Een uitleg van Aldus sprak Zarathoestra




II.18    Van grote gebeurtenissen

In dit hoofdstuk vervolgt Nietzsche onverwachts weer de verhaaltrant, terwijl hij tegelijkertijd vele aspecten van zijn leer naar voren brengt. Het hoofdstuk is een ingenieuze samenballing van ideeŽn. Het bevat tevens de eerste aanzet tot de verkondiging van de tweede zuil waar het denken van Zarathoestra op gebouwd is, een inzicht dat Zarathoestra tot Bovenmens zal doen uitgroeien. Hierop duiden de geheimzinnige woorden die 'een stem' uitspreekt: "Het is tijd! Het is hoog tijd!"
Tot nu toe hebben we Zarathoestra alleen horen preken over de Autonome Mens en hem horen oproepen tot uitgroeien tot Bovenmens. Door steeds dieper door te dringen in 'de buik van het bestaan' moet Zarathoestra uiteindelijk een nieuwe waarheid onder ogen zien. Dit is de allesomvattende waarheid van de Eeuwige Wederkeer van Hetzelfde. Deze waarheid te omarmen is de allermoeilijkste opgave voor de mens. Het vereist namelijk een onvoorwaardelijk liefhebben van het leven, wat Nietzsche noemde amor fati, liefde voor het noodlot, een liefhebben waar de mens zijn walging, moedeloosheid en geest der zwaarte voorgoed en geheel heeft vaarwel gezegd en als kind ligt in de goddelijke armen van het bestaan. Het is het aanvaarden van de kosmische Wil tot Macht die ver boven de mens verheven staat en de mens een radertje in een oneindig groot en groots geheel laat zijn. Het is zelfs voor Zarathoestra een lang proces en heftige worsteling om tot op deze hoogte te rijpen. In dit hoofdstuk bijvoorbeeld begrijpt Zarathoestra zelf nog niet waarvoor het hoog tijd is. Wel laat de tekst weten dat de stem 'de schaduw' van Zarathoestra is, dwz dat de woorden uit Zarathoestra's eigen persoon, uit zijn eigen denken opwellen. Het vorige hoofdstuk liet al zien hoe Zarathoestra zich opeens bewust wordt van zijn eigen oppervlakkigheid. Ook hij is een dichter, een fantaseerder met idealen, niet dieper dan die van ieder ander. Zijn denken is nog niet tot op de bodem uitgekomen, maar hij zei in te zien dat dichters 'boetelingen van geest' zouden moeten worden. Daarvoor moet hij in zijn denken de afgrond in gaan, dwz het nihilisme recht in de ogen kijken. Nietzsche gebruikt de laatste helft van het tweede deel om de komst van de nieuwe leer aan te kondigen, en om te laten zien waaruit het diepste inzicht waar hij op afstevent groeit, hoe de leer zich vanuit noodwendigheid aankondigt voor iemand die absolute intellectuele eerlijkheid nastreeft. Maar pas aan het eind van het vierde deel geeft hij Zarathoestra de overwinning op zijn eigen innerlijke worstelingen. Deel twee beŽindigt hij door te zeggen dat Zarathoestra nog niet rijp genoeg is voor zijn eigen leer, en weer de eenzaamheid moet proeven om hem tot het diepste inzicht te laten komen.


De leer van de Eeuwige Wederkomst van Hetzelfde is een revolutionaire gedachte. Indien een mens deze gedachte kan omarmen, dwz het leven zoals het is zegent, kan dit als de grootste gebeurtenis in iemands leven worden bestempeld. Nietzsche laat weten dat zo'n grote revolutie onhoorbaar is en dit diepe weten in de stilste stonde opgedaan wordt. Vandaar dat hij zijn denken contrasteert met het 'hellekabaal', het 'brullen' van lieden die men gewoonlijk het etiket 'revolutionair' geeft. Revolutionairen noemt hij 'vuurhonden', 'uitwerpduivels', 'omverwerpduivels' die gevoed worden door haat- en wraakgedachten, en daarom nooit een waardevolle omwenteling van waarden tot stand brengen. Behalve dat de omverwerpers alles stuk maken, is het kenmerk van hun optreden oppervlakkigheid; ze zijn niet diep genoeg bezig met het scheppen van nieuwe waarden, maar bijten zich vast op de tegenstander (zie ook I.12). Ze zijn bovendien uit hetzelfde hout gesneden -net zo sektarisch, dogmatisch en fanatiek- als hun religieuze tegenstanders. Allesbehalve een medicijn te zijn tegen de ziekte, zijn zij er eerder juist de oorzaak voor dat de oude waarden waartegen ze zo fulmineren zich louteren en nieuwe kracht gegeven worden. Dus kerk, staat en revolutionaire ideologie -oude, vermoeide, valse of decadente waarden en de revolutionaire ideologieŽn die hier fel tegenin gaan- houden elkaar juist in stand: het ťťn heeft de ander nodig!


Met goddelijker trekken en lijdend-verleidelijk richt zij zich nu op; en voorwaar! ze zal jullie zelfs dank zeggen, dat jullie haar omver hebt geworpen, o omverwerpers! Deze raad echter geef ik koningen en kerken en al wat zwak is van ouderdom en deugd - laat je maar omverwerpen! Opdat jullie weer tot leven komen, en de deugd weer tot jullie komt!


'Lijdend-verleidelijk' slaat natuurlijk in de eerste plaats weer op het christelijk geloof, dat eeuwige aantrekkingskracht put uit de mogelijkheid zich te identificeren met het lijden. Het christendom heeft de 20ste eeuw met zijn wereldwijde revoluties in de eerste plaats overleefd als gevolg van de weerzinwekkende verschrikkingen van al die revoluties. Het religieuze geloof wist zich ook te ontdoen van vele misstanden en ontsporingen op het eigen erf. 'Geen woorden maar daden' staat tegenwoordig dank zij al het verzet tegen de religie in al het religieuze denken centraal. Moderne gelovigen beleven hun geloof alsof ze tot de eerste christenen behoren, en 1900 jaar christelijke geschiedenis er nooit geweest is. Ze willen en kunnen het denken en handelen van al die vroegere eeuwen zelfs niet eens meer verstaan. Het traditionele geloof heeft vanwege de revoluties exact dezelfde metamorfose ondergaan als het koningschap in de moderne wereld: ooit was het almachtig, hoogst te eerbiedigen, de eerste en laatste absolute autoriteit; tegenwoordig is het van dit alles het tegendeel: voor niemand een gevaar meer, omgetoverd tot franje, een instelling waaraan alle werkelijke macht onttrokken is, een nederige dienaar ten behoeve van allen, goed voor een warme achtergrondsfeer en af een toe een feestje, goed voor het gevoel van sentimenteel welbehagen.
In hoeverre hernieuwde deugd een godsdienstig systeem dat op waandenken berust kan redden is natuurlijk maar de vraag. Nietzsche laat Zarathoestra hier zeggen:


Kerk? Dat is een soort van staat, en wel de leugenachtigste.


De kerk is de leugenachtigste staat omdat ze niet de aarde vereert, maar juist alles wat niet aards, dus onwerkelijk is. De grootste revolutie in een mensenleven is bevrijd te worden uit het religieuze denken dat om zonde en geest der zwaarte cirkelt, en de boodschap te verstaan die uit het hart der aarde spreekt. Zo stelt Zarathoestra tegen het hellekabaal van de revolutionairen zijn eigen a-politieke revolutie, een revolutie in het basisdenken van de mens:


Ik zal je vertellen van een andere vuurhond: die spreekt werkelijk uit het hart der aarde. Goud en gouden regen blaast zijn adem uit: zo wil het zijn hart. Wat beduiden voor hem nog as en rook en heet slijm! Geschater fladdert als een bont wolkenpak uit zijn muil; wrevelig stemmen hem jouw borrelen en spuwen en ingewandskrampen! Maar het goud en geschater - dat haalt hij uit het hart der aarde! want opdat je het maar weet, - het hart der aarde is van goud.


Om op Nietzsches tweede hoofdleer te komen moet eerst het klimaat hiervoor geschapen worden: een upgrading van het aardse bestaan. Het aardse leven getuigt in zijn uitbundigheid van een onovertrefbare grootsheid. Meer en meer zal in Aldus sprak Zarathoestra de extatische, intense beleving van het leven naar voren komen. Men zou zich moeten schamen voor het gesputter en geklaag over het leven en de ogen eens moeten openen om de gouden regen van het leven op te merken. Daarbij valt al het andere in het niet. Dat het leven goud is werd door Zarathoestra al in hoofdstuk II.10 opgemerkt, toen hij dreigde te verdrinken, maar het Leven hem met een gouden hengel opviste. Ook de beschrijving van het gedrag van het Leven, geschater, is een steeds terugkerend refrein in het boek. Geschater is uitbundig lachen, dus uitbundig geluk, maar ook het lachen dat hoont, dat met de geest der zwaarte de vloer aanveegt.
Nietzsche komt met zijn volledig a-politieke levensinstelling dat zich op de innerlijke mens richt, dicht bij de levenswijsheid die Jezus verkondigde in Johannes 3, waarin hij de mens oproept om wedergeboren te worden. De mens is inderdaad een ziekte op de huid van de aarde; hij moet worden genezen. De wedergeboorte in de leer van Zarathoestra is het moment waarop een mens voor eens en altijd deze waarheid opdoet: 'het hart der aarde is van goud.'


Men kan in de verhaaltrant van Nietzsche nog een andere laag ontginnen. Zarathoestra heeft altijd in beeldspraak gesproken over zijn vliegen en zijn ondergaan. Dit hoofdstuk laat eenvoudige mensen nu een visioen zien van een schimmige Zarathoestra (dus iemand geworden tot een mythische figuur), die letterlijk over hun hoofden voorbij vliegt (een wonderdoener) en afstevent op een vulkanisch eiland, dat naar men zegt als een rotsblok voor de poort van de onderwereld is geplaatst. Verschrikt merkt men op dat de Duivel Zarathoestra nu gehaald heeft, zoals alle mensen altijd hebben gezegd van alle eigenzinnige predikers. Op deze manier laat Nietzsche zien hoe van helden mythische goden worden gemaakt, zoals het vorige hoofdstuk liet zien hoe het geloof ontstaat vanwege gebrek aan inzicht: een discipel komt niet verder dan 'Geloven aan Zarathoestra'. In dit hoofdstuk lachen Zarathoestra's discipelen om de schrik en zeggen ze stoer dat het eerder andersom is: Zarathoestra maakt korte metten met de Duivel! Dit is de manier waarop 'vroom geloof' optreedt: vanwege twijfel moet men aangedikt met vurigheid en verwrongen krampachtig het tegendeel beweren. Want hun stoer gepraat heeft zijn basis in innerlijke twijfel, omdat de discipelen ook in het ongewisse verkeren waarheen Zarathoestra nu eigenlijk gegaan was. In werkelijkheid was Zarathoestra echter zonder iemand iets te zeggen schip gegaan. Blijkbaar wilde hij op het vuureiland kennis maken met een revolutionair.

Het hele verhaal is natuurlijk de Nietzscheaanse parallel met de mythe van het christelijk geloof dat Christus ter helle nederdaalde en de onderwereld overwon. Niet verwonderlijk duurt de reis van Zarathoestra naar de onderwereld (vanaf het moment dat de geruchten over een vliegende Zarathoestraschim zich verspreidden tot aan zijn terugkomst) drie dagen! Maar waar Jezus met Satan en demonen te maken heeft, komt Zarathoestra, zoals we nu al geleerd hebben te verwachten, met het tegendeel naar boven: hij heeft de waarheid over het hart van de aarde naakt gezien en die waarheid is dat het hart van de aarde van goud is!
Een andere parallel met het evangelieverhaal is dat Zarathoestra in hoofdstuk II.17, II.18 en II.19 drie maal achterelkaar geconfronteerd wordt met het onbegrip van zijn discipelen.