van toeschouwers aan wie ze hun 'bijzondere geheime toegang tot het weten' kunnen ten toon stellen. Zo richten ze zich bij voorkeur op jonge vrouwtjes. Een volgende ongenadige aanklacht is dat de dichters oppervlakkig zijn en bovendien het denken troebel maken. Dit laatste is iets wat bijvoorbeeld in hedendaags religieus denken hoogtij viert. Miljoenen houden vast aan een christendom dat op onbepaalde hoogte in de lucht zweeft, zonder enige binding met de realiteit. Interpretaties van de bijbel zijn vaak een potpourrie van onzindelijk denken. Het wereldbeeld dat dichters als begenadigde leermeesters de hele wereld willen opleggen, is slechts "een zuchten en puffen van spoken", kortom een onwaarheid. Dichters zijn op de keper beschouwd leugenaars.


Het interessante van dit hoofdstuk is dat Zarathoestra ook zichzelf herkent als een dichter: "Wij liegen teveel! Later merkt hij op dat hij spreekt als een visionair omdat het de enige manier is waarop hij het leven kan verdragen: "Ik zou niet weten hoe te leven, als ik niet ook een ziener was van wat komen moet." (II.20) Zarathoestra roept op tot het bereiken van hoge idealen en schouwt in de toekomst (zie weer II.20). Alweer kunnen we uit dit alles opmaken dat Zarathoestra 'dichter' in de zin van profeet (zowel ziener als verkondiger) is. Het dichter zijn is iets wat in de aderen van sommige (humanistisch ingestelde) mensen stroomt. Men kan er niets aan doen. Maar Zarathoestra eindigt met op te merken dat de tijd eraan komt dat dichters beu van zichzelf zullen worden (net als hijzelf van zijn literaire bezigheden op jongere leeftijd) en 'boetelingen van de geest' zullen worden, dwz veranderd zullen worden in waardevollere, eerlijkere en diepzinnigere personen. Als boeteling van de geest merkt hij eerlijk op dat zijn idee van de Bovenmens ook maar het spreken van een dichter is, te vergelijken met de verzinsels over alle goden! Dit inzicht zal aan het vervolg van het boek Aldus sprak Zarathoestra een beslissende wending geven; zij dwingt Zarathoestra de naakte waarheid van de realiteit onder ogen te zien, steeds dieper in de afgrond van het denken neer te dalen, en van daaruit met een nieuwe diepste waarheid weer naar boven komen.


Zarathoestra's discipel, die hem vroeg waarom hij eerder opmerkte dat dichters teveel liegen, verwachtte natuurlijk gesterkt te worden in 'zijn geloof aan Zarathoestra', maar Zarathoestra lacht om geloof: "Het geloof maakt me niet zalig, en zeker niet het geloof aan mij". Veel waar hij ooit in geloofd heeft is al weer weggevlogen. Zarathoestra zegt hem ronduit dat hij ook maar een dichter is, en versterkt die mening door net te doen alsof hij zich niet eens herinnert wat hij ooit eerder heeft uitgesproken. De discipel wordt boos nu Zarathoestra hem de naakte waarheid vertelt, maar probeert het te verbergen en zwijgt. Ook Zarathoestra zwijgt. Hij probeert in gedachten verzonken hoogte van zichzelf te krijgen:


...zijn blik had zich naar binnen gekeerd, alsof hij in de wijde verten zag. Ten slotte zuchtte hij en haalde adem. 'Ik ben van heden en weleer', zij hij toen, 'maar iets in mij is van morgen en overmorgen en ooit weer.'


Zarathoestra is in hart en nieren een Dichter, een Kunstenaar, een Ziener, een Dromer, een Religieus mens. Zelfs zijn proza is poëtisch. Maar tezelfdertijd is hij een flagellant, een 'boeteling des geestes', iemand die zich met de zweep afgeselt om soberheid, discipline in het denken, te leren. Het gaat Zarathoestra erom niet met harpgetokkel bezig te zijn, maar met vuur, niet aan de oppervlakte te zwemmen, maar met het denken tot op de bodem van de zee te gaan. Hij is nu bereid alle consequenties daarvan onder ogen te zien en heeft met het intellectueel steeds eerlijker worden een loodzware tocht voor de boeg.