Een uitleg van Aldus sprak Zarathoestra




II.2    Op de gelukzalige eilanden

De hoofdstukken 2-8 zijn een nieuwe behandeling van onderwerpen die in deel 1 zijdelings aan bod zijn geweest. Zij houden zich stuk voor stuk bezig met de hoofdleringen van het christelijk geloof (2-5) en de directe gevolgen van een maatschappij die gekweekt is op christelijke bodem (6-8). Blijkbaar moeten we Zarathoestra's opmerking dat zijn leer verdraaid is zo opvatten, dat de maatschappij het heeft klaargespeeld zijn leringen aan de leringen van de oude godsdienst te verbinden; men is via de hoofdliefhebberij van alle mensen -'erbarmelijk welbehagen' te mogen proeven-, tot een synthese gekomen door van allebei de moeilijker te pruimen zaken eraf te schaven. Zarathoestra komt nu met redevoeringen die telkens laten zien dat er geen sprake van compromis kan zijn, maar men volkomen moet breken met het christendom en de moderne tijdgeest. In de eerste vier redevoeringen behandelt hij de belangrijkste christelijke zaken, te weten het geloof in God (II.2), medelijden (II.3), de geestelijke leiders (II.4), godsdienstige deugdzaamheid (II.5). In de volgende drie hoofdstukken zien we dat alles in de moderne maatschappij draait om de lage krachten die uit de massa's naar boven drijven: in II.6 horen we over 'het gespuis' dat een stempel op het gehele leven legt, in II.7 geeft Zarathoestra een analyse van communisten (ontleed als mensen die door wraak gedreven worden) en in II.8 worden 'de wijzen' op de korrel genomen (hun 'wijsheid' wordt ontmaskerd als het immer onder woorden brengen van wat de grote massa juist wil horen, dus het gehoorzaam dienen van de behoeften van het volk). In hoofdstuk II.7 geeft Zarathoestra als alternatief op het christelijk geloof de gezonde levenswijze van de oude Grieken.


Zarathoestra zinspeelde op "de gelukzalige eilanden" in het vorige hoofdstuk, en legde het uit als de plaats waar zijn vrienden vertoeven. Dit hoofdstuk heeft als titel "Op de gelukzalige eilanden", maar verwijst er in het geheel niet naar. In het eerste hoofdstuk van deel drie komt hij er weer op terug, en laat hij weten dat de gelukzalige eilanden door een zee omgeven zijn. De gelukzalige eilanden zijn een metafoor voor een plaats van rust, het equivalent van de plekken van afzondering die Jezus nodig had in de evangeliŽn (Marcus 6:30,31). In Ecce Homo beschrijft Nietzsche de woning van Wagner -Tribschen-, waar hij sinds 1869 vaak vertoefde, als een eiland van gelukzaligen ("Insel der GlŁckseligen") voor hem.


Het waren onvergetelijke dagen, waar het leggen van het fundament geschiedde, en die bestond uit een klein groepje toegewijden, die deze gebeurtenis wist te vieren.


"Het leggen van het fundament" is hier parallel van wat Paulus deed: "Overeenkomstig de taak die God mij uit genade heeft opgelegd, heb ik als een kundig bouwmeester het fundament gelegd waar anderen op voort kunnen bouwen." (1 Kor. 3:10), en "een klein groepje toegewijden" heeft als parallel het groepje discipelen van Jezus.


Zarathoestra is de grondlegger van een geheel nieuw denken. Hij is de noordenwind, die juist blaast op het moment dat de vijgen overrijp zijn. Ze vallen nu naar beneden en scheuren open. "Ziet, wat een volheid omringt ons!" Zarathoestra verschijnt in de volheid des tijds, een zinspeling op Galaten 4:4 waar indertijd ontelbare preken over gehouden zijn: "Maar toen de volheid des tijds gekomen was zond God zijn zoon" (in de nieuwe bijbelvertaling is deze uitdrukking verdwenen). Meer nog dan de tijd waarin Jezus geboren werd kan de komst van Nietzsche's Zarathoestra als "in de volheid des tijds" worden beschouwd, omdat men tegenwoordig vanuit een overvloed aan kennis een prachtig uitzicht heeft op verre zeeŽn. Bij dit uitzicht op verre zeeŽn hoorde vroeger het woordje 'God', maar de moderne mens krijgt bij het aanzien van deze zee der mensengeschiedenis slechts een eindeloze reeks van voorbeelden van 'erbarmelijk menszijn'. Zarathoestra stelt voor het woordje God te schrappen en er het woord 'Bovenmens' voor in de plaats te zetten, een begrip dat daadwerkelijk in de toekomst door de mens gecreŽerd dient te worden.
Aangezien de Godskwestie de eerste lering is die hij aansnijdt (net als in het eerste deel, dat begint met de opmerking dat God dood is), lijkt het erop dat de grootste verdraaiing van zijn leer wel dit is, dat men het klaarspeelt zijn leer aan te hangen, maar tůch tegelijkertijd in God blijft geloven. Hij laat nu onomwonden weten dat de mens moet ophouden met het 'aankleden' van God. God is een begrip waar we helemaal geen recht aan kunnen doen. God is een gissing. En alles wat God is, is het gevolg van het ongebreideld doorfantaseren met het verstand. Maar dit onbegrensde denken van de mens staat gelijk aan in de lucht fietsen. Zarathoestra leert: "Wat niet te begrijpen, wat niet met het verstand te bevatten is, daarin moogt jullie je niet thuis voelen." Laat de mens zich in plaats daarvan alleen richten op het denkbare, het menselijk zichtbare, voelbare.


God is een gedachte die al wat recht is krom maakt, en al wat vast staat draaierig.


Een sublieme uitspraak die alles opsomt wat de theologie te bieden heeft. Alleen de theologie haalt het in haar hoofd gedachten uit te spreken zoals dat "de tijd ooit eens niet meer zal zijn", of dat "al het vergankelijke slechts schijn is", of dat de mens ten opzichte van God hopeloos schuldig is en God een bloedoffer eist om met de mens verzoend te worden.


Dit te denken is werveling en duizeling voor menselijk gebeente, het is zelfs braken voor de maag; ik noem het de draaiziekte om met zulke gedachten bezig te zijn. Kwaad noem ik het en mensvijandig: al dit leren over de Ene, de Volle, de Onbewogene, de Verzadigde en de Onvergankelijke!


Deze leringen leiden onherroepelijk tot de theologische conclusie dat al het zichtbare, aardse, vergangelijke 'slechts een gelijkenis' is, een droom, een begoocheling, niet echt. "Al het vergankelijke - dat is enkel een gelijkenis" is een citaat uit het tweede deel van Faust van Goethe. Zarathoestra draait het om: gelijkenissen moeten een lofspraak en rechtvaardiging zijn van alle vergankelijkheid. Dichters (=metafysici) zijn daarom leugenaars: ze laten hun fantasie geen werk verrichten om een loflied op het leven te maken, maar belasteren het aardse leven door de waan voor werkelijkheid te laten doorgaan. Het theologische begrip 'God' staat lijnrecht tegenover alles wat Zarathoestra voorstaat. Nietzsche heeft de woorden van Feuerbach intens tot zich door laten dringen en de conclusie getrokken dat men om gezond te worden juist omgekeerd moet denken als in de traditionele godsdienst de gewoonte is:


Religie is het door de mens uiteen trekken van zichzelf. Hij ziet God als een wezen dat de antithese is van zichzelf. God is dat wat de mens niet is. God is het onbegrensde, de mens het begrensde wezen. God is perfect, de mens is imperfect. God is eeuwig, de mens is tijdelijk. God is almachtig, de mens is zwak. God is heilig, de mens is zondig. God en de mens zijn extreme tegengestelden: God is het absoluut positieve, de som van alle werkelijkheden; de mens is het absoluut negatieve, alle negaties omvattend.
Maar in werkelijkheid beschouwt men in religie zijn eigen latente natuur. [Feuerbach, De essentie van het christelijk geloof, hoofdstuk 2]


De zin "dichters liegen teveel" wint nog aan zeggingskracht wanneer we bedenken dat Nietzsche deze uitspraak laat volgen als commentaar op de slotzin (climax) van het grootste dichterlijke opus van de grootste Duitse dichter, Goethe!
Het alternatief van Zarathoestra op al dit gissen omtrent onmogelijke, onbegrijpelijke en onzichtbare zaken is in te zien dat de goddelijke attributen in het menszijn zelf verscholen liggen. Men moet als mens zelf scheppend in het vergankelijke staan, het vergankelijke een ander aanzijn te geven. De mens moet als schepper steeds barende zijn en dŪe pijn voelen. Hij moet zijn pijn gebruiken om het bestaan er mee op te bouwen, dus pijn eerder zien als iets wat hij zelfs zou willen, omdat daardoor het kind -het produkt van de scheppende wil- geboren wordt. "Willen bevrijdt" is de leer van Zarathoestra. En de wil lokt nu met een wil van "Weg van God en goden", want "wat zou er nog te scheppen vallen zo er goden waren?" Zarathoestra geeft nu de diepste reden waarom hij het bestaan van God verwerpt: "zo er al goden waren, hoe hield ik het dan uit geen god te zijn! Dus zijn er geen goden. Weliswaar trok ik (eerst) de slotsom, maar nu trekt hij mij" De diepste reden voor het verwerpen van de oude God is de overweldigende drang tot scheppen, dus de goddelijke kracht zelf, die Zarathoestra in zichzelf voelt. Het oude denkbeeld God houdt de volkomen passiviteit van de mens in. God schept de mens naar zijn beeld, hij stippelt de paden uit die gegaan moeten worden, verbiedt de weg van kennis van goed en kwaad, de mens dient slechts te gehoorzamen, de tuin te onderhouden enz., en bovenal dient zich aan God te onderwerpen. Zarathoestra's heersende gedachte is letterlijk het tegengestelde: zelf op te treden als scheppende God. Hijzelf wil de schepper zijn van de nieuwe mens. Hij ziet voor zijn geestesoog een beeld van de toekomstige mens voor zich. Nu wordt hij met een hamer naar de tegenwoordige mensensteen gedreven en begint hij er op in te bikken. Zijn werk moge wreed zijn, -stukjes steen vliegen overal in het rond-, maar dat deert hem niet, want hij wil het beeld voltooien. Het eindresultaat doet zich in zijn fantasie voor als de verschijning van een schaduw, het stilste en lichtste, dwz het meest perfecte en schoonste aller dingen. Gedreven door deze extatisch inspirerende gedachte kan hij niet anders dan als laatste opmerking zeggen: "Ach, mijn broeders, wat gaan mij nog de goden aan!"


De eerdergenoemde metafoor van de vijgen komt in het laatste hoofdstuk van deel 2 nog eenmaal terug. Zarathoestra klaagt er in dat laatste hoofdstuk over dat hij geen gehoor krijgt, maar de mensen hem bespotten. Er wordt hem dan een nieuwe wijsheid uitgelegd: "Jeugdige trots beheerst jou nog, laat ben je jong geworden. Maar wie kind wil worden, moet ook zijn jeugd nog overwinnen. O, Zarathoestra, je vruchten zijn rijp, maar jij bent niet rijp voor jouw vruchten!"