Een uitleg van Aldus sprak Zarathoestra




II.19    De waarzegger

We zijn gekomen op een fascinerend hoofdstuk in Aldus sprak Zarathoestra. Aangezien Nietzsche langzaamaan naar de climax toewerkt, dwz naar het hoogste inzicht dat hij de toekomstige lezers zal aanbieden, laat hij nu een waarzegger zijn eigen visie over waar het denken van de nabije toekomst met noodwendigheid op afstevent, naar voren brengen. Nietzsche profeteert voor de 20ste eeuw het denken van het nihilisme, de totale zinloosheid. Het nihilisme is een verlammende en verscheurende ziekte in het denken van de mens; een ziekte die ontstaat als gevolg van de dood van de christelijke God. Om het angstwekkende van deze toekomst aan te duiden bedient Nietzsche zich van de apocalyptische stijl, bij uitstek geschikt om nachtmerries aan te kondigen. Het hoofdstuk vangt aan alsof we de Apocalyps van Johannes lezen:


'-en ik zag een grote droefheid over de mensen komen. De besten werden hun werken moe. Een leer ging uit, een geloof liep naast haar: "Alles is ledig, alles is eender, alles is al geweest!"
En van alle heuvels weerklonk: "Alles is ledig, alles is eender, alles is al geweest!"
Wel hebben wij geoogst: maar waarom werden al onze vruchten rot en bruin? Wat viel van de boze maan omlaag in de voorbije nacht?
Vergeefs was onze arbeid, alsem is onze wijn geworden, een boze blik zengde onze akkers en harten geel.
Dor zijn wij allen geworden; en valt er vuur op ons, dan verstuiven wij als as: - ja, het vuur zelf maakten we moe.
Al onze bronnen zijn drooggevallen, terug ook week de zee. Alle grond wil scheuren, maar de diepte wil niet verzwelgen!
"Ach, waar is een zee waarin men nog verdrinken kan": zo verklinkt onze klacht - over ondiepe moerassen.
Voorwaar, voor sterven werden wij reeds te moe; nu waken we nog en leven voort - in grafspelonken!' -


De frase "-En ik zag" komt (na slordige telling, tenminste) eenentwintig maal voor in de Openbaring van Johannes, bijv. "En ik zag een grote witte troon en Hem, die daarop gezeten was, voor wiens aangezicht de aarde en de hemel vluchtten,..." (Openb. 20:11), "En ik zag uit de zee een beest opkomen..." (Openb. 13:1), "En ik zag een ander teken in de hemel...(Openb. 15:1), "En ik zag in de rechterhand van Hem, die op de troon zat..." (Openb. 5:1). De frase "En een stem ging uit van de troon, zeggende..." vindt men in Openb. 19:5. De inhoud van Nietzsches apocalyptische toekomstvisioen wordt beschreven in de woorden van Prediker: "Lucht en leegte, lucht en leegte, alles is leegte...Wat geweest is dat zal er zijn, wat gedaan is dat zal gedaan worden; er is niets nieuws onder de zon." (Pred. 1:2, 9). Door Prediker aan te halen en dezelfde leer in de toekomst neer te zetten kan de waarheid van deze wijsheid niet sterker worden benadrukt; het dient tevens als eerste aanzet tot de later uiteengezette leer van de eeuwige wederkeer van hetzelfde.
Prediker lijkt in zoverre op de moderne mens dat hij als enige bijbelschrijver de zinloosheid van het leven en de onkenbaarheid van God erkent, en in een soort moeras van nihilisme dobbert. Uiteindelijk kan hij niet met deze sombere gedachten leven, maar klampt hij zich in het laatste hoofdstuk toch vast aan een soort dogmatisch geloof: Blijf ondanks alles toch maar werken (hoofdstuk 11) en Gedenk de schepper in uw jeugd, voordat de kwade dagen komen (hoofdstuk 12). Wat het werken betreft een soort van 'het moet nu eenmaal, er zit niets anders op', en wat God betreft, een soort denken van 'wanneer je in je jeugd erin geloofd hebt zul je misschien later wel de rozige waanideen doorzien, maar toch niet geheel in wanhoop uitmonden, je vroegere vrome levenswandel heeft je geleerd het leven netjes tot het einde uit te leven'. De allerlaatste zinnen van Prediker klinken alsof een latere rechtzinnige redactor er een vroom eind aan wilde breien, en de verzen 13 tot 14 er aan toevoegde. De boodschap van Prediker is door en door triest en verlammend.


Nietzsche doorleefde net als Prediker de gevoelens die het nihilisme opdringt tot op de bodem. Hij was echter eerlijker dan Prediker, en zag in dat het sausje God dat Prediker over zijn denken heen gooit als reddingsboei geen benen heeft om op te staan, en bovendien Prediker helemaal geen echte troost en levensblijheid geeft. Hij dokterde daarom een radicaal tegengif uit: Verwerp al het metafysische denken, en maak het aardse leven de zin van het leven. Nietzsche begint zich nu steeds meer te bezinnen op dit laatste onderdeel van zijn denken: ontwikkel je denken z dat het aardse leven niet meer ervaren wordt als een trieste zaak, maar als een godsgeschenk, als het grootste en verhevenste dat bestaat. In dit aardse leven dient de mens te handelen als God, dwz als schepper van het bestaan, en als verlosser van het bestaan (dwz in zijn eigen denken). Nietzsche is buitengewoon interessant omdat hij vanuit het oude traditionele religieuze denken gezien kan worden als de ultieme goddeloze, maar vanuit een modern denken juist gezien kan worden als de eerste die chte vroomheid (=het werkelijk dienen van God) uitvindt. Indien een mens het bestaan (=god) eer wil aandoen dan moet hij juist leren het leven lief te hebben. Nietzsche wilde voor zover het mogelijk is de psychisch zieke mens beter maken door hem op een andere, positievere manier te laten denken over het aardse leven. Zelfverlossing dus. Om hiertoe te komen moet men eerst inzicht hebben in waar een mens van verlost moet worden, wt het is dat de mens altijd in de boeien van de Geest der Zwaarte houdt. Dit ontdekt Zarathoestra in dit hoofdstuk via een nachtmerrie die hij krijgt.

Vanaf hoofdstuk II.9 heeft Zarathoestra steeds scherper de werkelijkheid onder ogen moeten zien. Hij gaat hiermee tot het uiterste. Zodoende komt nu zelfs zijn eigen leer van de Bovenmens op de tocht te staan: wat heeft ook deze visie voor zin, wanneer alles uiteindelijk uitloopt op de zinloosheid van alles? Er is maar n uitweg uit dit net dat voor de toekomstige mens gespannen wordt: het begrip 'Bovenmens' te definiren als 'de mens die het nihilisme de kop vermorzelt'. Zarathoestra zal zelf deze weg moeten aanwijzen en dus moeten uitgroeien tot eerste Bovenmens. Maar vooreerst weet hij dat nog niet. Hij hoort de profetie aan en wordt er dodelijk door getroffen. Hij die tien jaar lang zijn as de berg op had gedragen om iets groters, hogers, te vinden, verzinkt in de allergrootste apathie, geboren uit wanhoop:


Aldus hoorde Zarathoestra een waarzegger spreken; en diens profetie trof zijn hart en veranderde hem. Bedroefd en moe zwierf hij rond; en hij werd als hen van wie de waarzegger gesproken had. Voorwaar, zo zei hij tot de discipelen, het duurt niet lang meer of deze lange schemering komt. Ach, hoe moet ik mijn licht bewaren voor de ondergang! Opdat het niet zal stikken in deze droefheid! Voor verdere werelden moet het licht zijn, en ook voor de verste nachten nog!
Met zulk een kommer in het hart zwierf Zarathoestra rond; en drie dagen lang nuttigde hij geen drank en spijs, kende geen rust en verloor de spraak.


Zarathoestra begrijpt de waarheid van het toekomstvisioen van de waarzegger volkomen. Hij weet dat dit denken de 20ste eeuw in haar greep zal houden. "Wat viel van de boze maan omlaag in de voorbije nacht?" is een verborgen uitdrukking om de val van het christendom mee aan te duiden: de maan = representant van de zon in de nacht van de aarde, dwz het christelijk geloof, Jezus. Het vallen = door de mand vallen. "Vergeefs was alle arbeid": vergeefs al het doen en laten van eeuwen christelijk waandenken, alle waarden die men aanhing, hangen nu in het luchtledige. "Alsem is onze wijn geworden": het evangelie (goede boodschap', de wijn) is ondrinkbaar geworden vanwege haar onwaarheid (alsem = bitter kruid). "Dor zijn wij allen geworden": het ontbreekt de moderne wereld aan een geestelijk elan dat het christelijk geloof kan vervangen. "Het vuur zelf maakten we moe": niemand wil meer over 'waarheid' horen; men ervaart alles nu als vals, relatief, subjectief. "Ach, waar is een zee waarin men nog verdrinken kan?" = er is niets meer dat ons kan inspireren tot uitbundig leven, tot volkomen overgave van de ziel. De leegheid van de religieuze waan en de toekomstige wereld zonder God treft Zarathoestra z diep dat hij uiteindelijk in een nachtmerrie verzinkt, maar aan de andere kant blijft hij vasthouden aan zijn eigen missie, zijn eigen boodschap van de Bovenmens. Hij ziet het nihilisme als een tijdelijke periode in de geschiedenis van de mensheid, en zijn eigen boodschap als het licht voor de tijd n de langdurige depressie. Hij is zo zeker van zijn eigen boodschap omdat de mens noodzakelijkerwijs licht nodig heeft in de donkere nacht van het leven. Het probleem voor hem wordt nu hoe zijn leer de tijd van het nihilisme kan doorstaan, indien de leer niet door zijn discipelen vervolmaakt wordt, maar er een tijd van apathie aanbreekt.


De nachtmerrie die Zarathoestra vervolgens ziet en aan zijn leerlingen verhaalt is alweer een vorm van apocalyptisch schrijven, door middel van een droomgezicht (zoals bijv. in het boek Danil) iets zeer verhuld uitleggen, zodat alleen ingewijden er iets van kunnen begrijpen. De uitleg van de droom komt pas in het volgende hoofdstuk, genaamd 'Van de Verlossing'. In het kort: de gehele mensheid is gevangene van het verleden. Niemand heeft zich ooit kunnen verlossen van het verleden. Het verleden is een feit en we kunnen er niets aan veranderen. Het verleden, het was, is dus de tiran die haar zware stempel op de mensheid legt.

In een zeer macaber visioen ziet Zarathoestra zichzelf als bewaker van de overblijfselen van vergane mensen en culturen. Dit dodenrijk bevindt zich op een bergburcht. Overal om hem heen zijn doodskisten. "Uit glazen doodskisten staarde mij het overwonnen leven aan." De droom laat weten dat Zarathoestra in dat dodenrijk beschikt over roestige sleutels, dwz sleutels die niemand anders ooit gebruikt heeft. De sleutels tot het begrijpen van het leven, sleutels tot hoop, wellicht sleutels om de deuren van de toekomst te openen. Hij krijgt met moeite een allerkrakendste deur open, maar daarachter ligt weer een al even levenloos landschap. Dan wordt er met donderslagen op de grote poortdeur gebonst, dwz op het beslissende punt waar men de bergburcht des doods voorgoed kan ontsnappen. Zarathoestra loopt op de deur toe en vraagt "Alpa!, wie draagt zijn as bergop? Alpa! Alpa! Wie draagt zijn as bergop?" 'Alpa' is een zelfgemaakt woord van Nietzsche, misschien uitgevonden omdat dit soort geheimtaal bij echte apocalyptiek hoort en hij ervan genoot dat het nageslacht straks eeuwenlang commentaren erover kan schrijven en er gissingen naar kan doen (zo kan men ettelijke gissingen maken naar de betekenis van juist drie donderslagen op de poortdeur)... Het duitse woord Alp betekent nachtmerrie, Alpa zou een nachtmerriedemon kunnen zijn (ook al in drien). De woorden die Zarathoestra uitroept komen we nu ook voor de derde maal tegen: de eerste twee maal zag hij zichzelf als de persoon die zijn uitgebluste figuur (as) bergop brengt en een nieuw vuur ontsteekt (Voorrede, I.3). Maar deze beslissende deur kan alleen door de Bovenmens worden opgemaakt, vandaar dat hij nu hoopvol naar een ander uitkijkt. Aangezien er niemand komt opdagen probeert hij met alle macht deze beslissende poortdeur zelf open te krijgen, maar tevergeefs. Het lukt hem niet. Uiteindelijk breekt de deur via een uitwendige kracht, een stormwind, uit zichzelf open. Maar in plaats van de bevrijding te schenken, komt er slechts een nieuwe zwarte doodskist op hem af, n die openbarst en waaruit een duizendvoudige honende schaterlach te voorschijn komt, tesamen met "tronies van kinderen, engelen, uilen, narren en vlinders zo groot als kinderen". Hij wordt honend uitgelachen en schreeuwt van grote ontzetting, beeft van ijzige schrik en valt op de grond. En wordt wakker.


De discipel die hem het dierbaarst was (toespeling op Johannesevangelie) geeft er de tegengestelde uitleg aan die de droom overduidelijk heeft: Zarathoestra is de overwinnaar, hij is het die zijn tegenstanders hoont en om ze lacht.


Nieuwe sterren liet jij ons zien en nieuwe nachtelijke pracht; voorwaar, het lachen zelf heb je als bont baldakijn boven ons uitgespannen. Voortaan zal kindergeschater uit doodskisten opwellen; voortaan komt een krachtige wind, triomferend over alle moeheid des doods: daarvoor ben jijzelf onze borg en waarzegger!


Nietzsche had in hoofdstuk II.1 veel elementen geschreven waaruit de dierbaarste discipel van Zarathoestra nu zijn uitleg put. In dat hoofdstuk predikte Zarathoestra juist deze leer die de discipel nu oplepelt, en maakte Zarathoestra dezelfde fatale interpretatie van een nachtmerrie. Nietzsche laat op deze kunstige manier zien hoe ware gelovigen altijd de leer tot het tegendeel verdraaien, aangezien men nooit objectief kan denken, maar volkomen in eenzijdige heldenverering gevangen zit, en niet tegen tegenstrijdigheden kan. Op dezelfde manier verdraait men de bijbel van eeuw tot eeuw, en het leven van Jezus, de man die bijvoorbeeld nooit een woord bedoeld voor de eeuwigheid zelf opschreef, en nooit bezig was een wereldwijde kerk te stichten. Zarathoestra kijkt de leerling langdurig aan en schudt zijn hoofd. Hij begrijpt alles nu zoveel beter, hij ziet nu in dat de droom wel degelijk op hm sloeg, en hij dit ter harte moet nemen. Blijkbaar ziet hij ogenblikkelijk in hoe:


De waarzegger echter moet eten en drinken aan mijn zijde: en voorwaar, ik wil hem een zee tonen waarin hij nog verdrinken kan!


Dit is het beslissende moment van een nieuw inzicht dat Zarathoestra krijgt, dat hem een ander mens maakt, en hem tot Bovenmens doet uitgroeien. Hij ziet opeens in wat er aan zijn leer schort, wat er aan zijn leven schort. Hij weet opeens de reden waarom het nihilisme zo ongemeen krachtig is, waarom het zelfs de allerwijsten opslokt. De oplossing voor het dilemma wordt nog niet gegeven, net als in het vorige hoofdstuk de vraag "Waarvoor is het hoog tijd?" onbeantwoord bleef. Hoe zou hij het ook aan zijn discipelen kunnen uitleggen? Ze zijn slechts 'gelovers', dwz totaal onbekend met zelf lopen, zelf nadenken. De discipelen hebben Zarathoestra driemaal verkeerd begrepen, maar hierop volgen toch Zarathoestra's woorden: "Welaan! Dit nu heeft zijn tijd; maar zorgt, mijn discipelen, voor een goede maaltijd, en vlug!" De enige maal in deel 2 waarin hij zijn volgelingen met het woord 'discipelen' aanspreekt.


De profetie aangaande de waarzegger laat zien dat Zarathoestra opeens weet hoe hij de grootste vijand van het leven kan verslaan, en de weg zal tonen naar een volledig tegendeel van de leer van de waarzegger. 'Welaan! Dit heeft zijn tijd'...maar de ongeduldigen onder ons kunnen uit het einde van de nachtmerrie wel meteen elementen halen waaruit het beslissende inzicht bestaat:
1) De angst voor ondergang, dood en nihilisme wordt door het leven in schaterlachen vanzelf weggeblazen, alsof het voor haar om het allerkleinste niemandalletje gaat. Het leven is autonoom en onoverwinnelijk.
2) Het leven kent geen schuld, kent geen goed en kwaad, maar is, naast autonoom, ook onschuldig (de betekenis van alle vreemde levensvormen die uit de laatste doodsdist tevoorschijn komen).
3) Zarathoestra's idee van de grote waarde van zijn 'unieke' missie is hopeloos opgeblazen. Het idee dat een nietig mens of groepje mensen het goddelijke vuur in een dode of dorre of afstervende wereld moet zien aan te steken, goed en kwaad denkt te moeten definiren en af te bakenen, is belachelijk. Het Leven, de Natuur, God (de mens geeft er de benaming aan al naar gelang zijn begrijpen van dat wat hij niet kn begrijpen), is de uiteindelijke autonome macht die ontzaglijk ver boven de mens staat.